Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3334

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2018
Datum publicatie
21-08-2018
Zaaknummer
18/820203-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van diverse goederen, waaronder drie portemonnees met daarin onder andere rijbewijzen, bankpassen en OV-chipkaarten.

De rechtbank acht oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank ziet aanleiding voor een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820203-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 22 april 2018, te Groningen, in de gemeente Groningen, met

het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een rugtas met daarin (onder meer) een portemonnee en/of een powerbank en/of een rijbewijs en/of twee pinpassen en/of een ov-chipkaart en/of een zorgverzekeringspas en/of huissleutels en/of een ketting met kruisje en/of een Iphone-oplader en/of (Apple) oordopjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 26 april 2018, te

Groningen, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een rugtas en/of een portemonnee en/of een powerbank en/of een rijbewijs en/of twee pinpassen en/of een ov-chipkaart en/of een zorgverzekeringspas en/of huissleutels en/of een ketting met kruisje en/of een Iphone-oplader en/of (Apple) oordopjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 22 april 2018 tot en met 26 april 2018, te Groningen, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, een goed te weten een rugtas en/of een portemonnee en/of een powerbank en/of een rijbewijs en/of twee pinpassen en/of een ov-chipkaart en/of een zorgverzekeringspas en/of huissleutels en/of een ketting met kruisje en/of een Iphone-oplader en/of (Apple) oordopjes heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 26 april 2018, te Groningen, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een portemonnee en/of een rijbewijs en/of een identiteitsbewijs en/of een pinpas en/of een ov-chipkaart en/of een zorgpas en/of een universiteitspas en/of andere pasjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 26 april 2018 te Groningen,

in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, een of meer goed(eren), te

weten een portemonnee en/of een rijbewijs en/of een identiteitsbewijs en/of een

pinpas en1of een ov-chipkaart en/of een zorgpas en/of een universiteitspas en/of

andere pasjes, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij

ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het dit goed / deze

goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof

3.

primair

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2018 tot en met 26 april 2018, te Groningen, (in elk geval) in het arrondissement Noord Nederland, opzettelijk een id-kaart en/of twee bankpassen en/of een OV-jaarkaart en/of een collegekaart e/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 19 april 2018 tot en met 26 april 2018 te

Groningen, in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, een of meer

goed(eren), te weten een portemonnee en/of een id-kaart en/of twee bankpassen en/of

een ov-jaarkaart en/of een collegekaart, heeft verworven en/of voorhanden gehad

en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordeling voor het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Uit de stukken in het dossier wordt niet duidelijk waarom doorzoeking van de tas nodig was. Nadat de Duitse politie na verkregen informatie uit Nederland de identiteit van verdachte heeft kunnen vaststellen, bestond er voor de politie in Duitsland in ieder geval geen noodzaak de tas die verdachte bij zich had te doorzoeken om zijn identiteit vast te stellen. De doorzoeking van de tas is derhalve onrechtmatig en het daaruit voortkomende bewijs mag niet worden gebruikt. Daar komt bij dat verdachte met bijstand van een Nederlandse tolk gehoord had moeten worden.

Subsidiair heeft de raadsman met betrekking tot feit 1 gesteld dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Verdachte heeft de tas, die hoogstwaarschijnlijk van aangever [slachtoffer 1] is, meegenomen, maar niet kan worden vastgesteld dat verdachte de tas van aangever heeft gestolen. Verdachte had niet de intentie om de goederen voor zichzelf te houden, zodat verduistering niet kan worden bewezen. Ook heling kan niet worden bewezen omdat verdachte niet wist of had kunnen weten dat de goederen van diefstal afkomstig waren.

Ten aanzien van de portemonnees, ten laste gelegd onder 2 en 3, is niet duidelijk hoe verdachte in het bezit van deze portemonnees is gekomen.

Oordeel van de rechtbank

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voorop staat. Op grond van dit vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de door Duitsland verstrekte informatie. De raadsman heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het vertrouwensbeginsel moet worden doorbroken. Bovendien heeft de raadsman niet aangevoerd welk belang van verdachte zou zijn geschonden. Op grond van de stukken in het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en dat de kennelijk in dat kader door de Duitse politie uitgevoerde controle van de tas die verdachte bij zich had noodzakelijk was en mitsdien rechtmatig. Dat de Nederlandse politie behulpzaam is geweest bij de vaststelling van de identiteit van verdachte doet hieraan niet af.

Ook ten aanzien van het verweer dat verdachte in Duitsland niet is gehoord met bijstand van een tolk, heeft de raadsman niet gesteld welk belang van verdachte hierdoor zou zijn geschonden. De rechtbank zal hieraan dan ook geen conclusies verbinden, met name nu verdachte in Nederland niet anders heeft verklaard dan in eerdere instantie in Duitsland. Bovendien heeft verdachte in zijn verhoor bij de politie in Nederland verklaard dat hij de Duitse politie steeds goed heeft begrepen.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de tas met inhoud van aangever [slachtoffer 1], het onder 1 primair ten laste gelegde. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op een zondagochtend in Groningen een tas afgepakt van een man. In de tas zaten een chocoladekleurige portemonnee en een keycord. De portemonnee en de keycord zijn op een foto afgebeeld in het dossier. Een paar dagen later had ik de tas nog steeds.

Voordat ik de tas heb afgepakt, had ik al één van de zwarte portemonnees, die ik op 26 april 2018 in de tas had, gevonden op de Vismarkt. (de rechtbank begrijpt: te Groningen)

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 april 2018, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018099971 d.d. 31 mei 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

In de nacht van zaterdag 21 april 2018 op zondag 22 april 2018 was ik in Groningen. Toen ik mijn rugtas wilde pakken zag ik dat deze verdwenen was. In mijn rugtas zat mijn portemonnee met daarin een powerbank, een rijbewijs, twee pinpassen, een ov-chipkaart, een Ditzo zorgverzekeringspasje, huissleutels (met een roze keycord), een iPhone oplader en Apple oordopjes.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2018 met nummer PL0100-2018099971-9, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 25 mei 2018 heb ik [slachtoffer 2] zijn spullen terug gegeven die bij verdachte waren aangetroffen. [slachtoffer 2] vertelde dat hij ergens in april op een woensdag/donderdag nacht zijn portemonnee in de binnenstad van Groningen was verloren of dat zijn spullen waren gestolen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2018 met nummer PL0100-2018099971-8, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 24 mei 2018 heb ik een onderzoek ingesteld naar de goederen die bij [verdachte] zijn aangetroffen. [slachtoffer 3] gaf aan dat hij zijn portemonnee het laatst had gebruikt te Groningen in de nacht van 19 op 20 april 2018. Hierna is hij zijn portemonnee kwijt geraakt.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2018 met nummer PL0100-2018099971-4, los gevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op donderdag 26 april (de rechtbank leest: 2018) is door de Duitse collega's in Weener, [verdachte] staande gehouden. De Duitse collega's troffen bij [verdachte] drie portemonnees aan.

Eén van de portemonnees betreft de portemonnee van aangever Koenraad [slachtoffer 1]. Inhoud portemonnee: rijbewijs, kentekenbewijs, twee pinpassen, ov-chipkaart, Ditzo zorgpas, nog diverse andere pasjes. Tevens is een roze keycord met daaraan meerdere sleutels aangetroffen.

Een portemonnee is vermoedelijk van [slachtoffer 2] . Het rijbewijs en de identiteitskaart staan gesignaleerd als gestolen, verduisterd of vermist. Inhoud portemonnee: rijbewijs van [slachtoffer 2] , identiteitsbewijs van [slachtoffer 2] , pinpas op naam van [slachtoffer 2] , ov-chipkaart van [slachtoffer 2] , universiteitspas van [slachtoffer 2] , diverse andere pasjes.

Een portemonnee is vermoedelijk van [slachtoffer 3] . Inhoud portemonnee: identiteitsbewijs van [slachtoffer 3] , pinpas op naam van [slachtoffer 3] , ov-chipkaart van [slachtoffer 3] , universiteitspas van [slachtoffer 3] , diverse andere pasjes.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 verklaard dat hij uit boosheid de tas heeft afgepakt van een man. Daarmee heeft verdachte de tas uit de machtssfeer van de betrokkene gehaald. Vervolgens heeft verdachte de inhoud van die tas gevonden, enige tijd onder zich gehouden en meegenomen naar Duitsland. Op grond hiervan acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich de goederen die zich in de tas van aangever [slachtoffer 1] bevonden, opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat verdachte niet de intentie had de goederen voor zichzelf te houden.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft verdachte verklaard dat hij één portemonnee heeft gevonden. Ook heeft hij verklaard dat hij niet weet hoe de derde portemonnee in de tas terecht is gekomen. De rechtbank acht deze laatste verklaring ongeloofwaardig. Nu verdachte hierover geen plausibele verklaring heeft afgelegd, neemt de rechtbank aan dat verdachte de derde portemonnee op zijn minst heeft gevonden. Ook deze portemonnees met inhoud heeft verdachte onder zich gehouden en meegenomen naar Duitsland. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering, hetgeen onder 2 primair en 3 primair ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

subsidiair

hij in de periode van 22 april 2018 tot en met 26 april 2018, te Groningen, in de gemeente Groningen, opzettelijk een portemonnee, een rijbewijs, twee pinpassen, een ov-chipkaart en een zorgverzekeringspas en huissleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerpen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

primair

hij in de periode van 1 tot en met 26 april 2018, te Groningen, in de gemeente Groningen, opzettelijk een portemonnee en een rijbewijs en een identiteitsbewijs en een pinpas en een ov-chipkaart en een zorgpas en een universiteitspas en andere pasjes, toebehorende aan [slachtoffer 2] en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerpen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

primair

hij in de periode van 19 april 2018 tot en met 26 april 2018, te Groningen, opzettelijk een

ID-kaart en een bankpas en een ov-jaarkaart en een collegekaart en een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 3] , en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerpen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair verduistering;

2. primair verduistering;

3. primair verduistering.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair,

2 primair en 3 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD) voor de duur van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dat verdachte baat heeft bij de ISD-maatregel. De raadsman heeft zich niet verzet tegen een duur van twee jaar. Verdachte heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij ISD voor de duur van één jaar genoeg vindt.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van diverse goederen, waaronder drie portemonnees met daarin onder andere rijbewijzen, bankpassen en OV-chipkaarten. Voor de eigenaren zijn dit zeer waardevolle documenten nu ze op elk gewenst moment beschikbaar moeten zijn voor gebruik. Deze vermogensdelicten veroorzaken financiële schade en overlast voor de eigenaren, die moeten zorgen voor onder andere nieuwe identiteitsbewijzen, rijbewijzen en bankpasjes.

Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juli 2018 blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld ter zake strafbare feiten, voornamelijk ter zake vermogensdelicten. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten in drie proeftijden liep.

Motivering van de maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel. Aan de eisen voor oplegging van de ISD-maatregel is dus voldaan.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door Reclassering Nederland in bovengenoemd voorlichtingsrapport d.d. 2 augustus 2018, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Uit rapporten die over verdachte zijn geschreven, komen -vanaf 2011- consequent dezelfde beschrijvingen over de problematiek van verdachte naar voren. Verdachte heeft geen of weinig probleembesef, -inzicht en copingvaardigheden. Hij is niet ontvankelijk voor ambulante begeleiding/behandeling en reclasseringstoezicht werd ontoereikend geacht. Verdachte is voortdurend dakloos, heeft vooral contact met een negatief sociaal netwerk en houdt zich niet aan opgelegde voorwaarden. Er is sprake van psychiatrische problematiek (schizofrenie), persoonlijkheidsproblematiek en verslavingsproblematiek.

De kans op recidive wordt ingeschat op hoog. In ambulant kader is de kans op onttrekking aan voorwaarden hoog. In klinisch kader kunnen de kansen op onttrekking worden verlaagd als daar forse sancties tegenover staan. Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De maatregel strekt er mede toe een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet aanleiding voor een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 245,01 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en heeft zich, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

1 subsidiair bewezen verklaarde, met uitzondering van de posten 'oordopjes', 'tas' en 'powerbank'. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 132,45, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 april 2018. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet ontvankelijk is.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38s, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslist tot een beoordeling na één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 132,45 (zegge: honderdtweeëndertig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 132,45 (zegge: honderdtweeëndertig euro en vijfenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. M.R.M. Beaumont, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2018.