Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3703

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
18/720299-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan diefstal van boeken, waaronder bij de Bruna in Groningen. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de psychische problematiek van verdachte, die een grote rol speelt bij het delictgedrag. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720299-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 september 2017, te Groningen, in/uit een filiaal van de winkel " [benadeelde partij 1] ", gevestigd aan het [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (groot) aantal boeken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan " [benadeelde partij 1] ", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft te kennen gegeven dat de onder 1., 2., 3., 4., 5., 6., 7., 9. en 10. ad-informandum gevoegde feiten kunnen worden meegenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 september 2017, opgenomen op pagina 72 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018003702 d.d. 20 maart 2018, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 september 2017, te Groningen, uit een filiaal van de winkel " [benadeelde partij 1] ", gevestigd aan het [straatnaam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal boeken, toebehorende aan " [benadeelde partij 1] ".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren, met daarbij de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde betreffende begeleid wonen heeft de raadsman aangevoerd dat deze voorwaarde dient te gelden ofwel als verdachte nieuwe feiten pleegt, ofwel als hij zijn woning kwijt raakt. De raadsman heeft bepleit te komen tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het reclasseringsrapport, waartoe de psycholoog als referent is gevraagd, alsmede uit de omstandigheden uit het dossier, blijkt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Indien de rechtbank van oordeel is dat dit niet kan worden vastgesteld, dan doet de raadsman een voorwaardelijk verzoek de zaak aan te houden om het NIFP over de toerekeningsvatbaarheid te laten rapporteren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende onder 1., 2., 3., 4., 5., 6., 7., 9. en 10. ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meerdere keren schuldig gemaakt aan diefstal van boeken, waaronder bij de [benadeelde partij 1] in Groningen. De rechtbank overweegt dat verdachte door zijn handelen heeft bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit. Verdachte heeft door het plegen van deze feiten aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Winkeldiefstallen veroorzaken veel overlast voor winkeliers. Als reactie op deze strafbare feiten is een gevangenisstraf het uitgangspunt.

De rechtbank heeft ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder meerdere keren is veroordeeld tot gevangenisstraffen wegens vermogensdelicten. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in twee proeftijden liep van veroordelingen die zien op soortgelijke feiten. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis al geruime tijd een enkelband draagt, waardoor hij wordt beperkt in zijn de vrijheid.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat ondanks dat verdachte in een proeftijd liep en diverse eerder geboden kansen, hij toch weer in de fout is gegaan. Behalve financiële problematiek lijkt psychische problematiek een grote rol te spelen bij het delictgedrag. Bij verdachte is in 2008 onder andere het syndroom van Asperger vastgesteld. De kenmerken daarvan zijn er nog steeds. Bij onverwachte zaken kan een emotionele spanning en onrust ontstaan die hij niet kan kanaliseren en dat zou leiden tot een drang tot het plegen van diefstallen. Impulsief handelen ten gevolge van vastgestelde ADHD bevordert dit. Een verzamelwoede die eveneens samenhangt met het syndroom van Asperger speelt volgens de reclassering ook een rol. Het is een soort verslaving, waaraan hij moeilijk weerstand kan bieden. Het syndroom van Asperger en de eerder vastgestelde grote discrepantie tussen de intellectuele en verbale capaciteiten en het uitvoerende functioneren leidt ook tot problemen op andere leefgebieden (huisvesting, zelfverzorging, relaties, werk) en betekent dat verdachte niet zelfstandig kan functioneren in de maatschappij. Ondanks dat verdachte baat lijkt te hebben en ook gemotiveerd voor hulp zegt te zijn, heeft hij ook continu de neiging zijn eigen gang te gaan, aanwijzingen niet op te volgen en steeds weer de grenzen op te zoeken en niet te doen wat zou moeten. Na de schorsing met reclasseringstoezicht met elektronische controle lijkt er sprake te zijn van vooruitgang. Middels beloning met vrijheden en hulp is de woning behoorlijk opgeruimd. Dat lijkt verdachte rust te geven, net als het verbod om niet naar winkels te gaan. De controle met EC/GPS is volgens de diverse referenten de belangrijkste reden dat het de goede kant op gaat met betrokkene en dat hij niet is gerecidiveerd. Verdachte zelf zegt het van groot belang te vinden dat hij zijn huidige woning en zijn hond kan houden. De kans op recidive wordt ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een locatieverbod met elektronische controle, zonodig begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan schuldhulpverlening.

De rechtbank overweegt dat uit het reclasseringsrapport volgt dat de psychische problematiek van verdachte een grote rol speelt bij het delictgedrag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank houdt hier bij de strafoplegging rekening mee.

Gelet op het advies van de reclassering en gericht op het voorkomen van recidive in de toekomst zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Ten aanzien van het ten laste gelegde:

1. [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 1.300,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van een bedrag van € 189,00 en vordert de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 25,00. Hij heeft daartoe aangevoerd dat na het informeren bij de branche, blijkt dat de daadwerkelijke schade die het bedrijf heeft gehad neerkomt op dit bedrag.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het feit schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte door verdachte is betwist, zal gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 189,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 september 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank overweegt hiertoe dat de door verdachte gestolen boeken naar de winkel zijn teruggegaan. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van het onder 1. ad-informandum gevoegde feit:

2. [medewerker 2] , gemachtigd door [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 44,49 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de twee boeken, waarvan de schade gevorderd wordt, naar de winkel zijn teruggegaan en het lastig is om de schade te bepalen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de boeken naar de winkel zijn teruggegaan en er daardoor geen schade meer is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de door de benadeelde partij gevorderde schade de waarde van de gestolen boeken bedraagt. De door verdachte bij de [benadeelde partij 2] gestolen boeken zijn naar deze winkel teruggegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van het onder 4. ad-informandum gevoegde feit:

3. [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 425,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de boeken, waarvan de schade gevorderd wordt, naar de winkel zijn teruggegaan en het lastig is om de schade te bepalen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in de vordering niet wordt onderbouwd welke boeken zijn weggenomen. Ook is er geen bewijs toegevoegd en wordt enkel genoemd dat er boeken weg zijn genomen.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 4. ad-informandum bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 18/000672-17

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 april 2017, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 april 2017.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 9 augustus 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van twee maanden gevangenisstraf. Ten aanzien van de overige twee maanden gevangenisstraf vordert de officier van justitie omzetting naar een werkstraf voor de duur van 120 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vier maanden gevangenisstraf om te zetten naar een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 10 april 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 18/202480-13

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 februari 2014, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 februari 2014. De proeftijd is verlengd op 2 december 2015.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 3 augustus 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie, gelet op het tijdsverloop, gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van tijdsverloop, alsmede dat de proeftijd niet meer verlengd kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 11 februari 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 205 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden ( [telefoonnumer] ) en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen en zich zal laten begeleiden door Lentis GGZ of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die hij in het kader van die behandeling zal krijgen;

3. dat de veroordeelde zich zal bevinden op het adres [straatnaam] te [woonplaats] op nader door de reclassering te bepalen tijdstippen en zich niet zal bevinden rondom een door de reclassering aan te geven straal buiten dit woonadres en mee zal werken aan elektronische controle op dit locatieverbod;

4. dat de veroordeelde geen winkels zal bezoeken welk een ruim assortiment aan boeken, platen en CD's en DVD's hebben;

5. dat de veroordeelde zonodig, wanneer hij zijn huisvesting kwijt raakt of zich niet houdt aan de afspraken rond de huisvesting met de reclassering, wordt verplicht om in een nader te bepalen 24-uurs voorziening of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. dat de veroordeelde zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de veroordeelde de reclassering inzicht zal geven in zijn financiën en schulden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 189,00 (zegge: honderdnegenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2017.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 189,00 (zegge: honderdnegenentachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 189,00 aan materiële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [medewerker 2] , gemachtigd door [benadeelde partij 2] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/000672-17:

Gelast het verrichten van een taakstraf voor de duur van 240 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 10 april 2017.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van vier maanden zal worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/202480-13:

Gelast het verrichten van een taakstraf voor de duur van 40 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van twee weken, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 11 februari 2014.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van twee weken zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2018.