Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3694

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
18/850098-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft een 35-jarige man veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis voor het knippen van een hoeveelheid hennep, samen met anderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850098-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een loods aan [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 488 hennepplanten en/of 47,2 kg

(natte) henneptoppen, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 488 hennepplanten en/of 47,2 kg (natte) henneptoppen,

althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

Het proces-verbaal op pagina 42 van het dossier, waarin wordt gesproken over 47,2 kilo natte henneptoppen en 8 tonnen met (niet-geknipte) hennepplanten waarin tezamen 560 planten zaten, is zo onduidelijk opgemaakt dat niet helder is of juist is geverbaliseerd. Onduidelijk is of de natte henneptoppen uit één van de acht tonnen komen en of de hoeveelheden wel kloppen.

Deze wijze van verbaliseren is in strijd met de goede procesorde, zodanig, dat op basis van het Zwolsman-criterium, tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet worden besloten.

Standpunt van de officier van justitie

In een aanvullend proces-verbaal d.d. 3 april 2017 zijn de genoemde aantallen verbeterd, zodat voldoende helderheid is geboden om hoeveel hennepplanten en henneptoppen het gaat. Verbalisanten hebben op ambtseed hun proces-verbaal opgemaakt. Er is geen onduidelijkheid. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in haar vervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in het door de raadsman genoemde (inleidende) proces-verbaal op pagina 42 een samenvatting wordt gegeven van de onderzoeksresultaten. Uit andere processen-verbaal in het dossier, die concreet zien op de verrichte onderzoekshandelingen - te weten de processen-verbaal van 15 november 2015 (pagina 217), 18 november 2015 (pagina 229), 23 november 2015 (pagina 289) - blijkt dat er acht blauwe tonnen met hennepplanten zijn aangetroffen in een bestelwagen en dat daarnaast in de knipruimte geknipte henneptoppen zijn aangetroffen. De hennepplanten in de tonnen uit de bestelauto zijn vervolgens geteld/geschat en de geknipte (natte) henneptoppen zijn gewogen. Uit de hiervoor genoemde processen-verbaal wordt voldoende duidelijk hoe de totale hoeveelheid hennep is berekend. Van te slordig of onjuist verbaliseren is geen sprake. Weliswaar is in de samenvatting op pagina 42 in de berekening ten onrechte uitgegaan van 70 planten per ton; in het proces-verbaal van 23 november 2015 is geverbaliseerd dat het om 61 planten per ton gaat en deze fout is in het proces-verbaal van 3 april 2017 vervolgens hersteld. Er is, anders dan de raadsman heeft bepleit, dan ook geen aanleiding het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachtes rol in elk geval niet groter is geweest dan het knippen van de hennep. Door de politie is uitdrukkelijk gevraagd aan diverse getuigen wat zijn rol in het geheel was. Daaruit blijkt echter niet meer dan dat hij een vage relatie heeft gehad met medeverdachte. Hij heeft broodjes voor de knippers gesmeerd. Dat is wellicht een ondersteunende handeling, maar van medeplegen is geen sprake.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 3 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 14 november 2015 was ik aanwezig in de loods te [pleegplaats].

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor respectievelijk d.d. 14 en 15 november 2015, opgenomen op pagina 119 en 121 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

A: Ik ben vandaag betrapt bij het knippen van wiet.

V: Je zit daar met 9 mannen en vrouwen. Is iedereen gaan knippen?

A : Ja

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor respectievelijk d.d. 16 november 2015, opgenomen op pagina 67 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring [getuige 2]:

U vraagt mij wie ik allemaal kende van de andere knippers. Ik ken [naam 1], [naam 2],

[naam 3], mijn moeder en [naam 4].

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen aantreffen hennepknipperij d.d. 15 november 2015, opgenomen op pagina 217 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Terzake een verdenking van overtreding van de Opiumwet stelden wij op zaterdag 14

november 2015 te 13:15 uur een onderzoek in op het adres [straatnaam], [pleegplaats],

binnen de gemeente Eemsmond. De loods bestond globaal gezien uit drie gedeeltes: een grote ruimte en kleine ruimtes. Ook stonden er twee bestelauto's. In een van de bestelauto's stonden na deze te hebben geopend, 8 blauwe tonnen. In deze tonnen zagen wij nadat deze waren geopend dat deze tonnen vol zaten met hennepplanten. Het andere kleine gedeelte was in gebruik als "knipruimte". Rond de tafel stonden drie zwarte tonnen met daarin geknipte henneptoppen. Bij de lange tafel langs de wand stonden twee zwarte bakken met geknipte toppen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2015, opgenomen op pagina 229 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

[verbalisant 1] en [verbalisant 2], bij het Beslaghuis Noord-Nederland gelegen aan de Sontweg 8 te Groningen met als taak een partij hennep te wegen. Dit naar aanleiding van de inbeslagneming van een drietal vaten met henneptoppen, afkomstig uit een hennepknipperij gevestigd aan [straatnaam] te [pleegplaats].

Wij, verbalisanten, zagen dat de weegschaal bij precariozak 729451 7,50 kg aangaf.

Wij, verbalisanten, zagen dat de weegschaal bij precariozak 729450 4,60 kg aangaf.

Wij, verbalisanten, zagen dat de weegschaal bij precariozak 729453 13,05 kg aangaf.

Wij, verbalisanten, zagen dat de weegschaal bij precariozak 729452 10,25 kg aangaf.

Wij, verbalisanten, zagen dat de weegschaal bij precariozak 729447 3,90 kg aangaf.

De henneptoppen welke zich in precariozak 729447 bevonden, waren verpakt in een tweetal (2) precariozakken omdat een (1) zak beschadigd was. Met aftrek van het gewicht van een zevental (7) precariozakken a 10 gram per stuk zagen wij dat het totale gewicht van de hennep 47.20 kilogram betrof.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij op 14 november 2015 aanwezig is geweest in de loods te [pleegplaats]. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt duidelijk dat in deze loods hennep geknipt werd door een groep mensen. Uit deze getuigenverklaringen komt naar voren dat ook verdachte een van de mensen was die hennep heeft geknipt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen de knippers, zodat sprake is van medeplegen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 november 2015 te [pleegplaats], gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, (in een loods aan [straatnaam]), een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, en 47,2 kg (natte) henneptoppen, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat de ouderdom van de zaak leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn, zodat zij een lagere straf zal eisen. Zij heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals de reclassering dat heeft geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens aangegeven dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft gepleit voor een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is betrokken geweest bij een hennepknipperij te [pleegplaats]. Hij heeft samen met anderen een hoeveelheid hennep geknipt. De rechtbank gaat er van uit dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] een leidende rol heeft gespeeld. Hij heeft getuige [getuige 3] benaderd om te helpen knippen en zijn daartoe speciaal ingerichte bus werd gebruikt voor het vervoer van de knippers naar de kniplocatie.

Uit deze verklaringen is ook aannemelijk geworden dat verdachte zich al meerdere jaren met dit soort activiteiten op die manier bezig houdt.

Ter terechtzitting heeft verdachte een beroep gedaan op zijn zwijgrecht, zodat hij geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn kwalijke handelen. Bij de reclassering heeft hij ook geen openheid van zaken willen geven. Zijn aldaar wel toegegeven betrokkenheid ontkent hij ter zitting. Bij de reclassering heeft hij overigens ook verteld te hebben gehandeld vanuit financiële doeleinden. Geadviseerd wordt om verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een Cognitieve Vaardigheidstraining+ om in de toekomst herhaling te voorkomen.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het zijn betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast houdt zij er rekening mee dat het feit meer dan twee jaargeleden is gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de vervolging dient plaats te vinden op grond van artikel 6 van het EVRM. Zij acht een strafkorting op zijn plaats. Het uitgangspunt voor de rechtbank zou een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden zijn geweest, maar gezien het tijdsverloop zal zij de strafmodaliteit wijzigen en een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen voor na te melden duur.

Voor het daarnaast opleggen van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals de reclassering heeft geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding, nu verdachte bij hem aanwezige persoonlijke problematiek niet erkent en daarom hulp niet nodig vindt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2018.