Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3528

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
18/830111-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens een fietsendiefstal tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830111-18

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/820464-15 en

18/820310-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk/type Gazelle Saphir), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Nationale Politie, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Cortina), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de overdracht van de fiets zo snel op het wegnemen is gevolgd, dat daaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte de fiets heeft gestolen. Verdachte komt pas op de terechtzitting met een alternatieve verklaring, welke verklaring niet kan worden geverifieerd. Deze verklaring is bovendien ongeloofwaardig. Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen door een optelsom van feiten en omstandigheden. Alles wijst naar verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde lokfiets heeft gestolen. Verdachte heeft de fiets willen verkopen voor een kennis, die de fiets had gestolen. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling dan wel witwassen, hetgeen hem niet ten laste is gelegd. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niets erop wijst dat verdachte de diefstal heeft gepleegd. De verklaring van getuige [getuige 1] zegt niks, nu er meerdere fietsendieven met een paardenstaart op de Grote Markt rondlopen. Bovendien zijn er veel zwarte omafietsen met een rek voorop in Groningen. Dat verdachte naast een dergelijke fiets staat in de Poelestraat bij de Stadsgarderobe, is niet toevallig. Verdachte staat daar heel vaak.

Oordeel van de rechtbank

Het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. De omschrijving die getuige [getuige 1] van de dader heeft gegeven aan de politie, is onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat het juist verdachte is geweest die de door [getuige 1] beschreven fiets heeft weggenomen. Bovendien is niet voldoende komen vast te staan dat de fiets die in de Poelestraat naast verdachte is aangetroffen, de fiets is die is weggenomen op de Grote Markt.

Het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van feit 1 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 16 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 19 juni 2018 op de Grote Markt te Groningen de lokfiets te koop aangeboden. Ik herken mijzelf op de foto op pagina 54 van het dossier.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2018, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2018157491 d.d. 21 juni 2018, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:
Ik doe aangifte van diefstal. Het weggenomene behoort de Nationale Politie geheel in eigendom toe. Op 18 juni 2018 werd op de Kleine Pelsterstraat in Groningen een lokfiets

geplaatst. De lokfiets is afgesloten middels een kabelslot. Op 19 juni 2018 omstreeks

02:33 uur werd de lokfiets weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2018, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Het ingezette lokmiddel dat op 18 juni 2018 om 15:44 uur werd ingezet was een damesfiets van het merk Gazelle en type Saphir.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2018, opgenomen op pagina 48 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Op 19 juni 2018 om 02:33 uur werd de fiets weggenomen vanaf de Kleine Pelsterstraat en legde de volgende route af:

02:33 uur Nieuwstad

02:34 uur Kleine Haddingestraat

02:34 uur Gedempte Zuiderdiep

02:36 uur Folkingestraat

02:38 uur A-kerkhof

02:39 uur Vismarkt

02:40 uur Grote Markt

5.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2018 met bijlagen, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:
Op 19 juni 2018 is om 02:33 uur aan de Kleine Pelsterstraat een lokfiets van de politie weggenomen. De route die de lokfiets aflegde liep door het cameragebied in de binnenstad. Daarom hebben wij die camerabeelden bekeken. Op de camerabeelden is te zien dat op

19 juni 2018 om 02:44 uur de ons ambtshalve bekende [verdachte] met de lokfiets aan de hand over de Grote Markt loopt. Van de camerabeelden zijn screenshots gemaakt waar [verdachte] samen met de lokfiets op staat.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Om 02.33 uur is de lokfiets weggenomen en om 02.44 uur is verdachte met de fiets aan de hand via camerabeelden waargenomen op de Grote Markt. Gelet op dit kort tijdsbestek acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die de lokfiets heeft gestolen. De alternatieve verklaring van verdachte, dat hij de fiets wilde verkopen voor ene [naam], een dakloze verslaafde veelpleger, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Het had immers voor de hand gelegen dat verdachte deze verklaring reeds bij de politie had afgelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk/type Gazelle Saphir), toebehorende aan de Nationale Politie.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD) voor de duur van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat bij bewezenverklaring aan alle criteria voor oplegging van de ISD-maatregel is voldaan. De raadsman heeft aangevoerd dat de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering dient te worden gebracht op de periode waarvoor de ISD-maatregel wordt opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets. Daarmee heeft verdachte blijk gegeven zich niets aan te trekken van het eigendomsrecht van derden. Bovendien is fietsendiefstal een ergerlijk feit waarmee financiële schade en overlast aan de gedupeerde kan worden veroorzaakt.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juli 2018 - dat 27 pagina's beslaat - blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten, met name ter zake diefstal. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het thans bewezen verklaarde feit in een proeftijd liep.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door Reclassering Nederland in bovengenoemd voorlichtingsrapport d.d. 26 juli 2018, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op meerdere leefgebieden zijn problemen die kunnen leiden tot nieuw delictgedrag. Onzes inziens ligt de kern van de problematiek in psychiatrische problematiek (trauma) en in de verslavingsproblematiek van verdachte. Eerdere behandeltrajecten, zowel ambulant als klinisch, hebben er niet toe bijgedragen dat de vicieuze cirkel waarin verdachte zich bevindt doorbroken wordt. Dit maakt dat wij een ISD-maatregel de meest passende strafmodaliteit achten om een langdurig klinische behandeling met daaraan gekoppeld aandacht voor resocialisatie te realiseren.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek en de psychiatrische problematiek van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding het ondergane voorarrest daarop in mindering te brengen, zoals door de verdediging is bepleit.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

(onder parketnummer 18/820310-17)

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 augustus 2017, gewezen door de politierechter van deze rechtbank, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 22 augustus 2017.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 19 juli 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Ter terechtzitting van 16 augustus 2018 heeft de officier van justitie afwijzing van de vordering gevorderd.

Gelet op het feit dat de ISD-maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straf niet proportioneel en zinvol. De rechtbank zal daarom de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

(onder parketnummer 18/820464-15)

Daarnaast heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van 20 juni 2016, gewezen door de politierechter in deze rechtbank, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 132 dagen. Uit de stukken in het dossier is echter komen vast te staan dat deze voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf reeds volledig ten uitvoer is gelegd en wel bij vonnissen van de politierechter in deze rechtbank van respectievelijk 7 augustus 2017 en 21 februari 2018. De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet ontvankelijk verklaren in deze vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820464-15:

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vordering.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820310-17:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 7 augustus 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. L.W. Janssen en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 augustus 2018.

Mr. Agema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.