Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3635

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
18/247344-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 11 september 2018 een verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De vordering van de benadeelde partij is eveneens toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster, een lichamelijk en geestelijk beperkte vrouw. Verdachte was daarvan op de hoogte nu hij zelf verklaard heeft dat hij de indruk had dat zij dronken of doof was. Desondanks heeft verdachte het slachtoffer op een parkeerplaats aan de snelweg gedwongen haar onderkleding naar beneden te doen en met geweld zijn vinger in de vagina van het slachtoffer geduwd. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij erg bang is geweest voor verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/247344-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.S. Kappeijne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 9 maart 2017 te of bij Akkrum, (althans) in de gemeente Heerenveen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (met kracht) een vinger in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of met die vinger (een) heen- en weergaande beweging(en) gemaakt in de vagina en bestaande dat geweld en/of bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkh(i)d(en) hierin dat verdachte, zulks terwijl die [slachtoffer] lichamelijk en/of geestelijk beperkt is, als taxichauffeur die [slachtoffer] met een taxi heeft opgehaald en die [slachtoffer] aldus in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en/of zodoende een psychisch overwicht op die [slachtoffer] heeft verworven,

- de taxi heeft stilgezet/geparkeerd nabij een benzinestation aan of bij de Alde Rykswei, aldaar en/of (vervolgens)

- zijn (ontblote) penis aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "je moet je onderbroek uit doen want dan kan ik je vingeren", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, althans die [slachtoffer] heeft gesommeerd en/of heeft gedwongen haar onderkleding uit te trekken en/of (vervolgens)

- zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] heeft gestoken/geduwd/gebracht en/of daarmee een of meer heen- en weergaande beweging(en) in de vagina heeft gemaakt,

in welke psychische en/of fysieke overwichtssituatie die [slachtoffer] zich niet kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken tegen die seksuele handeling(en) van hem, verdachte en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 maart 2017 te of bij Akkrum, (althans) in de gemeente Heerenveen, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hij op of omstreeks 9 maart 2017 te of bij Akkrum, (althans) in de gemeente Heerenveen, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn (ontblote) penis aan die [slachtoffer] getoond en/of (vervolgens) zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer] gestoken/geduwd/gebracht en/of (vervolgens) met die/een vinger een of

meer heen- en weergaande bewegingen gemaakt in de vagina van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een

bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft op gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat de verdachte ter zake van het primair en het subsidiair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe -zakelijk weergegeven- primair aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte heeft zowel bij de politie als tijdens de zitting de ten laste gelegde gedragingen ontkend. Verdachte wist niet dat aangeefster een verstandelijk beperkte vrouw is. Het is juist dat verdachte tijdens de taxirit is gestopt, maar dit was omdat aangeefster aangaf dat ze zich niet lekker voelde en dat ze moest overgeven. Het DNA van verdachte kan op aangeefster zijn aangetroffen omdat verdachte haar heeft geholpen met het in- en uitstappen uit de taxi. Omdat aangeefster slecht ter been was, heeft verdachte haar stevig bij haar handen en lichaam vastgepakt.

De verklaringen van aangeefster zijn onvoldoende betrouwbaar, aldus de raadsvrouw. Hoewel het licht in de auto heeft gebrand volgens aangeefster, omschrijft zij de man die haar dit heeft aangedaan als een man met zwart haar. Verdachte heeft geen zwart haar en heeft ook nooit zwart haar gehad. Daarnaast verschilt de verklaring van aangeefster op essentiële punten met de verklaring van verdachte. Ook zijn haar verklaringen inconsistent. Voor zover de rechtbank aangeefsters verklaring betrouwbaar acht, ontbreekt het steunbewijs.

Met betrekking tot het DNA heeft de raadsvrouw bepleit dat Y-chromosomaal DNA een lage bewijswaarde heeft en alleen als uitsluitsel en niet als aanwijzing dient. Vast staat dat er geen volledig DNA-profiel is verkregen, terwijl dit wellicht wel het geval was geweest als verdachte aangeefster daadwerkelijk zou hebben gevingerd. Voor het geval de rechtbank de overtuiging heeft dat verdachte de donor is van het aangetroffen materiaal, past het alternatieve scenario van verdachte dat zijn DNA op de handen van aangeefster is terecht gekomen en aangeefster vervolgens het DNA van haar handen heeft verplaatst in en rondom haar vagina. Dat hoeft niet opzettelijk te zijn gebeurd, maar kan ook bij het plassen zijn geweest of doordat aangeefster, nadat zij terugkwam, zichzelf heeft betast.

De verklaring van de getuige [getuige] kan niet gebruikt worden als steunbewijs nu zij persoonlijk bij het slachtoffer betrokken is. Bovendien is zij geen getuige-deskundige.

Tot slot zijn de camerabeelden evenmin bruikbaar als steunbewijs, nu de bus van verdachte ter plekke is gestopt, maar om een heel andere reden dan aangeefster wil doen geloven.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is geweest van (bedreiging met) geweld of een feitelijkheid. Voorts ontbreekt het bewijs dat verdachte (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehad.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw gesteld dat de rechtbank niet kan vaststellen dat aangeefster een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis heeft, dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden, nu het enkele feit dat medewerkers van de GGZ stellen dat aangeefster geen weerstand kon bieden, onvoldoende is. Verdachte was niet op de hoogte van het lage IQ van aangeefster, zodat het vereiste opzet niet is komen vast te staan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 9 maart 2017 heb ik aangeefster opgehaald uit Leeuwarden. Ik heb aangebeld en we zijn arm in arm naar de taxi-bus gelopen. Ze liep moeilijk. Ik heb haar in de auto geholpen. We zijn op een parkeerterrein bij het tankstation bij Akkrum gestopt. Het tankstation was dicht en daarachter is nog een wc. Ik ben tussen twee auto's gaan staan. Ze deed haar riem los maar bleef in de bus zitten. Ik heb haar daarna naar Heerenveen gebracht.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen uitwerking studioverhoor d.d. 17 mei 2017, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017061793 d.d. 4 september 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben vorige week donderdag naar mijn vriendin geweest. Naar [naam 1] en [naam 2] . Die wonen in de [straatnaam] . Ik werd later opgehaald met de taxi.

Het was bij een benzinepomp. Waar het heel donker was. Hij zei je mag niks zeggen want dan krijg ik mijn ontslag bij [berijf] . Ik was ook heel bang. Ik denk zal ik hem een slag voor zijn kop geven, maar ja, gaat ie mij dan dood maken. Ik had ook uit de auto kunnen stappen. Donker … maar kijken waar ik terecht kwam. Toen heeft ie me thuis gebracht. Ik ben naar de begeleiding gegaan. Heb ik het verteld. Ze heeft er direct werk van gemaakt.

Hij zei alleen dat hij uit Dokkum kwam.

Hij zei heb je een vibrator en ik moest beslist onder hem toezicht mijn onderbroek uit doen. En toen heeft ie me gevingerd. Hij zei nu moet je je broek omhoog doen. Breng ik je weg. We zeiden niks. Tot we op een donker plekje kwamen. Volgens mij was het de A32. En toen reed hij in bij een benzinepomp of wat het ook maar was. Dat was helemaal dicht en er stonden 2 auto's gewoon. Daar zat niemand in en daar stopt hij zijn auto. Dat praat begon toen we vlak bij een bezinepomp waren. Hij zei: ik heb elke dag een hele dikke piemel vol met sperma en toen deed ie zijn broek los. En toen liet ie het zien en ik heb gewoon niks erop gereageerd. Hij dwong mij zelf alleen mijn onderbroek uit te doen. En toen werd ik ook heel bang. Toen heb ik het wel gedaan. Ik denk hij ken je ook dood maken. Hij deed de motor uit. Hij zit achter het stuur, ik zit daarnaast.
Toen deed ie zijn broek uit. Liet ie zijn piemel zien. Toen begon die tegen mij. Je moetje onderbroek uit doen. Ik wil dat in je kut. Kietelen. Ik was zo bang dat ik durfde niet anders. Hij zei; nou je bent echt nat. Heb ik mijn broek omhoog gedaan. Zijn weg gegaan. Zei ik wil terug.
Ik had een legging en een jurk aan. Ik heb de legging en de onderbroek naar beneden gedaan.

Ik heb zijn piemel gezien. Hij deed eerst het licht van de auto aan en toen uit. Ik voel me net een hoer. Hij deed zijn piemel weer in zijn broek en daarna ging hij mij vingeren. Hij heeft niets met zijn piemel gedaan. Hij had zijn gordel af en zat op zijn eigen stoel. Hij deed mij pijn. Hij ging heel hard net zo lang dat ik nat was. Na die tijd had ik ook pijn in mijn kruis.
Ik weet niet meer hoe lang het duurde, het was meer dan een paar seconden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2017, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik werk bij GGZ Friesland, Mind-Up Wonen, locatie Heerenveen. Ik ben persoonlijk begeleider op de woonvorm. Ik ken [slachtoffer] sinds vorig jaar mei.

Ik doe aangifte want ze is aangerand/verkracht door een taxichauffeur op donderdag 9 maart 2017. [slachtoffer] is een beperkte vrouw waarvan in ieder geval zichtbaar is dat ze lichamelijke klachten heeft en minder mobiel is. Uit een gesprek merk je wel dat [slachtoffer] een wat lager niveau heeft. Je ziet het ook wel aan haar gezicht maar ik kan dat niet uitleggen. Het is het gehele plaatje. Als je haar tegenkomt, weet je gelijk dat er iets met haar is, dat is echt niet te missen.

4. Een schriftelijk stuk, te weten een niet ondertekend proces-verbaal aanvraag DNA-onderzoek sporen en benoeming deskundige d.d. 17 juni 2017, nummer 2017061793-2, inhoudende als relaas van verbalisant:

Aanleiding

Op donderdag 9 maart 2017 is de zedenpolitie van de eenheid Noord-Nederland een onderzoek gestart van een melding in verband met seksueel misbruik van een verstandelijk beperkte vrouw, mevrouw [slachtoffer] , door een taxichauffeur tijdens een taxirit. Dit feit zou gebeurd zijn op 9 maart tussen 21:45 uur en 22:30 uur op het parkeerterrein van het tankstation Tamoil aan de A32 te Akkrum. Mevrouw [slachtoffer] gaf aan gevingerd te zijn door de chauffeur.

Na het informatieve gesprek werd het slachtoffer onderzocht in het ziekenhuis, waarbij getracht is het eventuele sporenbeeld veilig te stellen middels een zogenaamd FMO. De monsters van het afgenomen FMO werden door de Forensische Opsporing opgeslagen en bewaard. Hierbij zijn in het kader van de waarheidsvinding stukken van overtuiging (SVO's) veiliggesteld en in beslag genomen, waaronder biologische sporen. Deze SVO's lenen zich voor DNA-onderzoek.

Aan de volgende SVO's dient DNA-onderzoek te worden verricht:

Nummer spoor ZAAC7043NL

Soort spoor Spoor - Biologisch

Beschrijving spoor EPITHEEL

Veiliggesteld op 10-03-2017 03:15

Locatie spoor Intern

Nummer spoor RABM0294NL

Soort spoor Persoonsgeb. spoor - DNA profiel, wangslijm

Beschrijving spoor Wangslijm

Veiliggesteld op 13-06-2017 00:00

Locatie spoor Intern

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.06.20.117, d.d. 4 november 2017 opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

In deze zaak zijn een onderzoek naar biologische sporen en een DNA-onderzoek uitgevoerd.

Onderzoek naar biologische sporen

De acht bemonsteringen uit de onderzoeksset zedendelicten van het slachtoffer [slachtoffer]

zijn als volgt veiliggesteld voor een DNA-onderzoek:

ZAAC7043NL#01 bemonstering 'buitenzijde schaamlip nat'

ZAAC7043NL#02 bemonstering 'buitenzijde schaamlip droog’

ZAAC7043NL#03 bemonstering 'binnenzijde nat'

ZAAC7043NL#04 bemonstering 'vagina droog'

ZAAC7043NL#05 bemonstering 'binnenzijde schaamlippen nat’

ZAAC7043NL#06 bemonstering 'binnenste schaamlippen droog’

ZA AC7043NL#07 bemonstering 'vaginaal droog'

ZAAC7043NL#08 bemonstering 'hoog vaginaal'

DNA-onderzoek

De bemonsteringen ZAAC7043NL#01 tot en met #08 van de schaamlippen en de vagina en het referentiemonster RABM0294NL van het slachtoffer A.R, [slachtoffer] (geboren op 2 september 1958) zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het referentiemonster RABM0294NL van het slachtoffer [slachtoffer] is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel en het DNA-profiel RABJ3911NL van de verdachte [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 1965) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Van het celmateriaal in de bemonsteringen ZAAC7043NL#01 tot en met #08 van de

schaamlippen en de vagina van het slachtoffer [slachtoffer] zijn DNA-profielen verkregen van een vrouw. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] RABM0294NL matcht met deze DNA-profielen. Op grond van deze matches en omdat het bemonsteringen betreffen van het lichaam van het slachtoffer wordt aangenomen dat elk van de bemonsteringen celmateriaal bevat dat van het slachtoffer zelf afkomstig is.

Daarnaast is in de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04 van de vagina, op basis van de

gemeten hoeveelheid geïsoleerd mannelijk (Y-chromosomaal) DNA een aanwijzing

verkregen voor een relatief geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA (zie

'Mogelijkheden voor aanvullend onderzoek').

Mogelijkheden voor aanvullend onderzoek

In de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04 van de vagina is, op basis van de gemeten

hoeveelheid geïsoleerd mannelijk (Y-chromosomaal) DNA een aanwijzing verkregen voor

een relatief geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA. Met Y-chromosomaal

DNA-onderzoek kan worden getracht om genetische informatie van deze mannelijke

donor(en) te verkrijgen. Voor een vergelijkend DNA-onderzoek wordt dan ook het

referentiemonster RABJ3911NL van de verdachte [verdachte] onderworpen aan een DNA-

onderzoek.

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.06.20.117, d.d. 29 maart 2018, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

Vraagstelling

Politie Eenheid Noord-Holland heeft verzocht om de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en

#04 (van de vagina van slachtoffer [slachtoffer] ) en het referentiemonster RABJ3911NL van

de verdachte [verdachte] te onderwerpen aan een vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek.

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek.

ZAAC7043NL#03 bemonstering 'binnenzijde nat' uit de onderzoeksset zedendelicten van het slachtoffer [slachtoffer]

ZAAC7043NL#04 bemonstering 'vagina droog' uit de onderzoeksset zedendelicten van het slachtoffer [slachtoffer]

RABJ3911NL referentiemonster wangslijmvlies van de verdachte [verdachte]

(geboren op [geboortedatum] 1965)

Het Y-chromosomale DNA-onderzoek aan de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04 is

herhaald om de reproduceerbaarheid van het verkregen resultaat te onderzoeken.

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het referentiemonster RABJ3911NL van de verdachte [verdachte] is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04

Van het mannelijk DNA in deze bemonsteringen zijn Y-chromosomale DNA-profielen

verkregen. Deze Y-chromosomale DNA-profielen matchen met elkaar en met het

Y-chromosomale DNA-profiel van de verdachte [verdachte] RABJ3911NL. Dit betekent dat

deze bemonsteringen, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van het slachtoffer

[slachtoffer] (zie het deskundigenrapport van aanvraag 002 in deze zaak), een relatief

geringe hoeveelheid mannelijk DNA bevatten dat afkomstig kan zijn van de verdachte

[verdachte], of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte [verdachte] verwante man.

Voor het vaststellen van de bewijskracht van de aangetroffen Y-chromosomale matches met

de verdachte [verdachte] is het van belang om te weten hoe zeldzaam het matchende Y-chromosomale DNA-profiel is. Hoe zeldzamer het matchende Y-chromosomale DNA-profiel, hoe groter de bewijskracht van de match.

Hiertoe is het matchende Y-chromosomale DNA-profiel op 28 maart 2018 vergeleken met

Y-chromosomale DNA-profielen in de YHRD. Op deze datum waren in de databank ruim 145.000 Y-chromosomale DNA-profielen aanwezig die voor dezelfde combinatie van Y-chromosomale DNA-kenmerken zijn getypeerd als het matchende Y-chromosomale DNA-profiel. Deze profielen betreffen Y-chromosomale DNA-profielen van mannen uit verschillende en over de gehele wereld verspreide bevolkingsgroepen.

Om de bewijskracht van de matches te kunnen formuleren in verbale termen van

waarschijnlijkheid is het onderstaand hypothesepaar beschouwd.

Hypothese 1:

Het mannelijk DNA in de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04 is afkomstig van de

verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man.

Hypothese 2:

Het mannelijk DNA in de bemonsteringen ZAAC7043NL#03 en #04 is niet afkomstig van de verdachte [verdachte], maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan hem verwante man.

De verkregen resultaten zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

Voetnoot:

Op grond van het aantal keren dat een bepaald Y-chromosomaal DNA-profiel is waargenomen In de Y-Chromosome Haplotype Reference Database (YHRD) is het mogelijk om de bewijskracht van de match te formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid. De deskundige beschouwt daartoe de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek in het licht van twee hypothesen op bronniveau. Bij het biologisch sporen- en DNA-onderzoek van de Divisie Biologische Sporen wordt in gevallen als deze voor de interpretatie van de bewijskracht gebruik gemaakt van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen

(met bijbehorend likelihood ratio interval):

De bevindingen van het onderzoek zijn...

- ongeveer even waarschijnlijk (1-2)

- iets waarschijnlijker (2-10)

- waarschijnlijker (10-100)

- veel waarschijnlijker (100-10.000)

- zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000)

- extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000)

..wanneer hypothese I (of II) waar is, dan wanneer hypothese II (of I) waar is.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 28 augustus 2018, nummer 2017061793-16, inhoudende als relaas van verbalisant:

Uitleg bemonstering nat en bemonstering droog.

Het betreft hier een dubbele swab bij DNA afname. Als er sprake is van huidepitheel dan is de eerste swab nat (steriel water), om het huidepitheel los te weken. Direct daarna nogmaals een swab, maar deze is droog om het losgeweekte huidepitheel op te nemen.

Beide swabs, zowel de natte als de droge, worden op dezelfde plaats toegepast, dezelfde plaats van bemonsteren.

De raadsvrouw heeft -zakelijk weergegeven- vrijspraak voor het primair ten laste gelegde bepleit omdat volgens haar het wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van geweld, een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een feitelijkheid.

De rechtbank komt tot een ander oordeel.

Op de avond van 9 maart 2017 wordt aangeefster met een taxibus opgehaald door verdachte. Arm in arm met verdachte loopt ze van de woning van haar vriendin naar de taxibus en verdachte helpt haar bij het instappen. Aangeefster gaat op de bank naast de bestuurder zitten. Op het parkeerterrein bij het tankstation op de A32 bij Akkrum wordt enige tijd gestopt. Vervolgens wordt aangeefster gebracht naar de woonvorm waar zij woont. Ook dan helpt verdachte haar met het uitstappen.

Nadat aangeefster naar binnen is gegaan, vertelt ze een begeleidster dat ze is gevingerd door verdachte. Diezelfde avond voert de recherche een informatief gesprek zeden met aangeefster. Vervolgens wordt in het MCL een zedenkit bij haar afgenomen. Ook van verdachte wordt op een later tijdstip DNA afgenomen. Verdachte ontkent de seksuele handeling te hebben gepleegd.

Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij met aangeefster naar de taxibus liep, merkte dat ze slecht ter been was. Verdachte nam aan dat ze dronken of moe was. In de auto heeft verdachte getracht een gesprek te forceren. Toen aangeefster daar niet op reageerde, nam hij aan dat zij doof was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op zijn eigen verklaring, wel degelijk gemerkt heeft dat er iets met aangeefster aan de hand was. Ook heeft hij gemerkt dat zij een mobiele beperking had.

De rechtbank acht op basis van bovenstaande bewijsmiddelen ook bewezen dat verdachte in de door hem gecreëerde situatie aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handeling. Het feit dat verdachte met aangeefster in de taxibus naar een verlaten parkeerterrein van een gesloten tankstation is gereden, is gestopt, zijn piemel heeft laten zien en gezegd heeft dat zij haar onderbroek uit moest doen, heeft geleid tot een zodanige sfeer dat aangeefster zich gedwongen voelde -en ook kon voelen- om te doen wat verdachte wilde. Door aldus te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst voorwaardelijk opzet gehad.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster, nu haar verklaring wordt ondersteund door de uitslagen van de forensische onderzoeken. Uit het eerste onderzoek komt naar voren dat in de vagina van aangeefster een relatief geringe hoeveelheid Y-chromosomaal (mannelijk) DNA is aangetroffen. Dit is aangetroffen in een tweetal swabs, genomen op dezelfde plek in de vagina, namelijk een natte en een droge swab. Uit het daarna uitgevoerde Y-chromosomaal DNA-onderzoek blijkt dat van het referentiemonster van verdachte een Y-chromosomaal DNA-profiel is verkregen en dit DNA-profiel is bekeken.

Van het mannelijke DNA in de bemonsteringen van (de vagina van) aangeefster zijn Y-chromosomale DNA-profielen verkregen die met elkaar matchen èn met het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte.

Volgens de bevindingen van het rapport is de hypothese dat het mannelijk DNA in de bemonsteringen afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man zeer veel (van 10.000 maal tot 1.000.0000 maal) waarschijnlijker dan de hypothese dat dit DNA niet afkomstig is van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man. De rechtbank overweegt dat de betrokkenheid van een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man uitgesloten kan worden, nu daarvoor geen enkele aanwijzing bestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank is het alternatieve scenario dat de raadsvrouw heeft geschetst, op grond van deze bewijsmiddelen onwaarschijnlijk. Vooropgesteld moet worden dat iedere handeling die aangeefster met haar handen heeft verricht nadat zij door verdachte bij de hand zou zijn gehouden, eventueel daarop aanwezig DNA-materiaal van verdachte zou hebben doen verminderen en al na enkele overdrachtsmomenten geheel zou hebben laten verdwijnen.

Uit onderzoek blijkt dat mensen bij het uitvoeren van dagelijkse handelingen ongeveer 15 keer per minuut met de handen iets vastpakken of aanraken.1 Nadat aangeefster uit de bus is gestapt (waarbij verdachte stelt haar bij haar hand te hebben vastgehouden), heeft zij meerdere handelingen uit moeten voeren, zoals op zijn minst het pakken van een sleutel of het aanbellen, het openen van meerdere deuren en het uittrekken van haar onderkleding, voordat zij in de gelegenheid zou zijn geweest zichzelf in haar vagina aan te raken. De kans dat daarbij DNA-materiaal van verdachte is achtergebleven in haar vagina acht de rechtbank uiterst klein. Daar komt bij dat de rechtbank het onwaarschijnlijk acht dat aangeefster zichzelf in haar vagina heeft aangeraakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er een seksuele handeling heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster, die mede bestond uit het brengen van verdachtes vinger in de vagina van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair

hij op 9 maart 2017 bij Akkrum, in de gemeente Heerenveen, door een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte met kracht een vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en met die vinger heen- en weergaande bewegingen gemaakt in de vagina en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte, zulks terwijl die [slachtoffer] lichamelijk en geestelijk beperkt is, als taxichauffeur die [slachtoffer] met een taxi heeft opgehaald en die [slachtoffer] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en een psychisch overwicht op die [slachtoffer] heeft verworven, immers heeft hij

- de taxi geparkeerd nabij een benzinestation aan de Alde Rykswei, aldaar en vervolgens

- zijn ontblote penis aan die [slachtoffer] getoond en vervolgens

- die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "je moet je onderbroek uit doen want dan kan ik je vingeren", althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

in welke psychische en fysieke overwichtssituatie die [slachtoffer] zich niet durfde te verzetten tegen en onttrekken aan die seksuele handeling van hem, verdachte.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair Verkrachting

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

Voor het geval de rechtbank tot bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsvrouw bepleit een taakstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met één dag gevangenisstraf, conform het advies van de reclassering. Bij oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte zijn baan en woning kwijtraken en zal zijn schuldsanering worden beëindigd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de zitting en de rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster, een lichamelijk en geestelijk beperkte vrouw. Verdachte was daarvan op de hoogte nu hij zelf verklaard heeft dat hij de indruk had dat zij dronken of doof was. Desondanks heeft verdachte het slachtoffer op een parkeerplaats aan de snelweg gedwongen haar onderkleding naar beneden te doen en met geweld zijn vinger in de vagina van het slachtoffer geduwd. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat zij erg bang is geweest voor verdachte.

Verkrachtingen hebben een zeer grote impact op slachtoffers en brengen gevoelens van onveiligheid en machteloosheid mee die vaak een langdurige doorwerking hebben in het leven van slachtoffers. Dat daarvan sprake is bij het slachtoffer, blijkt uit de toelichting bij de vordering die zij heeft ingediend.

De rechtbank heeft gezien dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Het landelijk oriëntatiepunt voor de strafoplegging bij verkrachting is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank ziet – alles afwegend - geen aanleiding om af te wijken van het oriëntatiepunt. De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van na te noemen duur. Deze gevangenisstraf is weliswaar lager dan de straf die door de officier van justitie is geëist, maar doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de ernst van het strafbare feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij vordert een bedrag van € 2.280,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is en dat de vordering daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht de vordering af te wijzen nu deze onvoldoende is onderbouwd. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet blijkt welke psychische gevolgen het slachtoffer heeft ondervonden. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen nu de onderhavige zaak onvoldoende gelijkenis vertoont met de zaak waarop de benadeelde partij zich heeft beroepen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Ten aanzien van de immateriële schade (smartengeld) overweegt de rechtbank als volgt. Bij een vordering gebaseerd op ‘aantasting van de persoon’ (art. 6:106 BW) is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel moet hebben opgelopen dat moet bestaan uit een objectief vast te stellen psychische beschadiging, daaronder begrepen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De Hoge Raad heeft echter ook bepaald dat bij zedenzaken uitzonderingen kunnen worden aanvaard vanwege de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen voor het slachtoffer. In zulke gevallen kan het feit een dusdanig ernstige inbreuk vormen op de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon moet worden beschouwd. Het vaststellen van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is dan niet nodig. Ook in het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangeefster als aantasting van de persoon moet worden beschouwd. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2017. De rechtbank ziet geen reden voor matiging van het gevorderde bedrag, gelet op de ernst van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en de door haar ondervonden gevolgen.

Nu hiermee de aansprakelijkheid vast staat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.280,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdtachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.280,00 (zegge: tweeduizend tweehonderdtachtig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 32 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2018.

Mrs. Post en Krijger zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie de vakbijlage van het NFI “Secundaire (indirecte) DNA overdracht, gevoegd bij het aanvullende proces-verbaal van 28 augustus 2018.”