Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3620

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
18/750021-14 ontnemingsbeslissing
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer. Onderzoek Arville, ontnemingsbeslissing. Betalingsverplichting verminderd met de tegenwaarde van inbeslaggenomen vermogensbestanddelen, zowel in het geval deze bij eerdere rechterlijke beslissing verbeurd zijn verklaard als in het geval deze na inbeslagname door de politie zijn vernietigd, nu in beide gevallen de veroordeelde door strafrechtelijk overheidsingrijpen reeds is getroffen in zijn (criminele) vermogen.

De rechtbank acht op grond van de bij de veroordeelde aangetroffen contante geldbedragen en luxegoederen, de berekening door de politie van de contante uitgaven die nodig zijn geweest om zijn luxe levenspatroon te financieren en de berekening door de politie van de investering die nodig is geweest om de invoer van 500 kilogram cocaïne te financieren, aannemelijk dat hij uit de opbrengst van strafbare feiten een voordeel heeft genoten van ruim € 15 miljoen. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting houdt de rechtbank rekening met het feit dat een bedrag van ruim € 600.000 ten goede is gekomen aan zijn echtgenote en medeveroordeelde en dat dit bedrag aan haar zal worden ontnomen, dat de bij de veroordeelde aangetroffen contante geldbedragen en luxegoederen ter waarde van ruim € 3 miljoen door de politie in beslag zijn genomen en door de rechtbank in de strafzaak verbeurd zijn verklaard en dat de partij cocaïne die de veroordeelde voor ruim € 9 miljoen gefinancierd had eveneens door de politie in beslag is genomen en is vernietigd. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagname van de partij cocaïne betekent dat de veroordeelde door strafrechtelijk overheidsingrijpen reeds in zijn (criminele) vermogen is getroffen, zodat er, gelet op het rechtsherstellende karakter van de ontnemingsmaatregel, geen ruimte bestaat om de veroordeelde te verplichten het bedrag dat met de financiering van deze partij cocaïne gemoeid was alsnog aan de Staat te betalen. De rechtbank stelt de betalingsverplichting die aan de veroordeelde wordt opgelegd daarom vast op een bedrag van € 1,9 miljoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750021-14

beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 11 september 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 12 juli 2016 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.742.209,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/750021-14 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering). De officier van justitie heeft een conclusie van eis d.d. 5 september 2016 ingediend, waarbij zij de ontnemingsvordering heeft aangepast, in die zin dat zij het te ontnemen bedrag heeft verhoogd tot € 15.117.209,00.

De rechtbank heeft bepaald dat een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaats diende te vinden. De officier van justitie heeft een nadere conclusie van eis ingediend. Vervolgens heeft de raadsvrouw van veroordeelde, mr. H.M.G. Peters, advocaat te Utrecht (hierna: de raadsvrouw), een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft daarop gereageerd in een conclusie van repliek.

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2018. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door de raadsvrouw. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.E.G. Duijts (hierna: de officier van justitie) en mr. P.F. Hoekstra.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1.1.

Het "Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e, 3e lid, Sr

eenvoudige kasopstelling, FIN-001" d.d. 8 april 2016 (hierna: de ontnemingsrapportage), opgenomen in map 29, pagina 1 en verder, voor zover hier van belang, zakelijk weergegeven, inhoudende:

In deze rapportage is door ons de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] (hierna: [veroordeelde] ) en [medeveroordeelde] (hierna: [medeveroordeelde] ) beschreven. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling over de periode 23 oktober 2008 tot en met 22 mei 2014. Met behulp van een kasopstelling wordt een schatting gemaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel door aan te tonen dat de betrokkene meer uitgaven heeft gedaan dan legaal gezien mogelijk was.

De eenvoudige kasopstelling ziet er als volgt uit:

Beginsaldo contant geld

+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen

-/- Eindsaldo contant geld

--------------------------------------------------------------------------

Beschikbaar voor het doen van uitgaven

-/- Werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen

---------------------------------------------------------------------------

Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel)

Het beginsaldo betreft het bedrag in contanten dat betrokkenen (legaal) tot hun beschikking hadden om uitgaven te doen aan het begin van de onderzochte periode. De ontvangsten betreffen het geld dat betrokkenen gedurende de onderzochte periode contant tot hun beschikking hebben gekregen. Hieronder vallen ook de contante opnamen van de

bankrekeningen. Gezien het doel van de kasopstelling moeten alleen de legale contante ontvangsten meegenomen worden. Het eindsaldo is het bedrag in contanten dat betrokkenen tot hun beschikking hadden aan het einde van de onderzochte periode. De uitkomst van de formule is het saldo "beschikbaar voor het doen van uitgaven". Deze uitkomst kan negatief zijn, bijvoorbeeld wanneer het aangetroffen bedrag bij de doorzoeking hoger is dan het beginsaldo plus de contante ontvangsten. De laatste component "contante uitgaven" betreft alle contante uitgaven die gedaan zijn in de onderzochte periode. Geldstortingen op een bankrekening worden gezien als contante uitgaven. Het bedrag aan werkelijke contante uitgaven wordt vervolgens afgetrokken van het bedrag dat (legaal) beschikbaar was voor het doen van uitgaven. Indien het verschil negatief is, moet sprake zijn van onbekende ontvangsten. Een negatieve kas is immers fysiek niet mogelijk; men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van een andere, onbekende ontvangstenbron. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is dan minimaal gelijk aan deze ontvangsten.

Bij de Belastingdienst is informatie opgevraagd betreffende de aangegeven inkomsten en

vermogenscomponenten van [veroordeelde] en [medeveroordeelde] . Uit de door de Belastingdienst

geleverde informatie bleek dat geen van beiden aangifte had gedaan van inkomsten en

vermogenscomponenten. Uit de bij Belastingdienst beschikbare informatie omtrent loongegevens blijkt dat [veroordeelde] over de jaren 2008 tot en met 2013 loon/uitkering heeft genoten van Gemeente Leeuwarden, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] en dat [medeveroordeelde] over de jaren 2008 tot en met 2013 loon/uitkering heeft genoten van Gemeente Leeuwarden, Stichting Thuiszorg Het Friese Land en [bedrijf 4] Uit financieel onderzoek is gebleken dat deze uitkeringen en salarissen per bank aan [veroordeelde] en [medeveroordeelde] zijn overgemaakt. Geen van deze inkomsten is derhalve contant door [veroordeelde] en [medeveroordeelde] ontvangen.

Uit de analyse van de bankrekeningen die op naam van [veroordeelde] en [medeveroordeelde] stonden gedurende de onderzoeksperiode zijn verder geen legale inkomstenbronnen van [veroordeelde] en/of [medeveroordeelde] gebleken.

Op basis van de onderzoeksgegevens kan de volgende opstelling werden vervaardigd:

Beginsaldo contant geld€ 0

+ Legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen € 313.210

-/- Eindsaldo contant geld € 3.027.220

---------------

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 2.714.010 -

-/- Werkelijke contante uitgaven, inclusief bankstortingen € 3.028.199

--------------

Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel) € 5.742.209 -

4.2.

Beginsaldo contant geld. De start van de onderzoeksperiode is gesteld op 23 oktober 2008, omdat op die dag de detentie van [veroordeelde] ten einde was. Om te bepalen hoeveel contant geld [veroordeelde] en [medeveroordeelde] ter beschikking hadden aan het begin van de onderzoeksperiode is onderzoek verricht naar de bankafschriften van de bankrekeningen die bij aanvang van de onderzoeksperiode in gebruik waren bij [veroordeelde] en [medeveroordeelde] en de door hen opgegeven vermogensbestanddelen bij uitkeringsinstanties en/of Belastingdienst. Uit de analyse van de bankrekeningen is niets gebleken dat erop duidt dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] de beschikking hadden over contant geld op 23 oktober 2008. Uit een rapport van de Sociale Recherche Friesland d.d. 29 april 2008 bleek dat zowel [veroordeelde] als [medeveroordeelde] een uitkering krachtens de ABW / WWB ontvingen vanaf 4 november 1989 tot 31 mei 2003 en van 1 juli 2003 tot 14 januari 2008. Op 29 april 2008 heeft [medeveroordeelde] aan de Sociale Recherche op de vraag of zij bekend was met het feit dat inkomsten gemeld moesten worden, verklaard dat zij veranderingen in haar uitkeringssituatie altijd bij de sociale dienst meldde. Per 30 juni 2008 is door [medeveroordeelde] een algemeen inlichtingenformulier ingevuld en aan de gemeente Leeuwarden ter beschikking gesteld, ten behoeve van de aanvraag van een uitkering. In dit formulier doet zij opgave van bezittingen van haar en haar partner [veroordeelde] . In het formulier wordt expliciet gevraagd naar contant geld, waarvan [medeveroordeelde] geen opgave doet. Daaruit wordt afgeleid dat zij en [veroordeelde] op het moment van invullen van dit inlichtingenformulier kennelijk geen contant geld ter beschikking hadden. In de periode van 30 juni 2008 tot de start van de onderzoeksperiode op 23 oktober 2008 is niet gebleken van enige melding van verandering in de uitkeringssituatie. Op grond waarvan wordt aangenomen dat [medeveroordeelde] en [veroordeelde] ook bij aanvang van de onderzoeksperiode op 23 oktober 2008 kennelijk geen contant geld ter beschikking hadden. [veroordeelde] en [medeveroordeelde] hebben gedurende de onderzoeksperiode geen aangifte bij de Belastingdienst gedaan omtrent inkomen en (contante) vermogenscomponenten. Op basis van deze bevindingen is aannemelijk dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] op 23 oktober 2008 niet beschikten over een hoeveelheid contant

geld. Het bedrag voor beginsaldo contant geld is derhalve gesteld op € 0.

4.3.

Contante bankopnamen en contante ontvangsten. In onderstaande tabel zijn de contante ontvangsten opgenomen, die uit het financieel onderzoek zijn gebleken. In de daarna volgende paragrafen is de onderbouwing van de bedragen in onderstaande tabel, in detail uitgewerkt.

Omschrijving Contante ontvangst

Contante opnamen bankrekening [nummer] € 7.000

Contante opnamen bankrekening [nummer] € 33.710

Contante ontvangst Audi S5 [kenteken] € 50.000

Contante ontvangst Audi A4 [kenteken] € 2.500

Contante ontvangst Maserati [kenteken] € 140.000

Contante ontvangst lening van [naam 1] € 75.000

Contante ontvangst terugbetaling lening [naam 2] € 5.000

------------ +

Totaal contante bankopnamen en contante ontvangsten € 313.210

4.4.

Eindsaldo contant geld. Op 13 mei 2014 werden een aantal doorzoekingen gehouden op verschillende adressen. Er werd op die dag een grondkluis aangetroffen op het adres [straatnaam] te Leeuwarden. In de periode na 13 mei 2014 zijn op verschillende adressen te Leeuwarden grondkluizen aangetroffen. Hierna volgt een overzicht van de aangetroffen kluizen. In de kluizen zaten in de meeste gevallen grote bedragen aan contant geld.

Datum: Situering kluis: Bewoner/gebruiker: Inhoud:

aantreffen:

13-05-2014 [straatnaam] [naam 3] € 148.500

13-05-2014 [straatnaam] [naam 4] € 149.050

14-05-2014 [straatnaam] [veroordeelde] € 100.050

15-05-2014 [straatnaam] [naam 5] € 279.950

15-05-2014 [straatnaam] [naam 6] € 599.250

21-05-2014 [straatnaam] [naam 7] / [naam 8] € 749.920

21-05-2014 [straatnaam] [naam 9] € 1.000.500

-------------- +

Totaalbedrag: € 3.027.220

In totaal had [veroordeelde] een bedrag van € 3.027.220 in contant geld voorhanden op 13 mei 2014. Het eindsaldo contant geld is dan ook gesteld op € 3.027.220.

4.5.

Werkelijke contante uitgaven, inclusief bankstortingen. In onderstaande tabel zijn contante uitgaven opgenomen, die uit het financieel onderzoek zijn gebleken. In de daarna volgende paragrafen is de onderbouwing van de bedragen in onderstaande tabel, in detail uitgewerkt.

Omschrijving Contante uitgave

Bankstortingen € 75.060

Aflossing schulden € 271.850

Motorvoertuigen € 829.254

Onroerend goed € 778.250

Bedrijven € 62.020

Leningen € 180.000

Uitgaven luxe goederen. vakanties, etentjes en schenkingen € 678.928

Financiering cocaïnetransport PM

Inkoop van goud € 110.024

Fictieve dienstbetrekking € 32.815

Contante stortingen op cashpassport € 9.998

-------------- +

Totaal contante uitgaven, inclusief bankstortingen € 3.028.199

4.5.1.

Bankstortingen

Bankstortingen rekening [nummer] € 69.185

Bankstortingen rekening [nummer] € 5.875

-------------- +

Totaal bankstortingen € 75.060

4.5.2.

Aflossing van schulden

Betalingen ter voldoening ontnemingsvordering CJIB € 216.850

Terugbetaling WWB uitkering gemeente Leeuwarden € 41.000

Terugbetaling schuld aan [naam 10] € 14.000

-------------- +

Totaal contante uitgaven aflossing schulden € 271.850

4.5.3.

Motorvoertuigen

Audi A4 [kenteken] € 42.309

Audi A6 [kenteken] € 25.000

Maserati [kenteken] € 180.000

Mini [kenteken] € 29.031

Fiat 500 [kenteken] € 14.000

Mercedes C200 Estate € 12.500

Aston Martin Vanquish Volante € 405.050

VW Passat [kenteken] € 17.414

VW Golf [kenteken] € 16.000

Opel Corsa [kenteken] € 8.600

Opel Insignia [kenteken] € 29.350

Audi A4 [kenteken] € 40.000

Opel Corsa [kenteken] € 10.000

-------------- +

Totaal contante uitgaven motorvoertuigen € 829.254

4.5.4.

Onroerend goed

[straatnaam] te Leeuwarden € 560.500

[straatnaam] te Leeuwarden € 10.000

[straatnaam] , [straatnaam] Leeuwarden € 145.000

[straatnaam] te Leeuwarden € 26.750

[straatnaam] te Leeuwarden € 36.000

-------------- +

Totaal contante uitgaven onroerend goed € 778.250

4.5.5.

Bedrijven

Persoonlijke lening [naam 11] bij ABN Amro € 47.020

Overname [bedrijf 5] van [naam 12] € 15.000

-------------- +

Totaal contante uitgaven voor bedrijven € 62.020

4.5.6.

Leningen

Lening [bedrijf 6] aan [bedrijf 3] € 150.000

Lening(en) aan [naam 2] (hierna: [naam 2] ) € 30.000

-------------- +

Totaal contante uitgaven aan leningen € 180.000

4.5.7.

Uitgaven (luxe) goederen, vakanties en schenkingen

Reizen € 138.956

Kleding € 91.906

Sieraden € 194.560

Inrichting € 62.386

Elektronica € 39.788

Sport- en fitnessapparatuur € 21.304

Vervoermiddelen € 41.154

Etentjes € 12.249

Overige luxe goederen en diensten € 30.632

Schenkingen € 47.000

Correctie in verband met creditcarduitgaven € 1.007 -

-------------- +

Totaal contante uitgaven (luxe) goederen etc. € 678.928

4.5.8.

Financiering cocaïnetransport PM

Dit betreft de vermoedelijke contante uitgave die [veroordeelde] heeft gedaan met betrekking tot de inkoop en transport van 500 kilogram cocaïne in oktober 2013. Verondersteld wordt dat [veroordeelde] de financier is van de import van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland. Door het onderzoeksteam is naar aanleiding van een rechtshulpverzoek een bezoek gebracht aan de Colombiaanse autoriteiten. De binnen het rechtshulpverzoek gevraagde informatie is door de Colombiaanse autoriteiten aan het onderzoeksteam verstrekt. De gevraagde informatie is voor vertaling ingezonden. Na vertaling hiervan zullen de uitkomsten in een separaat proces-verbaal worden beschreven en nagezonden. Hierdoor is het niet mogelijk de vermoedelijke contante uitgaven door [veroordeelde] gedaan in relatie met de import van cocaïne te bepalen. Daarom wordt een P.M. saldo aangehouden in de kasopstelling.

4.5.9.

Inkoop van goud € 110.024

Contante uitgaven ten behoeve van de aankoop van goud (taxatie per 25 september 2014).

4.5.10.

Fictieve dienstbetrekking € 32.815

Dit betreft de contante uitgaven die [veroordeelde] en/of [medeveroordeelde] hebben gedaan met betrekking tot de tijdelijke, fictieve dienstbetrekking van [veroordeelde] , [medeveroordeelde] en [naam 4] bij de bedrijven van [naam 2] .

4.5.11.

Cash passport

Uitgaven met betrekking tot cash passport € 21.050

Correctie in verband met mogelijke dubbeltelling € 11.052

-------------- -

Totaal contante uitgave met betrekking tot cash passport € 9.998

Op grond van vorenstaande wordt gesteld dat [veroordeelde] en [medeveroordeelde] een wederrechtelijk

verkregen voordeel hebben genoten van € 5.742.209.

1.2.

Het "Rapport aanvulling berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e, 3e lid, Sr eenvoudige kasopstelling, FIN-001-A" d.d. 8 april 2016 (hierna: de aanvullende ontnemingsrapportage), opgenomen in map 29, pagina 69 en verder, voor zover hier van belang, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op 14 oktober 2013 werd op de fruitterminal van een bedrijf te Vlissingen-Oost Ritthem, in

vier pallets met dozen bananen in een gekoelde lading, een hoeveelheid van 1.031,53 kilogram cocaïne aangetroffen. De lading bleek afkomstig uit Colombia. In totaal werden 80 tassen met 1.033 pakketten cocaïne in beslag genomen. Dit was de start van het strafrechtelijk onderzoek Zwemvest. Na een gecontroleerde doorvoer, werden op 16 oktober 2013 vier verdachten op heterdaad aangehouden in een loods in Weesp. Eén van deze verdachten bleek [naam 13] (hierna: [naam 13] ) te zijn, een intensief contact van [veroordeelde] , die eerder samen betrokken zijn geweest in verdovende middelen onderzoeken.

[naam 2] heeft samengevat weergegeven verklaard dat hij op 16 oktober 2013 een gesprek heeft gehad met [veroordeelde] in natuurgebied De Groene Ster te Leeuwarden, dat [veroordeelde] en [naam 13] vrienden zijn en samen zaken deden, dat [veroordeelde] en [naam 13] tot medio oktober 2013 erg close met elkaar waren, dat hij vermoedt dat [naam 13] en [veroordeelde] samen in de verdovende middelen handel zitten, dat op 16 oktober 2013 [naam 13] is aangehouden met nog drie anderen, dat [naam 13] in de vrachtwagen met de cocaïne zou hebben gereden, dat [veroordeelde] zei dat het cocaïnetransport eigenlijk 500 kilo had moeten zijn en dat [veroordeelde] dacht dat [naam 14] (hierna: [naam 14] ) en [naam 13] waarschijnlijk 530 kilo hadden meegelift zonder medeweten van [veroordeelde] , dat [veroordeelde] zei dat dit mislukte cocaïnetransport hem nu veel geld heeft gekost, dat [veroordeelde] hem vertelde dat [naam 14] een bericht naar zijn encrypted blackberry heeft gestuurd ten tijde van de aanhouding van [naam 13] en dat [veroordeelde] twee keer naar Colombia is geweest in 2009 of 2010. [naam 2] heeft - samengevat - eveneens verklaard dat [veroordeelde] hem vertelde dat [naam 13] was opgepakt met een groot coca transport in Weesp, dat 500 kilo van [veroordeelde] was en dat ze 500 kilo hadden meegelift en dat [veroordeelde] tegen hem zei dat hij miljoenen in dit transport had zitten.

Het onderzoeksteam kreeg de beschikking over tijdens het onderzoek Zwemvest onderschepte chat conversaties. Ook is de beschikking gekregen over chat conversaties uit een onderzoek van de Colombiaanse politie en Drug Enforcement Administration. Dat onderzoek heet Green Treasure. Binnen dat onderzoek werden verschillende verdachten getapt. Hierbij werden chat conversaties onderschept die betrekking hadden op transporten, merktekens/stempels, verpakkingen, hoeveelheden en betalingen. Deze chat conversaties werden alle tot stand gebracht middels het zogenaamde "Blackberry Messenger", oftewel "pingen". Volgens de website "blackberrypingen.nl" behelst het pingen het volgende. Blackberry Pingen is communiceren door middel van een tekstbericht, foto, filmpje of gesproken boodschap. Blackberry gebruikt hiervoor zijn eigen netwerk. Je kunt contact houden met andere mensen die ook een BlackBerry hebben. In AH-358-00 zijn de bevindingen vastgelegd inzake de pingberichten die betrekking hebben op de invoer van genoemde partij cocaïne en de vermoedelijke aan/verkooprijs. Hierin staat onder meer het volgende:

Datum (NL tijd): Beller: Gebelde: Tolk:

25-09-13 (0:16:18) [chatnaam 1] Ja maar ik zou het prettig vinden

Sep2013 als je me meer leende mijn brother

(hierna: [chatnaam 1] )

25-09-13 (13:21:10) [chatnaam 1] Ik ben blij met de lening

25-09-13 (13:21:21) [chatnaam 1] Maar als je er 10 bij kunt doen,

doe dat dan hahaha

26-09-13 (14:47:54) JB 23Sep2013 [chatnaam 1] Die lieve [naam 16] gaat me 33 duizend

pesos meer lenen, als ze de

rekeningen aan jou geven?

26-09-13 (15:51:25) [chatnaam 1] Mudo (het) zijn 1033 pesos

1-10-13 (15:58:10) [chatnaam 2] Heeft niet opgemerkt dat zijn 48 p

[chatnaam 1] (hierna: [chatnaam 2] ) in aantocht zijn

1-10-13 (15:58:28) [chatnaam 2] Hij maakt altijd voor 24 over

1-10-13 (15:59:29) [chatnaam 2] Volgens hem heeft hij tot de

zending 18 betaald

1-10-13 (16:00:39) [chatnaam 2] En hij heeft niet gemerkt dat ze

hem 48 p (pallets) hebben gestuurd

1-10-13 (16:00:43) [chatnaam 2] En geen 24

1-10-13 (16:01:06) [chatnaam 2] En hij moet voor elke zending het

dubbele overmaken

1-10-13 (16:02:14) [chatnaam 1] [chatnaam 2] Ok, en wat kosten de 48, vriend

1-10-13 (16:03:05) [chatnaam 2] 33.868,8 USD

1-10-13 (16:14:49) [chatnaam 1] Iedere zending kost 33.868,8 USD

Uit het onderzoek Zwemvest bleek dat in de partij van 48 pallets bananen 1.031 kilo's (1.033 pakketten) cocaïne waren verborgen op vier pallets. Volgens pingbericht 1-10-13 (15:58:28) maakt 'hij' normaal altijd voor 24 over. Mogelijk wordt hier bedoeld de helft van 48, dus 24 pallets. Dat zou kunnen betekenen dat op 24 pallets de helft kan worden verborgen dus 1.000 : 2 = 500 kilogram. [chatnaam 1] vraagt op 1-10-13 (16:02:14) aan [chatnaam 2] wat de 48 kosten. [chatnaam 2] geeft hierna door "33.868,8 USD". [chatnaam 1] geeft ditzelfde bedrag op 1-10-13 (16:14:49) door aan [chatnaam 1] als prijs voor iedere zending. [chatnaam 2] verstuurt verder op 1-10-13 (15:59:29) het bericht aan [chatnaam 1] dat 'hij' tot de zending 18 heeft betaald. Door verbalisant [verbalisant] , is vervolgens www.wisselkoersen.nl geraadpleegd voor de

waardebepaling van 33.868,8 USD naar Euro's op 1 oktober 2013. Het bedrag 33.868,8 USD bleek op die datum een tegenwaarde te hebben van € 24.988,06. Vermoedelijk gaat het hier om de overeengekomen kiloprijs voor de partij cocaïne die via de haven van Vlissingen werd geleverd. De aangetroffen partij van 1.031 kilo cocaïne vertegenwoordigde in dat geval een waarde van € 25.775.000. Voor 500 kilo zou in dat geval € 12.500.000 moeten worden betaald. Uit bovenstaande pingberichten op 1 oktober 2013 blijkt dat 'hij' niet gemerkt heeft dat ze hem 48 p hebben gestuurd en geen 24, dat hij voor elke zending het dubbele moet overmaken, dat hij altijd voor 24 overmaakt en hij tot de zending 18 betaald heeft. Het is aannemelijk dat met "24" werd bedoeld de 24 pallets (de helft van de aangetroffen 48 pallets). Ervan uitgaande dat deze pallets telkens op dezelfde wijze zijn beladen, betekent dit dat er op dat moment reeds 75% van de 500 kilo (de helft van de aangetroffen 1.000 kilo) was betaald, zijnde (375 (kg) x € 25.000 =) € 9.375.000.

Informatie over drugsprijzen wordt ten behoeve van de opsporing in Nederland verzameld en ter beschikking gesteld door het coördinatiepunt NND. In haar rapportage over de periode van 2012 tot 2015 werd slechts één melding gedaan van de prijs per kilo cocaïne en wel € 35.000. Deze melding heeft betrekking op het jaar 2013.

Uit vorenstaande zaaksbeschrijving kan blijken dat [veroordeelde] vermoedelijk het cocaïnetransport (gedeeltelijk) gefinancierd heeft. Volgens de verklaring van [naam 2] heeft [veroordeelde] hem verteld dat dit mislukte cocaïnetransport hem miljoenen heeft gekost. In totaal zou 500 kilo van [veroordeelde] zijn geweest. Uit vorenstaande kan tevens blijken dat vermoedelijk € 9.375.000 is betaald voor de partij cocaïne. Door [veroordeelde] werd nauwelijks gebruik gemaakt van reguliere betalingsmethoden, zoals overboeken van geld via bankinstellingen. Tevens werden binnen het onderzoek geen girale betalingen aangetroffen die enige relatie lijken te hebben met de financiering van het cocaïnetransport.

Dit resulteert voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de inkoop van 500 kilogram cocaïne in een totale contante uitgave van € 9.375.000 door [veroordeelde] .

De contante uitgaven, inclusief bankstortingen, zoals weergegeven in FIN-001, kunnen verhoogd worden met een bedrag van € 9.375.000. Hiermee komt het totaal van werkelijke contante uitgaven in de berekening op (€ 3.028.199 + € 9.375.000 =) € 12.403.199.

De herziene berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] en [medeveroordeelde] wordt dan als volgt.

Beginsaldo contant geld € 0

+ Legale contante ontvangsten, inclusief bankopnamen € 313.210

-/- Eindsaldo contant geld € 3.027.220

----------------

Beschikbaar voor het doen van uitgaven € 2.714.010 -

-/- Werkelijke contante uitgaven, inclusief bankstortingen € 12.403.199

----------------

Verschil (= wederrechtelijk verkregen voordeel) € 15.117.209

Beoordeling

Ontnemingsvordering

2. De officier van justitie heeft (na de verhoging in de conclusie van eis) gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op een bedrag van € 15.117.209,00 en dat dit bedrag aan veroordeelde wordt ontnomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in de periode van 23 oktober 2008 tot en met 22 mei 2014 (hierna: de ontnemingsperiode). De manier waarop dit bedrag is berekend, is uiteengezet in de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend door middel van een eenvoudige kasopstelling. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan veroordeelde en [medeveroordeelde] hoofdelijk een betalingsverplichting ter hoogte van € 15.117.209,00 oplegt.

Standpunt van de verdediging

3.1.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover die ziet op al hetgeen vóór 1 juli 2011 wederrechtelijk is verkregen en op grond van het derde lid van artikel 36e Sr is berekend, dient te worden afgewezen. Volgens de raadsvrouw is de ontnemingsvordering voor wat betreft de inhoud van de kluizen en de uitgaven aan "luxe" goederen gebaseerd op deze bepaling en heeft een groot deel van de berekening betrekking op strafbare feiten die gepleegd zijn vóór 1 juli 2011. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat tot de wetswijziging van 1 juli 2011 aan de toepassing van het derde lid van artikel 36e Sr de voorwaarde was verbonden dat een strafrechtelijk financieel onderzoek diende te zijn geopend en dat dit in deze zaak niet is gebeurd. Dat het strafrechtelijk onderzoek is gestart na 1 juli 2011 doet hier volgens de raadsvrouw niet aan af, aangezien de nadruk volgens de Hoge Raad moet liggen op de periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd. Volgens de raadsvrouw liggen deze data noodzakelijkerwijs (ver) voor het moment waarop de geldbedragen in de kluizen zijn aangetroffen of zijn uitgegeven aan "luxe" goederen. De raadsvrouw heeft verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 29 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2714).

3.2.

De verdediging heeft subsidiair verweer gevoerd ten aanzien van een aantal (sub)onderdelen van (de berekening van) de ontnemingsvordering. De raadsvrouw heeft de ontnemingsvordering opgesplitst in drie hoofdonderdelen, te weten de inhoud van de kluizen, de vermeend gedane uitgaven aan "luxe" goederen en de vermeend gedane investering in het drugstransport.

3.3.

Ten aanzien van de contante geldbedragen van in totaal € 3.027.220 die zijn aangetroffen in de grondkluizen heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd en heeft zij er enkel op gewezen dat veroordeelde daarover op 17 januari 2018 bij de politie heeft verklaard dat dit geld van hem is.

3.4.

De verdediging heeft de totale hoogte van de in de ontnemingsrapportage vermelde uitgaven voor "luxe" goederen bestreden. Volgens de verdediging zijn deze uitgaven gedaan met het geld dat veroordeelde heeft verdiend met het omwisselen van andere valuta. Veroordeelde heeft hierover verklaard tijdens het politieverhoor van 17 januari 2018. Veroordeelde heeft zelf geschat dat hij hiermee ongeveer 4 miljoen euro heeft verdiend. Dit zou volgens de verdediging de optelsom moeten zijn van hetgeen in de kluizen is aangetroffen en hetgeen veroordeelde (vermeend) heeft uitgegeven aan "luxe" goederen en de financiering van het drugstransport.

3.5.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekening van een aantal (onderdelen) van de in de ontnemingsrapportage vermelde contante uitgaven aan "luxe" goederen niet juist is. Met betrekking tot (deze onderdelen van) de desbetreffende posten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde deze bedragen niet heeft uitgegeven en dat deze dus van het voordeel moeten worden afgetrokken.

3.6.

Ten aanzien van de "Maserati [kenteken] ", welke deel uitmaakt van post 4.5.3. (motorvoertuigen), heeft de verdediging bestreden dat veroordeelde deze auto heeft gekocht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde deze auto voor de duur van één jaar heeft gehuurd voor een bedrag van € 25.000.

3.7.

Ten aanzien van de "Aston Martin Vanquish Volante", welke deel uitmaakt van post 4.5.3. (motorvoertuigen), heeft de verdediging bestreden dat veroordeelde deze auto heeft gekocht. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze auto is gekocht door [naam 15] en dan ook diens eigendom is.

3.8.

Ten aanzien van de "Mini [kenteken] ", welke deel uitmaakt van post 4.5.3. (motorvoertuigen), heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde deze auto heeft gekocht voor € 25.000.

3.9.

Ten aanzien van de "Fiat 500 [kenteken] ", welke deel uitmaakt van post 4.5.3. (motorvoertuigen), heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde deze auto heeft gekocht voor € 10.000, met inruil van een andere auto.

3.10.

Ten aanzien van de "VW Passat [kenteken] ", welke deel uitmaakt van post 4.5.3. (motorvoertuigen), heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde deze auto heeft gekocht voor € 10.000, met inruil van een andere auto.

3.11.

Ten aanzien van de onderdelen "Audi A4 [kenteken] ", "Audi A6 [kenteken] " en "Audi A4 [kenteken] " van de post 4.5.3. (motorvoertuigen) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit drie elkaar opvolgende auto's betreffen, waarin veroordeelde niet gelijktijdig heeft gereden. Volgens de verdediging werd bij de betaling van de ene auto de andere auto ingeruild of verkocht en werd een bedrag bijbetaald. Volgens de verdediging heeft veroordeelde de eerste Audi A4 gekocht voor € 20.000, heeft hij deze later verkocht aan [naam 2] en heeft hij met de opbrengst daarvan vermeerderd met € 25.000 een andere Audi A4 gekocht. Later heeft veroordeelde deze tweede Audi A4 met bijbetaling van € 45.000 ingeruild voor de Audi A6.

3.12.

Ten aanzien van het onderdeel " [straatnaam] te Leeuwarden" van de post 4.5.4. (onroerend goed) heeft de verdediging betwist dat veroordeelde het genoemde bedrag van € 560.500 heeft gefinancierd. Volgens de verdediging heeft veroordeelde enkel de verbouwing van € 300.000 betaald, terwijl [naam 2] de hypotheek van € 250.000 voor de aankoop van de woning heeft geregeld en betaald. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde met [naam 2] heeft afgesproken dat hij het huis na de verbouwing van [naam 2] zou kopen, maar dat dit nooit is gebeurd.

3.13.

Ten aanzien van het onderdeel " [straatnaam] en [straatnaam] te

Leeuwarden" van de post 4.5.4. (onroerend goed) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde de kosten van de verbouwing van deze panden ten bedrage van ongeveer € 100.000 heeft betaald en dat de overige kosten, waaronder de hypotheek, zijn betaald door [naam 2] . Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde heeft ontkend dat hij in dat kader een lening van € 30.000 heeft gefinancierd/betaald.

3.14.

Ten aanzien van het onderdeel "betalingen ter voldoening ontnemingsvordering CJIB" van de post 4.5.2. (aflossing van schulden) heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie er ten onrechte van uit is gegaan dat veroordeelde dit bedrag heeft betaald met "nieuwe" illegale inkomsten. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat veroordeelde op 17 januari 2018 bij de politie heeft verklaard dat hij van het "oude" feit nog geld over had en dat hij daarmee de "oude" ontnemingsvordering heeft voldaan. Hieruit volgt volgens de verdediging dat ten aanzien van deze betalingen geen sprake is van witwassen.

3.15.

Ten aanzien van de post "reizen" van onderdeel 4.5.7. (uitgaven (luxe) goederen, vakanties en schenkingen) heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat de reis naar Kroatië tijdig is geannuleerd en dat veroordeelde de reissom daarom niet heeft voldaan. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie er bij de schatting van de overnachtingskosten van de reizen ten onrechte van is uitgegaan dat veroordeelde altijd in dure hotels verbleef. De verdediging heeft gesteld dat veroordeelde slechts eenmaal een zeer dure vakantie met alle luxe heeft genoten en dat hij de hotels vaak ter plaatse boekte, hetgeen aanzienlijk goedkoper is dan dit tevoren via internet of een reisbureau te doen. De verdediging heeft geconcludeerd dat de overnachtingskosten daarom met ten minste 50% moeten worden gematigd.

3.16.

Ten aanzien van de vermeend gedane investering in het drugstransport heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen, althans onvoldoende, aanwijzingen zijn dat veroordeelde bij het drugstransport, althans de financiering daarvan, is betrokken. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde bestrijdt dat hij iets te maken heeft met de handel in drugs of de financiering daarvan en dat de door [naam 2] afgelegde, andersluidende verklaringen niet betrouwbaar zijn. Volgens de verdediging heeft [naam 2] niet, althans ongeloofwaardig, althans wisselvallig verklaard over bedragen, worden zijn verklaringen met betrekking het drugstransport op geen enkel punt ondersteund door objectief bewijs en is er verder niets (in de zin van taps, pingberichten, ovc-gesprekken en dergelijke) dat veroordeelde aan het transport of de financiering daarvan kan linken. Bovendien heeft [naam 2] geen verklaring afgelegd over het moment van betalen of de hoogte van het betaalde bedrag. [naam 2] heeft eerst niets verklaard over de vermeende verdiensten van veroordeelde, vervolgens gesproken over "meerdere miljoenen" en uiteindelijk op de vraag wat veroordeelde zou hebben verdiend "nee" geantwoord. De verdediging leidt hieruit af dat [naam 2] het antwoord op die vraag niet weet. De verdediging heeft erop gewezen dat de rechtbank veroordeelde weliswaar heeft veroordeeld voor betrokkenheid bij het drugstransport, maar dat in het vonnis geen oordeel is gegeven over de vraag of al was betaald voor de drugs en, zo ja, hoeveel.

3.17.

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de ingevoerde drugs niet zijn betaald, waardoor geen sprake is van contante uitgaven noch van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat met name de Colombianen hoofdpijn en financiële pijn hebben en zenuwachtig zijn door de inbeslagname van de drugs en dat de meest aannemelijk uitleg daarvoor is dat het de Colombianen zijn die door de inbeslagname financieel zijn benadeeld. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat in een pingbericht van september 2013 tussen twee Colombianen in relatie tot de 1.033 kg drugs wordt gesproken over "in consignatie" geven, hetgeen betekent "in handen stellen van goederen tot verkoop voor rekening van de afzender". Ook wordt in een gesprek van 1 oktober 2013 door de Colombianen gesproken over "4 weken voorschieten". Volgens de verdediging is het in deze handel zeer gebruikelijk en veel voorkomend dat pas na het verder doorverkopen wordt betaald.

3.18.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de berekening van de vermeende uitgaven voor het drugstransport niet correct is. Volgens de verdediging is onduidelijk op grond waarvan het openbaar ministerie stelt dat het in de pinggesprekken genoemde bedrag van 33.868,80 USD, afgerond € 25.000, de inkoopprijs per kilogram is en kan dit, gelet op de gangbare inkoopprijzen, ook niet juist zijn. Volgens de verdediging wordt uit andere, vergelijkbare zaken duidelijk dat de inkoopprijs van een kilogram cocaïne tussen de € 3.500 en € 4.000 ligt. Ter onderbouwing daarvan verwijst de verdediging naar een artikel uit Quote waaruit blijkt dat het verschepen naar Europa, inclusief het omkopen van douaniers, ongeveer 5.000 USD per kilo kost. Volgens de verdediging zou het bedrag van € 25.000 kunnen gelden als verkoopprijs per kilo bij het doorverkopen in Nederland, oftewel de marktwaarde. Volgens de verdediging is aannemelijk dat de Colombianen het hebben over de prijs van de deklading, te weten de pallets met bananen, als zij spreken over het bedrag van 33.868,80 USD. Een andere mogelijkheid is volgens de verdediging dat het bedrag van 33.868,80 USD een aanbetaling betreft en dat dit het enige bedrag is dat tot het moment van de inbeslagname door de financier is betaald. In één van de pingberichten wordt immers gezegd: "Iedere zending kost 33.868,80 USD."

3.19.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbeurd verklaarde geldbedragen en voorwerpen en de waarde van de inbeslaggenomen cocaïne in mindering dienen te worden gebracht op de betalingsverplichting.

3.20.

Ten slotte heeft de verdediging een draagkrachtverweer gevoerd. In dat kader is aangevoerd dat veroordeelde, zeker in de streek waar hij woonde (en na zijn detentie weer zal wonen), een gewezen man is en hij niet grossiert in diploma's, waardoor hij niet makkelijk aan een baan zal komen. Mede gelet op de omvang van de ontnemingsvordering zal het voor veroordeelde een uitdaging, zo niet zijn levenswerk, zijn om het gehele bedrag te betalen, aldus de verdediging.

Reactie van de officier van justitie op het standpunt van de verdediging

4.1.

Naar aanleiding van het verweer van de verdediging met betrekking tot de grondslag van de ontnemingsvordering heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering is gebaseerd op het derde lid van artikel 36e Sr en dat de omstandigheid dat geen strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld daaraan niet in de weg staat. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek is gestart in mei 2013 en dat het zwaartepunt van de bewezenverklaarde feiten na 1 juli 2011 ligt. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling ook kan worden gebaseerd op het bewijsvermoeden dat sinds 1 juli 2011 is neergelegd in het derde lid van artikel 36e Sr. Volgens de officier van justitie kan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak worden gebaseerd op dit bewijsvermoeden, omdat vrijwel alle bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd na 1 juli 2011. De ontnemingsperiode ligt binnen de maximale periode van zes jaren voorafgaand aan 22 mei 2014 waarvoor het bewijsvermoeden kan worden toegepast.

4.2.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot een aantal (onderdelen van) in de ontnemingsrapportage genoemde contante uitgaven voor luxe goederen heeft de officier van justitie zich in het algemeen op het standpunt gesteld dat de verdediging niet concreet en gemotiveerd heeft aangevoerd waarom de aannames en/of de berekeningsmethode van het openbaar ministerie onjuist is. De officier van justitie heeft aangevoerd dat veroordeelde vragen over een aantal van deze uitgaven en de manier waarop hij het geld heeft verdiend slechts fragmentarisch heeft beantwoord en dat hij zijn stellingen niet heeft onderbouwd.

4.3.

Ten aanzien van de "Maserati [kenteken] " heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-04 (ordner 39, p. 9327 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde per saldo een bedrag van € 40.000 heeft betaald voor deze auto.

4.4.

Ten aanzien van de "Aston Martin Vanquish Volante" heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-08 (ordner 39, p. 9453 ev) en het bij de conclusie van repliek gevoegde bewijsmiddelenoverzicht de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde € 405.050 heeft betaald voor deze auto.

4.5.

Ten aanzien van de "Mini [kenteken] " heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-05 (ordner 39, p. 9389 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde een bedrag van € 29.031 heeft betaald voor deze auto.

4.6.

Ten aanzien van de "Fiat 500 [kenteken] " heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-06 (ordner 39, p. 9413 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde een bedrag van € 14.000 heeft betaald voor deze auto.

4.7.

Ten aanzien van de "VW Passat [kenteken] " heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-09 (ordner 39, p. 9504 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde een bedrag van € 17.414 heeft betaald voor deze auto.

4.8.

Ten aanzien van de "Audi A4 [kenteken] ", de "Audi A6 [kenteken] " en de "Audi A4 [kenteken] " heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-002-02 (ordner 39, p. 9276 ev), ZD-002-03 (ordner 39, p. 9301 ev) en ZD-002-13 (ordner 39, p. 9544 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde respectievelijk € 42.309, € 25.000 en € 40.000 (in totaal € 107.309) heeft betaald voor de twee Audi's A4 en de Audi A6.

4.9.

Ten aanzien van de " [straatnaam] te Leeuwarden" heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-003-01 (ordner 39, p. 9566 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde een bedrag van € 560.500 heeft betaald voor de aankoop en verbouwing van dit onroerend goed.

4.10.

Ten aanzien van de " [straatnaam] en [straatnaam] te

Leeuwarden" heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-003-03 (ordner 39, p. 9654 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat veroordeelde een bedrag van € 110.000 heeft betaald voor de verbouwing van deze panden en € 35.000 als aanbetaling voor de aankoop. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat in FIN-001 (ordner 29 A4, p. 57 ev) de bewijsmiddelen zijn opgenomen met betrekking tot een lening van € 30.000 die door veroordeelde is verstrekt aan [naam 2] . Volgens de verklaring van [naam 2] is dit bedrag verstrekt ter ondersteuning van zijn bedrijfsvoering. Daarnaast is volgens [naam 2] door veroordeelde een bedrag van € 35.000 betaald als aanbetaling voor de verkoop voor het pand [straatnaam] aan veroordeelde.

4.11.

Ten aanzien van de "betalingen ter voldoening ontnemingsvordering CJIB" heeft de officier van justitie aangevoerd dat in ZD-001-01 (ordner 39, p. 9214 ev) de constructie is gerapporteerd die door veroordeelde is opgezet om te verhullen dat de betalingen ten behoeve van de ontnemingsmaatregel die in 2006 aan hem is opgelegd van hem afkomstig waren. Voorts is volgens de officier van justitie in FIN-001, hoofdstuk 4.2 (ordner 29-A4, p. 8 ev), onderbouwd waarom veroordeelde en [medeveroordeelde] op 23 oktober 2008 (het begin van de ontnemingsperiode) niet de beschikking hadden over een (relevante) hoeveelheid contant of giraal geld. Dit is onder meer gebaseerd op de opgave van vermogensbestanddelen aan de gemeente Leeuwarden per 30 juni 2008, waaruit kan worden afgeleid dat veroordeelde en [medeveroordeelde] op dat moment niet beschikten over contant geld (eventueel afkomstig uit het "oude" feit). Evenmin is door veroordeelde aangifte gedaan bij de Belastingdienst van het bezit van vermogensbestanddelen, zoals contant geld. Gelet op de omstandigheid dat veroordeelde en [medeveroordeelde] in 2008 kennelijk niet meer beschikten over geld afkomstig van het "oude" feit, konden zij hier volgens de officier van justitie in 2009, 2010 en 2011 logischerwijs ook niet meer over beschikken ter betaling van de oude ontnemingsvordering. Daarom is het volgens de officier van justitie niet aannemelijk dat deze vordering is betaald met geld dat veroordeelde over had van het "oude" feit. Bovendien valt volgens de officier van justitie niet in te zien waarom dit geld, indien het rechtstreeks afkomstig was uit de eerder gepleegde strafbare feiten, via zo'n ingewikkelde constructie bij het CJIB moest komen. Te meer omdat een dergelijke werkwijze belastend is voor anderen dan veroordeelde.

4.12.

Ten aanzien van de post "reizen" heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is op welke van de twee reizen naar Kroatië het verweer betrekking heeft en dat het bovendien op de weg van veroordeelde ligt om dit verweer te onderbouwen, bijvoorbeeld door een bevestiging van de annulering door de reisorganisatie of de betreffende accommodatie in te dienen. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdediging haar stelling dat door het openbaar ministerie "hoge" bedragen zijn gerekend voor overnachtingskosten niet met concrete voorbeelden heeft onderbouwd en in dat kader ook geen bewijsmiddelen heeft overgelegd.

4.13.

Ten aanzien van de financiering van het drugstransport heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat als uitgangspunt geldt hetgeen is vastgesteld in het vonnis in eerste aanleg. In dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de verklaringen van [naam 2] betrouwbaar zijn en heeft zij veroordeelde veroordeeld wegens betrokkenheid bij het cocaïnetransport. De officier van justitie heeft aangevoerd dat in FIN-001A (order 29-A4, p. 69 ev) met verwijzing naar diverse bewijsmiddelen opgenomen in ZD-13 (ordner 40, p. 9974 ev) en aanvullend zaaksdossier ZD-013A is onderbouwd dat veroordeelde van de helft van het cocaïnetransport 75% heeft aanbetaald. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat ca. 500 kg cocaïne is meegelift op het cocaïnetransport van veroordeelde, zonder dat hij dit wist. Gelet op de reacties van de Colombianen die door de raadsvrouw zijn aangehaald, ligt het volgens de officier van justitie voor de hand dat deze extra 500 kg cocaïne voor eigen risico en rekening van de Colombianen is getransporteerd. Volgens de officier van justitie is het volstrekt onaannemelijk dat een dergelijk grote hoeveelheid drugs met een in de miljoenen lopende handelswaarde, zonder enige voorafgaande betaling wordt geleverd en zij stelt zich op het standpunt dat het in de internationale drugshandel gebruikelijk is om vooraf te betalen in verband met het risico van inbeslagname. Volgens de officier van justitie bevestigen de verklaringen van [naam 2] dat er een voorafgaande betaling van de partij is geweest. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij de berekening van het voordeel gehanteerde prijs van € 25.000 per kilo noch de inkoopprijs in Colombia noch de markt-/straatprijs in Nederland is, maar de groothandelsprijs die, gelet op de rapportage van de Nationaal Netwerk Drugsexpertise (hierna: NND), laag genoemd kan worden. Volgens de officier van justitie is aannemelijk dat deze prijs is betaald. Daartoe is aangevoerd dat uit de pingberichten blijkt dat de Colombianen in dit geval ook het transport naar Europa en de deklading hebben verzorgd. Daarom is het volgens de officier van justitie aannemelijk dat veroordeelde de cocaïne geleverd kreeg "vrij in haven in Nederland" en hiervoor dus ook een groothandelsprijs heeft betaald. Volgens de officier van justitie is de straatprijs van cocaïne die in 2013 door de NND wordt gerapporteerd € 45 per gram en de door de NND gerapporteerde kiloprijs (= groothandelsprijs) van cocaïne € 35.000 per kilo.

4.14.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de betalingsverplichting voor het deel van het voordeel dat is verkregen vanaf 1 juli 2011 hoofdelijk wordt opgelegd aan veroordeelde en [medeveroordeelde] en dat de betalingsverplichting voor het deel van het voordeel dat is verkregen vóór 1 juli 2011 pondspondsgewijs wordt verdeeld tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] . Daartoe heeft zij aangevoerd dat artikel 36e Sr hoofdelijke toewijzing vóór 1 juli 2011 nog niet toestond. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet tot een verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] kan worden gekomen. Volgens de officier van justitie vloeiden de criminele winsten in de gezamenlijke huishoudpot, konden veroordeelde en [medeveroordeelde] daar beiden over beschikken en hebben zij daar rijkelijk van geleefd. Ze zijn samen regelmatig op vakantie geweest, reden in luxe auto's, woonden in een weelderig verbouwd pand en gaven het nodige uit aan kleding en sierraden. Daarnaast hebben zij bankrekeningen aangehouden waarvoor zij beiden als gerechtigde en betalingsbevoegde staan geregistreerd, wonen zij op hetzelfde adres en voeren zij een gezamenlijke huishouding. Volgens de officier van justitie blijkt daaruit dat er geen onderlinge verdeling is geweest van de opbrengsten. Daarbij acht zij voorts van belang dat veroordeelde en [medeveroordeelde] geen verklaring hebben afgelegd over de verdeling van het voordeel.

4.15.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de totale contante ontvangsten vóór 1 juli 2011 € 61.990 hebben bedragen en de totale contante uitgaven vóór 1 juli 2011 € 373.457. Derhalve bedraagt het wederrechtelijk voordeel dat is verkregen vóór 1 juli 2011 volgens de officier van justitie (€ 373.457 - € 61.990 =) € 311.467. Bij een pondspondsgewijze verdeling leidt dit tot een voordeel van € 155.733,50 per persoon. Het wederrechtelijk verkregen voordeel in de periode vanaf 1 juli 2011 - dat hoofdelijk dient te worden toegewezen - wordt daardoor (€ 15.117.209 - € 311.467 =) € 14.805.742.

4.16.

De officier van justitie heeft zich ertegen verzet dat de verbeurdverklaarde geldbedragen in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het vonnis waarbij de geldbedragen verbeurd zijn verklaard nog niet onherroepelijk is. De officier van justitie heeft toegezegd dat deze geldbedragen zullen worden verrekend met het te betalen bedrag, zodra de verbeurdverklaring onherroepelijk is.

4.17.

De officier van justitie heeft zich ertegen verzet dat de waarde van de inbeslaggenomen cocaïne in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichting. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het voor eigen rekening en risico van veroordeelde komt dat hij het contante geldbedrag heeft uitgegeven aan het kopen van cocaïne en deze cocaïne nu in beslag is genomen.

4.18.

Ten slotte heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het draagkrachtverweer niet kan slagen, omdat zich niet het geval voordoet dat aanstonds duidelijk is dat veroordeelde op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

Oordeel van de rechtbank

Inleidende overwegingen

5.1.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 22 mei 2017 in de zaak met parketnummer 18/750021-14 (waarbij ter berechting is gevoegd de zaak met parketnummer 18/730190-15) veroordeeld ter zake medeplegen van gewoontewitwassen, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod en (kort gezegd) meermalen handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De bewezenverklaring van het gewoontewitwassen ziet op de periode van 1 november 2009 tot en met 22 mei 2014. De bewezenverklaring van de overtreding van de Opiumwet ziet op het invoeren in Nederland van 500 kilogram cocaïne in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 16 oktober 2013 (hierna: de invoer van cocaïne).

Grondslag van de ontnemingsvordering

5.2.

Ten aanzien van de grondslag van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel overweegt de rechtbank het volgende.

5.2.1.

Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

5.2.2.

Tot 1 juli 2011 was - voor zover in dit verband van belang - slechts ontneming mogelijk op grond van artikel 36e, derde lid, Sr indien tegen de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld en indien, gelet op dat onderzoek, aannemelijk was geworden dat het feit waarvoor de betrokkene was veroordeeld of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel had verkregen. De inwerkingtreding van artikel 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm, waarin het vereiste dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, is vervallen, houdt derhalve een uitbreiding in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Hieruit volgt dat indien de misdrijven waarvoor de betrokkene is veroordeeld, zijn begaan vóór 1 juli 2011 en niet is gebleken dat jegens de betrokkene een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, artikel 36e, derde lid, Sr in zijn huidige vorm buiten toepassing moet blijven. De rechtbank verwijst in dit kader naar het - ook door de verdediging aangehaalde - arrest van de Hoge Raad van 29 november 2016 (ECLI:NL:2016:2714).

5.2.3.

Veroordeelde is onder meer veroordeeld voor de invoer van cocaïne. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Dit feit is gepleegd na 1 juli 2011.

5.2.4.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat in dit geval toepassing kan worden gegeven aan het derde lid van artikel 36e Sr in zijn huidige vorm, indien aannemelijk is dat of de bewezenverklaarde invoer van cocaïne of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

5.2.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen aannemelijk dat andere strafbare feiten dan de bewezenverklaarde invoer van cocaïne er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe overweegt de rechtbank dat op grond van de eenvoudige kasopstelling die is neergelegd in de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage aannemelijk is dat veroordeelde in de ontnemingsperiode de beschikking heeft gehad over zeer grote contante geldbedragen. Gelet op de omstandigheid dat veroordeelde blijkens de ontnemingsrapportage aan het begin van de ontnemingsperiode niet beschikte over (een significante som) contant geld en hij in deze periode geen aannemelijke, verifieerbare, legale bron van contante inkomsten had, acht de rechtbank aannemelijk dat een groot deel van het contante geld dat veroordeelde in de ontnemingsperiode voorhanden heeft gehad afkomstig was van misdrijf, zoals ook al in de hoofdzaak is overwogen.

5.2.6.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het derde lid van artikel 36e Sr. Dit betekent dat de rechtbank de verdediging niet volgt in haar betoog dat de vordering moet worden afgewezen voor zover deze ziet op voordeel dat vóór 1 juli 2011 wederrechtelijk is verkregen en op grond van het derde lid van artikel 36e Sr is berekend.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.3.

De rechtbank neemt de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van andere strafbare feiten wordt geschat. In deze rapportages is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend door middel van een eenvoudige kasopstelling, zoals hiervoor is weergeven in de bewijsmiddelen. Aan de hand daarvan is het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 15.117.209. De rechtbank neemt deze conclusie van de rapportages over.

5.4.

De rechtbank volgt de verdediging niet in haar betoog dat veroordeelde in de ontnemingsperiode ongeveer 4 miljoen euro heeft verdiend met het wisselen van andere valuta en dat het bedrag dat contant is uitgegeven aan "luxe" goederen en de financiering van het drugstransport niet meer is geweest dan deze 4 miljoen euro minus het bedrag van ruim 3 miljoen euro dat is aangetroffen in de grondkluizen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij in totaal 4 miljoen euro heeft verdiend met de commissie van 4% die hij zou hebben ontvangen voor het wisselen van grote bedragen aan andere valuta niet aannemelijk. Daartoe overweegt zij dat de verdediging deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De verdediging heeft geen documenten of getuigen aangedragen die de beweringen van veroordeelde kunnen ondersteunen en veroordeelde heeft niet of nauwelijks antwoord willen geven op vragen over de gestelde wisselactiviteiten, noch tijdens zijn verhoor bij de politie op 17 januari 2018, noch tijdens de ontnemingszitting van 19 juni 2018. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat veroordeelde andere valuta ter waarde van 100 miljoen euro zou hebben moeten wisselen om op deze wijze 4 miljoen euro te verdienen. Om op deze wijze het in de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage berekende contante geldbedrag van ruim 15 miljoen euro te verdienen, zou veroordeelde zelfs buitenlandse valuta ter waarde van 375 miljoen euro hebben moeten wisselen. Dit acht de rechtbank zeer onaannemelijk, nog daargelaten dat veroordeelde ter terechtzitting van 19 juni 2018 heeft verklaard dat hij wist, of in ieder geval ernstig rekening hield met de mogelijkheid, dat de door hem gewisselde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, zodat zelfs als veroordeelde in deze verklaring gevolgd zou moeten worden, hij aldus heeft erkend dat hij grote geldbedragen heeft verdiend met het plegen van strafbare feiten, namelijk (gewoonte)witwassen.

5.5.

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van een aantal concrete contante uitgaven die zijn betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van de eenvoudige kasopstelling in de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage. Ten aanzien van de overige contante uitgaven die zijn betrokken in de eenvoudige kasopstelling heeft de verdediging, buiten het hiervoor onder 5.4. besproken algemene verweer, geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de door de verdediging betwiste contante uitgaven hierna bespreken.

Contante uitgaven voor "luxe" goederen

5.6.

Hierna zal de rechtbank ingaan op de verweren die de verdediging heeft gevoerd met betrekking tot de onderdelen van (de berekening in) de ontnemingsrapportage die zij heeft aangeduid als de contante uitgaven aan "luxe" goederen.

5.6.1.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de "Maserati [kenteken] " overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage1, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-04"2 en "AH-361-00"3, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto niet heeft gekocht maar heeft gehuurd voor € 25.000, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.2.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de "Aston Martin Vanquish Volante" overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage4, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-08"5 en "AH-361-00"6, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat niet hij maar [naam 15] deze auto heeft gekocht, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.3.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de "Mini [kenteken] " overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage7, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-05"8 en "AH-361-00"9, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto heeft gekocht voor € 25.000, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.4.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de "Fiat 500 [kenteken] " overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage10, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-06"11 en "AH-361-00"12, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto heeft gekocht voor € 10.000 met inruil van een andere auto, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.5.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging met betrekking tot de "VW Passat [kenteken] " overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage13, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-09"14 en "AH-361-00"15, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij deze auto heeft gekocht voor € 10.000 met inruil van een andere auto, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.6.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de "Audi A4 [kenteken] ", "Audi A6 [kenteken] " en "Audi A4 [kenteken] " overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage16, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-002-02"17,"Zaaksdossier ZD-002-03"18, "Zaaksdossier ZD-002-13"19 en "AH-361-00"20, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stellingen van veroordeelde dat dit drie elkaar opvolgende auto's zijn, waarin hij niet gelijktijdig heeft gereden, dat hij de eerste Audi A4 heeft gekocht voor € 20.000, dat hij deze later heeft verkocht aan [naam 2] en met de opbrengst daarvan vermeerderd met € 25.000 een andere Audi A4 heeft gekocht en dat hij later deze tweede Audi A4 met bijbetaling van € 45.000 heeft ingeruild voor de Audi A6, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.7.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de " [straatnaam] te Leeuwarden" overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage21, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij enkel de verbouwing van € 300.000 heeft betaald, terwijl [naam 2] de hypotheek van € 250.000 voor de aankoop van de woning heeft geregeld en betaald, en dat hij met [naam 2] heeft afgesproken dat hij het huis na de verbouwing van [naam 2] zou kopen, maar dat dit nooit is gebeurd, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in het vonnis in de strafzaak bewezen is verklaard dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het in de ontnemingsrapportage vermelde bedrag van € 90.000 aan eigen inbreng voor de aankoop van deze woning en het in de ontnemingsrapportage vermelde bedrag van € 338.000 aan bouwkosten. De rechtbank heeft in het vonnis in de strafzaak overwogen dat zij bewezen acht dat de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden is aangekocht door en ten behoeve van veroordeelde en [medeveroordeelde] en dat zij daar ook daadwerkelijk, na een grootschalige verbouwing, zijn gaan wonen, terwijl deze woning op naam van [naam 2] stond. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier thans anders over te oordelen. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.8.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de " [straatnaam] en [straatnaam] te Leeuwarden" overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage22, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij de kosten van de verbouwing van deze panden ten bedrage van ongeveer € 100.000 heeft betaald, dat de overige kosten, waaronder de hypotheek, zijn betaald door [naam 2] en dat hij in dat kader niet een lening van € 30.000 heeft gefinancierd/betaald, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.9.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de "betalingen ter voldoening ontnemingsvordering CJIB" overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage23, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stelling van veroordeelde dat hij de "oude" ontnemingsvordering heeft voldaan van geld dat hij over had van het "oude" strafbare feit, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat op grond van de in de ontnemingsrapportage vermelde omstandigheden aannemelijk is dat veroordeelde aan het begin van de ontnemingsperiode niet beschikte over (een significatie hoeveelheid) contant geld.24 Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

5.6.10.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer met betrekking tot de post "reizen" van onderdeel 4.5.7. (uitgaven (luxe) goederen, vakanties en schenkingen) overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de inhoud van de ontnemingsrapportage25, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de daarin genoemde processen-verbaal "Zaaksdossier ZD-005"26, "AH-362-00"27 en "AH-337-00"28, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging dit onderdeel van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele, niet nader uitgewerkte en niet met documenten, getuigenverklaringen of anderszins onderbouwde, stellingen van veroordeelde dat de reis naar Kroatië tijdig is geannuleerd en de reissom daarom niet is voldaan en dat het openbaar ministerie is uitgegaan van te hoge overnachtingskosten, aangezien hij de hotels vaak ter plaatse boekte en dit veel goedkoper is dan via internet of een reisbureau, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende. Dit betekent dat dit verweer geen verdere bespreking behoeft.

Contante uitgaven voor de financiering van het drugstransport

5.7.

Hierna zal de rechtbank ingaan op de verweren die de verdediging heeft gevoerd met betrekking tot de contante uitgaven voor het financieren van het drugstransport.

5.7.1.

Naar aanleiding van de betwisting door de verdediging dat veroordeelde betrokken is geweest bij de invoer van cocaïne en het betoog van de verdediging dat de verklaring van [naam 2] daarover onbetrouwbaar is, overweegt de rechtbank het volgende. In het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 16 oktober 2013 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk ongeveer 500 kilogram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De rechtbank heeft de betrokkenheid van veroordeelde bij de invoer van de partij cocaïne voor een belangrijk deel gebaseerd op de verklaring van [naam 2] . De rechtbank heeft overwogen dat zij geen reden zag om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 2] over hetgeen hij van veroordeelde heeft vernomen met betrekking tot diens rol bij het mislukte cocaïnetransport. Als redenen daarvoor heeft de rechtbank overwogen dat de verklaring van [naam 2] past in het onderschepte berichtenverkeer tussen leden van de Colombiaanse organisatie die de verkoop en het transport van de cocaïne van Colombia naar Nederland regelde, dat hetgeen [naam 2] heeft verklaard zeer specifieke en bijzondere informatie betreft die alleen bekend kon zijn bij de direct betrokkenen bij het cocaïnetransport, dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de veronderstelling dat [naam 2] deze informatie heeft verkregen van een andere bron dan veroordeelde en dat het dossier aanwijzingen bevat, anders dan de verklaring van [naam 2] , die de betrokkenheid van veroordeelde bij dit cocaïnetransport versterken. Voor de volledige motivering van de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 2] verwijst de rechtbank naar de pagina's 17 tot en met 19 van het vonnis in de strafzaak. De rechtbank ziet geen aanleiding om thans anders te oordelen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 2] en de betrokkenheid van veroordeelde bij het cocaïnetransport.

5.7.2.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat [naam 2] geen verklaring heeft afgelegd over het moment van betalen en de hoogte van het betaalde bedrag, dan wel dat zijn verklaringen daarover wisselend en onbetrouwbaar zijn, overweegt de rechtbank het volgende. [naam 2] heeft op 26 mei 2014 - zakelijk weergegeven - verklaard dat veroordeelde tegen hem heeft gezegd dat het cocaïnetransport 500 kilogram had moeten zijn, maar 1.030 kilogram was, dat [naam 14] en [naam 13] waarschijnlijk - zonder veroordeeldes medeweten - 530 kilogram hadden meegelift op zijn transport, dat dit mislukte transport hem heel veel geld had gekost en dat dit in de miljoenen liep.29 Op 26 november 2014 heeft [naam 2] (nogmaals) verklaard dat veroordeelde hem heeft verteld dat hij heel veel geld in het transport had zitten en dat dit in de miljoenen liep.30 De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan dit deel van de verklaring van [naam 2] . Zij baseert dit oordeel op dezelfde gronden als die zij ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 2] over de betrokkenheid van veroordeelde bij het drugstransport in het algemeen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [naam 2] over het bedrag dat het onderschepte drugstransport veroordeelde heeft gekost, consequent is. Nadat [naam 2] in het verhoor van 26 mei 2014 had verklaard dat veroordeelde hem heeft verteld dat dit transport hem heel veel geld heeft gekost en dit in de miljoenen liep, hebben verbalisanten hem later in datzelfde verhoor gevraagd hoeveel geld de aankoop en het transport van de cocaïne veroordeelde hebben gekost. [naam 2] heeft daarop "nee" geantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kan daaruit slechts worden afgeleid dat [naam 2] niet op de hoogte was van het precieze bedrag dat veroordeelde voor de aankoop en het transport van de cocaïne heeft betaald en niet dat hij terugkwam op hetgeen hij eerder tijdens datzelfde verhoor had verklaard. Bovendien heeft [naam 2] dit nadien in het verhoor van 26 november 2014 herhaald.

5.7.3.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat de onderschepte cocaïne nog niet was betaald, overweegt de rechtbank dat uit de hiervoor vermelde verklaringen van [naam 2] kan worden afgeleid dat veroordeelde op het moment dat het cocaïnetransport werd onderschept al meerdere miljoenen euro's had betaald voor de cocaïne. Voorts overweegt de rechtbank in dit kader dat in het onderschepte berichtenverkeer van leden van de Colombiaanse organisatie, weergegeven in de bewijsmiddelen, wordt gezegd dat het "1.033 pesos" zijn, dat "hij" niet heeft opgemerkt dat er "48 p" in aantocht zijn, dat "hij" altijd voor "24" overmaakt, dat "hij" tot de zending "18" heeft betaald en dat "hij" niet heeft gemerkt dat ze hem "48 p" hebben gestuurd en geen "24". In het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank geconcludeerd dat dit berichtenverkeer betrekking heeft op het transport van de zending cocaïne die verborgen zat in een lading bananen. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen. Daarbij heeft zij onder meer in aanmerking genomen dat in de aanvullende ontnemingsrapportage is opgemerkt dat uit het onderzoek is gebleken dat in de partij van 48 pallets bananen 1.031 kilogram (1.033 pakketten) cocaïne waren verborgen op vier pallets. Voorts acht de rechtbank op grond van dit berichtenverkeer en de verklaring van [naam 2] dat veroordeelde tegen hem heeft gezegd dat het cocaïnetransport 500 kilogram had moeten zijn, maar 1.030 kilogram was, en dat [naam 14] en [naam 13] waarschijnlijk 530 kilogram hebben meegelift op zijn transport, aannemelijk dat in de berichten met "hij" veroordeelde wordt bedoeld. Op basis van deze gegevens is in de ontnemingsrapportage geconcludeerd dat het aannemelijk is dat met "24" werd bedoeld de 24 pallets (de helft van de aangetroffen 48 pallets) en dat veroordeelde op dat moment reeds 75% van de 500 kilo (de helft van de aangetroffen 1.000 kilo) had betaald. De rechtbank is met de rapporteurs van oordeel dat aannemelijk is dat met het bericht dat "hij" tot de zending "18" heeft betaald, wordt bedoeld dat veroordeelde op het moment dat het cocaïnetransport werd onderschept al (18/24 =) 75% van zijn deel van het transport (500 kilogram) had betaald. De enkele omstandigheid dat in het berichtenverkeer ook wordt gesproken over "in consignatie" en "voorschieten" maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Mogelijk hebben deze opmerkingen betrekking op de 25% die veroordeelde nog niet had betaald en/of op de 500 kilogram die anderen op het transport hebben "meegelift".

5.7.4.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat de berekening van de vermeende uitgaven voor het drugstransport niet correct is, dat de gangbare inkoopprijzen veel lager zijn, dat aannemelijk is dat het bedrag van 33.868,80 USD de prijs van de pallets met bananen betreft en dat dit bedrag ook een aanbetaling zou kunnen zijn, overweegt de rechtbank het volgende. In het onderschepte berichtenverkeer tussen leden van de Colombiaanse groepering wordt naar aanleiding van de vraag wat de "48" kosten gezegd "33.868,8 USD" en wordt later doorgegeven dat iedere zending 33.868,8 USD kost. Gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat met de "48" de totale partij van 48 pallets met bananen met daarin verborgen 1.033 pakketten met in totaal 1.031 kilogram cocaïne wordt bedoeld. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat het genoemde bedrag van 33.868,8 USD (wat afgerond overeenkomt met € 25.000) de prijs per kilogram cocaïne betreft. Daartoe overweegt zij dat dit bedrag desgevraagd wordt genoemd in een gesprek dat gaat over het transport van een groot aantal pakketten ("zendingen") cocaïne. De verdediging heeft door te verwijzen naar "vergelijkbare zaken" en een artikel uit Quote geen begin van bewijs geleverd dat de gangbare inkoopprijs per kilogram cocaïne voor degene die de cocaïne in de haven in Nederland ontvangt veel lager ligt. De prijs van € 25.000 per kilogram ligt ruim onder de "groothandelsprijs" van € 35.000 per kilogram die wordt genoemd in de informatie van de NND. De door de NND genoemde prijs van € 35.000 per kilogram sluit overigens aan bij de "groothandelsprijs" van € 35.000 à € 38.000 die wordt genoemd op de website van Jellinek (https://www.jellinek.nl/vraag-antwoord/hoeveel-kosten-drugs/). De rechtbank acht aannemelijk dat de door veroordeelde betaalde prijs per kilogram cocaïne lager ligt dan de "groothandelsprijs" van cocaïne in Nederland, maar dat deze aanzienlijk hoger ligt dan de verkoopprijs van cocaïne in Colombia. Daartoe overweegt zij dat het in dit geval gaat om een zeer grote partij cocaïne, maar dat aannemelijk is dat het transport van Colombia naar Nederland is geregeld en gefinancierd door de Colombiaanse organisatie. Dat met het genoemde bedrag van 33.868,8 USD de kosten van de deklading van 48 pallets met bananen wordt bedoeld acht de rechtbank niet aannemelijk. Daartoe overweegt zij dat niet alleen wordt gezegd dat dit de kosten van de "48" zijn, maar tevens dat dit de kosten van iedere zending zijn. Dit zou niet logisch zijn indien het over de deklading ging, aangezien dit slechts één zending betreft en "hij" blijkens het berichtenverkeer anders altijd voor "24" (de rechtbank begrijpt: pallets) overmaakt en niet voor 48 pallets. De rechtbank acht evenmin aannemelijk dat het bedrag van 33.868,8 USD een aanbetaling betreft. Daartoe overweegt zij dat uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat veroordeelde miljoenen euro's voor (het transport van) de cocaïne heeft betaald.

5.7.5.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde voor de invoer van de 500 kilogram cocaïne (75% van 500 x € 25.000 =) € 9.375.000 heeft betaald. Nu, zoals al eerder overwogen, op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat veroordeelde in de onderzoeksperiode op legale wijze de beschikking heeft gehad of heeft kunnen krijgen over een dergelijk geldbedrag, is aannemelijk dat dit bedrag afkomstig is uit enig strafbaar feit dat veroordeelde tot voordeel heeft gestrekt en kan dit bedrag derhalve als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.

Conclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.8.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 15.117.209,00 bedraagt, zoals is berekend in de ontnemingsrapportage en de aanvullende ontnemingsrapportage.

Verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.9.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover het de periode tot 1 juli 2011 betreft, hoofdelijk moet worden verdeeld tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover het de periode vanaf 1 juli 2011 betreft, in gelijke delen moet worden verdeeld tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] . Daartoe overweegt zij het volgende.

5.9.1.

[medeveroordeelde] is in de strafzaak veroordeeld wegens het medeplegen van gewoontewitwassen. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de hoeveelheden contant geld die zijn aangetroffen in de grondkluizen op vier verschillende locaties, het witwassen van een auto van het merk Mini Cooper en het witwassen van grote sommen geld die zijn besteed aan het verbouwen en inrichten van de woning van veroordeelde en [medeveroordeelde] aan de [straatnaam] te Leeuwarden, alsmede het witwassen van die woning zelf. Uit de enkele omstandigheid dat [medeveroordeelde] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van deze geldbedragen en voorwerpen, kan niet zonder meer worden afgeleid dat deze haar tot voordeel hebben gestrekt. Uit het dossier kan worden afgeleid dat [medeveroordeelde] op de hoogte was van de locaties van (een deel van) de grondkluizen en dat zij wist of moet hebben geweten dat daarin grote contante geldbedragen werden bewaard. Daaruit blijkt echter nog niet dat zij (zelfstandig) over die geldbedragen kon beschikken en daarvoor zijn in het dossier ook geen aanwijzingen te vinden. Gelet op het beeld dat de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft gekregen van de verhouding tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] , acht zij dit bovendien ook niet aannemelijk. Daarbij komt dat de rechtbank [medeveroordeelde] heeft vrijgesproken van het witwassen van de hoeveelheden contant geld en de goudstaven die zijn aangetroffen in drie andere grondkluizen, het witwassen van een geldbedrag van € 205.000 dat is gebruikt voor het aflossen van een schuld bij het CJIB en het witwassen van twee andere auto's, terwijl al deze geldbedragen en voorwerpen eveneens onderdeel uitmaken van de eenvoudige kasopstelling in de (aanvullende) ontnemingsrapportage. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat in het dossier geen aanwijzingen te vinden zijn dat [medeveroordeelde] een rol heeft gespeeld bij de strafbare feiten door middel waarvan de witgewassen geldbedragen en voorwerpen zijn verkregen. Ook zijn in het dossier geen aanwijzingen te vinden dat [medeveroordeelde] betrokken is geweest bij (de financiering van) het onderschepte cocaïnetransport, waaraan veroordeelde een groot deel van het contante geld heeft besteed.

5.9.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet worden afgeleid dat [medeveroordeelde] samen met veroordeelde de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat sprake was van een gemeenschappelijk boedel waaruit [medeveroordeelde] vrijelijk kon putten. De rechtbank acht aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegenereerd door veroordeelde en dat hij degene was die daarover de beschikking had. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting worden afgeleid dat [medeveroordeelde] moet hebben geweten dat veroordeelde in de ontnemingsperiode beschikte over zeer grote contante geldbedragen, terwijl hij geen substantiële, legale, contante inkomsten had en zijzelf evenmin. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat [medeveroordeelde] (ten minste) bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat zij ter beschikking had en het geld waarmee veroordeelde de aankoop, verbouwing en inrichting van de woning, de (luxe)goederen, de vele buitenlandse reizen en de etentjes betaalde, afkomstig was van de opbrengst van door hem gepleegde strafbare feiten. Uit deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat [medeveroordeelde] heeft geprofiteerd van de opbrengsten van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. Maar daaruit blijkt niet dat dit op zodanig grote schaal heeft plaatsgevonden dat het redelijk is om het wederrechtelijk verkregen voordeel in gelijke delen te verdelen tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] , dan wel hen daarvoor hoofdelijk aansprakelijk te stellen. De omstandigheid dat veroordeelde en [medeveroordeelde] geen volledige openheid van zaken hebben gegeven ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel is onvoldoende reden om hier anders over te oordelen.

5.9.3.

De rechtbank acht aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeveroordeelde] bestaat uit het geld en de goederen die zij van veroordeelde heeft gekregen of waarover zij samen met veroordeelde kon beschikken en de diensten die veroordeelde voor haar heeft betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat [medeveroordeelde] de beschikking heeft gehad over de volgende bedragen en over de volgende voorwerpen, die zijn aangekocht voor de volgende bedragen dan wel de volgende bedragen vertegenwoordigen:

voorwerp: bedrag:

Bankstorting rekening [nummer]31 € 5.875

Terugbetaling WWB uitkering gemeente Leeuwarden32 € 40.000

Mini [kenteken]33 € 29.031

[straatnaam] te Leeuwarden34 € 560.500

Reizen35 € 81.230

Kleding 36 € 64.460

Sieraden37 € 94.235

Inrichting38 € 62.386

Elektronica39 € 39.788

Vervoermiddelen40 € 35.655

Etentjes 41 € 12.249

Overige luxe goederen en diensten42 € 30.632

Uitgaven fictieve dienstbetrekking43 € 18.815

Uitgaven met betrekking tot cash passport44 € 9.998

De rechtbank acht voorts aannemelijk dat [medeveroordeelde] de beschikking heeft gehad over het contante geldbedrag van € 22.280 dat is aangetroffen in de woning aan de [straatnaam] te Leeuwarden.45

5.9.4.

Gelet op de omstandigheden dat veroordeelde en [medeveroordeelde] in de ontnemingsperiode geen andere substantiële, verifieerbare contante inkomsten hadden, acht de rechtbank aannemelijk dat deze geldbedragen afkomstig zijn van en deze voorwerpen zijn aangeschaft met de opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten.

5.9.5.

De rechtbank acht aannemelijk dat de Mini Cooper met het kenteken [kenteken] ter waarde van € 29.031 en het grootste deel van de sieraden, te weten het horloge Audemars Piguet Royal Oak Offshore, de gouden ring met diamant, de witgouden armband met 40 diamanten en het gouden collier met 150 diamanten (met een totale waarde van € 93.000) van [medeveroordeelde] waren en dat zij daarover de volledige beschikking had. Deze voorwerpen hebben [medeveroordeelde] tot voordeel gestrekt en naar het oordeel van de rechtbank dient daarom de volledige waarde daarvan te worden aangemerkt als wederrechtelijk door [medeveroordeelde] verkregen voordeel.

5.9.6.

De rechtbank acht aannemelijk dat de onder 5.9.3. vermelde geldbedragen en de overige onder 5.9.3. vermelde voorwerpen van veroordeelde en [medeveroordeelde] samen waren en dat zij daar beiden over konden beschikken. De rechtbank acht aannemelijk dat de onder 5.9.3. vermelde uitgaven ten behoeve van zowel veroordeelde als [medeveroordeelde] zijn gedaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de helft van (de waarde van) deze geldbedragen, voorwerpen en uitgaven dient te worden aangemerkt als wederrechtelijk door [medeveroordeelde] verkregen voordeel.

5.9.7.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeveroordeelde] (€ 29.031 + € 93.000 + (€ 985.103 / 2) =) € 614.582 bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Daartoe overweegt zij dat de omstandigheid dat veroordeelde ervoor heeft gekozen om een deel van het door hem verkregen voordeel aan [medeveroordeelde] te geven niet van invloed is op de hoogte van het door hemzelf uit de strafbare feiten verkregen voordeel.

5.9.8

Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft verkregen van € 15.117.209.

Overwegingen met betrekking tot de betalingsverplichting.

6. De rechtbank zal het bedrag van € 614.582 dat [medeveroordeelde] van veroordeelde heeft gekregen echter wel aftrekken van de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting. Dit om te voorkomen dat dit bedrag tweemaal dient te worden terugbetaald. Bij beslissing van heden heeft de rechtbank in de ontnemingsprocedure tegen [medeveroordeelde] immers vastgesteld dat zij dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en wordt haar reeds de verplichting opgelegd dit bedrag (met uitzondering van de waarde van de verbeurd verklaarde personenauto van het merk Mini Cooper) terug te betalen. Hierdoor resteert, na aftrek van het aan [medeveroordeelde] te ontnemen bedrag, een betalingsverplichting van (€ 15.117.209 - € 614.582 =) € 14.502.627.

Inbeslaggenomen geld en goederen

7. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbeurd verklaarde geldbedragen en de waarde van de verbeurd verklaarde goederen in mindering moeten worden gebracht op het geschatte voordeel. Naar aanleiding van dit betoog overweegt de rechtbank het volgende.

7.1.

In het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank verbeurd verklaard een geldbedrag van in totaal € 3.027.220, een aantal goudstaven, een horloge van het merk Zenith en een personenauto van het merk Mini Cooper met kenteken [kenteken] . De rechtbank heeft deze voorwerpen vatbaar geacht voor verbeurdverklaring omdat de bewezenverklaarde witwasfeiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan. De rechtbank heeft de waarde van de personenauto reeds van het door veroordeelde te betalen bedrag afgetrokken omdat deze onderdeel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeveroordeelde] . Daarom zal de rechtbank (de waarde van) de personenauto hierna buiten beschouwing laten.

7.2.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de arresten van de Hoge Raad van 17 mei 2016 (ECLI:NL:HR:2016:874) en 30 mei 201 (ECLI:NL:HR:2017:1033).

7.3.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen geldbedragen, goudstaven en horloge kunnen worden aangemerkt als opbrengst van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. De waarde van de goudstaven bedraagt, uitgaande van het proces-verbaal van bevindingen AH-363-0046 € 110.024. De waarde van het horloge bedraagt volgens het proces-verbaal van bevindingen AH-339-0047 € 2.000. De rechtbank is van oordeel dat door de verbeurdverklaring van deze voorwerpen, dit voordeel feitelijk reeds aan veroordeelde is ontnomen en dat de rechtmatige toestand in financiële zin, voor zover het dit deel van het voordeel betreft, reeds is hersteld. Dat veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en dit vonnis dus nog niet onherroepelijk is, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

7.4.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting verminderen met (€ 3.027.220 + € 110.024 + € 2.000 =) € 3.139.244. Hierdoor resteert een betalingsverplichting van (€ 14.502.627 - € 3.139.244 =) € 11.363.383.

Inbeslaggenomen cocaïne

8. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de inbeslaggenomen cocaïne in mindering moet worden gebracht op het geschatte voordeel. Naar aanleiding van dit betoog overweegt de rechtbank het volgende.

8.1.

Veroordeelde heeft een groot deel van het wederrechtelijk door hem verkregen voordeel besteed aan het inkopen van 500 kilogram cocaïne. De aankoopprijs is hierboven geschat op een contant geldbedrag van € 9.375.000. De cocaïne is op 16 oktober 2013 inbeslaggenomen en de rechtbank gaat ervan uit dat deze is onttrokken aan het verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank staat in ieder geval vast dat de inbeslaggenomen cocaïne (of de waarde daarvan) niet zal worden teruggeven aan veroordeelde. De rechtbank is van oordeel dat door de inbeslagname het wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit het geldbedrag van € 9.375.000 dat veroordeelde heeft betaald voor de inkoop van de cocaïne, feitelijk reeds aan veroordeelde is ontnomen en dat de rechtmatige toestand in financiële zin, voor zover het dit deel van het voordeel betreft, reeds is hersteld. Dat betekent dat, in tegenstelling tot hetgeen namens het openbaar ministerie is betoogd, ook dit bedrag in mindering zal moeten worden gebracht op de betalingsverplichting. De rechtbank vermag immers niet in te zien waarom enerzijds de waarde van de verbeurd verklaarde geldbedragen, goudstaven en horloges wel in mindering gebracht moet worden op de betalingsverplichting, terwijl dat anderzijds niet het geval zou zijn bij goederen die zijn onttrokken aan het verkeer en die evenzeer door de veroordeelde zijn aangeschaft met door misdrijf verkregen gelden. In beide gevallen wordt immers door strafvorderlijk overheidsingrijpen aan de veroordeelde vermogen ontnomen dat hij door het plegen van strafbare feiten heeft verkregen.

Weliswaar is het vaste jurisprudentie dat verliesgevende omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de verkrijging van het voordeel in beginsel niet relevant zijn voor de vaststelling van de hoogte van het voordeel, maar indien bij het vaststellen van de betalingsverplichting geen rekening zou worden gehouden met een onttrekking aan het verkeer zoals in deze zaak aan de orde is, zou dat niet in overeenstemming zijn met het rechtsherstellende karakter van de maatregel van voordeelsontneming zoals de wetgever voor ogen heeft gehad en zou deze ten onrechte een bestraffend karakter krijgen (vgl. W. Zanger, de ontnemingsmaatregel toegepast (diss. Utrecht), Boom juridisch 2018, p. 151 e.v.).

8.2.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting verminderen met € 9.375.000. Hierdoor resteert een betalingsverplichting van (€ 11.363.383 - € 9.375.000 =) € 1.988.383.

Draagkracht

9. Naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer overweegt de rechtbank het volgende.

9.1.

Op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid.

9.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van een dergelijk geval. De door de verdediging gestelde omstandigheid dat veroordeelde moeilijk aan een baan zal kunnen komen omdat hij een gewezen man is en niet grossiert in diploma's, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat veroordeelde in de toekomst geen inkomsten kan genereren en in het geheel niet zal kunnen betalen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat veroordeelde tot zijn aanhouding de beschikking had over zeer grote contante geldbedragen, goudstaven en dure auto's en dat hij heeft geprobeerd deze buiten het zicht van politie en justitie te houden. Hoewel deze geldbedragen, goudstaven en auto's in de loop van het onderzoek zijn opgespoord, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat (lang) niet al veroordeeldes vermogensbestanddelen zijn gevonden en in beslag zijn genomen.

9.3.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat er op dit moment geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de matigingsbevoegdheid.

Redelijke termijn

10. De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn ambtshalve het volgende.

10.1.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden het moment waarop de officier van justitie zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken of het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifieke op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, als hiervoor vermeld. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

10.2.

De rechtbank constateert dat in deze zaak geen strafrechtelijk financieel onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de officier van justitie haar voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken voor het eerst kenbaar heeft gemaakt door het uitbrengen van de ontnemingsvordering d.d. 12 juli 2016. De rechtbank stelt vast dat conservatoir beslag is gelegd op (onder meer) de woning van veroordeelde aan de [straatnaam] te Leeuwarden en meerdere auto's van veroordeelde. De rechtbank is niet gebleken dat de positie van veroordeelde hierdoor in belangrijke mate is beïnvloed. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat veroordeelde van 13 mei 2014 tot en met 22 december 2014 in detentie heeft gezeten en dat hij ook van 16 juni 2015 tot en met heden gedetineerd is.

10.3.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 12 juli 2016. Hieruit volgt dat op het moment dat deze beslissing wordt uitgesproken sprake is van een tijdsverloop van twee jaren en twee maanden sinds de aanvang van de termijn en dat dus niet binnen twee jaren na het indienen van de ontnemingsvordering een eindbeslissing is genomen op deze vordering.

10.4.

De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die deze langere termijn rechtvaardigen. Daartoe overweegt zij dat de afdoening van deze ontnemingszaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat deze ingewikkeld is. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op de omvang van het in die strafzaak verrichte onderzoek. Voorts acht de rechtbank daarbij van belang dat dit onderzoek niet alleen was gericht tegen veroordeelde maar ook tegen zijn vrouw en dochter en meerdere andere personen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ingewikkeldheid van de strafzaak bevestigd door de duur van het onderzoek en de omvang van het einddossier (meer dan 40 ordners). De rechtbank heeft in de strafzaak vonnis gewezen op 22 mei 2017. Nadien heeft een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden. Sinds het vonnis in de strafzaak is minder dan anderhalf jaar verstreken.

10.5.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijk termijn.

Eindconclusie

11. Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van € 15.117.209,00, waarbij de aan veroordeelde op te leggen betalingsverplichting zal worden vastgesteld op € 1.988.383,00, zijnde het voordeel dat veroordeelde heeft genoten met daarop in mindering gebracht:

  • -

    het bedrag aan voordeel dat aan [medeveroordeelde] kan worden toegerekend en dat bij beslissing van heden aan haar ontnomen zal worden, te weten € 614.582,00;

  • -

    de reeds onder veroordeelde inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde contante geldbedragen, alsmede de tegenwaarde van de onder veroordeelde inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde luxegoederen, te weten in totaal € 3.139.244,00;

  • -

    de tegenwaarde van de door veroordeelde gefinancierde, reeds inbeslaggenomen en aan het verkeer (of in ieder geval aan het vermogen van veroordeelde) onttrokken partij cocaïne, te weten € 9.375.000.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 15.117.209,00.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 1.988.383,00 (zegge: één miljoen negenhonderdachtentachtigduizend driehonderddrieëntachtig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 september 2018.

Mr. Janssen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Het "Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex art 36e 3e lid Sr eenvoudige kasopstelling, FIN-001" d.d. 8 april 2016, opgenomen in het ontnemingsdossier (hierna: de ontnemingsrapportage), map 29, p. 25, paragraaf 4.5.3.3.

2 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-04", map 39, p. 9328 ev.

3 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.4., map 29, p. 120 ev.

4 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 25 en 26, paragraaf 4.5.3.7.

5 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-08", opgenomen in map 39, p. 9454 ev.

6 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.8., map 29, p. 145 ev.

7 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 25, paragraaf 4.5.3.4.

8 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-05", opgenomen in map 39, p. 9390 ev.

9 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.5., map 29, p. 129 ev.

10 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 25, paragraaf 4.5.3.5.

11 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-06", opgenomen in map 39, p. 9414 ev.

12 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.6., map 29, p. 137 ev.

13 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 26, paragraaf 4.5.3.8.

14 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-09", opgenomen in map 39, p. 9505 ev.

15 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.9., map 29, p. 151 ev.

16 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 24, 25 en 26, paragraven 4.5.3.1., 4.5.3.2. en 4.5.3.12.

17 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-02", opgenomen in map 39, p. 9277 ev.

18 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-03", opgenomen in map 39, p. 9302 ev.

19 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-002-13", opgenomen in map 39, p. 9545 ev.

20 Het proces-verbaal van bevindingen ÄH-361-00, paragraaf 2.2., map 29, p. 111 ev., paragraaf 2.3., map 29, p. 115 ev., en paragraaf 2.13., map 29, p. 161 ev.

21 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 27 ev., paragraaf 4.5.4.1.

22 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 39 ev., paragraaf 4.5.4.3.

23 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 16 ev., paragraaf 4.5.2.1.

24 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 8 ev., paragraaf 4.2.

25 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 59, paragraaf 4.5.7.1.

26 Het proces-verbaal van bevindingen "Zaaksdossier ZD-005", map 40, p. 9828-9831, paragraaf 5.2.

27 Het proces-verbaal van bevindingen AH-362-00, map 29, p. 194 ev.

28 Het proces-verbaal van bevindingen AH-337-00, map 5, p. 2070 ev.

29 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] d.d. 26 mei 2014, V-002-013, map 31, p. 6781.

30 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2] d.d. 26 november 2014, V-002-026, map 31, p. 7009.

31 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 16.

32 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 20-22.

33 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 25, het proces-verbaal van bevindingen AH-361-00, paragraaf 2.5., map 29, p. 129 ev. en het proces-verbaal van bevindingen ZD-002-05, map 39, p. 9390 ev.

34 De ontnemingsrapportage, paragraaf 4.5.4.1., map 29, p. 27-35.

35 Het proces-verbaal van bevindingen AH-337-00, map 5, p. 2070 ev.

36 Het proces-verbaal van bevindingen AH-338-00, map 5, p. 2009 ev.

37 Het proces-verbaal van bevindingen AH-339-00, map 5, p. 2145 ev.

38 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 60.

39 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 60.

40 Het proces-verbaal van bevindingen AH-343-00, map 6, p. 2273 ev.

41 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 61.

42 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 61.

43 Het proces-verbaal van bevindingen AH-364-00, map 29, p. 228 ev.

44 De ontnemingsrapportage, map 29, p. 65-66.

45 Het proces-verbaal van bevindingen AH-193-00, map 4, pagina 1379.

46 Het proces-verbaal van bevindingen AH-363-00 d.d. 15 januari 2016, map 29, p. 225 en 226.

47 Het proces-verbaal van bevindingen AH-339-00 d.d. 16 maart 2015, map 5, p. 2160.