Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3404

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
27-08-2018
Zaaknummer
LEE 17/2467
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag van politieman. Niet is in geschil dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. Evenmin is in geschil dat eiser lijdt aan PTSS, welke als beroepsziekte is gekwalificeerd. Ter beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim toerekenbaar is, heeft verweerder een psychiater om advies gevraagd. Diens rapporten zijn naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig tot stand gekomen. In beide rapporten komt de psychiater op een inzichtelijke wijze tot een onderbouwde conclusie en de rechtbank acht de rapporten dan ook consistent. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige grondslag. Met het oordeel van de psychiater is sprake van ontoerekenbaarheid in enige mate en dat is onvoldoende om het ernstige plichtsverzuim (in het geheel) niet toerekenbaar te achten. Dat in enige mate sprake is van verminderde toerekenbaarheid veronderstelt tegelijkertijd dat, zoals verweerder heeft overwogen, er in enige mate sprake is van toerekenbaarheid. Daarmee heeft eiser in bepaalde mate de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag kunnen inzien. Eiser heeft de rapporten niet bestreden, ook niet door het inbrengen van een contra-expertise. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/2467

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Lamuadni),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 2 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 1 maart 2018 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 27 april 2018 de beroepsgronden nader toegelicht en stukken ingediend.

Op 2 mei 2018 heeft eiser nog stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen eisers partner, mevrouw

[naam partner] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder was voorts aanwezig [teamchef] , teamchef basisteam Oost.

Overwegingen

1. Eiser, geboren in 1963, is sinds 1 juli 1983 werkzaam geweest bij de politie.

2. Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de korpschef eiser vanwege ernstig plichtsverzuim de straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 77, eerste lid, sub j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), en daarbij bepaald dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien eiser zich gedurende twee jaren na kennisneming van dat besluit niet schuldig

maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim. Bij het besluit heeft de korpschef een verplaatsingsmaatregel getroffen, inhoudende dat eiser niet langer als [naam functie] in de stad [plaats] werkzaam zal zijn, maar als [functienaam] in het basisteam [plaatsnaam] , tot de plaatsing als gevolg van de personele reorganisatie in het kader van de vorming van de Nationale Politie. Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaar gemaakt.

3. In het kader van een detachering voor vier nachtdiensten kwam eiser op 28 juli 2015 op [naam plaats] aan, waar hij in een hotel verbleef. Voor de tweede nachtdienst, van 31 juli 2015 op 1 augustus 2015, is eiser niet op het werk verschenen. Toen collega’s in het hotel poolshoogte kwamen nemen, bleek hij onder invloed van alcohol te zijn. Later op de avond is de in de hotelkamer aanwezige volledige bewapening ingenomen en is eiser meegedeeld dat zijn detachering is beëindigd en dat hij de volgende dag met de veerboot van 12:00 uur het eiland diende te verlaten. De volgende dag heeft eiser de boot gemist. Na twee meldingen over een dronken man bij de terminal van de veerboot is eiser aldaar door collega’s dronken aangetroffen, waarna hij is meegenomen. Later die middag hebben twee collega’s hem naar het vasteland begeleid en naar huis gebracht.

3.1.

Bij brief van 4 augustus 2015 is eiser meegedeeld dat een intern onderzoek wordt ingesteld ter zake van mogelijk gepleegd ernstig plichtsverzuim en voorts dat eiser met onmiddellijke ingang buiten functie wordt gesteld.

3.2.

In opdracht van de korpschef is door de stafafdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de eenheid Noord-Nederland een onderzoek ingesteld naar mogelijk gepleegd ernstig plichtsverzuim door eiser. Van dat onderzoek is op 5 oktober 2015 een rapport uitgebracht.

3.3.

Bij brief van 11 december 2015 heeft de korpschef eiser een afschrift van het onderzoeksrapport doen toekomen. In de brief heeft de korpschef vastgesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstig plichtsverzuim en heeft hij aangegeven op welke gedragingen die vaststelling is gebaseerd. Teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of het plichtsverzuim eiser toerekenbaar is en mede gezien de recente vaststelling dat eiser lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), hetgeen tevens reden is om te wachten met de afhandeling van het disciplinair onderzoek, zal advies gevraagd worden.

3.4.

Op 24 maart 2016 heeft psychiater W.H.J. [naam psychiater] (hierna: [naam psychiater] ) rapport uitgebracht.

3.5.

Bij brief van 13 juni 2016 heeft, namens de korpschef, de directeur van het Psychotrauma Diagnose Centrum (PDC) eiser meegedeeld dat door de PDC Politiepoli is vastgesteld dat eiser lijdt aan een PTSS, dat de Adviescommissie PTSS Politie desgevraagd heeft aangegeven dat zij het aannemelijk acht dat de bij eiser gediagnosticeerde PTSS beroepsgerelateerd is en heeft hij daarom besloten eisers PTSS te kwalificeren als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub y, van het Barp.

3.6.

Op 17 augustus 2016 heeft [naam psychiater] een aanvullend rapport uitgebracht.

3.7.

Bij brief van 13 oktober 2016 heeft de korpschef het voornemen tot het opleggen van een disciplinaire straf uitgebracht. Op grond van het rapport van [naam psychiater] acht de korpschef het aannemelijk dat bij eiser in enige mate sprake was van een verminderde toerekenbaarheid. Dat veronderstelt gelijktijdig dat in enige mate wel sprake was van toerekenbaarheid. Het ernstige plichtsverzuim wordt eiser toegerekend. De korpschef heeft eiser vanwege ernstig plichtsverzuim de straf van ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd, welke straf passend en niet onevenredig aan het plichtsverzuim wordt geacht.

3.8.

Bij het primaire besluit heeft de korpschef, met toepassing van artikel 77, eerste lid, sub j, van het Barp, eiser vanwege ernstig plichtsverzuim de maatregel van onvoorwaardelijk strafontslag opgelegd, met ingang van de dag na het uitreiken van het besluit. Het besluit is aan eiser in persoon uitgereikt op 11 januari 2017.

3.9.

Nadat naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar op 10 april 2017 een hoorzitting had plaatsgevonden, heeft de bezwaaradviescommissie HRM (hierna: commissie) in het advies van 16 mei 2017 aangegeven dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke onderdelen het rapport van [naam psychiater] wordt gevolgd en op welke onderdelen niet. Het onvoorwaardelijke strafontslag acht de commissie disproportioneel. Afgezet tegen het besluit van 27 juni 2013 is er nu geen sprake van soortgelijk plichtsverzuim. De commissie adviseert te bepalen dat het strafontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd, als eiser zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander plichtsverzuim. De commissie acht het bezwaar gegrond.

3.10.

In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd waarom hij het advies van de commissie niet volgt en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen als volgt. Verweerder volgt [naam psychiater] in zijn overwegingen en zijn conclusie, namelijk dat eiser aanvankelijk enigszins c.q. in enige mate beperkt was in zijn vermogen om het ontoelaatbare van zijn gedraging (alcoholgebruik) in te zien en dat dit vermogen in de loop van de dag volgend op de eerste nachtdienst door het nuttigen van grote hoeveelheden alcohol steeds geringer werd. In het bestreden besluit is verweerder uitgebreid ingegaan op het rapport van [naam psychiater] . Ook heeft verweerder uitgebreid gemotiveerd op grond waarvan hij de opgelegde straf wel evenredig acht aan het plichtsverzuim, bestaande uit verscheidene gedragingen die elk afzonderlijk als ernstig plichtsverzuim aangemerkt kunnen worden. Verweerder heeft bij de beoordeling van de evenredigheid rekening gehouden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid, de erkende beroepsziekte, het over het algemeen eerdere voldoende functioneren (afgezien van het voorwaardelijke strafontslag), het lange dienstverband en de gevolgen van het ontslag.

4. Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Onder 6 zal de rechtbank ingaan op de door eiser aangevoerde beroepsgronden.

5. In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt toegelicht.

6. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers gedragingen, die plaatsvonden gedurende en na afloop van de tweede nachtdienst van 31 juli 2015 op 1 augustus 2015, dienen te worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Evenmin is in geschil dat eiser lijdt aan PTSS, welke als beroepsziekte is gekwalificeerd.

6.2.

In onderhavig geschil dient de vraag te worden beantwoord of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is dat een vraag naar de juridische kwalificatie van het betrokken feitencomplex. Voor de toerekenbaarheid is niet van doorslaggevende betekenis of het gedrag psychopathologisch verklaarbaar is, maar of de betrokkene de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4414).

6.3.

Ter beantwoording van in eerste instantie de vraag of het plichtsverzuim is veroorzaakt door de PTSS en vervolgens ter beantwoording van de vraag of het plichtsverzuim toerekenbaar is, heeft verweerder advies gevraagd aan [naam psychiater] .

6.3.1.

In het rapport van 24 maart 2016 heeft [naam psychiater] de conclusies en het advies van het PDC van 27 oktober 2015 weergegeven. In het rapport heeft [naam psychiater] de vraag “Is het gedrag (plichtsverzuim) veroorzaakt door de PTSS?” beantwoord als volgt:
“Mijn conclusie is dat er geen posttraumatische stressstoornis is die het gedrag (plichtsverzuim) van onderzochte voldoende kan verklaren. Ik meen wel dat enkele posttraumatische verschijnselen bijgedragen hebben tot het gewraakte gedrag.”

Die conclusie heeft [naam psychiater] bijgesteld als volgt:
“Mijn gecorrigeerde conclusie is overigens wel, dat ik bij onderzochte weliswaar geen overtuigende klinisch zich volledig ontwikkelde posttraumatische stressstoornis heb kunnen vaststellen, maar dat ik wel iets meer gewicht toeken aan de premorbide posttraumatische verschijnselen die zijn gaan opspelen tijdens het incident op [naam plaats] in juli-augustus 2015.”

6.3.2.

[naam psychiater] heeft in het rapport van 17 augustus 2016 verslag gedaan van nieuw onderzoek in het kader van de volgende vraag:

“Bij beantwoording van de vraag naar de toerekenbaarheid is van belang of de heer [naam eiser] ten tijde van zijn gedraging in staat was de ontoelaatbaarheid daarvan in te zien en of hij in staat was overeenkomstig dit inzicht te handelen.”

[naam psychiater] heeft die vraag beantwoord als volgt:

[naam eiser] was aanvankelijk enigszins c.q. in enige mate beperkt in zijn vermogen om het

ontoelaatbare van zijn gedraging (alcoholgebruik) in te zien. Dat vermogen werd in de loop van de dag volgende op de eerste nachtdienst door het nuttigen van grote hoeveelheden alcohol steeds geringer.”

6.4.

Het bestreden besluit berust op de rapporten van [naam psychiater] . Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze rapporten zorgvuldig tot stand gekomen. Zo heeft [naam psychiater] ten behoeve van de beantwoording van de hem aanvankelijk voorgelegde vraag eiser uitgebreid gesproken op 3 maart 2016 en heeft hij de bevindingen van dat gesprek neergelegd in het rapport van 24 maart 2016, onder “anamnestische gegevens”. Verder heeft [naam psychiater] een heteroanamnese afgenomen bij eisers partner. Ten behoeve van de beantwoording van de tweede vraagstelling heeft [naam psychiater] eiser wederom uitgebreid gesproken, nu op 28 juli 2016, en in het rapport van 17 augustus 2016 is de uitgebreide weergave van hetgeen eiser heeft verteld opgenomen. In beide rapporten komt [naam psychiater] op een inzichtelijke wijze tot een onderbouwde conclusie en de rechtbank acht de rapporten dan ook consistent. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige grondslag.

6.5.

Eiser heeft aangevoerd dat tussen de verweten gedragingen en het onderzoek door [naam psychiater] veel tijd zit en dat hij ten tijde van dat onderzoek al meerdere behandelingen had ondergaan. De rechtbank begrijpt die beroepsgrond aldus, dat het volgens eiser de vraag is in hoeverre de rapporten van [naam psychiater] een concreet beeld kunnen geven van eisers psychische toestand ten tijde van de hem verweten gedragingen.

6.6.

Deze beroepsgrond kan niet slagen. Omdat verweerder niet de deskundigheid bezit om de vraag of eiser de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen (zie onder 6.2) te beantwoorden, heeft verweerder [naam psychiater] verzocht om rapport uit te brengen, vanwege diens specifieke deskundigheid als psychiater. Een deskundige, zoals in dit geval [naam psychiater] , moet in staat geacht worden vanuit diens professionele achtergrond een specifieke vraag als hier aan de orde te beantwoorden, juist ook in retrospectief bezien en (ook) als de betrokkene inmiddels behandeling(en) heeft ondergaan. De beoordeling en beantwoording van een dergelijke vraag behoort immers tot het professionele domein van de deskundige.

6.7.

Hoewel [naam psychiater] heeft aangegeven dat eiser aanvankelijk enigszins c.q. in enige mate beperkt was in zijn vermogen om het ontoelaatbare van zijn gedraging (alcoholgebruik) in te zien, is daarmee geen sprake van de situatie dat eiser (in het geheel) niet de ontoelaatbaarheid van dat gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Met het oordeel van [naam psychiater] is sprake van ontoerekenbaarheid in enige mate en dat is onvoldoende om het ernstige plichtsverzuim (in het geheel) niet toerekenbaar te achten. Dat in enige mate sprake is van verminderde toerekenbaarheid veronderstelt tegelijkertijd dat, zoals verweerder heeft overwogen, er in enige mate sprake is van toerekenbaarheid. Daarmee heeft eiser in bepaalde mate de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag kunnen inzien. Uit het rapport van [naam psychiater] kan niet worden afgeleid dat eiser ten tijde van zijn gedragingen als gevolg van zijn psychische gesteldheid in het geheel niet meer wist wat hij deed en de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag niet kon inzien en overeenkomstig dat inzicht kon handelen. Daarmee kan eisers standpunt dat verweerder het plichtsverzuim ten onrechte als toerekenbaar heeft aangemerkt, niet slagen. Onder verwijzing naar hetgeen is aangehaald onder 6.3.1, uit het rapport van 24 maart 2016 van [naam psychiater] , overweegt de rechtbank dat eisers standpunt dat het plichtsverzuim het directe gevolg is geweest van de PTSS, evenmin kan slagen. Uit hetgeen is weergegeven onder 6.3.1 kan weliswaar worden afgeleid dat verschijnselen van de PTSS een rol hebben gespeeld, maar uit het rapport van [naam psychiater] volgt evenzeer dat andere redenen ten grondslag hebben gelegen aan eisers gemoedstoestand ten tijde van de gewraakte gedragingen, zoals stress en een situatie van uitputting. In de ter zitting door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7347, ziet de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. In die uitspraak is sprake van een andere situatie, namelijk dat een deskundige heeft geconcludeerd dat de betrokkene niet overeenkomstig het inzicht dat de gedraging ontoelaatbaar is, heeft kunnen handelen.

6.8.

De rechtbank stelt vast dat eiser, behoudens hetgeen is opgenomen onder 6.5, de (totstandkoming van de) rapporten van [naam psychiater] niet heeft bestreden, ook niet door het inbrengen van een contra-expertise. Dat is van belang, omdat het op de weg van de ambtenaar ligt om aannemelijk te maken dat het plichtsverzuim hem niet kan worden toegerekend. Zie daarvoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2136. Met de door eiser op 27 april 2018 en op 2 mei 2018 ingediende stukken, onder meer het rapport van 24 oktober 2017 van het PDC, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt.

6.9.

Uit hetgeen is overwogen onder 6.7 volgt dat het plichtsverzuim toerekenbaar is.

6.10.

Daaruit volgt dat verweerder bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen.

6.11.

Hoewel de commissie heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, heeft verweerder dat niet gedaan en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. Dat staat verweerder vrij, mits dat voldoende gemotiveerd wordt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit genoegzaam uiteengezet op grond van welke overwegingen hij afwijkt van het advies van de commissie.

6.12.

Eiser heeft aangevoerd dat het onvoorwaardelijk strafontslag disproportioneel is.

6.13.

De vraag of het onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim beantwoordt de rechtbank als volgt. Gezien de ernst en de aard van de gedragingen en de voor politieambtenaren geldende strenge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid, acht de rechtbank het door verweerder opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag niet onevenredig aan het plichtsverzuim. Met het plichtsverzuim heeft eiser het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en daarmee aan het eigen aanzien en dat van de politie grote schade toegebracht. Gegeven de door verweerder gemaakte belangenafweging heeft hij in eisers beroep op de PTSS geen aanleiding hoeven zien voor het opleggen van een minder zware straf. Eisers standpunt dat de commissie heeft overwogen dat het haar voorkomt dat het overmatig alcoholgebruik van eiser niet los kan worden gezien van de bij hem gediagnosticeerde PTSS, leidt, gelet op de eerder besproken rapporten van [naam psychiater] , niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat eiser een lange staat van dienst heeft, maakt ook niet dat de opgelegde straf onevenredig is. Van belang bij de beoordeling van de evenredigheid is nog het besluit van 27 juni 2013 (zie onder 2), waarbij eiser al een voorwaardelijk strafontslag was opgelegd. Met dat besluit faalt de beroepsgrond dat de opgelegde disciplinaire straf vanwege eisers onberispelijke staat van dienst onevenredig zou zijn. Dat aan het besluit van 27 juni 2013 andersoortig plichtsverzuim ten grondslag lag, maakt het voorgaande niet anders.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en

mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.