Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3619

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
07-09-2018
Zaaknummer
C/18/186780 / KG ZA 18-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

In het kort geding van de Rietschans tegen de Provincie Groningen heeft de voorzieningenrechter een tussenbeslissing genomen. Voorlopig moet de provincie de werkzaamheden aan de brug uitstellen.

Hij heeft daarbij het volgende overwogen.

Op zichzelf is het veroorzaken van hinder als gevolg van werkzaamheden aan een brug - waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend - en waardoor bij belanghebbenden, zoals Rietschans c.s., schade ontstaat niet onrechtmatig. Dat kan anders zijn ingeval de Provincie bij de planning en uitvoering van die werkzaamheden onvoldoende rekening houdt met gerechtvaardigde belangen van belanghebbenden. Het antwoord op de vraag óf sprake is van onrechtmatig handelen hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en aan de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Provincie ter zitting te weinig informatie heeft aangedragen om te kunnen beoordelen of de Provincie bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden aan de brug voldoende rekening heeft gehouden met gerechtvaardigde belangen van Rietschans c.s. Omdat de Provincie zeer korte tijd heeft gehad om dit kort geding voor te bereiden (de dagvaarding is betekend op 4 september om 16.02 uur, terwijl de zitting op 6 september om 10.00 uur plaatsvond) zal een voortgezette mondelinge behandeling worden bepaald ter gelegenheid waarvan de Provincie gelegenheid zal krijgen haar stellingen met bescheiden of anderszins te onderbouwen. Hangende die nadere behandeling dienen de voorgenomen werkzaamheden aan de brug te worden opgeschort totdat op de vordering zal zijn beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/186780 / KG ZA 18-255

Vonnis in kort geding van 7 september 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEERWERG EXPLOITATIE HAREN B.V.,

gevestigd te Haren,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEERLOPER B.V.,

gevestigd te Haren,

eiseressen,

advocaat mr. T. van Dijken te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

gedaagde,

gemachtigde mr. F. Veenhuizen, jurist in dienst van de Provincie.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Rietschans c.s. worden genoemd. Gedaagde zal hierna als de Provincie worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de mondelinge behandeling op 6 september 2018,

  • -

    de pleitnota van Rietschans c.s.,

  • -

    de pleitnota van de Provincie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Rietschans c.s. exploiteert een tweetal restaurants gevestigd aan de Meerweg te Haren. De bereikbaarheid van deze restaurants is in belangrijke mate afhankelijk van de aansluiting van de Meerweg op de nabij gelegen A28 via de Meerwegbrug (hierna ‘de brug’).

2.2.

Bij brief van 11 juli 2018 - door Rietschans c.s. ontvangen op 17 juli 2018 - heeft de Provincie aan Rietschans c.s. geschreven dat de brug in verband met onderhouds-werkzaamheden in de periode van 3 augustus 2018 tot 3 september 2018 zal worden afgesloten voor het verkeer.

2.3.

Als gevolg van die afsluiting zal het vanaf de A28 (en Haren) afkomstige verkeer dat de Meerweg en/of daaraan gelegen restaurants wil bereiken circa 11 kilometer moeten omrijden.

2.4.

Bij brief van 19 juli 2018 heeft Rietschans c.s. mede namens een groep omwonenden, ondernemers en agrariërs (hierna betrokkenen) bezwaren geuit tegen de aangekondigde afsluiting.

2.5.

Op 25 juli 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van partijen waarbij de Provincie haar excuses heeft aangeboden voor het feit dat de ondernemers in een laat stadium door haar zijn geïnformeerd over de afsluiting. Partijen hebben alternatieve oplossingen besproken.

2.6.

Bij brief van 30 juli 2018 heeft de Provincie betrokkenen, waaronder Rietschans c.s., geïnformeerd dat de afsluiting van de brug in de periode van 8 september 2018 tot en met 2 oktober 2018 zal plaatsvinden.

2.7.

Bij e-mail van 10 augustus 2018 en bij brief van 23 augustus 2018 heeft Rietschans c.s. namens betrokkenen verzocht de aangekondigde afsluiting te heroverwegen.

2.8.

Bij brief van 30 augustus 2018 heeft de Provincie aan Rietschans c.s. bevestigd dat de brug met ingang van 8 september 2018 zal worden afgesloten en dat voor fietsers en voetgangers een noodbrug zal worden gerealiseerd.

2.9.

Ten behoeve van de aanbestedingsprocedure zijn de onderhoudswerkzaamheden door de Provincie in een bestek vastgelegd. Als gunningscriterium is daarin (voor zover hier van belang) bepaald:

(…) Het gunningscriterium van economisch meest voordelige inschrijving (…) wordt vastgesteld op basis van de laagste prijs. (…).Gunnen op een beperking van de stremmingen is niet zinvol. De uitvoering van de werkzaamheden is voorgeschreven in dit bestek en kan met minimale weg- of scheepvaartstremmingen plaatsvinden.(…)

3 Het geschil

3.1.

Rietschans c.s. vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Provincie te veroordelen om zich tussen 8 september 2018 en 2 oktober 2018 te onthouden van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden aan de Meerwegbrug te Haren, zodat de brug toegankelijk blijft voor gemotoriseerd verkeer, een en ander op straffe van een onmiddellijk opeisbare aan Rietschans c.s. te betalen eenmalige dwangsom van € 10.000,00 voor overtreding van deze veroordeling en een dwangsom van € 2.500,00 per

dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de overtreding voortduurt, althans

een in goede justitie te bepalen dwangsom;

II. de Provincie te veroordelen om bij het nemen van een nieuwe beslissing met betrekking tot het onderhoud aan de Meerwegbrug (i) dit besluit alsnog zorgvuldig voor te bereiden, onder meer door alternatieve voorstellen te onderzoeken, in concreto een tijdelijke brug voor gemotoriseerd verkeer en het verkorten van de stremmingsperiode, (ii) bij de te maken belangenafweging rekening te houden met de belangen van Rietschans c.s. en door hen naar voren gebrachte argumenten, en (iii) de beslissing deugdelijk te motiveren, althans zodanig te handelen als door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

III. de Provincie te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de nakosten.

3.2.

De Provincie voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure verzet Rietschans c.s. zich tegen de afsluiting van de Meerwegbrug vanaf 8 september 2018 gedurende een periode van vier weken. Het spoedeisend belang bij het gevorderde vloeit in voldoende mate uit de stellingen van Rietschans c.s. voort.

4.2.

Niet in geschil is dat terzake van het afsluiten van de brug de Provincie geen besluit heeft genomen in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat ook geen bestuurs-rechtelijke rechtsgang voor Rietschans c.s. open staat of heeft gestaan. De voorzieningen-rechter acht zich dan ook bevoegd om over dit geschil te oordelen.

4.3.

Rietschans c.s. heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de Provincie door het afsluiten van de brug onrechtmatig handelt omdat bij de totstandkoming van die beslissing haar belangen niet zijn meegewogen. Als gevolg van de stremming zullen - aldus Rietschans c.s. - langs de Meerweg gevestigde ondernemers inkomsten derven. Ter beperking van die schade heeft Rietschans c.s. schade beperkende oplossingen voorgesteld:

(a) de aanleg van een noodbrug voor het gemotoriseerde verkeer, (b) gefaseerde uitvoering van de werkzaamheden, (c) het doorwerken in nachtelijke uren en (d) uitvoering van werkzaamheden in de voor horeca rustige februari maand. Rietschans c.s. stelt dat door haar aangehaalde alternatieven niet gemotiveerd door de Provincie van de hand zijn gewezen en dat de maatregel om tot afsluiting van de brug over te gaan onzorgvuldig is voorbereid. Dat haar belangen niet zijn meegewogen volgt - aldus Rieschans c.s. - ook uit een bepaling uit het bestek waarin is opgenomen dat de duur van de stremming geen relevant gunningscriteria is. Rietschans c.s. stelt voorts dat zij in een zeer laat stadium over sluiting is geïnformeerd zodat zij zich onvoldoende op de gevolgen ervan heeft kunnen voorbereiden.

4.4.

De Provincie voert aan dat de besluitvorming op zorgvuldige wijze, met in acht name van de CROW-richtlijn en in nauw overleg met de gemeente Haren tot stand is gekomen en dat bij de beslissing om de brug gedurende een periode van vier weken te stremmen belangen van de ondernemers gevestigd aan de Meerweg zijn meegewogen. Zij stelt verschillende werken te hebben gecombineerd zodat de stremming beperkt kan blijven tot één periode en dat aan haar bij onderhavige beslissingen beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt. Het onderhoud zou aanvankelijk in augustus plaatsvinden maar uiteindelijk is gekozen voor september zodat - aldus de Provincie - Rietschans c.s. voldoende gelegenheid heeft zich op die situatie voor te bereiden. Volgens de Provincie verkeert de brug in zodanige staat dat de werkzaamheden op korte termijn dienen plaats te vinden en deze kunnen niet in de winter worden uitgevoerd vanwege de luchtvochtigheid en de lage temperatuur in die maand. Door Rietschans c.s. aangedragen oplossingen zijn voorts niet uitvoerbaar, te kostbaar of (verkeers)onveilig volgende de Provincie.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan de Provincie als eigenaar van de brug grote beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt bij haar besluit om tot onderhouds-werkzaamheden over te gaan. De voorzieningenrechter dient bij de beoordeling van een maatregel derhalve enige terughoudendheid te betrachten en hij mag niet ‘op de stoel van het bestuur gaan zitten’. Dat laat onverlet dat het handelen van de Provincie in deze een rechtmatigheidstoets moet kunnen doorstaan.

4.6.

Op zichzelf is het veroorzaken van hinder als gevolg van werkzaamheden aan een brug - waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang wordt gediend - en waardoor bij belanghebbenden, zoals Rietschans c.s., schade ontstaat niet onrechtmatig. Dat kan anders zijn ingeval de Provincie bij de planning en uitvoering van die werkzaamheden onvoldoende rekening houdt met gerechtvaardigde belangen van belanghebbenden. Het antwoord op de vraag óf sprake is van onrechtmatig handelen hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en aan de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol welke belangen met de hinder veroorzakende activiteit worden gediend en de mogelijkheid (mede gelet op de daaraan verbonden kosten) en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen (vergelijk HR 15 februari 1991, NJ 1992/639).

4.7.

Weliswaar heeft Rietschans c.s. dat niet met bewijsstukken onderbouwd, maar gelet op het feit, naar de Provincie onbetwist heeft gelaten, dat een substantieel deel van de clientèle haar restaurants met de auto bezoekt en met omrijden een aanmerkelijke reistijd gemoeid is, acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat de stremming van de brug gedurende vier weken tot schade bij de langs de Meerweg gevestigde (horeca)ondernemingen zal leiden en dus ook bij Rietschans c.s.

4.8.

Op zichzelf terecht heeft de Provincie aangevoerd dat schade als gevolg van werkzaamheden als de onderhavige in beginsel inherent is aan het ondernemersrisico. Dat neemt niet weg dat de Provincie, gelet op de hiervoor onder 4.6. weergegeven maatstaf, gehouden is bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke schadelijke gevolgen voor belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om die schade te beperken en, voor zover mogelijk en gelet op de verdere omstandigheden van het geval (waaronder de belangen van derden en de kosten) in redelijkheid van haar gevergd kan worden, desbetreffende maatregelen te treffen.

4.9.

Op basis van de van de voorliggende stukken kan voorshands niet geconcludeerd worden dat de Provincie in deze de belangen van de aan de Meerweg gevestigde horecaondernemers heeft meegewogen. Sterker nog, bij de aanbesteding van de werkzaamheden aan de brug heeft zij beperking van stremmingen uitdrukkelijk uitgesloten als een van de gunningscriteria. De Provincie heeft weliswaar in algemene bewoordingen aangevoerd dat zij met “alle omstandigheden” rekening heeft gehouden, maar desgevraagd moest zij het antwoord schuldig blijven op de vraag in welk opzicht zij daarbij mede de belangen van ondernemingen als die van Rietschans c.s. heeft betrokken.

4.10.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de Provincie bepleit dat de staat van de brug nu zodanig slecht is dat terstond onderhoud noodzakelijk is. Een dergelijke situatie - indien aan de orde - zou de aangevochten stremming naar het oordeel van de voorzieningenrechter zondermeer rechtvaardigen. Ook Rietschans c.s. heeft dat onderkend. Dat sprake is van een acute situatie die tot direct handelen, noopt is door Rietschans c.s. echter betwist. Zij heeft daarbij aangevoerd dat de Provincie telkens andersoortige punten aandraagt om haar wil door te voeren en benadrukt dat dit zwaarwegende punt niet eerder door de Provincie is opgeworpen. De voorzieningenrechter constateert dat de Provincie op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de brug, ter voorkoming van een onveilige situatie, acuut onderhoud behoeft. Dat de situatie zeer urgent zou zijn verdraagt zich ook niet met het besluit van de Provincie in juli van dit jaar om het onderhoud met een maand uit te stellen. Derhalve kan er voorshands niet van worden uitgegaan dat de situatie zo urgent is dat reeds daarom de vordering dient te worden afgewezen.

4.11.

Ook haar bezwaren tegen de door Rietschans c.s. aangedragen alternatieven (zie r.o. 4.3. a t/m d) heeft de Provincie ter zitting niet onderbouwd. Zij stelt dat (a) een noodbrug tot onaanvaardbare verkeershinder zou leiden, maar motiveert niet op basis van welke gegevens zij die conclusie trekt. Zij heeft verder aangevoerd dat het aanbrengen van een noodbrug extra kosten met zich brengt (hetgeen de voorzieningenrechter op zichzelf volstrekt aannemelijk voorkomt) maar heeft geen enkele indicatie gegeven van de omvang van die extra kosten. Dat laatste geldt eveneens voor haar reactie op het voorstel om de werkzaamheden gefaseerd uit te voeren (b). Ook voor haar stelling dat ’s nachts door-werken (c) niet tot substantiële verkorting van de stremming zou leiden ontbreekt enige onderbouwing. Verder heeft de Provincie geen inzicht gegeven in “de milieutechnische voorzieningen” die in dit verband volgens haar zouden moeten worden getroffen. Als bezwaar tegen het uitvoeren van de werkzaamheden in de maand februari (d) heeft de Provincie aangevoerd dat het te verwachten weer in die periode het risico van vertraging in zich draagt en dat bij vorst geen verfwerkzaamheden kunnen plaatsvinden. Rietschans c.s. heeft dat laatste weersproken en gesteld van het bedrijf dat dergelijke werkzaamheden pleegt uit te voeren te hebben vernomen dat de werkzaamheden ook in februari zouden kunnen worden uitgevoerd. Ook over dit geschilpunt beschikt de voorzieningenrechter niet over enig onderbouwend stuk.

4.12.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat voorshands niet kan worden vastgesteld of de Provincie bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden aan de brug voldoende rekening heeft gehouden met gerechtvaardigde belangen van Rietschans c.s., zoals bedoeld in r.o. 4.6. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing kan voorshands immers niet worden uitgegaan van de juistheid van de bezwaren van de Provincie tegen de voorgestelde schade beperkende maatregelen, zodat die bezwaren ook niet kunnen worden gewogen. De voorzieningenrechter realiseert zich evenwel dat de Provincie zeer korte tijd heeft gehad om dit kort geding voor te bereiden. De dagvaarding is betekend op 4 september om 16.02 uur, terwijl de zitting op 6 september om 10.00 uur plaatsvond. Daarom zal een voortgezette mondelinge behandeling worden bepaald ter gelegenheid waarvan de Provincie gelegenheid zal krijgen haar stellingen met bescheiden of anderszins te onderbouwen. Hangende die nadere behandeling dienen de voorgenomen werkzaamheden aan de brug te worden opgeschort totdat op de vordering zal zijn beslist.

4.13.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat - in het geval inderdaad acuut gevaar dreigt - de Provincie in weerwil van voornoemde beslissing te allen tijde tot stremming van de brug kan besluiten.

4.14.

Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

bepaalt dat de onder 3.1. bedoelde werkzaamheden aan de Meerwegbrug te Haren dienen te worden opgeschort totdat bij vonnis op de voorliggende vordering is beslist;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.2.

gelast een voortgezette mondelinge behandeling op woensdag 19 september 2018 om 14.00 uur in de rechtbank te Groningen, met het in rechtsoverweging 4.12. weergegeven doel;

5.3.

houdt iedere overige beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op

7 september 2018.

rh/477