Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3602

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-09-2018
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 527
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand, gez. huishouding. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

Zaaknummer: LEE 18/527

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2018 in het geding tussen

[naam 1] , te Emmen, eiser

(gemachtigde: mr. F. Bakker);

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser (mede) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van onverschuldigd verstrekte bijstand op grond van de Participatiewet aan de heer J. [naam 2] over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 ten bedrage van € 5.847,60.

Bij besluit van 26 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser, geboren 23 juli 1942, staat ingeschreven op het adres: [adres 1] , Emmen. Hij geniet pensioen. Sinds januari 2017 verblijft hij bij ene J. [naam 2] , wonende te Groningen, [adres 2] , omdat hij zorgbehoevend is geworden na een breuk in zijn heup. In september 2017 is eiser weer aan zijn heup geopereerd. Zodra hij hiervan is gerevalideerd, keert hij terug naar zijn woning in Emmen.

1.2.

[naam 2] , geboren 21 mei 1963, wonende te Groningen, [adres 2] , ontvangt sinds 4 april 2007 voor kosten van levensonderhoud een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip is een (rechtmatigheids) onderzoek gestart naar zijn woon- en leefsituatie. Eind juni 2017 zijn er waarnemingen verricht bij de woning van [naam 2] . Verder is er op 28 juni 2017 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd, waarbij eiser en [naam 2] zijn verhoord. Op 18 juli 2017 heeft er een gesprek tussen [naam 2] en medewerkers handhaving van de gemeente plaatsgevonden.

1.3.

Uit de onderzoeksbevindingen heeft verweerder geconcludeerd dat eiser en [naam 2] sinds 1 januari 2017 een gezamenlijke huishouding voeren en dat [naam 2] op grond van dit gegeven per 1 januari 2017 geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleen-staande. Bij besluit van 27 juli 2017 is de bijstandsuitkering van [naam 2] per 1 januari 2017 ingetrokken en de teveel betaalde bijstand van € 5.847,60 teruggevorderd. Het door [naam 2] gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 januari 2018 door verweerder ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [naam 2] beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 september 2018 met zaaknummer LEE 18/396 is het beroep ongegrond verklaard. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat [naam 2] en eiser een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Participatiewet hebben gevoerd.

2. Het bestreden besluit gaat over de (mede) hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van de terugvordering van € 5.847,60 wegens de onverschuldigd aan J. [naam 2] toegekende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017. Deze bijstandsuitkering is met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken, omdat eiser en [naam 2] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Participatiewet hebben gevoerd, omdat zij beiden in dezelfde woning verbleven en er sprake was van zorg voor elkaar. [naam 2] heeft daarvan geen melding heeft gemaakt bij verweerder. Gelet hierop heeft [naam 2] de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet geschonden. Eiser wordt daarom hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de teveel aan [naam 2] betaalde bijstand.

3. Eiser voert - samengevat - aan dat hij niet (mede) hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de terugbetaling van de onverschuldigd aan [naam 2] verleende bijstand, omdat van een gezamenlijke huishouding in Groningen nimmer sprake is geweest. Eiser stelt dat hij in december 2016 op 73-jarige leeftijd zijn heup heeft gebroken. In verband daarmee kon hij niet meer alleen thuis (in Emmen) wonen. [naam 2] heeft toen eiser uitsluitend en alleen enige tijd bij hem thuis verzorgd. Deze zorg was - aldus de huisarts - absoluut dringend noodzakelijk, omdat hij niet meer kon lopen en voor zichzelf kon zorgen.

4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat voor wijziging van het bestreden besluit.

5. Aan de rechtbank ligt ter beoordeling voor of verweerder terecht eiser (mede) hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor een terugvordering van een bedrag van € 5.847,60 wegens ten onrechte aan [naam 2] verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2017 tot 30 juni 2017.

6. Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten aanzien van eiser is voldaan aan de voorwaarden van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezins-bijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Participatiewet niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, eiser die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [naam 2] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Participatiewet heeft gevoerd.

7. Zoals hiervoor onder punt 1.3. is overwogen, is bij uitspraak van deze rechtbank van

6 september 2018 met zaaknummer LEE 18/396 het beroep van J. [naam 2] ongegrond verklaard. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat [naam 2] en eiser een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht, kan niet afdoen aan de overwegingen, waarop het oordeel van de rechtbank in eerdergenoemde uitspraak van [naam 2] berust. Daarmee is voor de rechtbank komen vast te staan dat eiser en [naam 2] gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 een gezamenlijke huishouding, zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Participatiewet, hebben gevoerd.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser en [naam 2] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (gehad) en blijk hebben gegeven voor elkaar zorg te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (wederzijdse zorg). Van een eenzijdige zorgrelatie is in elk geval niet gebleken. Daarbij is tevens een oordeel gegeven over het te kort schieten door [naam 2] in de nakoming van de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet.

8. Aangezien eiser de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [naam 2] rekening had moeten worden gehouden en verder vaststaat dat verlening van bijstand voor gehuwden/samenwonenden - niettemin - achterwege is gebleven omdat [naam 2] de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is ten aanzien van eiser voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet, zodat verweerder bevoegd was de kosten van de over de periode van

1 januari 2017 tot en met 30 juni 2017 aan [naam 2] ten onrechte verleende bijstand mede van eiser terug te vorderen. Gesteld noch gebleken is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Het benadelings- of terugvorderingsbedrag van

€ 5.847,60 staat overigens niet ter discussie.

9. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

10. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van B. de Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2018.

De griffier, De rechter,

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.