Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3662

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
18/221644-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking tot een taakstraf voor de duur van 160 uren. Verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde diefstal en valsheid in geschrifte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/221644-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
30 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 11 maart 2015 te Hoogeveen en/of Pesse, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van bankrekening [nummer] toebehorende aan [slachtoffer] heeft weggenomen meerdere geldbedragen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte (telkens) de weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel; te weten (telkens) door het onbevoegd gebruik

maken van de bank/pinpas met bijbehorende pincode van [slachtoffer] ;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 11 maart 2015 te Hoogeveen en/of Pesse, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk meermalen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welke goederen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als thuiszorgmedewerkster, in elk geval anders dan door

misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij, in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 11 maart 2015 te Hoogeveen en/of Elim, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste betaalopdracht, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat die ingevulde betaalopdrachten opgestuurd zijn naar de Rabobank, althans een bankinstelling en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de betaalopdrachten niet zijn ingevuld door [slachtoffer] , zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als thuiszorgmedewerker de beschikking gehad over de pinpas met pincode van mevrouw [slachtoffer] . Verdachte heeft buiten haar werktijden om onbevoegd gebruik gemaakt van de pinpas van [slachtoffer] door contante geldbedragen op te nemen en pinbetalingen te doen ten gunste van haarzelf. Aangezien verdachte de pinpas anders dan door diefstal onder zich had, heeft verdachte door zich deze geldbedragen toe te eigenen zich schuldig gemaakt aan verduistering.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte bewust gebruik heeft gemaakt van vervalste bankoverschrijvingen met het oogmerk deze als onvervalst te gebruiken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de bankoverschrijvingen met twee verschillende handschriften zijn opgesteld. Ook de moneygram-overboekingen naar het buitenland kunnen volgens de officier van justitie als valsheid in geschrift worden aangemerkt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte de pinpas rechtmatig onder zich had, met medeweten van mevrouw [slachtoffer] . Verdachte heeft toestemming gekregen van mevrouw [slachtoffer] om met de pinpas brandstof en een rekening van de tandarts te betalen. Daarbij bevinden zich in het dossier geen concrete bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het verdachte is geweest die met de pinpas contante geldbedragen heeft opgenomen.

Met betrekking tot de overboekingen van de bankrekening van [slachtoffer] naar de bankrekening van verdachte heeft hij aangevoerd dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening van geldbedragen aangezien de bedragen die verdachte heeft ontvangen door [slachtoffer] aan haar zijn geschonken. Deze schenkingen mocht verdachte gebruiken om schulden af te lossen.

Verder heeft de raadsman betwist dat er sprake is van de strafverzwarende omstandigheid “uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als thuiszorgmedewerkster”. Veel transacties hebben plaatsgevonden buiten de reguliere werktijden van verdachte en daarmee hebben de feiten niet gedurende de dienstbetrekking van verdachte plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de handschriften op de betaalopdrachten weliswaar verschillend lijken, maar dat hier geen nader onderzoek naar heeft plaatsgevonden door een deskundige. Ook wanneer de handschriften daadwerkelijk verschillend zijn, betekent dat volgens de raadsman niet per definitie dat deze betaalopdrachten ook valselijk zijn opgemaakt.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , opgenomen op pagina 97 e.v. van het dossier, moet worden uitgesloten van het bewijs. Aangezien de bankafschriften van verdachte niet aan het dossier zijn toegevoegd kan de verdediging niet controleren of de bevindingen van de verbalisant juist zijn en kan ook niet worden beoordeeld of er in de bankafschriften eventueel ontlastend bewijs aanwezig is. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er hierdoor sprake is van een dusdanig verzuim dat dit proces-verbaal moet worden uitgesloten van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het verzoek tot uitsluiting van bewijs.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim dat dient te leiden tot uitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , opgenomen op pagina 97 e.v. van het dossier. De raadsman heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verdachte door het ontbreken van de bankafschriften in het strafdossier in haar verdediging zou zijn geschaad. De suggestie van de raadsman dat in de bankafschriften van verdachte mogelijk ontlastend bewijs zou kunnen worden gevonden is niet nader onderbouwd. Bovendien heeft de verdediging zelf de mogelijkheid gehad om eventuele bankgegevens op te vragen en te onderzoeken. Het verzoek van de verdediging tot uitsluiting van het bewijs wordt derhalve afgewezen.

De feiten waarvan de rechtbank verdachte zal vrijspreken.

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Verdachte heeft bij de politie erkend dat zij een tandartsrekening en brandstofkosten heeft betaald met de pinpas van [slachtoffer] . Zij stelt daarbij dat [slachtoffer] toestemming heeft gegeven voor deze betalingen. Aangezien [slachtoffer] vanwege haar geestelijke gesteldheid niet is gehoord door de politie, kan niet worden vastgesteld of verdachte daadwerkelijk toestemming heeft gekregen van mevrouw [slachtoffer] om gebruik te maken van haar pinpas. De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel staat dat [slachtoffer] toestemming heeft gegeven, en heeft kunnen geven, voor het gebruiken van de pinpas voor bepaalde aankopen ten gunste van [slachtoffer] en/of verdachte, waardoor diefstal niet kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De rechtbank zal verdachte tevens vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Verdachte wordt verweten dat zij opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste betaalopdrachten als waren die geschriften echt en onvervalst. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op het feit dat er kennelijk twee verschillende handschriften op de betaalopdrachten staan, dit ook betekent dat deze betaalopdrachten valselijk zijn opgemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze betaalopdrachten valselijk zijn opgemaakt. Dat de omschrijving op de betaalopdrachten mogelijk niet is ingevuld door [slachtoffer] maakt niet dat deze bankoverschrijvingen ook valselijk zijn opgemaakt. Uit het dossier is niet gebleken dat er nader onderzoek is verricht naar het handschrift en de handtekening op de bankoverschrijvingen. Daarbij is het niet uitgesloten dat verdachte, of iemand anders, heeft geholpen met het invullen van de bankoverschrijvingen, waarna [slachtoffer] deze heeft ondertekend. De vraag of [slachtoffer] op dat moment geestelijk in staat was om haar wil te bepalen met betrekking tot het doen van deze overschrijvingen, staat los van de vraag of er sprake is geweest van een valse of vervalste betaalopdracht. Hoewel de gang van zaken ook hier de nodige vraagtekens oproept, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het onder 2 ten laste gelegde feit en zal verdachte in zoverre worden vrijgesproken.

De feiten die de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring voor het onder 1 subsidiair ten laste gelegde verduistering te komen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode als medewerker van [bedrijf 1] twee maal per week gedurende telkens drie uur was belast met zorg ten behoeve van [slachtoffer] . Tot de werkzaamheden behoorde onder meer huishoudelijk werk, waaronder het doen van boodschappen, omdat [slachtoffer] daartoe niet meer in staat was. De verdachte heeft in die hoedanigheid kunnen beschikken over de bankpas en pincode, en daarmee over de rekening van [slachtoffer] . De verdachte had het saldo van de bankrekening van [slachtoffer] aldus anders dan door misdrijf onder zich, als bedoeld in art. 322 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Van de rekening van [slachtoffer] zijn gedurende een periode van september 2014 tot en met maart 2015 moneygram-transfers gedaan voor een totaalbedrag van € 11.637,-. Deze betalingen zijn op één na allemaal gedaan ten gunste van [naam 1] te [woonplaats] .

Wat opvalt uit de analyse van de bankgegevens van verdachte is dat verdachte ook vanaf haar eigen bankrekening op meerdere momenten verschillende bedragen heeft overgemaakt naar dezelfde persoon in [woonplaats] .

Uit het onderzoek naar de moneygram-transfers die door verdachte zijn gedaan blijkt dat verdachte zowel vanaf haar eigen bankrekening als vanaf de bankrekening van [slachtoffer] moneygram-transfers heeft gedaan. Ook heeft verdachte verschillende malen moneygram-transfers met contant geld uitgevoerd.

Dat verdachte dit steeds heeft gedaan is gebleken uit het feit dat verdachte zich telkens heeft gelegitimeerd met haar eigen identiteitsbewijs. Uit de verklaring van een medewerker van het agentschap van PostNL in de [bedrijf 2] te Pesse, alwaar een groot deel van de moneygram-transfers hebben plaatsgevonden, blijkt dat verdachte tijdens het doen van deze moneygram-transfers altijd alleen was. Ook heeft verdachte tegenover de medewerker verklaard dat het geld voor haar vriend in [woonplaats] bestemd was en dat deze vriend daar bezig was met het opzetten van een school. Tegenover de politie heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] eveneens een schoolproject in [woonplaats] zou steunen en dat de moneygram-transfers daarvoor bedoeld waren. Deze stelling is echter op geen enkele manier nader onderbouwd. Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat de moneygram-transfers op initiatief van én ten behoeve van verdachte zijn gedaan.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] uit eigen overweging een schoolproject in [woonplaats] zou steunen volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht bewezen dat het de verdachte is geweest die deze overboekingen te eigen bate heeft gedaan, zonder daartoe gerechtigd te zijn. Zij heeft daarmee te eigen bate beschikt over het aan haar toevertrouwde saldo van de bankrekening van [slachtoffer] en zich dit aldus wederrechtelijk toegeëigend. Dat de gelden niet direct ten goede zijn gekomen aan verdachte doet daar niet aan af.

Ten aanzien van de opnames van contante geldbedragen met de pinpas van [slachtoffer] overweegt de rechtbank als volgt.

Van de rekening van [slachtoffer] zijn gedurende een periode van een jaar, van april 2014 tot en met maart 2015, grote bedragen met haar pinpas opgenomen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of bewezen kan worden dat het verdachte is geweest die deze bedragen, zonder daartoe gerechtigd te zijn, heeft opgenomen. Rechtstreeks bewijs dat verdachte deze bedragen heeft opgenomen, is er niet. Er bevinden zich bijvoorbeeld geen beelden van deze pinopnames in het dossier.

Wel zijn deze bedragen opgenomen in de periode dat verdachte voor [slachtoffer] werkzaam was en, op zijn minst geregeld, de pinpas van [slachtoffer] tot haar beschikking had.

Ook is dit gebeurd in dezelfde periode waarover de rechtbank, aantoonbaar, bewezen acht dat verdachte bedragen naar Afrika via moneygram-transfers overmaakte met gebruik van de pinpas van [slachtoffer] zonder dat zij daartoe gerechtigd was.

Daarnaast werden er in dezelfde periode, en vaak op dezelfde dag als de pinopnames, grote contante bedragen gestort op de bankrekening van verdachte, tot een totaal van € 8.450,-. Verdachte had slechts de beschikking over een minimuminkomen en had in die periode grote financiële problemen, zoals zijzelf bij de politie heeft verklaard en ook blijkt uit de verklaring van haar werkgever, die spreekt over loonbeslagen door schuldeisers. Van enige andere inkomstenbron, die de herkomst van deze gestorte bedragen kan verklaren, is niet gebleken. Verdachte zelf heeft geen verklaring willen geven met betrekking tot de stortingen en herkomst van deze grote bedragen op haar rekening. Ter terechtzitting is aan verdachte nadrukkelijk gevraagd om een verklaring, maar zij heeft zich beroepen op haar zwijgrecht. Verdachte is niet verplicht antwoord te geven op vragen en mag zich beroepen op haar zwijgrecht. Indien er evenwel sprake is van een situatie die “schreeuwt om een uitleg” kan de omstandigheid dat geen verklaring wordt gegeven en wordt volstaan met een beroep op het zwijgrecht ertoe leiden dat dit wordt meegewogen bij de vraag of het ten laste gelegde bewezen wordt geacht. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat zich een situatie voordoet die schreeuwt om een uitleg en dat het uitblijven van een verklaring in het nadeel van verdachte mag meewegen.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van de verduistering van bedragen die door middel van contante pinopnames zijn opgenomen met de pinpas van [slachtoffer] door verdachte. Voor het oordeel dat het hierbij gaat om verduistering verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de moneygram-transfers.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2015 opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015070509 d.d. 20 juli 2015, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ongeveer 3 jaar lang wordt mevrouw [slachtoffer] inmiddels verzorgd door [verdachte] van [bedrijf 1] te Hoogeveen.

Voor zover wij weten, beschikte [verdachte] alleen over het pinpasje van onze tante. [verdachte] wist haar pincode. Onze tante had haar pincode in haar portemonnee.

Op de lopende rekening van [slachtoffer] zien wij, dat er gepind is in o.a. Pesse, Dalen, Coevorden en Hoogeveen. Ook kunnen we zien, dat er gepind is bij een tankstation, terwijl

onze tante geen auto heeft.

Bij navraag in één van de winkels waar de grote bedragen gepind zijn blijkt het te gaan om MONEYGRAM transfers naar het buitenland.

Meer winkels waar zulke bedragen zijn gepind zijn postagentschappen, [bedrijf 3] en [bedrijf 4] Coevorden de [bedrijf 2] supermarkt in Pesse.

De transacties zijn gemaakt op naam van mevrouw [verdachte] .

De bedragen zijn overgemaakt naar Afrika.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 april 2015, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :

Ik ben P en O adviseur bij [bedrijf 1] in Hoogeveen. [verdachte] werkt sinds juli 2011 bij [bedrijf 1] . Mevrouw [slachtoffer] is sinds 2007 in zorg bij ons qua huishouden. Medio 2013 stond er in een rapportage dat [verdachte] bij mevrouw [slachtoffer] in dienst was. Het was bij ons bekend dat er meerdere loonbeslagen zijn geweest bij [verdachte] . Dus financieel was het niet zo best.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 juni 2015, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant] :

Ik verbalisant deelde aan een medewerkster mede, dat ik langs kwam in verband met een aantal moneygram-transfers, welke bij het agentschap van PostNL in deze vermelde winkel hadden plaatsgevonden.

De medewerkster vertelde vervolgens ongevraagd dat zij dan wel wist om wie het zou gaan en dat het dan wel om [verdachte] uit Elim zou gaan.

De medewerkster vertelde, dat [verdachte] altijd alleen was als ze een moneygram-transfer deed en dat zij zich ook altijd legitimeerde. Vervolgens vertelde de medewerkster, dat [verdachte] bij haar eerste moneygram-transfer had verteld, dat het geld voor haar vriend in [woonplaats] was en dat deze daar bezig was met het opzetten van een school.

Het was [verdachte] die de moneygram-transfers altijd afrekende, hetzij contant, hetzij middels een

pintransactie.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2015, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant] :

Door mij verbalisant, werden de bij- en afschrijvingen gevorderd van de bankrekening van de verdachte [verdachte] . Betreft een bankrekening bij de ING bank, te weten: [nummer] .

De gegevens werden gevorderd vanaf 1 juni 2014 tot en met 11 maart 2015.

Hieruit bleek onder meer dat [verdachte] ,

- een voorschot krijgt van 72 of 78 euro inzake zorgtoeslag,

- een voorschot krijgt van 245 of 260 euro inzake huurtoeslag,

- in 2014 iedere maand een voorschot kreeg van 47 euro inzake

kindertoeslag,

- maandelijks een salaris ontving van [bedrijf 1] . Dit tot en met

januari 2015,

- maandelijks een aanvulling ontving op haar salaris van de gemeente Hoogeveen.

Dit betreft een WWB uitkering,

- financiële transacties heeft uitgevoerd via de Western Union bank,

- op 23 oktober 2014 - 1100 euro overboekte ten gunste van: [naam 2] in [woonplaats] ,

- tweemaal op 17 december 2014, respectievelijk: 5000 en 600 euro overboekt en op 23 februari 2015 - 200 euro overboekte ten gunste van: [naam 1] ,

- op 15 december 2014, op 24 december 2014, op 16 januari 2015 en op 9 maart 2015, respectievelijk: 500 euro, 500 euro, 600 euro en 1000 euro overboekte ten gunste van: [naam 3] in [woonplaats] ,

- op de volgende data de vermelde bedragen contant worden gestort op de

bankrekening:

* 25/07/14 - 800 euro

* 15/08/14 - 1000 euro

* 12/09/14 - 1000 euro

* 19/09/14 - 1000 euro

* 26/09/14 - 1000 euro

* 27/10/14 - 1500 euro

* 16/12/14 - 700 euro

* 16/01/15 - 900 euro

* 23/01/15 - 550 euro

Wat opvalt is dat er voorafgaand aan nagenoeg alle contante stortingen, op dezelfde dagen pinopnames zijn geweest vanaf de bankrekening van benadeelde [slachtoffer] . Dit geldt alleen niet voor: 19- en 26/09/14,

- vanaf haar eigen bankrekening Moneygram-transfers heeft gedaan.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juli 2015, opgenomen op pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [verbalisant] :

Bij Post NL werden alle moneygram-transfers gevorderd ten name van:

- [verdachte] , [straatnaam], [woonplaats] met geboortedatum: [geboortedatum] 1971,

en de moneygram-transfers van bankrekening: [nummer] , zijnde de

bankrekening van benadeelde [slachtoffer] .

Op één na, zijn alle moneygram transfers naar [woonplaats] gegaan ten gunste van: [naam 1] in de plaats [woonplaats] . Die ene was ten gunste van: [naam 4] in de plaats [woonplaats] .

Blijkens de ontvangen gegevens van Post NL is verdachte [verdachte] degene geweest, die de moneygram transfers heeft gedaan. In alle gevallen is het nummer van haar tenaamgesteld identiteitsbewijs vermeld, te weten: [nummer] .

Gemakshalve wordt begonnen met de geslaagde moneygram-transfer naar India:

- zaterdag 3 januari 2015 te 11.04 uur, 764 euro, pinbetaling.

Hierna volgen alle geslaagde moneygram-transfers naar [woonplaats] :

- vrijdag 26 september 2014, 315 euro, cash betaling.

* - vrijdag 26 september 2014, 1762 euro, pinbetaling.

* - zaterdag 27 september 2014, 315 euro, pinbetaling.

- woensdag 1 oktober 2014 te 09.27 uur, 209 euro, pinbetaling.

* - donderdag 2 oktober 2014, 775 euro, pinbetaling.

* - maandag 6 oktober 2014, 209 euro, pinbetaling.

- woensdag 8 oktober 2014 te 17.28 uur, 2062 euro, pinbetaling.

- donderdag 9 oktober 2014 te 15.53 uur, 1299 euro, pinbetaling.

- vrijdag 24 oktober 2014, 159 euro, cash betaling.

- maandag 27 oktober 2014 te 12.29 uur, 1031 euro, pinbetaling.

- maandag 3 november 2014 te 12.26 uur, 259 euro, pinbetaling.

- woensdag 5 november 2014 te 17.01 uur, 209 euro, pinbetaling.

- maandag 10 november 2014 te 12.13 uur, 209 euro, pinbetaling.

- donderdag 13 november 2014 te 12.09 uur, 209 euro, pinbetaling.

- zaterdag 15 november 2014, 209 euro, cash betaling.

- maandag 17 november 2014, 209 euro, cash betaling.

* - donderdag 20 november 2014, 159 euro, pinbetaling.

* - vrijdag 21 november 2014, 1031 euro, pinbetaling.

- zaterdag 22 november 2014 te 14.47 uur, 515 euro, pinbetaling.

- woensdag 26 november 2014, 159 euro, cash betaling.

- vrijdag 28 november 2014 te 16.50 uur, 315 euro, pinbetaling.

- zaterdag 29 november 2014 te 12.27 uur, 259 euro, pinbetaling

* - maandag 1 december 2014, 259 euro, pinbetaling.

- maandag 1 december 2014, 209 euro, cash betaling.

* - donderdag 4 december 2014, 159 euro, pinbetaling.

* - zaterdag 6 december 2014, 259 euro, pinbetaling.

- woensdag 10 december 2014 te 12.34 uur, 515 euro, pinbetaling.

- zaterdag 13 december 2014 te 13.50 uur, 259 euro, pinbetaling.

* - woensdag 17 december 2014, 159 euro, pinbetaling.

- vrijdag 19 december 2014 te 11.22 uur, 209 euro, pinbetaling.

- maandag 22 december 2014 te 12.25 uur, 725 euro, pinbetaling.

- woensdag 24 december 2014, 107,99 euro, cash betaling.

- maandag 29 december 2014, 831 euro, cash betaling.

- woensdag 31 december 2014 te 12.32 uur, 725 euro, pinbetaling.

- maandag 5 januari 2015 te 12.28 uur, 209 euro, pinbetaling.

- donderdag 8 januari 2015 te 13.50 uur, 725 euro, pinbetaling.

- maandag 12 januari 2015 te 12.46 uur, 515 euro, pinbetaling.

- vrijdag 16 januari 2015, 415 euro, cash betaling.

* - dinsdag 20 januari 2015, 259 euro, pinbetaling.

- vrijdag 23 januari 2015 te 13.11 uur, 415 euro, pinbetaling.

* - vrijdag 27 februari 2015, 107,99 euro, pinbetaling.

* - zaterdag 7 maart 2015, 775 euro, pinbetaling.

* - vrijdag 1 mei 2015, 515 euro, pinbetaling.

* - zaterdag 9 mei 2015, 57,99 euro, pinbetaling.

NB: * - Deze moneygram-transfers zijn door de verdachte [verdachte] vanaf haar eigen bankrekening betaald. ( [nummer] .)

NB: # - Hierbij dient opgemerkt te worden, dat de bankmutaties gevorderd zijn tot

en met 11 maart 2015. Derhalve is van deze twee moneygram-transfers niet bekend

vanaf welke bankrekening deze zijn betaald.

Met de bankpas van benadeelde [slachtoffer] , zijn 21 moneygram-transfers gedaan. In totaal voor een bedrag van: 11.637,- euro.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d.

3 juni 2015, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

Ik ben in juli 2011 tot maart 2015 in dienst geweest bij [bedrijf 1] . Mevrouw [slachtoffer] behoorde tot mijn cliënten. Ik verrichtte voor haar huishoudelijk werk, maar dan in de ruimste zin van het woord. Ik bedoel hiermee de normaal voorkomende huishoudelijke taken. Ook boodschappen doen. Ik deed wat nodig was. Alles wat mevrouw [slachtoffer] mij vroeg. Wanneer ik boodschappen voor haar ging doen deed ik dat of met contant geld. Als ze geen contant geld had nam ik haar pinpas mee. Ik mocht een keer met haar bankrekening een tandartsrekening betalen. Ik kreeg haar bankpas mee en ik wist haar pincode.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij, in de periode van 1 juni 2014 tot en met 11 maart 2015, in Nederland, opzettelijk meermalen een hoeveelheid geld dat toebehoorde aan [slachtoffer] en welk geld verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als thuiszorgmedewerkster onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft hij gepleit om een eventueel op te leggen straf te matigen gelet op de overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de strafzaak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in een periode van een aantal maanden stelselmatig en opzettelijk geldbedragen verduisterd van een bejaarde, hulpbehoevende vrouw, die zij uit hoofde van haar functie als zorgverlener juist hoorde te ondersteunen. In totaal tot een bedrag van ongeveer € 20.000,-. Door zo te handelen heeft zij ernstig misbruik gemaakt van het in haar geplaatste vertrouwen. Meer in het algemeen heeft zij het vertrouwen dat dient te worden gesteld in zorgverleners beschaamd. De rechtbank rekent dit verdachte ten zeerste aan.

Mede gelet op het feit dat de rechtbank bij de bewezenverklaring tot een lager bedrag komt dan de officier van justitie, de ouderdom van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze naar voren komen in het reclasseringsrapport, zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 160 uur passend en geboden is en recht doet aan de ernst van het feit.

De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. E.C.M. Wolfert en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 september 2018.

Mr. B.I. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.