Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3454

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
LEE - 17 _ 2104
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

PW. Bezwaar tegen salarisspecificaties terecht niet-ontvankelijk verklaard. Geen rechtsgevolg en geen besluit. Geen schending van de hoorplicht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/2104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder

(gemachtigden: A.J. Krol en H. Boonstra).

Procesverloop

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de uitbetaling van de bijstand over de maanden januari 2017 tot en met april 2017.

Bij besluit van 22 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de uitkeringsspecificaties over de maanden januari 2017, februari 2017, maart 2017 en april 2017 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak LEE 17/2103 PW, plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. In de zaak LEE 17/2103 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw), naar de norm voor gehuwden. Op verzoek van eiser waren met verweerder afspraken gemaakt omtrent de uitbetaling van de uitkering in contanten en betaling van de vaste lasten, zoals die zijn neergelegd in de besluiten van 20 juni 2014 en 24 juni 2014.

1.2.

Bij besluit van 1 september 2015 heeft verweerder genoemde besluiten herzien. Verweerder heeft besloten om vanaf 1 oktober 2015 de gezamenlijke bijstandsuitkering van eiser en zijn echtgenote over te maken op het bij verweerder bekende bankrekeningnummer, te weten een en/of rekeningnummer van eiser en zijn echtgenote en later, nadat hij verweerder te kennen had gegeven dat hij dit rekeningnummer had opgeheven, het rekeningnummer van zijn echtgenote. Bij brief van 7 december 2015 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de uitkering wordt overgemaakt op de bankrekening van zijn echtgenote. Bij besluit van 21 april 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de feitelijke uitbetaling van de bijstand op een bankrekening niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 14 december 2016 (ECLI:NL:RBNNE:2016:5446) ongegrond verklaard.

1.2.

Op 27 januari 2017 heeft verweerder aan eiser de uitkeringsspecificatie over januari 2017 gezonden en op 24 februari 2017 die over februari 2017. Verder heeft verweerder op 29 maart 2017 aan eiser de uitkeringsspecificatie over maart 2017 gezonden en in april 2017 die over de maand april 2017. Hiertegen heeft eiser afzonderlijk bezwaar gemaakt.

2. Het bestreden besluit houdt in de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiser, voor zover gericht tegen de wijze van uitbetaling van de toegekende gezinsbijstand. In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften overgenomen.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank – voor zover van belang – in het navolgende ingaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ter beoordeling ligt voor of verweerder het bezwaar van eiser tegen de uitkeringsspecificaties over de maanden januari, februari, maart en april 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Onder rechtshandeling wordt verstaan een handeling gericht op rechtsgevolg.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Wanneer een ander daartoe strekkend geschrift van het bestuursorgaan ontbreekt, kan dit besluit zichtbaar worden in een salaris- of uitkeringsspecificatie. Daartegen staat dan in beginsel het rechtsmiddel van bezwaar open. De rechtmatigheid van een eerder genomen besluit waarbij over de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw aan de orde worden gesteld als er in de periodieke betaling geen wijziging optreedt. Dan is in het algemeen slechts sprake van een herhaling van de eerder genomen beslissing. Zo’n herhaling is niet gericht op enig rechtsgevolg dat niet reeds door de oorspronkelijke beslissing tot stand was gebracht en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb (zie de uitspraak van 5 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1711).

4.4.

De rechtbank stelt vast dat eisers bezwaren zich richten tegen het feit dat zijn deel van de uitkering wordt uitbetaald op de bankrekening van zijn echtgenote. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de uitkeringsspecificaties voor wat betreft de wijze van uitbetalen voortborduren op en een herhaling zijn van de eerder genomen beslissing van

1 september 2015, waarin onder meer is besloten om eisers deel van de gezamenlijke bijstandsuitkering niet langer contant aan hem betaalbaar te stellen. Om die reden is, anders dan eiser heeft betoogd, sprake van een herhaling van een eerder genomen beslissing. In de stelling van eiser dat geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden over de wijze waarop de uitkering aan eiser betaalbaar wordt gesteld, is geen grond gelegen voor een ander oordeel. In dit verband is van belang dat deze rechtbank in haar uitspraak van

14 december 2016 heeft geoordeeld dat verweerder eisers bezwaar tegen het niet langer contant uitbetalen van de in geding zijnde bijstand aan eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaar in zoverre niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het hiervoor weergegeven oordeel in genoemde uitspraak maakt niet dat thans geoordeeld zou moeten worden dat de salarisspecificaties wel op enig rechtsgevolg zijn gericht. Vast staat dat eiser geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank van 14 december 2016, waardoor het besluit van

1 december 2015 in rechte is komen vast te staan. De stelling van eiser dat een oordeel over de wijze van uitbetaling noodzakelijk is omdat de uitkering iets omhoog is gegaan en het gaat om een nieuw bedrag, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat – zoals verweerder ter zitting heeft gesteld – het niet gaat om de hoogte van de uitkering, maar om de wijze van uitbetaling van de uitkering aan eiser. De rechtbank volgt verweerder daarin.

4.5.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de hoorplicht is geschonden. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld over de salarisspecificaties en op wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, was op voorhand duidelijk dat de bezwaren van eiser geen doel zouden treffen. Verweerder heeft dan ook mogen afzien van het horen van eiser.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat verweerder in het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de inhoudelijke gronden die eiser heeft aangevoerd.

5. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. van der Werff, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.