Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3739

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/730103-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 26 juli 2018 een verdachte veroordeeld voor vijf diefstallen en een poging daartoe, alle in vereniging begaan. Verder heeft verdachte 3,05 gram speed in zijn bezit gehad.

Aan verdachte is een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, alsmede reclasseringstoezicht met een aantal bijzondere voorwaarden opgelegd. Verder werden drie vorderingen van benadeelde partijen toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Omdat verdachte bovengenoemde feiten tijdens zijn proeftijd had gepleegd, werd een voorwaardelijk opgelegde werkstraf ook nog tenuitvoergelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730103-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730110-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/129057-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te Almere, PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Pieters, advocaat te Sneek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/730103-18

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2018 tot en met 18 maart 2018 te Nij Beets, (althans) in de gemeente Opsterland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een opslagruimte heeft weggenomen een ATB-fiets (Specialized) en/op een sportfiets (Cannondale) en/of

een (heren) strandfiets (Gazelle) en/of een sportfiets (Stevens Aspen) en/of een (heren)fiets (Gazelle Medeo, zilverkleurig) en/of een (dames)fiets (Sparta Marathon, roomwit) en/of gereedschap (-onder meer- een tappenset en/of een fietsreparatieset in een koffer en/of een gereedschapsset in een doos en/of een uitdeukset in een doos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

heeft weggenomen, in/uit een of meer muntautoma(a)t(en) van een of meer wasbox(en), geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018 te Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft weggenomen, in/uit een geldautomaat van een wasstraat, geld (ongeveer 20

euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

4.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018, te Wolvega, (althans) in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen geld in/uit een geldautomaat van een wasbox, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] / [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat weg te nemen geld/goed onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij in of omstreeks het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018 te Steenwijk, (althans) in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft weggenomen, in/uit een of meer (wasstraat)automa(a)t(en), geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] / [benadeelde partij 3] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;

parketnummer 18/730110-18

1.

hij op of omstreeks 8 april 2018 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (in/uit een trailer) eet- en/of drinkwaren -onder meer- kaas en/of chips en/of gehaktballen en/of Mars-repen en/of koffie en/of creamer en/of gevulde koeken en/of chocomel en/of theezakjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak of verbreking

en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2018 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) (in totaal ongeveer 3,05 gram) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730103-18 onder 1, 2., 3., 4. en 5. en het in de zaak met parketnummer 18/730110-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder parketnummer 18/730103-18 onder 1., 2., 3., 4. en 5. en het hierna onder parketnummer 18/730110-18 onder 1. en 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juli 2018;

parketnummer 18/730103-18

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 21 maart 2018, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018065394 d.d. 3 mei 2018, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 maart 2018, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 5] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 maart 2018, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 2] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 maart 2018, opgenomen op pagina 150 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 3] ;

6. een schriftelijk stuk, te weten een niet ondertekend proces-verbaal d.d. 11 maart 2018, opgenomen op pagina 152 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 4] ;

parketnummer 18/730110-18

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 april 2018, opgenomen op pagina 49 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018084537 d.d. 3 mei 2018, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 6] ;

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 april 2018, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 24 april 2018, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhouden het relaas van [getuige 1] en [getuige 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730103-18 onder 1., 2., 3., 4. en 5. en het in de zaak met parketnummer 18/730110-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/730103-18

1.

hij in de periode van 16 maart 2018 tot en met 18 maart 2018 te Nij Beets, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een opslagruimte heeft weggenomen een ATB-fiets (Specialized) en een sportfiets (Cannondale) en een herenstrandfiets (Gazelle) en een sportfiets (Stevens Aspen) en een herenfiets (Gazelle Medeo, zilverkleurig) en een damesfiets (Sparta Marathon, roomwit) en gereedschap (-onder meer- een tappenset en een fietsreparatieset in een koffer en een gereedschapsset in een doos en een uitdeukset in een doos), toebehorende aan [slachtoffer 1] ;

2.

hij in het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018, te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, heeft weggenomen uit muntautomaten van wasboxen, geld, toebehorend aan [benadeelde partij 1] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

3.

hij in het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018 te Wolvega, tezamen en in vereniging met een ander, heeft weggenomen uit een geldautomaat van een wasstraat, ongeveer 20 euro, toebehorende aan [slachtoffer 2] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

4.

hij in het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018, te Wolvega, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen geld uit een geldautomaat van een wasbox, toebehorende aan [slachtoffer 3] / [benadeelde partij 2] en dat weg te nemen geld onder hun bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij in het tijdvak gevormd door 9 en 10 maart 2018 te Steenwijk, tezamen en in vereniging met een ander, heeft weggenomen uit wasstraatautomaten, geld, toebehorende aan [slachtoffer 4] / [benadeelde partij 3] , met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

parketnummer 18/73110-18

1.

hij op 8 april 2018 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een trailer eet- en drinkwaren -onder meer- kaas en chips en gehaktballen en Mars-repen en koffie en creamer en gevulde koeken en chocomel en theezakjes, toebehorende aan [benadeelde partij 4] , terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming;

2.

hij op 8 april 2018 te Heerenveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal ongeveer 3,05 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/730103-18

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen;

2. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

3. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

parketnummer 18/730110-18

1. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 18/730103-18 onder 1.,2., 3., 4. en 5. en het in de zaak met parketnummer 18/730110-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, het deelnemen aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, het meewerken aan een ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een zo beperkt mogelijke onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Verdachte heeft zich bereid verklaard de gevorderde bijzondere voorwaarden na te komen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft schuldig gemaakt aan vijf diefstallen en een poging daartoe, alle in vereniging begaan. Door zijn handelen laat verdachte zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van anderen en heeft hij overlast en grote schade veroorzaakt. Dat verdachte de diefstallen heeft begaan met minderjarige mededaders rekent de rechtbank verdachte aan. Verder heeft verdachte 3,05 gram speed in zijn bezit gehad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Uit het rapport van de reclassering van het Leger des Heils van 6 juni 2018 blijkt dat verdachte een kwetsbare man is die over onvoldoende vaardigheden beschikt om een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan op te bouwen. Mogelijk ligt hieraan een verstandelijk beperking en een eigengereid karakter ter grondslag. Als beschermende factor ziet de reclassering de ondersteuning van zijn ouders en dat hij een vaste baan heeft, welke baan hem structuur en een stabiel inkomen geeft. Verdachte woont in een stacaravan op het erf van zijn ouders en wordt financieel door hen ondersteund. Er is sprake van een beschermingsbewind, maar verdachte ontvangt geen leefgeld, hetgeen een risicofactor is. Het lukt verdachte niet om afstand te nemen van risicovolle contacten.

Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat, gelet op verdachtes problematiek, ter voorkoming van recidive zeker behandeling en begeleiding van verdachte nodig zal zijn. Een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aansluitend een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals door de verdediging is voorgesteld, doet echter onvoldoende recht aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd en het strafblad van verdachte, is een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden. De rechtbank zal de officier van justitie derhalve volgen in zijn eis, met dien verstande dat wanneer de reclassering het noodzakelijk acht, verdachte eveneens een behandeling voor zijn mogelijke verslavingsproblematiek dient te ondergaan.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 5.972,34 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 5] , tot een bedrag van € 440,49 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 3.334,76 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met uitzondering van de door de bedrijven gevorderde BTW, toewijzing gevorderd van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman de hoogte van de vordering gemotiveerd betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het procesdossier niet blijkt dat de fietsen door verdachte dan wel zijn mededader beschadigd zijn, dat bij een aantal fietsen de afschrijving te laag is geweest en dat de vergoeding voor het gereedschap een schatting betreft en deze post niet is onderbouwd. Ook heeft de raadsman gemotiveerd betwist dat er schade is door verlies van inkomen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft de raadsman de reparatiekosten welke in eigen beheer zijn verricht, betwist omdat deze kosten niet zijn onderbouwd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de raadsman aangevoerd dat omdat een uittreksel van de Kamer van Koophandel ontbreekt, het niet duidelijk is wie gerechtigd is de vordering in te dienen. Die vordering zal daarom moeten worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de gevorderde BTW af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/730103-18 onder 1., 3. en 4. bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vorderingen puntsgewijs bespreken.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht voldoende onderbouwd door de benadeelde partij dat door het handelen van verdachte en zijn mededader (het in een auto dan wel busje vervoeren van de fietsen en het stallen van de fietsen in een tuin, dan wel schuur, en het gebruik maken daarvan dan wel het onherkenbaar maken van een van de fietsen door deze te spuiten) in meer of mindere mate schade is toegebracht aan de fietsen.

-ATB-fiets Specialized

De rechtbank is van oordeel dat een afschrijving van 10% conform de afschrijvingsnormen van het verbond van verzekeraars voor een duurdere fiets is en zal derhalve het gevorderde bedrag van € 2.133,68 toewijzen.

-Sportfiets Cannondale

Deze schadepost is gemotiveerd betwist. De rechtbank kan niet precies vaststellen in welke mate de fiets is beschadigd door het strafbare handelen en de rechtbank zal daarom de schade naar redelijkheid en billijkheid schatten op € 750,00.

-Heren (strand)fiets Gazelle

Omdat de hoogte van dit deel van de vordering niet door verdachte is betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 251,43 toewijzen.

-Sportfiets Stevens Aspen

Omdat de hoogte van dit deel van de vordering – mede gelet op de onderbouwing daarvan - onvoldoende door verdachte is betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 500,00 toewijzen.

-Herenfiets Gazelle Medeo

Omdat de hoogte van dit deel van de vordering niet door verdachte is betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 91,00 toewijzen.

-Damesfiets Sparta Marathon

Deze schadepost is gemotiveerd betwist. De rechtbank kan niet precies vaststellen in welke mate de fiets is beschadigd door het strafbare handelen en de rechtbank zal daarom de schade naar redelijkheid en billijkheid schatten op € 100,00.

-Huur ATB-carbon

De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 200,00 toewijzen omdat naar het oordeel van de rechtbank het causale verband tussen de gevorderde schade en het strafbare handelen door verdachte en zijn mededader onvoldoende is betwist en de hoogte van de gevorderde de schade voldoende is onderbouwd

-Herstel tijdelijke fiets

De rechtbank zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren omdat naar het oordeel van de rechtbank de gevorderde schade onvoldoende is onderbouwd.

-Gereedschap

De rechtbank acht het aannemelijk dat er schade is doordat vast staat dat niet alle gereedschap is teruggegeven en omdat niet helemaal duidelijk is welk gereedschap niet is teruggeven, schat zij de schade naar redelijkheid en billijkheid op € 100,00.

-Verlies van arbeidsinkomen

Deze schadepost is gemotiveerd betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren omdat naar het oordeel van de rechtbank deze gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.

-Reiskosten

Omdat de hoogte van dit deel van de vordering niet door verdachte is betwist, zal de rechtbank het gevorderde bedrag van € 104,67 toewijzen.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, een totaalbedrag van € 4.230,78 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2018.

Benadeelde partij [benadeelde partij 5]

-reparatiekosten

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Niet is met stukken onderbouwd gesteld hoeveel uur en tegen welk loon werkzaamheden in eigen beheer zijn uitgevoerd. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

-muntproever

De rechtbank zal een bedrag van € 159,72 toewijzen, omdat de BTW een voor de benadeelde partij verrekenbare post is.

- [naam]

De rechtbank zal een bedrag van € 22,50 toewijzen, omdat de BTW een voor de benadeelde partij verrekenbare post is.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, een totaalbedrag van € 182,22 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 maart 2018.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is geworden dat de heer [slachtoffer 3] bevoegd is namens [benadeelde partij 2] de onderhavige vordering in te dienen.

Namens [benadeelde partij 2] is de heer [slachtoffer 3] ter zitting verschenen en heeft hij toegelicht dat [benadeelde partij 2] een eenmanszaak is en dat hij de eigenaar is. De rechtbank acht deze toelichting voldoende en het verweer van de raadsman dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat er geen uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel is overgelegd, wordt daarom verworpen.

Met betrekking tot de gevorderde BTW heeft de heer [slachtoffer 3] aangegeven dat dit een voor hem verrekenbare post is en dat hij zijn vordering met het BTW-bedrag vermindert. De rechtbank zal daarom het gevorderde bedrag (dus minus de BTW) toewijzen.

De rechtbank zal, gelet op het bovenstaande, een totaalbedrag van € 2.756,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 maart 2018.

Ten aanzien van alle benadeelde partij vorderingen

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 21 september 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 5 oktober 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 22 juni 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 21 september 2016 voorwaardelijk opgelegde taakstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder in de zaak met parketnummer 18/730103-18 onder 1., 2., 3., 4. en 5. en het in de zaak met parketnummer 18/730110-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ACHT MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Leger des Heils, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden en zich houdt aan de aanwijzingen die hem namens de reclassering worden gegeven, ook als dat, gelet op veroordeeldes mogelijke verslavingsproblematiek een behandeling bij Verslavingszorg Noord Nederland of soortgelijke instelling mocht inhouden, en zich blijft melden zolang en zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren, zal deelnemen aan de gedragsinterventie COVA/COVA PLUS of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zich meldt voor diagnostiek en -indien nodig- zich gedurende de proeftijd van drie jaren of zoveel korter als de reclassering noodzakelijk vindt, onder behandeling zal stellen van de Poli Forensische Psychiatrie of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die deze instelling hem geeft;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaren of zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/730103-18, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.230,78 (zegge: vierduizend tweehonderddertig euro en achtenzeventig cent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 4.230,78 (zegge: vierduizend tweehonderddertig euro en achtenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 52 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Ten aanzien van 18/730103-18, feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 182,22 (zegge: honderd tweeëntachtig euro en tweeëntwintig cent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] , te betalen een bedrag van € 182,22 (zegge: honderd tweeëntachtig euro en tweeëntwintig cent euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Ten aanzien van 18/730103-18, feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.756,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzesenvijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 2.756,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzesenvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte of zijn mededader aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2018.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/129057-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de taakstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 21 september 2016, te weten: een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2018.

Mrs. Dijkstra en Vlietstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.