Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:360

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
18/730349-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 244
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730349-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende de maanden oktober 2014 tot en met

april 2016, in elk geval in het jaar 2014 en/of het jaar 2015 en/of het jaar

2016, te Leeuwarden, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1] , geboren

op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had

bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd en/of doen plegen en/of laten

plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van

het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of verdachte, immers heeft verdachte in

voornoemde periode opzettelijk ontuchtig meermalen, althans eenmaal, - de (ontblote) penis van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of afgetrokken en/of in verdachtes mond genomen en/of gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] zogenoemd gepijpt en/of - verdachte penis in het bijzijn van die [slachtoffer 1] ontbloot (zulks terwijl verdachte een erectie had) en/of - verdachte penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of gehouden en/of zich zogenoemd door die [slachtoffer 1] doen en/of laten pijpen en/of - die [slachtoffer 1] de penis van [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2010) doen en/of laten aftrekken, althans aanraken, (en daaromtrent instructies gegeven aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] );

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij - als oppas/kinderverzorger - in of omstreeks de periode omvattende de

maanden oktober 2014 tot en met april 2016, in elk geval in het jaar 2014

en/of het jaar 2015 en/of het jaar 2016, te Leeuwarden ontucht heeft gepleegd

en/of doen plegen en/of laten plegen met de aan zijn zorg, opleiding en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum]

2012, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig

meermalen, althans eenmaal, - de (ontblote) penis van die [slachtoffer 1] aangeraakt en/of afgetrokken en/of in verdachtes mond genomen en/of gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] zogenoemd gepijpt en/of - verdachte penis in het bijzijn van die [slachtoffer 1] ontbloot (zulks terwijl verdachte een erectie had) en/of - die [slachtoffer 1] de penis van [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2010) doen en/of laten aftrekken, althans aanraken (en daaromtrent instructies gegeven aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de maanden oktober 2014 tot en met

april 2016, in elk geval in het jaar 2014 en/of het jaar 2015 en/of het jaar

2016, te Leeuwarden, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2] ,

geboren op [geboortedatum] 2010, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet

had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd en/of doen plegen en/of

laten plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van verdachte, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig meermalen,

althans eenmaal, - de (ontblote) penis van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of afgetrokken en/of in verdachtes mond genomen en/of gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] zogenoemd gepijpt en/of - verdachte penis in het bijzijn van die [slachtoffer 2] ontbloot (zulks terwijl verdachte een erectie had) en/of - die [slachtoffer 2] de penis van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2012) doen en/of laten aftrekken, althans aanraken, (en daaromtrent instructies gegeven aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij - als oppas/kinderverzorger - in of omstreeks de periode omvattende de

maanden oktober 2014 tot en met april 2016, in elk geval in het jaar 2014

en/of het jaar 2015 en/of het jaar 2016, te Leeuwarden ontucht heeft gepleegd

en/of doen plegen en/of laten plegen met de aan zijn zorg, opleiding en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum]

2010, immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk

ontuchtig meermalen, althans eenmaal, - de (ontblote) penis van die [slachtoffer 2] aangeraakt en/of afgetrokken en/of in verdachtes mond genomen en/of gehouden en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] zogenoemd gepijpt en/of - verdachte penis in het bijzijn van die [slachtoffer 2] ontbloot (zulks terwijl verdachte een erectie had) en/of - die [slachtoffer 2] de penis van [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2012) doen en/of laten aftrekken, althans aanraken (en daaromtrent instructies gegeven aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2 primair nu geen sprake is geweest van het binnendringen in de mond van het slachtoffer [slachtoffer 2] , maar in de mond van verdachte.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2 subsidiair. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] tegenover zijn moeder en gastouder [getuige 2] betrouwbaar zijn en dat de verklaring van [slachtoffer 2] in zijn studioverhoor eveneens betrouwbaar is. De officier van justitie ziet geen aanwijzingen voor een complot tegen verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten. Volgens de raadsman heeft de politie te snel beslist dat [slachtoffer 1] vanwege zijn leeftijd niet in een kindvriendelijke studio zou worden gehoord. Weliswaar is de regel dat kinderen jonger dan vier jaar niet aan een studioverhoor worden onderworpen, maar volgens het Landelijk Expertisecentrum Bijzondere Zedenzaken is dit in bijzondere omstandigheden toch mogelijk. Nu [slachtoffer 2] in zijn studioverhoor gedetailleerd heeft verklaard over een situatie waarbij [slachtoffer 1] betrokken was, had ook [slachtoffer 1] in de studio moeten worden gehoord. Het thans ontstane beeld is slechts gebaseerd op twee separate verklaringen, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum.

De waarnemingen van gastouder [getuige 2] en van de moeder van [slachtoffer 1] hebben beide [slachtoffer 1] als bron. Het gaat weliswaar om twee separate verklaringen, maar nu deze verklaringen zijn terug te voeren op dezelfde bron, is niet voldaan aan het bewijsminimum ten aanzien van feit 1.

Ook ten aanzien van feit 2 is [slachtoffer 2] de enige bron. [slachtoffer 2] heeft bovendien geen spontane verklaring afgelegd. Eerst heeft de moeder van [slachtoffer 1] de vader van [slachtoffer 2] aangesproken, waarna [slachtoffer 2] 's ouders met [slachtoffer 2] in gesprek zijn gaan. De raadsman wijst op de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 maart 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BL9835. Ook het studioverhoor van [slachtoffer 2] geeft onvoldoende steun omdat de ouders reeds vóór dat verhoor met [slachtoffer 2] hadden gesproken, waardoor besmetting van [slachtoffer 2] ’s verklaring niet kan worden uitgesloten.

Voorts betwist de raadsman dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar ondersteunen. Beide jongens spreken over ‘ [naam 1] ’ - de bijnaam van verdachte - en over pijpen. Het valt echter niet uit te sluiten dat zij hierover met elkaar hebben gesproken. Voorts is in hun verklaringen sprake van verschillende locaties en van een verschillend aantal personen: [slachtoffer 1] heeft verklaard over twee personen in de douche, terwijl [slachtoffer 2] heeft verklaard over drie personen in de woonkamer.

Er rijzen ook andere vraagtekens bij de geloofwaardigheid. Zo is het de vraag waarom [slachtoffer 1] de voeten van een pop gebruikt om iets over een piemel te verklaren. In de verklaring van [slachtoffer 2] valt op dat het beweerde misbruik zou hebben plaatsgevonden op de begane grond van een woning, terwijl het licht was en de gordijnen en schuttingdeuren open waren.

De raadsman heeft subsidiair betoogd dat het procesdossier gemankeerd is nu verdachte heeft verklaard over ene [naam 6], die mogelijk verantwoordelijk is voor ontucht met een of beide kinderen. Voor zover de rechtbank op grond van het voorgaande niet reeds tot een vrijspraak van feit 1 komt, rechtvaardigt dit alternatieve scenario een nader onderzoek door de politie.

Evenals de officier van justitie heeft de raadsman betoogd dat verdachte van feit 2 primair moet worden vrijgesproken. Volgens de raadsman moet verdachte ook van feit 2 subsidiair worden vrijgesproken nu geen sprake was van het ‘feitelijk toevertrouwen’ van [slachtoffer 2] aan de zorg of waakzaamheid van verdachte in de zin van artikel 249, lid 1, Wetboek van strafrecht (hierna: Sr.).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

bewijsmiddelen

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 3 mei 2016, opgenomen op pagina 91 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC16055 d.d. 22 juni 2016, inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :

V: [...] Volgens [getuige 1] zou jij vanaf zijn 2 jarige verjaardag rond [geboortedatum] tot dinsdag 19 april op [ [slachtoffer 1] ] gepast hebben. Wat kun je daar over verklaren?

A: Ja, klopt

V: Uit de verklaring/aangifte van [getuige 1] blijkt dat [slachtoffer 1] in de maand januari een keer bij jou heeft geslapen, toen [getuige 1] naar de 80’s party was geweest. Klop dat?

A: Die 80’s party is een jaar geleden. Toen heeft hij niet bij mij geslapen, maar heb ik daar opgepast en kwam zij later thuis.

V: Uit haar verklaring blijkt ook je ook een keer op [slachtoffer 1] hebt gepast toen ze naar ze naar een “Boogie Night” geweest is? Wat kun je daar over zeggen?

A: Ja, dit was december 2015 of januari 2016, ik weet de datum niet precies meer.

V: Ruim twee maanden geleden was [getuige 1] ernstig ziek. Volgens [getuige 1] zou jij toen ook op [slachtoffer 1] hebben gepast en was hij bij jou blijven slapen. Wat kun je daar over verklaren?

A: Ja dit klopt

V: Tevens verklaarde zij dat kort geleden op een zaterdag, [slachtoffer 1] ook bij jou is blijven slapen. De volgende dag had jij [slachtoffer 1] weer thuis gebracht. Wat kun je daar over verklaren?

A: Ja, zij heeft hem toen weer bij mij opgehaald. Dit was om half 12.

V: Hoe noemt [slachtoffer 1] jou?

A: [naam 1] of [naam 1] [...]

A: [...] Enkele weken geleden zaten [ [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ], toen ik in de kamer kwam, beiden met de broek uit en zaten aan elkaars piemels. [...]

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 april 2016, opgenomen op pagina 55 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC16055 d.d. 22 juni 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

V: [...] De moeder van [slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan. Waarvan heeft zij aangifte gedaan volgens jou?

A: Misbruik van [slachtoffer 1] .

V: Hoe lang kent u [slachtoffer 1] ?

A: Drie weken. Heel kort.

V: Wanneer past u op [slachtoffer 1] ?

A: Vijf werkdagen [...]

V: Wat voor jongetje is [slachtoffer 1] ?

A: [...] Hij stotterde verschrikkelijk. Als hij een verhaal vertelde duurde het vier keer zo lang als een “normaal” kindje. Het is nu praktisch over dat stotteren. [...] Dat [stotteren] heeft met deze hele toestand te maken. Toen hij het vertelde wat er gebeurd was, was het stotteren gelijk al zeventig procent minder. Dat was de volgende dag. Nu is het vijfennegentig procent beter. [...]

A: Op een gegeven moment pakte [slachtoffer 1] plastic popjes, van die teletubbies. Hij pakte ook een badje, een speelgoedbadje. Hij stoot mij aan en zegt tegen mij: “oma, kijk hij heeft de piemel in de mond”. Ik heb gereageerd van : “Doe maar niet”. [...] Hij had beide poppetjes in de hand. Een poppetje hield hij wat hoger dan de andere en hield het kruis bij het hoofdje van het andere poppetje. [...] Ik wist niet hoe ik moest reageren maar het voelde niet goed. Ieder kind heeft het wel over piemel en kont maar hoe [slachtoffer 1] het met die poppetjes deed, dat was niet wat hoort bij zijn leeftijd. [slachtoffer 1] zei op een gegeven moment : “dat doen wij in de douche”. Ik zei: “nee dat doen wij niet in de douche”. Op een gegeven moment heb ik geprobeerd om andere poppetjes er bij te halen om te proberen dat het wel weer over zou waaien. [...] Eigenlijk lukte dat niet. Hij bleef er mee aan de gang. Echt bewegingen maken.

V: Je doet iets voor.

A: Ja. [slachtoffer 1] herhaalde de bewegingen van de poppetje en het kruis van het ene poppetje naar het hoofd van het andere poppetje en maakte daar zuiggeluiden bij. Hij ging ook heen en weer met de poppetjes. Dan de poppetjes van voor naar achteren. Op een gegeven moment heb ik maar gezegd dat de poppetjes naar de winkel moesten en wij het spul op moest ruimen [...]. [slachtoffer 1] heeft nog de naam [naam 1] genoemd. Dat was toen ik zei tegen [slachtoffer 1] dat wij dat niet in de douche deden.

V: Wat zei [slachtoffer 1] precies?

A: Dat doe ik met [naam 1] of dat moet van [naam 1] .

V: Wie is [naam 1] ?

A: [verdachte] . Dat is zijn naam en zo noem ik hem. Zo stelt [verdachte] hem ook voor.

V: Maar hoe wist jij dat [naam 1] dan [verdachte] was?

A: Door [slachtoffer 1] . Die man staat voor de deur en belt aan. [getuige 1] had wel beschreven hoe [verdachte] er uit zag want ik kan niet aan iedereen [slachtoffer 1] meegeven. Dus toen [verdachte] voor de deur stond dan zei [slachtoffer 1] al dat het [naam 1] was. [...]

V: Welke uitspraken heeft [slachtoffer 1] nog gedaan?

A: [slachtoffer 1] vraagt regelmatig of ik zijn piemel wil zien. Heeft hij ook aan mijn man gevraagd. Hij vraagt of hij op mijn buik mag zitten. Ik zeg dat dit niet mag. Dat niemand bij mij op mijn buik mag zitten. Dan zegt [slachtoffer 1] dat dit ook van [naam 1] mag en dat het leuk is. De week voordat dit speelde, stond mijn man in de douche. [slachtoffer 1] vroeg toen waar mijn man was. Ik zei dat hij onder de douche stond. [slachtoffer 1] zei toen of hij de piemel van [naam 2] , mijn man, mocht zien. [...]

V: Wanneer is het spel met die poppetjes geweest?

A: Negentien april van dit jaar.

V: [...] hoe vaak heeft [slachtoffer 1] het voorgedaan met die poppetjes?

A: Alleen die ochtend.

V: Zijn er andere uitspraken waarvan je nu achteraf denkt dat het vreemd is?

A: Er zweven poppen bij mij in huis. Die pop zat op de bank. [slachtoffer 1] zat op de voetjes te sabbelen. Het voetje helemaal in de mond en het voetje heen en weer doen. Ik vroeg aan [slachtoffer 1] wat hij deed. Hij zei: “Dat zijn de voetjes van [naam 1] ”. Ik heb gezegd dat hij dit maar niet moest doen want dan werden de voetjes helemaal nat. Ik heb hem afgeleid.

V: Wanneer was dit?

A: Ik durf het niet met zekerheid te zeggen maar volgens mij afgelopen maandag, 25 april. [...]

V: Zijn er nog uitspraken die [slachtoffer 1] doet ten opzichte van [naam 1] ? Gewoon uitspraken.

A: Ik vind het heel verwonderlijk maar de naam [naam 1] valt niet meer bij [slachtoffer 1] . Ergens in het verhaal ben ik nog een stukje vergeten. [slachtoffer 1] zei dat hij bij [naam 1] in de douche was geweest. Hij vertelde dat ze allebeide de kleertjes uit deden. Toen vroeg ik aan [slachtoffer 1] of ze toen de pyjama aan deden. Toen zei [slachtoffer 1] letterlijk: Nee, wij deden de kleertjes weer aan”. Dat vond ik vreemd want je doet niet een kind de kleren uit en douchen en dan weer de kleding aan. Dan doe je het kind de pyjama aan. [...]

V: Klopt het wat jij gelezen hebt?

A: [...] Op bladzijde zes staat “Dat zijn de voetjes van [naam 1] ”. De voetjes moeten zijn de piemel.

V: Wij hebben net jouw verslag gelezen wat jij hebt geschreven [...]. Daarin staat door jou geschreven: hij vertelde dat hij en [naam 1] allebei de kleren uit deden, ze in de douche gingen, hij en [naam 1] deden wat hij bij de poppetjes had laten zien en nu liet hij ook de bewegingen zien. Het verslag klopt want jij hebt het een beetje anders bij ons verteld.

A: Ja, zo heeft [slachtoffer 1] het verteld. Ik heb een dag na het gebeuren gelijk dit verslag geschreven. Het is nu twee weken verder. Dit in het verslag is goed.

3. Een schriftelijk bescheid, te weten een handgeschreven verklaring van [getuige 2] , opgenomen op pagina 61 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC16055 d.d. 22 juni 2016, voor zover inhoudend:

Verslag 19-4-2016. Sinds 12 april 2016 ben ik gastouder van [slachtoffer 1] . [...] [verdachte] wordt door [slachtoffer 1] en zijn moeder [naam 1] genoemd. [...] Deze morgen was [slachtoffer 1] met kleine poppetjes aan het spelen. Op een gegeven moment speelde hij met 2 Teletubby’s die hij zgn. onder de douche deed. De kleertjes moesten uit en de poppetjes gingen in bad. Na enige tijd zei [slachtoffer 1] : “kijk oma, wat Teletubby doet, hij heeft die ander zijn piemel in de mond” en [slachtoffer 1] maakte zuiggeluiden. Ik schrok hiervan en probeerde het spelen een andere wending te geven maar heel snel deed [slachtoffer 1] weer hetzelfde bij de poppetjes en herhaalde wat hij eerder had gezegd. Ik zei toen dat de meeste poppetjes en mensen dit niet deden. Zijn antwoord was dat hij dit moest doen van [naam 1] . Hij vertelde dat hij en [naam 1] allebei de kleren uitdeden, ze in de douche gingen, hij en [naam 1] deden wat hij bij de poppetjes had laten zien, en nu liet hij ook de bewegingen zien. Ik heb het spel overgenomen door de poppetjes naar de winkel te sturen. [..] Vandaag vertelde [slachtoffer 1] dat hij bij [naam 1] heel vaak op de buik moest zitten omdat [naam 1] dat leuk vond.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 12 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC16055 d.d. 22 juni 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

V: Wat is de naam en geboortedatum en -plaats van uw kind waarvoor u aangifte doet?

A: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 in Leeuwarden. Hij woont in Leeuwarden op de [straatnaam] . [...]

V: Kunt u [...] noemen waarvan u aangifte doet?

A: Omdat mijn oppas mijn zoon [slachtoffer 1] heeft gebruikt voor eigen doeleinden, onzedelijk

betast. [...]

A: Hij is op gaan passen na [slachtoffer 1] zijn tweede verjaardag tot afgelopen dinsdag.

V: Dus vanaf [geboortedatum] 2014.

A: Ja, ik denk binnen een week na deze datum. [...]

A: Hij heet [verdachte] . [...] [verdachte] paste dinsdag, woensdag, donderdag en zaterdagochtend op. [...] [verdachte] past op van 16:00 uur tot ongeveer 19:30 uur.

V: Drie weken geleden ben je met gastouder begonnen [...] Wie is die gastouder?

A: [getuige 2] . [...]

V: De oppas is steeds bij jou thuis geweest, wanneer is dat anders geweest?

A: Ik ben vorig jaar twee keer op een avond weg geweest. Hij sliep toen bij [naam 1] .

V: Wie is [naam 1] ?

A: Dat is [verdachte] . Dat is zijn bijnaam. Nee, hij is een keer bij [verdachte] geweest om te slapen en een keer bij mijn vriendin. Dat hij bij [verdachte] heeft geslapen was in januari 2015, denk ik. Ik ben toen naar een 80’s party geweest. Vorige week zaterdag heeft [slachtoffer 1] ook bij [verdachte] geslapen. Ik ben ook nog bij een “Boogie Night” geweest in zaal Schaaf. Dit was ergens in januari. Toen heeft [slachtoffer 1] ook bij [verdachte] geslapen. Twee maanden geleden ben ik heel erg ziek geweest. [...] toen heeft [verdachte] opgepast. Toen is [slachtoffer 1] bij [verdachte] in slaap gevallen en toen is [slachtoffer 1] hij hem blijven slapen. Die ochtend daarna bracht [verdachte] hem weer terug bij mij.

V: Hoe noemt [slachtoffer 1] de oppas [verdachte] ?

A: [naam 1] of [naam 1] .

V: Waarom noemt [slachtoffer 1] hem zo?

A: Omdat [naam 1] heet. Hij stelt zich ook altijd voor als [naam 1] . [...]

A: Het begon een paar maanden terug. [naam 3] zei tegen mij dat ik op moest letten omdat hij het niet vertrouwde. [...] [slachtoffer 1] had gezegd: “Mag ik bij jou op schoot zitten?”. [naam 3] vroeg waarom. [slachtoffer 1] zei dat hij dat ook bij “ [naam 1] ” mocht. [naam 3] vertelde ook dat [slachtoffer 1] zijn trui omhoog deed en dat [naam 3] kusjes op zijn buik mocht geven en andersom ook. [slachtoffer 1] had gezegd dat hij dit ook bij “ [naam 1] ” deed. Dat soort dingen stootte [naam 3] tegen zijn borst. [...] [naam 3] vond dat [slachtoffer 1] te vaak en te veel aan zijn piemeltje zat. [...] [slachtoffer 1] liet ook zijn piemeltje zien aan ome [naam 3] . [naam 3] zei ook dat [slachtoffer 1] had gezegd dat [naam 3] er wel een kusje op mocht geven [...]

Maar vorige week dinsdag werd ik gebeld door mijn gastouder. [...] Bij binnenkomst zei ze meteen dat het niet over het oppassen ging maar [slachtoffer 1] had iets voorgedaan, althans hij had spelenderwijs haar iets laten zien. Zij pakte toen twee poppetjes, twee teletubbies. Zij had een speelbadje. Zij liet mij zien dat [slachtoffer 1] aan het spelen was met de poppetjes en daarbij zei: “ze zijn onder de douche”. In een keer draait hij het poppetje om en naar het piemeltje van het ene poppetje zodat het mondje van het ene poppetje bij het piemeltje van het andere poppetje was. [slachtoffer 1] maakte daarbij zuiggeluiden. Zij heeft doorgevraagd. Ze zei tegen [slachtoffer 1] , ze zijn nu helemaal schoon en nu gaan ze de pyjama aan doen. Toen had [slachtoffer 1] gezegd: “Nee, wij deden gewoon de kleren aan”. Het viel [getuige 2] op dat hij specifiek had gezegd, wij kleden ons weer aan en niet de poppetjes kleden zich weer aan. [...] Toen ben ik naar school gegaan om [slachtoffer 1] op te halen. Onderweg heb ik tegen [slachtoffer 1] gezegd: “Gaan jullie vanmiddag nog spelletjes spelen?”. Toen zei [slachtoffer 1] : “Mama, [naam 1] zit aan mijn piemeltje”. Toen maakte hij over zijn broek een trekbeweging. Toen stond ik stil op de fiets. [...] Dus toen heb ik [slachtoffer 1] nog een keer gevraagd wat hij nu zei. Hij zei toen: “ [naam 1] heeft aan mijn piemeltje gezeten”. Ik zag toen dat hij inderdaad een trekbeweging maakte met zijn piemeltje.

V: Wat voor beweging maakte [slachtoffer 1] ?

A: Echt zo.

0: Aangeefster doet haar hand heen en weer bij haar kruis.

A: Hij schrok er zelf een beetje van want [slachtoffer 1] zei: “Nee mama had ik niet mogen vertellen want dat was een geheimpje tussen mij en [naam 1] ”. Ik heb thuis nog aan [slachtoffer 1] gevraagd of het vaker gebeurde. [slachtoffer 1] zei ja. Ik vroeg ook of hij vaker naakt in huis rond liep, [slachtoffer 1] zei “Ja”. Ik heb ook gevraagd of [slachtoffer 1] het ook bij [naam 1] moest doen. Ook toen zei [slachtoffer 1] : “Ja, maar [naam 1] piemel is vies”. Toen wist ik het honderd procent zeker. Hij maakte ook echt die beweging dat hij aan [naam 1] zijn piemel sabbelde, een kind van drie doet dat niet.

0: Aangeefster doet haar hoofd naar voren en achteren.

V: Wanneer was dit?

A: Afgelopen dinsdag. [...]

V: Dit was dinsdag. Je hebt donderdag contact opgenomen met de politie. Wat is er in de tussentijd nog gebeurd?

A: Dinsdag had ik vrij gekregen van mijn werk. Ik had de schuttingdeur open en het was buiten mooi weer en wij hoorden de buurman. [slachtoffer 1] hoorde de buurman. [...] Buurman zag iets aan mijn gezicht. Ik heb uitgelegd wat er is gebeurd met [naam 1] en welke uitspraken [slachtoffer 1] had gedaan. Ik zei dat [slachtoffer 1] het over een geheimpje had tussen hem en [naam 1] . Ik zag toen dat de buurman

wat bleek weg trekken. Die avond lag [slachtoffer 1] op bed. [naam 4] was bij mij en toen ging de deurbel. Toen stond de buurman voor de deur. Hij zei dat [naam 1] het ook met [slachtoffer 2] had gedaan. Hij zei dat ze met zijn drieën bij mij in de woonkamer met de broekjes naar beneden had gestaan en dat [naam 1] kusjes had gegeven bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [...] Bij hem was de bel gaan rinkelen omdat ik zei dat [slachtoffer 1] had gezegd dat hij een geheimpje had met [naam 1] . Dat had [slachtoffer 2] namelijk een paar weken daarvoor ook gezegd tegen de buurman.

V: Dit is dinsdagavond. Hoe gaat het dan verder? Wat is er nog voor vrijdag gebeurd?

A: Woensdagmiddag bracht ik [slachtoffer 1] naar [getuige 2] toe op de fiets. [slachtoffer 2] kwam naar mij toe en vroeg of hij vanmiddag met [slachtoffer 1] kon spelen. Ik zei tegen [slachtoffer 2] dat ik [slachtoffer 1] naar de gastouder ging brengen. [slachtoffer 2] vroeg mij wat een gastouder was. Ik zei tegen [slachtoffer 2] dat het een betrouwbare en goede oppas was. Toen zei [slachtoffer 2] ; “Dus [naam 1] komt niet meer”. Toen zei ik: “Nooit meer”. Toen zei [slachtoffer 2] tegen mij: “gelukkig maar, kan ik eindelijk weer bij jullie komen”. Ik vond het al zo raar dat hij nooit meer kwam. Ik zei tegen [slachtoffer 2] : “je kan altijd bij ons komen spelen”. Toen zei [slachtoffer 2] : “nee, niet als [naam 1] er is want [naam 1] zit aan mijn piemeltje”. Woensdag had hij [slachtoffer 1] het er over dat hij graag naar [naam 1] wilde. Ik zei dat ik [naam 1] niet meer in huis wilde hebben. Toen zei [slachtoffer 1] : “ [naam 1] zit steeds aan mijn piemeltje en dat vind ik helemaal niet leuk”. Hij heeft de laatste week alleen maar nachtmerries. Ik denk de laatste vijf dagen. Elke avond zit ik beneden en hoor ik hem gillen. Hij slaapt bij mij nu, behalve gisteravond. [...] Ik maak hem altijd wakker in de ochtend, hij schrok helemaal van mij. Toen was het in een keer: Oh mama, gelukkig. Ik knuffel hem altijd in de ochtend, met mijn handen om zijn middeltje heen. Hij keek mij heel erg raar aan. Hij zei toen: “jij mag wel met je handjes onder mijn dekentje komen”.

V: Tussen vrijdag en nu nog wat gebeurd?

A: Hij zegt het constant. [...] Hij stotterde eerst maar hij spreekt nu vloeiende zinnen. Hij zegt dat [naam 1] stout is geweest en aan zijn piemeltje heeft gezeten. Vrijdag [...] onder het eten zei hij nog tegen [naam 4] dat [naam 1] aan zijn piemeltje had gezeten. Gisteren had ik twee meisjes op visite. Dochters van mijn vriendin. Zij zijn zes of zeven keer beneden geweest om te vertellen dat [slachtoffer 1] zijn broek naar beneden heeft gedaan en zijn piemeltje heeft laten zien. Daarbij zei hij: “Dat deed [naam 1] ook altijd”. [slachtoffer 1] schopt niet meer, slaat niet meer, stottert voor tachtig procent niet meer en hij is veel vrolijker. Hij was altijd al vrolijk maar nu nog vrolijker. [...]

V: [naam 3] begon over opmerkingen van [slachtoffer 1] . Wanneer was dat?

A: Ik denk dat het februari 2016 was.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 28 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC16055 d.d. 22 juni 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

V: Tegen wie doe je aangifte?

A: Tegen [verdachte] . Hij wordt door de kinderen [naam 1] genoemd. Hij woont op [straatnaam] te Leeuwarden. Mijn buurvrouw is [getuige 1] . […] [naam 1] was de oppas van [slachtoffer 1] . […]

A: Het begon vorige week woensdag. Toen ik thuiskwam vertelde [naam 5] mij dat hij een gesprek had gehad met onze achterbuurvrouw [getuige 1] . De moeder van [slachtoffer 1] . Uit dat gesprek bleek dat er iets met [slachtoffer 1] en [naam 1] was gebeurd. ‘s Avonds […] is [naam 5] met [slachtoffer 2] gaan badderen […] [naam 5] is toen in gesprek geweest met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] heeft aan [naam 5] verteld over een geheimpje dat hij had met [naam 1] . Daarna vertelde [naam 5] mij dat er ook wat tussen [slachtoffer 2] en [naam 1] was gebeurd. Ik […] ben naar de douche gelopen en toen heb ik tegen [slachtoffer 2] gezegd dat ik van [naam 5] had gehoord dat er een geheimpje was en ik heb hem gevraagd of hij aan mama wilde vertellen wat het geheimpje was. Toen vertelde [slachtoffer 2] dat bij [slachtoffer 1] in de woonkamer dat ze de broekjes naar beneden waren gegaan. Dat zij in hun blote piemeltjes stonden. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ik vroeg hem wat er was gebeurd en toen zei [slachtoffer 2] dat [naam 1] een kusje had gegeven op de piemel van hem en die van [slachtoffer 1] . En toen stak [slachtoffer 2] zijn vinger in zijn mond en haalde die er daarna weer uit. Ik vroeg aan hem heeft hij daar dan op gesabbeld dan? en daarop zei [slachtoffer 2] , Nee, zuigen. […]

A: […] Ik heb ook gevraagd of [naam 1] zijn piemeltje bloot had en [slachtoffer 2] zei daarop van “Ja”. [slachtoffer 2] zei ook dat hij samen met [slachtoffer 1] en [naam 1] met zijn drieën de broek naar beneden hadden. Hij zei daarbij ook dat die piemel ook omhoog stond. Dat had ik op dat moment eigenlijk niet in de gaten, maar dat heb ik de volgende dag, toen [ik] weer met [slachtoffer 2] er over in gesprek was, wel duidelijk gehoord.

V: Wiens piemel stond overeind?

A: Die van [naam 1] .

V: Hoe weet jij dat?

A: Ik heb dat aan [slachtoffer 2] gevraagd.

V: Wat heb jij aan [slachtoffer 2] gevraagd?

A: Ik heb aan [slachtoffer 2] gevraagd of er met de piemel van [naam 1] ook iets anders dan gewoon was. Of die piemel omhoog stond. Daarop antwoordde [slachtoffer 2] dat die omhoog was. Maar dat was tijdens het gesprek op de volgende dag.

V: Nog even over liet eerste gesprekje in de douche [..] Je vertelde dat [slachtoffer 2] had verteld over de broeken naar beneden. Wat werd er daarna gevraagd of gezegd?

A: Ik heb op dat moment gevraagd of [naam 1] de piemel bloot had en dat was dus het geval zoals ik al vertelde. Ik heb [slachtoffer 2] gevraagd of er verder nog wat gebeurd was en daarop zei [slachtoffer 2] : “Daarna gingen de broeken weer omhoog en was het klaar”. […]

[slachtoffer 2] had mij dus verteld dat de piemel van [naam 1] omhoog was. Ik had ook gevraagd of [slachtoffer 2] of [slachtoffer 1] iets hij [naam 1] hadden gedaan. Daarbij deed [slachtoffer 2] mij voor dat hij een wrijvende beweging had gemaakt in de kruisstreek van [naam 1] . […]

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2016, opgenomen op pagina 36 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van het studioverhoor van [slachtoffer 2] , geboren [geboortedatum] 2010, van verbalisant [verbalisant] :

V: Waar precies kwam jij ook al weer over praten?

A: [naam 1] .

[…]

A: [...] [naam 1] ging [slachtoffer 1] en ik zijn piemeltjes in zijn mond stoppen.

V: Je zegt dus: Het gaat over [naam 1] en [naam 1] ging onze piemel hè, de piemel van mij en van [slachtoffer 1] in de mond stoppen. Dat zei je hé?

A: ( [slachtoffer 2] knikt ja.)

V: [...] Jij zegt [naam 1] deed dat hè? Met de piemels in de mond. Hoe vaak is dat gebeurd dan [slachtoffer 2] ?

A: ( [slachtoffer 2] steekt één vinger in de lucht.)

V: Jij steekt je vinger op. En wat bedoel je daar dan mee?

A: ( [slachtoffer 2] houdt zijn vinger in de lucht.)

V: Eén keer. Het is één keer gebeurd. En [slachtoffer 2] , waar was het dan dat hij dat deed?

A: Bij [slachtoffer 1] thuis. [...]

V: .. . en waar in het huis was het dan?

A: In de woonkamer. Op de bank.

V: Op de bank. Oké. En wie waren daar allemaal bij?

A: [naam 1] en [slachtoffer 1] en ik en niemand anders.

V: En wie is [slachtoffer 1] ? Wie is dat?

A: Mijn buurjongetje.

V: Jouw buurjongetje. [...]

V: Hoe oud is [slachtoffer 1] ?

A: ( [slachtoffer 2] steekt drie vingers op, maakt een M-geluidje bij iedere vinger die hij opsteekt.)

V: Ping ping ping, drie. En hoe oud ben jij?

A: ( [slachtoffer 2] steekt vijf vingers op en maakt een M-geluidje bij iedere vinger die hij opsteekt.)

V: Heb ik dat goed gezien? Dames en heren, hij is vijf jaar oud. Klopt dat?

A: ( [slachtoffer 2] knikt ja.)

V: Hé, vertel mij eens alles over dat piemeltjes in de mond nemen bij [slachtoffer 1] in de woonkamer. [...]

A: [naam 1] zat op de bank en wij staan.

V: Dus [naam 1] zat op de bank en jullie stonden.

V: Hoe was het met jullie kleren precies?

A: Gewoon de broek omlaag.

V: Broek omlaag. Wie had de broek omlaag?

A: Wij. [slachtoffer 1] en ik en [naam 1] .

V: Hoe weet je dat dan, dat [naam 1] de broek omlaag had?

A: Dat heb ik gezien.

V: Maar ik wil eerst even met jou praten over bij de bank. Jij zei: [naam 1] zat op de?

A: Bank.

V: Bank. En jullie stonden. En [slachtoffer 1] had zijn broek naar beneden. En zijn boxershort. En jij had de broek ook een beetje open en naar beneden, maar niet zo ver als [slachtoffer 1] .

V. Wat deed [naam 1] precies?

A: Ik weet alleen nog dat hij onze piemeltjes in zijn mond stak.

V: ( [verbalisant] heeft twee anatomisch correcte poppen in zijn handen.) En dan ben jij dit, oke? ( [verbalisant] toont [slachtoffer 2] de blonde pop)

A: ( [slachtoffer 2] knikt ja)V: Zo? Zo? ( [verbalisant] neemt de pop en de bank over van [slachtoffer 2] .)

A: ( [slachtoffer 2] knikt ja.)

V: En dan doen we even of dit [naam 1] is.

V: Nou spelen wij dat jij dit bent. ( [verbalisant] toont de blonde pop). Dit? Ho, dit moet ik even beter doen. ( [verbalisant] trekt de broek van de tweede pop wat beter aan.) Dan is dit [slachtoffer 1] . En dan is dit de bank. ( [verbalisant] toont een tissuedoos.) We spelen dat dit de bank is. [naam 1] zat op de bank. Als dit [naam 1] is ( [verbalisant] toont de derde pop), hoe zat hij dan op de bank?

A: ( [slachtoffer 2] pakt de [naam 1] -pop en de tissuedoos-bank en zet de pop zittend op de bank).

V: En nou pak je de pop die jij bent. En doe me dan voor hoe het was met de broek van jou.

A: ( [slachtoffer 2] doet de broek van de [slachtoffer 2] -pop aan de voorkant een beetje omlaag.)

V: En waar precies stond jij dan?

A: ( [slachtoffer 2] zet de [slachtoffer 2] -pop links voor de [naam 1] -pop op de bank.)

V: Hou ik dit vast. En dan pak je wat mij betreft de pop erbij... en wie is dat dan ook al weer?

A: [slachtoffer 1] .

( [slachtoffer 2] pakt de [slachtoffer 1] -pop en trekt de broek en de onderbroek van de pop omlaag, tot aan de enkels. Hij laat de pop staan rechts naast de [slachtoffer 2] -pop).

V: En vertel me nou eens precies wat [naam 1] deed toen jullie zo stonden.

A: ( [slachtoffer 2] laat de [slachtoffer 1] -pop op de schoot van de [naam 1] -pop staan, met het kruis van de [slachtoffer 1] -pop voor de mond van de [naam 1] -pop.)

V: Hoe kan hij.. hoe kan hij dat nou doen? Want hij zit op de bank. Leg dat eens uit?

A: ( [slachtoffer 2] doet hetzelfde met de [slachtoffer 1] - en [naam 1] -poppen)

V: Waar stond jij dan toen hij dat deed? Wat deed hij nou precies met jou piemel?

A: ( [slachtoffer 2] doet zijn mond wijd open.)

V: Je doet je mond open. Kan je het vertellen hoe dat ging?

A: [naam 1] ging huigen, zuigen.

V: Zuigen? Waar ging hij op zuigen?

A: ( [slachtoffer 2] maakt zuiggeluiden) Sabbelen.

V: Waar sabbelde hij op?

A: Op mijn ( [slachtoffer 2] wijst onder de tafel naar zijn kruis.).

V: Op jouw eh...

A: Ook op mijn vriendje.

V: Waar sabbelde hij op?

A: Hier. ( [slachtoffer 2] tikt op zijn piemel.)

V: Doe dat eens voor met die poppen dan! Nou begin ik het een beetje te begrijpen.

A: ( [slachtoffer 2] komt terug naar de praattafel. [slachtoffer 2] pakt de [naam 1] -pop en laat die zitten op de tissuedoos-bank).

A: Hou jij [naam 1] even? ( [slachtoffer 2] laat [verbalisant] de [naam 1] -pop vasthouden.)

V: Ik hou hem wel vast.

A: ( [slachtoffer 2] klimt op zijn stoel.)

A: ( [slachtoffer 2] pakt de [slachtoffer 2] -pop en doet de broek aan de voorkant een stukje omlaag. [slachtoffer 2]

zet de [slachtoffer 2] -pop op schoot bij de [naam 1] -pop, met het kruis van de [slachtoffer 2] -pop bij het hoofd van de [naam 1] -pop.)

V: Maar hoe kom jij dan op [naam 1] ?

A: ( [slachtoffer 2] maakt met de [slachtoffer 2] -pop loopbewegingen richting de [naam 1] -pop en laat de

[slachtoffer 2] -pop op schoot springen bij de [naam 1] -pop.)

V: En waar komen jouw voeten dan bij [naam 1] ?

A: Hier. ( [slachtoffer 2] tilt de [slachtoffer 2] -pop op en zet hem weer neer op de schoot van de [naam 1] -pop.)

V: Op zijn knietjes.

A: ( [slachtoffer 2] trekt de broek van de [slachtoffer 2] -pop weer omhoog.)

V: En [slachtoffer 2] , hoe weet jij dat het zo gaat? Hoe komt het zo?

A: Ik was er bij natuurlijk! [...]

V: [...] En hoe was het met de kleren van [naam 1] dan? Had hij zijn kleren aan of uit of een beetje aan of uit of was het anders?

A: (fluistert) Dit uit. ( [slachtoffer 2] tikt tegen het kruis van de [naam 1] -pop.)

V: Maar van deze kunnen we de broek niet uit doen hè? Wat had Trus aan?

A: Dat weet ik helemaal niet.

V: Waar hadden we het ook alweer over [slachtoffer 2] . Waar ging het ook alweer over?

A: [naam 1] .

V: Over [naam 1] . Wiens piemel had [naam 1] ook alweer in de mond gehad?

A: Ik, [slachtoffer 1] , ik, [slachtoffer 1] , ik, [slachtoffer 1] .

V: Jij en [slachtoffer 1] . Want hoe ging het nou met [slachtoffer 1] en [naam 1] ?

V: [...] Waar was [naam 1] toen hij de piemel van [slachtoffer 1] in de mond nam?

A: Ook. ( [slachtoffer 2] wijst naar de tissuedoos-bank)

V: Ook op de bank. Doe maar even voor hoe dat ging dan. ( [verbalisant] geeft [slachtoffer 2] de [naam 1] -pop.) [...]

A: ( [slachtoffer 2] zet de [naam 1] -pop op de tissuedoos-bank.)

V: En dit is [slachtoffer 1] ( [verbalisant] geeft [slachtoffer 2] de [slachtoffer 1] -pop) Hoe waren de kleren van [slachtoffer 1] ook al weer?

V: ( [verbalisant] neemt de [naam 1] -pop van [slachtoffer 2] over.) Ik hou hem wel vast.

A: Dit is [slachtoffer 1] .

V: ( [verbalisant] wijst naar de broek van de [slachtoffer 1] -pop. Hoe was het met de kleren van [slachtoffer 1] . Doe me dat even voor.

A: ( [slachtoffer 2] doet de broek van de [slachtoffer 1] -pop omlaag tot de enkels.)

V: Ja. En hoe kwam het dan dat [naam 1] de piemel van [slachtoffer 1] in de mond had?

A: Weet ik niet. Weet ik niet.

V: Wat zag je daar precies van, [slachtoffer 2] ?

A: Weet ik eigenlijk niet.

V: Hoe was het precies met de broek van [naam 1] ? Was de broek open, dicht, half open, half dicht, anders, vertel daar eens over.

A: ( [slachtoffer 2] staat op van de poef, doet de knoop van zijn broek open.) Knoop.

V: Ja?

A: ( [slachtoffer 2] doet zijn gulp open) Gullep.

V: Wie had dat?

A: [naam 1] . ( [slachtoffer 2] gaat weet zitten.)

V: Zo. En wat gebeurde er verder?

A: En die. ( [slachtoffer 2] pakt zijn onderbroek beet)

V: Die.

A: Ja. Omlaag.

V: Die had hij omlaag? Je wijst naar je onderbroek.

A: Ook.

V: En wat kon je dan allemaal zien bij (onverstaanbaar)?

A: (fluistert) Grote piemel.

V: Grote piemel? Dat snap ik niet. Wat is dat precies?

A: Hij had een hele grote piemel.

V: En hoe groot was die piemel van [naam 1] ? Zo groot. ( [verbalisant] houdt zijn handen een halve meter van elkaar.) Zo groot. ( [verbalisant] houdt zijn handen 5 centimeter van elkaar.) Zo groot als het echt is hé. Zo groot als jij het gezien hebt.

A: ( [slachtoffer 2] houdt zijn handen ca. 20 centimeter van elkaar.)

V: Zo groot? Oké.

A: ( [slachtoffer 2] doet zijn handen op verschillende afstanden van elkaar, denkt na en komt uit op ca. 20 centimeter.) Zo.

V: En waar was die piemel dan?

A: ( [slachtoffer 2] tikt op zijn eigen piemel.)

V: En hoe was het met die piemel? Eh, hing die of ligt die of stond die omhoog of was het weer anders? Vertel daar eens over.

A: Stond omhoog. ( [slachtoffer 2] duidt met zijn handen hoe de piemel omhoog stond.)

V: Hoe weet jij dat?

A: Heb ik gezien.

V: Oké. Hoe stopte dit nou allemaal, eh dit gebeuren.

A: Oh, als iemand er aan komt.

V: Ja nou? Oh, oké. Als iemand eraan komt dan...

A: Dan... ( [slachtoffer 2] trekt zijn onderbroek omhoog, boven zijn broek uit.) Omhoog.

V: Omhoog. Wie doet dat dan omhoog, omhoog?

A: [slachtoffer 1] , ik, [naam 1] .

V: En toen hij jouw piemeltje in zijn mond had hè? Wat voelde jij daar?

A: (fluistert) Raar. [...]

bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank zal allereerst beoordelen of, en in hoeverre, zij de de-auditu verklaringen van de jong minderjarige [slachtoffer 1] , die bekend zijn geworden via door de politie gehoorde getuigen, betrouwbaar acht. De rechtbank stelt daarbij voorop dat met verklaringen van zeer jonge kinderen zeer behoedzaam dient te worden omgegaan.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] op 19 april 2016 spontaan is gaan vertellen in aanwezigheid van gastouder [getuige 2] . [slachtoffer 1] pakte daarbij twee poppen en zei tegen de gastouder: “kijk, hij heeft de piemel in de mond”. Ondanks een afwijzende reactie van de gastouder ging [slachtoffer 1] hiermee door, waarbij hij de ene pop wat hoger hield dan de andere, met het kruis van de ene pop bij het hoofd van de andere. [slachtoffer 1] zei daarbij ‘dat doen wij in de douche’. Toen de gastouder tegenwierp dat zij dat niet doen in de douche, zei [slachtoffer 1] iets als ‘dat doe ik met [naam 1] ’. Uit het dossier blijkt dat ‘ [naam 1] ’ de bijnaam van verdachte is. Ondanks een poging van de gastouder om [slachtoffer 1] af te leiden, bleef [slachtoffer 1] deze bewegingen herhalen, waarbij het kruis van de ene pop naar het hoofd van de andere pop ging. [slachtoffer 1] maakte daarbij zuiggeluiden en bewoog de poppen van voor naar achteren.

Gastouder [getuige 2] verklaarde voorts aan de politie dat [slachtoffer 1] op of rond 25 april 2016 sabbelde op de voetjes van een pop die op de bank zat. [slachtoffer 1] deed dit voetje helemaal in zijn mond en bewoog het heen en weer. Op een vraag van de gastouder antwoordde [slachtoffer 1] : “dat zijn de voetjes van [naam 1] ”. Later in haar verhoor corrigeerde de gastouder deze uitspraak, in die zin dat met ‘voetjes’ was bedoeld ‘piemel’.

De moeder van [slachtoffer 1] is ook door de politie gehoord. Zij verklaarde bij de politie dat zij [slachtoffer 1] op die 19e april 2016 van school ophaalde. [slachtoffer 1] vertelde toen spontaan aan haar dat [naam 1] aan zijn piemeltje zat; [slachtoffer 1] maakte hierbij trekbewegingen. [slachtoffer 1] vertelde aan de moeder dat dit een geheimpje was tussen [naam 1] en hem. Op een vraag van de moeder vertelde [slachtoffer 1] dat hij dit ook bij [naam 1] deed en dat de piemel van [naam 1] vies is. [slachtoffer 1] maakte daarbij een beweging die leek op sabbelen en deed hierbij zijn hoofd van voor naar achter.

Voorts verklaarde de moeder bij de politie dat [slachtoffer 1] zijn piemeltje had laten zien aan oom [naam 3] , waarbij [slachtoffer 1] gezegd dat oom [naam 3] er wel een kusje op mocht geven. Verder verklaarde moeder dat twee meisjes die bij haar op visite kwamen, zes of zeven keer aan haar hadden gemeld dat [slachtoffer 1] zijn piemeltje had getoond en daarbij opmerkte: ‘dat deed [naam 1] ook altijd’.

Volgens de verklaringen van de gastouder en de moeder is het ernstige stotteren van [slachtoffer 1] na het vertellen over deze gebeurtenissen sterk verminderd en enige tijd later 95% verbeterd.

De rechtbank constateert dat [slachtoffer 1] heeft verteld over zeer concrete seksuele handelingen, en dat zijn uitspraken en uitbeeldingen sterk geseksualiseerd zijn en dus volstrekt niet passen bij zijn leeftijd. [slachtoffer 1] heeft hierbij consistent de bijnaam van verdachte genoemd. Nadat [slachtoffer 1] hierover had verteld, bleek bovendien van een merkbare gedragsverandering, te weten een aanzienlijke vermindering van zijn stotteren. Daar komt bij dat de gastouder een gedetailleerd schriftelijk verslag heeft gemaakt binnen zeer korte tijd nadat [slachtoffer 1] haar had verteld en had uitgespeeld wat er tussen hem en [naam 1] was gebeurd. Ook heeft zij diezelfde ochtend het gastouderbureau gebeld om advies te vragen en heeft zij de moeder van [slachtoffer 1] verteld wat er was gebeurd. Dat zij van haar waarnemingen zo snel na het gebeuren schriftelijk verslag heeft gedaan, terwijl die waarnemingen overeenkomen met haar getuigenverklaring, en dat zij onmiddellijk actie heeft ondernomen, maakt haar verklaring naar het oordeel van de rechtbank zeer betrouwbaar. Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat de de-auditu verklaringen van [slachtoffer 1] over de ontuchtige handelingen, en zijn expliciete uitbeeldingen daarvan, als betrouwbaar zijn aan te merken.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] ook het vereiste steunbewijs aanwezig, te weten ten eerste het studioverhoor van [slachtoffer 2] . In dit studioverhoor heeft [slachtoffer 2] onder meer verklaard dat [naam 1] - een variant op de bijnaam van de verdachte - de piemels van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in zijn mond stopte. Dit was één keer gebeurd bij [slachtoffer 1] thuis, en wel in de woonkamer op de bank. In dit studioverhoor beeldde [slachtoffer 2] ook met behulp van poppen uit dat [naam 1] op de bank zat en dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op zijn schoot stonden. Volgens [slachtoffer 2] waren daarbij hun broeken omlaag en ging [naam 1] zuigen op hun piemeltjes. [slachtoffer 2] verklaart dat hij de piemel van [naam 1] heeft gezien; hij beeldde met zijn handen uit dat deze ongeveer 20 cm lang was. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] overweegt de rechtbank dat [slachtoffer 2] is gehoord in een kindvriendelijke verhoorstudio door een daartoe opgeleide en ervaren zedenrechercheur. [slachtoffer 2] verklaart niet alleen over wat er tussen hem en [slachtoffer 1] en [naam 1] is gebeurd, maar hij beeldt dat ook uit met poppen. Bovendien gaat hij eigenhandig schuiven met de meubels in de verhoorstudio om de rechercheur duidelijk te maken hoe de woonkamer eruit zag. Aan dit steunbewijs doet niet af dat [slachtoffer 1] onder meer verklaart over handelingen in de douche terwijl [slachtoffer 2] verklaart over handelingen in de woonkamer. De overeenkomsten in de verklaringen van beide jongetjes, te weten dat verdachte seksuele handelingen met hen verrichtte en op hun piemels zoog, wegen naar het oordeel van de rechtbank zwaarder.

Steun voor de de-auditu verklaringen van [slachtoffer 1] vindt de rechtbank voorts in de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte, die onder meer inhoudt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enkele weken voor 3 mei 2016 met de broek uit aan elkaars piemels zaten toen verdachte de kamer inliep. Weliswaar is verdachte hierop ter zitting teruggekomen, maar de rechtbank houdt hem aan de verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd. Verdachte heeft geen plausibele verklaring kunnen geven waarom de inhoud van het door hem ondertekende proces-verbaal van verhoor niet zou kloppen. De rechtbank acht daarom de de-auditu verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende gesteund door het studioverhoor van [slachtoffer 2] en dit onderdeel van de verklaring van verdachte.

Het verweer dat het ongerijmd zou zijn dat de gebeurtenis zich zou hebben afgespeeld op klaarlichte dag in een woonkamer terwijl de gordijnen en de schuttingdeuren open waren, zoals [slachtoffer 2] heeft verklaard, volgt de rechtbank niet. Of de gebeurtenis van buitenaf zichtbaar is geweest, is immers afhankelijk van meer factoren, zoals de situering van de woonkamer, de bank, de ruiten en eventuele gordijnen of vitrages. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank is van oordeel dat het alternatieve scenario dat ene [naam 6] verantwoordelijk kan zijn voor ontuchtige handelingen met de kinderen, onvoldoende aannemelijk is geworden. Nader onderzoek naar dit scenario acht de rechtbank dan ook niet aangewezen, te meer niet nu beide kinderen consistent hebben verklaard over handelingen door verdachte, die zij met zijn bijnaam hebben aangeduid.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen is.

Ten aanzien van feit 2 primair

De officier van de justitie en de raadsman hebben gesteld dat feit 2 primair niet bewezen verklaard kan worden omdat geen sprake was van seksueel binnendringen in de mond van slachtoffer [slachtoffer 2] , maar hoogstens in de mond van de verdachte. Ook de rechtbank is van oordeel dat ‘seksueel binnendringen’ in de zin van art. 244 Sr. niet bewezen kan worden. In zijn arrest van 11 oktober 2005, NJ 2006, 614, overwoog de Hoge Raad - kort gezegd - dat niet blijkt dat de wetgever onder ‘seksueel binnendringen’ ook seksuele handelingen heeft willen scharen die zijn gepleegd door een ander dan degene die de dwang heeft uitgeoefend. Uit de jurisprudentie en de wetsgeschiedenis volgt dat ‘seksueel binnendringen’ betekent dat de dader, dus degene die de dwang uitoefent, het slachtoffer penetreert. Indien echter de dader het slachtoffer beweegt tot binnendringen bij de dader zelf, valt dat niet onder ‘seksueel binnendringen’ in de zin van art. 244 Sr (zie ook: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7154). Verdachte wordt daarom vrijgesproken van feit 2 primair.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

De rechtbank overweegt als volgt. De officier van justitie heeft verdachte verweten - kort gezegd - dat hij ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer 2] terwijl [slachtoffer 2] toen aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 249, lid 1, Sr. In dit artikel gaat het erom dat de minderjarige afhankelijk is van de dader, waardoor de dader overwicht heeft op de minderjarige en die minderjarige minder weerstand aan hem kan bieden. Uit de jurisprudentie blijkt dat ook tijdelijke en/of gedeeltelijke overdracht van de zorgplicht hierbij in aanmerking komt. Voldoende is dat sprake is van een omstandigheid waarin geen directe bescherming door de ouder(s) geboden kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in deze zaak niet dat [slachtoffer 2] aan verdachtes zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Uit het proces-verbaal blijkt dat de schuttingdeuren tussen de woningen regelmatig opengezet werden, zodat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over en weer elkaars tuin en huis in konden lopen en zij met elkaar konden spelen. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] over ontuchtige handelingen, kan het bestanddeel 'aan de zorg en waakzaamheid toevertrouwd' niet bewezen worden verklaard. Verdachte dient daarom van feit 2 subsidiair te worden vrijgesproken. Een meer subsidiaire tenlastelegging op basis van artikel 247 Sr., waarvoor waarschijnlijk een bewezenverklaring had kunnen volgen, ontbreekt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij in de periode van [geboortedatum] 2014 tot en met april 2016, te Leeuwarden, meermalen, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte in voornoemde periode opzettelijk ontuchtig meermalen de ontblote penis van die [slachtoffer 1] aangeraakt en in verdachtes mond genomen en gehouden en daarbij die [slachtoffer 1] zogenoemd gepijpt en verdachtes penis in het bijzijn van die [slachtoffer 1] ontbloot en verdachtes penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en gehouden en zich zogenoemd door die [slachtoffer 1] laten pijpen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit een voorwaardelijke straf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich in een periode van anderhalf jaar meermalen schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik van de destijds twee- dan wel driejarige zoon van een vriendin. De rechtbank tilt zwaar aan dit feit. Door zijn handelen heeft verdachte enkel ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het zeer jonge slachtoffer. Dit is des te kwalijker omdat verdachte de oppas van het slachtoffer was. Het is niet uit te sluiten dat het slachtoffer voor de rest van zijn leven is beschadigd door wat hem is aangedaan. Verdachte heeft ter terechtzitting geen inzicht in zijn handelen gegeven.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport. In dit rapport wordt onder meer aangegeven dat op het speciaal onderwijs de diagnose PDD-NOS is gesteld. Verdachte heeft hiervoor geen hulp gehad. Hij wilde er zelf aan werken. Binnen het vrijwilligerswerk dat verdacht thans verricht, werd gesignaleerd dat verdachte moeite heeft om zich staande te houden. Op dit moment wordt er een plan, gericht op het vergroten van zijn sociale weerbaarheid, ontwikkeld. Nu verdachte een volledig ontkennende verdachte is, kan de reclassering geen uitspraken doen over de recidivekans. De rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat in verband met de ernst van het feiten aan verdachte een forse gevangenisstraf opgelegd dient te worden. Deze straf is lager dan de officier van justitie heeft gevorderd omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen. De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met de door de officier van justitie gevorderde voorwaarden.

Benadeelde partij

[getuige 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd, zulks met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zijdens de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de hoogte van de vordering van de benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van feit 1 primair. De vordering, waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 april 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor deze schade, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, en voorts zich gedurende de proeftijd blijft melden zo lang en zo frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Polikliniek Forensische Psychiatrie van de GGZ of soortelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/730349-16, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [getuige 1] te betalen een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2016.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. K. Post, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 februari 2018. De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.