Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3462

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3520
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen wettelijke grondslag voor afwijzing Wmo-aanvraag op grond van conclusie dat sprake is van voorliggende voorziening. Stelling dat eiser beperkingen op eigen kracht kan verminderen/wegnemen biedt evenmin grondslag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3520

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Postma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: B. van der Horst).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om hem in aanmerking te brengen voor een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in de vorm van huishoudelijke hulp en deelname aan het collectief vervoer afgewezen.

Bij besluit van 25 augustus 2017 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft de zaak voor verdere behandeling naar een meervoudige kamer verwezen en het onderzoek daartoe heropend.

Bij brief van 12 juni 2018 heeft eiser nog een verklaring overgelegd van 19 mei 2016 van neuroloog [naam neuroloog] van het CZ Deventer ziekenhuis. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 2 juli 2018. Bij brief van 13 augustus 2018 heeft eiser nog een verklaring en een stuk overgelegd.

Met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nadere zitting achterwege gebleven en is het onderzoek opnieuw gesloten.

Overwegingen

1. Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft verweerder eisers aanvraag van 14 juni 2016 voor een voorziening op grond van de Wmo 2015 in de vorm van huishoudelijke hulp en een vervoersvoorziening (collectief vervoer) afgewezen omdat uit onderzoek gebleken is dat er met betrekking tot de door eiser aangegeven klachten en beperkingen geen medische diagnose bekend is. Zonder diagnose van een medicus is het volgens verweerder niet duidelijk of behandeling van de klachten mogelijk is. Indien door een medicus behandeling wordt geadviseerd, is dit tevens voorliggend op het verstrekken van voorzieningen op grond van de Wmo 2015.

2. Bij besluit van 29 december 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser met verwijzing naar en overneming van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 20 december 2016 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat op basis van de beschikbare gegevens niet geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een medische noodzaak tot het treffen van de gevraagde voorzieningen. Hierbij is onder andere aangegeven dat in de door eiser overgelegde brief van de [naam kliniek] van

13 juli 2016 wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een neurochirurgisch ziektebeeld en dat geen verklaring voor de aangegeven klachten is gevonden. Verder moet uit de informatie van de huisarts (eiser heeft de indicatieadviseur een brief van de huisarts gedateerd 16 juni 2010 laten inzien) worden afgeleid dat een MRI scan in mei 2016 geen duidelijk beeld heeft gegeven.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eisers nieuwe aanvraag van 26 april 2017 voor een Wmo-voorziening in de vorm van huishoudelijke hulp en een vervoersvoorziening (collectief vervoer) afgewezen. Hierbij is aangegeven dat uit het door eiser ter ondersteuning van zijn aanvraag meegezonden medisch onderzoeksrapport van ZNA (Ziekenhuis Netwerk Antwerpen) locatie Middelheim van 3 april 2017 gebleken is dat er geen diagnose is gesteld van waaruit de door eiser aangegeven pijnklachten en beperkingen kunnen worden verklaard. Verder is eiser hierbij aangeraden om zich voor verdere follow up te wenden tot een revalidatiearts. Er is derhalve nog geen sprake van medisch (uit)behandelde klachten. Behandeling gericht op verbetering is voorliggend op het verstrekken van voorzieningen in het kader van de Wmo 2015. De door eiser ervaren pijnklachten vergen nader onderzoek door een revalidatiearts ter bepaling van een mogelijke behandeling. Het advies van ZNA Middelheim om te gaan zwemmen of hydrotherapie te volgen is een algemeen gezondheidsadvies.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar met verwijzing naar en overneming van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 24 augustus 2017 ongegrond verklaard. De conclusie luidt dat de gevraagde voorzieningen terecht zijn geweigerd. Hierbij is aangegeven dat er geen beperkingen zijn vast te stellen die noodzaken tot het treffen van de gevraagde voorzieningen, dat de klachten/beperkingen die eiser aangeeft mogelijk op eigen kracht verholpen kunnen worden door een revalidatiearts in te schakelen en dat onder de gegeven omstandigheden niet valt uit te sluiten dat het treffen van de gevraagde voorzieningen anti-revaliderend zal werken. Hierbij is in aanmerking genomen dat de door eiser geraadpleegde artsen geen objectieve grondslag voor de door hem aangegeven klachten hebben kunnen vinden en daarnaast adviseren een revalidatiearts in te schakelen voor een behandeling. Uit de stukken blijkt niet dat bij eiser een nekhernia is vastgesteld.

5. Eiser voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest omdat er ten onrechte geen medisch onderzoek is uitgevoerd. Eiser brengt hierbij naar voren dat conclusies worden getrokken over medische onderwerpen door medewerkers die niet medisch onderlegd zijn. Volgens eiser zijn de medische gegevens waarop verweerder zich baseert onjuist en zijn zijn beperkingen ten gevolge van een nekhernia, die op foto’s te zien is, wel degelijk te objectiveren. Naar de mening van eiser is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en inhoudelijk onjuist. Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige aan te wijzen.

6. Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 beslist het college tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Verordening Wmo 2015 gemeente Leeuwarden (Verordening) komt een cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt of ter compensatie van de overbelasting van mantelzorger(s) en de sociale omgeving van de cliënt. Dit voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk -voor zover dit niet ten koste gaat van baan, inkomen of welzijn van mantelzorger(s) en het sociale netwerk- kan verminderen of wegnemen. Ook dient nagegaan te worden of deze beperkingen verminderd of weggenomen kunnen worden door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen en/of wettelijk voorliggende voorzieningen. Pas indien ook dit naar het oordeel van het college geen toereikende oplossing biedt, kan cliënt in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening.

Tevens is -onder 2- bepaald dat voorzieningen op grond van deze verordening niet geleverd worden indien er wettelijke voorliggende voorzieningen aanwezig zijn.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de bestreden afwijzing van eisers aanvraag van 26 april 2017 om een Wmo-voorziening niet gebaseerd is op een verwijzing naar het besluit waarbij zijn eerdere aanvraag is afgewezen, maar op inhoudelijke gronden. De rechtbank zal dan ook aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beoordelen of de door verweerder gehanteerde inhoudelijke gronden de afwijzing van eisers Wmo-aanvraag van 26 april 2017 kunnen dragen.

8. Ter onderbouwing van de afwijzing van deze Wmo-aanvraag heeft verweerder in het primaire besluit aangegeven dat er geen diagnose is gesteld van waaruit de door eiser aangegeven pijnklachten en beperkingen kunnen worden verklaard, dat er nog geen sprake is van medisch (uit)behandelde klachten en dat behandeling gericht op verbetering voorliggend is op het verstrekken van voorzieningen in het kader van de Wmo 2015. In het bestreden besluit is in dit verband voorts aangegeven dat er geen beperkingen zijn vast te stellen die noodzaken tot het treffen van de gevraagde voorzieningen en dat de klachten/beperkingen die eiser aangeeft mogelijk op eigen kracht verholpen kunnen worden. Hierbij is in aanmerking genomen dat de door eiser geraadpleegde artsen geen objectieve grondslag voor de door hem aangegeven klachten hebben kunnen vinden en daarnaast adviseren een revalidatiearts in te schakelen voor een behandeling.

9. De rechtbank stelt vast dat in het advies van 27 juli 2016 dat de MO-zaak naar aanleiding van eisers eerste Wmo-aanvraag heeft uitgebracht, is aangegeven dat hij aandoeningen heeft met als gevolg daarvan stoornissen en beperkingen die nader zijn vermeld onder ‘onderzoeksbevindingen’. Niet ter discussie staat dat deze beperkingen nog steeds en onverminderd bij eiser aanwezig zijn.

10. De rechtbank overweegt dat om in aanmerking te kunnen komen voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 niet als voorwaarde geldt dat sprake is van beperkingen die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg voortvloeien uit ziekte of gebrek. Het standpunt van verweerder dat er geen diagnose is gesteld van waaruit de door eiser aangegeven klachten en beperkingen kunnen worden verklaard, kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat hij op grond van de Wmo niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Hetzelfde geldt voor verweerders standpunt dat de door eiser geraadpleegde artsen geen objectieve grondslag voor de door hem aangegeven klachten hebben kunnen vinden. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de verklaring van verweerder ter zitting dat eiser in aanmerking kan komen voor een Wmo-voorziening indien sprake is van een moeilijk objectiveerbare aandoening die niet behandelbaar blijkt te zijn.

11. Voor zover de bestreden afwijzing van eisers Wmo-aanvraag steunt op het standpunt van verweerder dat er nog geen sprake is van medisch (uit)behandelde klachten en dat behandeling gericht op verbetering voorliggend is op het verstrekken van Wmo-voorzieningen, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een wettelijke grondslag. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de Wmo 2015 een voorschrift ontbreekt, zoals artikel 2 van de per 1 januari 2015 vervallen Wmo, waarin is bepaald dat in geval sprake is van een (wettelijke) voorliggende voorziening geen aanspraak bestaat op een Wmo-voorziening. Nu de Wmo 2015 hiervoor geen grondslag biedt, moet artikel 8, tweede lid, van de Verordening naar het oordeel van de rechtbank wegens strijd met een hogere regeling buiten toepassing worden gelaten.

12. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de voorwaarde in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, dat betrokkene de beperkingen niet op eigen kracht kan verminderen of wegnemen evenmin grondslag voor de bestreden afwijzing van eisers aanvraag om een Wmo-voorziening op grond van voormeld standpunt. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien dat het op eigen kracht kunnen verminderen of wegnemen van beperkingen door eiser mede de door verweerder gestelde mogelijkheid omvat dat hij zich eerst laat behandelen door een revalidatiearts.

13. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een wettelijke grondslag ontbreekt voor de afwijzing door verweerder van de in geding zijnde Wmo-aanvraag op grond van de conclusie dat sprake is van een voorliggende voorziening, dat verweerders stelling dat eiser zijn beperkingen op eigen kracht kan verminderen of wegnemen daartoe evenmin grondslag biedt en dat hetzelfde geldt voor verweerders conclusie dat er geen diagnose is gesteld en geen objectieve grondslag is gevonden voor de door eiser aangegeven klachten en beperkingen. Daarom kan de bestreden afwijzing van eisers Wmo-aanvraag in rechte geen stand houden.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor inwilliging van eisers verzoek om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Naar het oordeel van de rechtbank valt op voorhand niet uit te sluiten dat de nadere besluitvorming wederom zal resulteren in handhaving van de bestreden afwijzing van eisers Wmo-aanvraag en dat die uitkomst de rechtelijke toets wel zal kunnen doorstaan.

15. Het beroep is gegrond.

16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. K. Wentholt en

mr. D.M. Schuiling, leden, in aanwezigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.