Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3529

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
18/830100-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wegens afpersing op de openbare weg. Het verweer dat er geen causaal verband is tussen de uitgeoefende dwang en de afgifte van een telefoon, wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830100-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840018-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Appingedam, op de openbare weg, te weten

de Opwierderweg aldaar,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon

(Iphone 8), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (Iphone 8), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het bij de jas en/of tas pakken van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het die [slachtoffer] meesleuren naar zijn, verdachtes, auto en/of

- het tegen die [slachtoffer] zeggen "Als je hiervan aangifte doet dan ga ik mijn vrienden en neven bellen en pakken we jou", althans woorden van gelijke strekking en/of

- het (meermalen) slaan en/of stompen in het gezicht van die [slachtoffer];

subsidiair

hij op of omstreeks 21 april 2018 te Appingedam, [slachtoffer] heeft mishandeld

door die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen;

en/of

dat hij op of omstreeks 21 april 2018 te Appingedam een telefoon (IPhone8) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of van die telefoon gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die telefoon –onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit diefstal of verduistering of heling, althans uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde en veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Hoewel verdachte heeft bekend dat hij geweld heeft gebruikt, kan uit de verklaringen in het dossier niet worden opgemaakt dat er causaal verband is tussen het kwijtraken van de telefoon door aangever en het door verdachte gebruikte geweld. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van diefstal met geweld en afpersing. Wel kan worden bewezen dat verdachte de telefoon van aangever zonder diens toestemming heeft verkregen en gebruikt. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetwitwassen. Tevens kan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op diefstal met geweld en afpersing. De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake was van dwang nu aangever en verdachte een afspraak hadden gemaakt over de afgifte van de telefoon aan aangever. Mishandeling kan worden bewezen en als de rechtbank ervan uitgaat dat aangever zijn telefoon niet vrijwillig heeft afgegeven, kan wellicht afpersing worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 16 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer] een klap in zijn gezicht gegeven. Ik kreeg de telefoon uit handen van [slachtoffer]. Als hij mij € 100,- zou geven, zou hij de telefoon terug krijgen. De Facebook-berichten die bij de aangifte zijn gevoegd, heb ik aan aangever gestuurd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2018 met bijlagen, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R018059 d.d. 21 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:
Op 21 april 2018 was ik samen met mijn vrienden in horecagelegenheid Passe Partout in Appingedam. We wilden richting de Opwierderweg fietsen. [verdachte] pakte mij bij mijn jas en tas beet. Hij sleurde mij mee naar de auto. Bij de auto zei [verdachte] tegen mij: "Je gaat mij geld betalen" en "Als je hiervan aangifte gaat doen dan pak ik jou. Dan ga ik mijn neven en vrienden bellen en pakken we jou!" Ik heb daarop tegen [verdachte] gezegd: "Ik heb geen geld man". Daarop zag en voelde ik dat [verdachte] mij een vuistslag op mijn linkerwang onder mijn oog gaf. Ik voelde dat mijn wang zeer begon te doen en dat deze opgezwollen was.
Ik wilde mijn telefoon niet afstaan. [verdachte] gaf mij daarop wederom een harde vuistslag op mijn linkerwang. Ik heb de telefoon afgegeven. Dezelfde dag heeft hij mij via Facebook benaderd. Hij stuurde mij via Messenger: "Ik heb misschien wel iets goeds voor je. Je kan je telefoon wel terugkopen voor 100 euro".

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 mei 2018, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:
Vraag: Vertel eens wat je weet over wat er 21 april 2018 gebeurde bij de Passe Partout in Appingedam.
Antwoord: Het begon nadat we 50 meter bij de Passe Partout vandaan waren, net bij de uitrit. [verdachte] ging een beetje hangen aan [slachtoffer], van 'kom mee'. Soort van meesleuren. Toen liep [slachtoffer] wel gewoon mee eigenlijk. Op een gegeven moment hoorde ik één klap, een rake klap. Het klonk als een klap met de vlakke hand. [slachtoffer] kwam weer terug. Hij was gewoon rustig, maar dan zonder telefoon.

Vraag: Wat zag je toen?

Antwoord: Volgens mij dat het hier wat donkerder of dikker is geworden. Ik denk dat hij daar de klap had gekregen.
Opmerking: Getuige wijst hierbij naar zijn linkerwang.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 mei 2018, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Vraag: Vertel eens wat je weet over wat er 21 april 2018 gebeurde bij de Passe Partout in Appingedam.
Antwoord: [verdachte] heeft [slachtoffer] toen een beetje hardhandig meegenomen en zei 'kom mee, praten'. Toen [slachtoffer] terugkwam was zijn telefoon weg, die heeft hij afgegeven of afgenomen. [slachtoffer] vertelde mij dat hij [verdachte] geld moest betalen en dat hij zijn telefoon heeft afgestaan. Hij voelde zich bedreigd en hij had geen andere optie. Dat vertelde hij mij. Hij kon geen kant op. Dat gevoel had hij, vertelde hij me.

'[slachtoffer], ik wil met je praten', zei [verdachte]. Samen zijn ze toen weggelopen, maar [verdachte] trok hem wel wat mee. Toen [slachtoffer] op een gegeven moment bij ons terug kwam, was hij heel stilletjes en zei: "Mijn telefoon is wel weg." Je zag wel dat hij wat rood in zijn gezicht was, alsof hij wel een paar tikken had gekregen. Hij vertelde zelf dat hij klappen had gekregen. Het was niet vriendelijk afgepakt.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juni 2018, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3]:
Vraag: Vertel eens wat je weet over wat er gebeurde op 21 april 2018 bij de Passe Partout in Appingedam.
Antwoord: Een kameraad vertelde dat hij via Snapchat kon zien dat [slachtoffer] bij de Passe Partout was. En daar liep het snel uit de klauwen. En wat daar gebeurde, dat houd ik voor me. Hij is namelijk een kameraad van mij. Dan bedoel ik [verdachte]. Ik wil hem niet naaien natuurlijk. Ik heb zelf geen woord gezegd, omdat ik er op dat moment niet mee eens was wat er gebeurde. Wat daar gebeurde daar sta ik buiten. Daar hou ik niet van. Ik dacht, godverdomme, wat gebeurt hier.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan afpersing. De wet vereist een causaal verband tussen de uitgeoefende dwang en de geleverde prestatie om tot een bewezenverklaring van afpersing te komen. Verdachte heeft bekend dat hij aangever een klap heeft gegeven. De rechtbank acht bewezen dat onder andere door deze klap aangever zich gedwongen heeft gevoeld om zijn telefoon aan verdachte af te geven. Dit vindt ook steun in de bij de aangifte gevoegde, door verdachte aan aangever verzonden, Facebookberichten en in de bij de bewijsmiddelen opgenomen getuigenverklaringen. De rechtbank acht het causale verband tussen de uitgeoefende dwang en de geleverde prestatie dan ook bewezen. Dat aangever zijn telefoon vrijwillig heeft afgegeven als borg, zoals verdachte eerst ter terechtzitting heeft verklaard, is uit het dossier niet gebleken. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 21 april 2018 te Appingedam, op de Opwierderweg,

met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon (iPhone 8), toebehorende aan die [slachtoffer],

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het bij de jas en tas pakken van die [slachtoffer] en vervolgens het meesleuren van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, auto en

- het tegen die [slachtoffer] zeggen "Als je hiervan aangifte doet dan ga ik mijn vrienden en neven bellen en pakken we jou" en

- het slaan of stompen in het gezicht van die [slachtoffer].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 13 augustus 2018.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit, mocht de rechtbank afpersing bewezen achten, voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen ernstig geweld heeft toegepast, dat hij geen wapens heeft gebruikt en dat aangever en verdachte leeftijdsgenoten zijn. De raadsman heeft verzocht om aan de bijzondere voorwaarden elektronisch toezicht, locatiegebod, locatieverbod, drugs- en alcoholverbod en contactverbod een termijn van enkele maanden te verbinden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op de openbare weg schuldig gemaakt aan afpersing. Hij heeft het slachtoffer door geweld en bedreiging met geweld gedwongen om zijn iPhone af te geven. Daarbij heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer veroorzaakt. Daarnaast zorgen feiten als de bewezen verklaarde afpersing voor een gevoel van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal en geweldsdelicten. Bovendien liep verdachte ten tijde van het thans bewezen verklaarde feit in een proeftijd.

De reclassering heeft in het rapport van 13 augustus 2018 geconcludeerd dat sprake is van stabiele en beschermende factoren in de vorm van woonruimte, een familie-netwerk en hulpverlening. De reclassering heeft geconstateerd dat sprake is van problematiek op enige relevante leefgebieden, zijnde gevoeligheid voor middelengebruik, vrienden/kennissen en denkpatronen, gedrag en vaardigheden. Verdachtes beïnvloedbaarheid, impulsiviteit, spanningsgevoeligheid en het (nog) moeilijk grenzen kunnen stellen vormen risico's voor delictgedrag in de toekomst. Tevens zijn er zorgen betreffende zijn gewetensontwikkeling. Hulp, begeleiding en sturing door volwassenen acht de reclassering dan ook van belang. Tijdens de schorsing van de preventieve hechtenis is er een begin gemaakt met het vinden van een reguliere dagbesteding, het verkrijgen van inkomen en op termijn, indien er sprake is van begeleid wonen, van budgetbeheer. Verdachte werkt mee aan de gemaakte afspraken waarvan hij het belang en de noodzakelijkheid inziet. Hij stelt zich begeleidbaar op.

De reclassering heeft de rechtbank geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten: een meldingsgebod, locatiegebod, ondersteund door een vorm van elektronisch toezicht, een alcohol- en drugsverbod, contactverbod met het slachtoffer, meewerken aan middelencontroles en voorwaarden ten aanzien van het gedrag. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is zich aan al die voorwaarden te houden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, afpersing bewezen acht, zal de rechtbank een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden, zoals geadviseerd in voornoemd reclasseringsrapport.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 november 2016, gewezen door de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een werkstraf voor de duur van 70 uur, waarvan 35 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 26 november 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 17 juli 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van

11 november 2016 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14, 14b, 14c, 14d en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 175 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en zich blijft melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. dat de veroordeelde op door de reclassering vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: Secretaris Holscherlaan 24 te Appingedam, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht (een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft);

3. dat de veroordeelde zich niet zal bevinden in Delfzijl, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich gedurende zes maanden onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor onder 2 en 3 genoemde bijzondere voorwaarden;

4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

5. dat de veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- zonder instemming van de reclassering contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

6, dat de veroordeelde zal meewerken aan ambulante begeleiding door Factor 5;

7. dat de veroordeelde zal meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van (betaalde) arbeid en/of scholing zoals de reclassering of Factor 5 hem aanwijst;

8. dat de veroordeelde zal meewerken aan begeleid wonen zoals door Factor 5 wordt voorgesteld;

9. dat de veroordeelde zal meewerken aan bewindvoering dan wel budgetbeheer.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840018-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 11 november 2016, te weten: een werkstraf voor de duur van 35 uur. De werkstraf moet binnen 6 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 17 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 augustus 2018.

Mr. Agema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.