Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3628

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
18/820253-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland veroordeelt verdachte voor diefstal tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820253-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

27 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2018 te Groningen (vanuit/vanaf één of meer

marktkramen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een hoeveelheid fruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer] en/of één of meerdere (andere) standhouders op de markt, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken als de rechtbank van oordeel is dat 'een hoeveelheid fruit' onvoldoende bepaald is om tot een veroordeling te kunnen komen. Gelet op het feit dat de zaak van de medeverdachte is geseponeerd, kan medeplegen niet bewezen worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 augustus 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 juni 2018, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018162558 d.d. 27 juni 2018, inhoudende de verklaring van [getuige];

3 een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2018, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018162558 d.d. 27 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de verklaring van getuige Van der Heide acht de rechtbank bewezen dat verdachte een hoeveelheid fruit heeft gestolen. De rechtbank acht 'een hoeveelheid' voldoende bepaald. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het feit met een ander heeft gepleegd. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 juni 2018 te Groningen vanuit/vanaf een marktkraam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid fruit, toebehorende

aan [slachtoffer].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD) voor de duur van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke taakstraf. De asielaanvraag van verdachte is voor de tweede maal afgewezen en hij is thans in afwachting van een beslissing op een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning. Een ISD-maatregel of onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan leiden tot afwijzing van zijn aanvraag door de IND en uitzetting naar Armenië en oplegging van een inreisverbod. In dat geval kan verdachte zijn zorgtaken ten opzichte van zijn kinderen niet meer vervullen. Zonder recht op een ziektekostenverzekering kan bovendien geen behandeling worden opgestart, wat zou betekenen dat verdachte een kale ISD-maatregel krijgt zonder behandeling.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een hoeveelheid fruit op de markt in Groningen. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het eigendomsrecht van derden. Bovendien is diefstal een ergerlijk feit met financiële schade en overlast tot gevolg voor de gedupeerde.

Uit de verdachte (die in de registers onder verschillende namen bekend is) betreffende uittreksels uit de justitiële documentatie d.d. 28 juni en 30 juli 2018 blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten, met name ter zake diefstal.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 21 augustus 2018. Hoewel de reclassering geen oplegging van de ISD-maatregel adviseert, komt uit het rapport wel naar voren dat er gevaar is voor herhaling. De reclassering wijst er op dat er nog niet eerder is geprobeerd verdachte ambulant te begeleiden en te behandelen. De rechtbank stelt vast dat begeleiding in een ambulant kader gelet op de illegale status van verdachte tot nu toe niet mogelijk is gebleken. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de ISD-maatregel nu niet passend is. Vast staat dat verdachte in het (recente) verleden herhaaldelijk gevangenisstraffen heeft uitgezeten in verband met door hem gepleegde vermogensdelicten. In een verder verleden zijn ook taakstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd en geëxecuteerd. Hoewel het volgens het reclasseringsrapport sinds enige tijd beter gaat met verdachte en er geen sprake meer is van middelenproblematiek is verdachte wederom overgegaan tot het plegen van diefstal. De eerder opgelegde straffen hebben in zoverre niet het gewenste effect gehad en hebben verdachte er niet van weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen.

De rechtbank gaat ervan uit dat de begeleiding en behandeling die nodig zijn, zullen worden gerealiseerd in het kader van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en

mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 september 2018.