Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3317

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2018
Datum publicatie
20-08-2018
Zaaknummer
96/004369-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd en eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Daarnaast wordt verdachte voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 10 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 285
Wegenverkeerswet 1994 5
Wegenverkeerswet 1994 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 96/004369-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 23 december 2017, in Veendam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 2] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 5] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Ford Fiesta) met (hoge) snelheid op voornoemde perso(o)n(en) is ingereden en/of in zijn/haar/hun richting is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.


hij op of omstreeks 23 december 2017, in Veendam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 2] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 5] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen en aldaar met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Ford Fiesta) met (hoge) snelheid op voornoemde perso(o)n(en) ingereden en/of in zijn/haar/hun richting gereden;

3.


hij op of omstreeks 23 december 2017, in Veendam, althans in Nederland, opzettelijk (een) perso(o)n(en), te weten [slachtoffer 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 3] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en/of [slachtoffer 5] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland, in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde perso(o)n(en) de woorden "kankerlijers" en/of "vieze flikkers" en/of "mongolen" toe te voegen, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.


hij op of omstreeks 23 december 2017 te Veendam, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto Ford Fiesta met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam] , althans een weg, heeft gereden
- tot zeer dichtbij een of meer personen te voet, te weten [slachtoffer 1] , en/of [slachtoffer 2] , en/of [slachtoffer 3] , en/of [slachtoffer 4] , en/of [slachtoffer 5] en/of
- in de richting van een of meer personen te voet, te weten [slachtoffer 1] , en/of [slachtoffer 2] , en/of [slachtoffer 3] , en/of [slachtoffer 4] , en/of [slachtoffer 5]
terwijl hij zijn voertuig op onvoldoende afstand hield tot die personen door welk gedrag gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 (bedreiging met zware mishandeling), 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. Zij heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 aangevoerd dat geen sprake is van opzettelijk handelen. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte met zijn voertuig onvoldoende afstand tot de agenten heeft gehouden. Uit hun verklaringen wordt niet duidelijk waar de agenten zich bevonden. Er is geen situatieschets bijgevoegd waarop hun positie is gemarkeerd en geen van de agenten heeft verklaard dat hij of zij opzij heeft moeten springen om een aanrijding te voorkomen. Afgaande op de verklaringen van verdachte en de getuige [getuige] bevonden de agenten zich op ruime afstand van het voertuig van verdachte toen hij in een drietal fasen de inrit opreed.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Verdachte heeft ontkend dat zijn opzet gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de verbalisanten. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken in het dossier ook niet volgt dat er een reële kans bestond dat de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen, waarbij de rechtbank -alle verklaringen naast elkaar gelegd- zich heeft beperkt tot het moment waarop verdachte met horten en stoten met de voorkant van zijn auto in de richting van de verbalisanten is gereden en voor getuige [getuige] stil is blijven staan. Uit het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt waar de verbalisanten zich exact bevonden op het moment dat verdachte de inrit opreed en met welke snelheid verdachte op dat moment reed.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 december 2017, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018014019 d.d. 16 januari 2018, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 1] 1:

Ik doe aangifte van bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie.

Op 23 december 2017 was ik bezig met de noodhulpsurveillance. Ik was in uniform gekleed. Ik was gekleed in het dagelijks tenue voorzien van blauwe jas met gele reflecterende striping. Omstreeks 23.10 uur bevond ik mij voor de woning [straatnaam] te Veendam. Ik hoorde en zag een personenauto met een hoge snelheid aan komen rijden. Het betrof een blauwe Ford Fiesta. Er kwam een man vanaf bestuurderszijde uit de auto. Ik stond op dat moment met collega's [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] op de oprit. Ik hoorde de man zeggen: "Jullie kankerpolitie hebben hier niets te zoeken, ik wil naar [naam 1] toe". Ik hoorde hem zeggen: "Jullie homo's moeten mij niet vastpakken". Ik hoorde de man zeggen: "Ik kijk wel door het raam, stelletje mongolen, homo's". Ik zag dat collega's [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] de man tegenhielden. Ik hoorde de man zeggen: "Jullie kankerpolitie, wacht maar, jullie weten toch wel wie ik ben, ik ga naar binnen". De man liep weer naar zijn personenauto. De man reed weg en ik hoorde dat het toerental van de personenauto hoog was. De personenauto reed eerst achteruit en vervolgens vooruit in de richting van de oprit van de woning van de [straatnaam] . Hij reed eerst richting een geparkeerd dienstvoertuig, nog een keer achteruit en ik zag en hoorde dat hij veel gas gaf en snel op ons inreed. Ik stond op dat moment samen met collega [slachtoffer 2] op deze oprit. Het voertuig was aan het draaien voor de oprit op de weg. De weg is daar ongeveer 3 meter breed en ik stond met collega [slachtoffer 2] ongeveer 1,5 meter op de oprit van de woning [straatnaam] . Ik deed voor de zekerheid een stap opzij. Collega [slachtoffer 2] deed ook een stap opzij en duwde mij richting een hek tussen de woningen. Ik zag dat de personenauto maar een klein stukje de oprit opreed en daarna stopte. Dus hij reed wel op ons in, maar stopte op zo'n 1,5 tot 2 meter afstand. De personenauto reed opeens weer achteruit. Ik zag dat de personenauto achteruit op de oprit aan de overzijde van de straat werd geparkeerd. Ik hoorde dat er steeds gas werd gegeven. Ik hoorde dat hij steeds het gas vol open en dan weer dicht deed. Ik zag ook dat een aantal malen de koppeling los werd gelaten. Ik zag dat de personenauto schokkend naar voren kwam. Ik schat dat er tussen mij en de personenauto tussen de 4 à 5 meter zaten. Ik was op dat moment bang dat de personenauto op mij en mijn collega's in kwam rijden. Ik heb mij gepositioneerd in de voortuin van de woning [straatnaam] . Hiervoor stond namelijk een dienstvoertuig gedeeltelijk voor geparkeerd. Ik heb bewust gekozen om achter dit voertuig te gaan staan. Ik was mij er zeer van bewust dat er nog steeds een mogelijkheid voor de man was om via de voortuin op ons in te rijden. Ik kon echter elders niet een nog veiliger plek vinden.

Ik had op dat moment mijn hand op mijn vuurwapen en had mijn holster los. Ik was op dat moment namelijk er van overtuigd dat er een situatie zou ontstaan waarop dat ik mijn vuurwapen moest gebruiken. Bij mij bestond de stellige indruk dat die bestuurder zijn auto als geweldsmiddel tegen mij of mijn collega's zou blijven inzetten tot hij zijn doel had bereikt.

Ik zag dat de personenauto toen naar voren reed in de richting van de oprit van de woning [straatnaam] . Eén van de familieleden van de overledene ging midden op de oprit staan op het moment dat de auto begon te rijden. De personenauto kwam voor dit familielid tot stilstand. Ik heb de overtuiging dat de man anders op mij en mijn collega's was ingereden. Wij stonden schuin naast deze man, maar deze man voorkwam hiermee dat de bestuurder onze richting op kon sturen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 december 2017, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]2:

Op 23 december 2017 was ik als dienstdoende operationeel coördinator en tevens hulpofficier van Justitie werkzaam. Ik ben ter plaatse gegaan naar het adres [straatnaam] te Veendam. Omstreeks 23.10 uur zag en hoorde ik een blauwe auto, vermoedelijk een Ford Fiesta, met hoge snelheid de straat in rijden. Ik zag toen een manspersoon (na later bleek te zijn verdachte [verdachte] ) opgewonden en geëmotioneerd uit deze auto stappen. Deze manspersoon begon naar ons te schreeuwen en schold ons uit voor onder andere kankerlijers, flikkers, kankerhomo's en mongolen. Ik hoorde hem zeggen: 'Jullie houden mij niet tegen, ik ga hoe dan ook naar binnen'. Ik hoorde de manspersoon nogmaals roepen dat wij kankerlijers waren en hij hoe dan ook naar binnen ging. De verdachte liep naar zijn auto en stapte in. Ik zag toen dat de verdachte met veel gas naar voren reed in de richting van de plek waar wij stonden. Ik had de indruk en overtuiging dat de verdachte op ons in wilde rijden. Ik zag dat hij stopte en daarna weer achteruit reed de oprit op van de woning tegenover de oprit van waar wij stonden aan de [straatnaam] te Veendam. Ik hoorde dat de verdachte veel gas gaf en dat de auto kort naar voren schoot. Ik was in de overtuiging dat de verdachte op ons in wilde rijden. Ik heb hierop ook de klip van mijn holster geopend in verband met de dreiging die ontstond. Ik stond toen op de oprit van het adres [straatnaam] . Ik voelde mij erg bedreigd en was in de overtuiging dat de verdachte op mij en mijn collega's met zijn voertuig daadwerkelijk in zou rijden en ik in een situatie terecht zou komen dat ik mijn vuurwapen daadwerkelijk zou moeten gebruiken. De verdachte gaf veel gas en hij bracht het voertuig daadwerkelijk in een voorwaartse beweging en reed op ons in. Ik ben toen direct schuin de tuin ingestapt en zag dat de verdachte de oprit waar wij stonden met veel snelheid opreed en ineens halverwege de oprit weer stopte. De verdachte reed weer achteruit richting de oprit van de woning tegenover het pand. Hij bleef daar staan en trapte dreigend het gas in. Op een gegeven moment reed hij weer naar voren. Hij reed richting een familielid van de overledene. Deze persoon stond op de oprit. De verdachte bracht de auto voor deze persoon tot stilstand.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 december 2017, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte van bedreiging en belediging van een politieambtenaar in functie.

Op zaterdag 23 december 2017 omstreeks 22.05 uur, was ik, agent van Politie Noord Nederland, in uniform gekleed. Ik was ter plaatse aan de [straatnaam] te Veendam. Ik bleef samen met mijn collega's [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] ter plaatse om de plaats delict te bewaken. Ook OPCO [slachtoffer 2] was ter plaatse voor ondersteuning. Ik zag op mijn telefoon die ik in mijn hand had, dat het ongeveer 23:10 uur was. Ik wilde de weg oversteken van de oprit tussen [nummer] en [nummer] . Ik zag dat er een blauwkleurige auto, Ford Fiesta, met hoge snelheid mijn richting op kwam rijden. Ik denk dat de auto zo'n 60 of 65 kilometer per uur reed. De toegestane snelheid was 30 kilometer per uur. De auto reed de oprit van [nummer] schuin op. Ik hoorde collega [slachtoffer 1] naar mij roepen dat ik moest oppassen omdat de auto recht op mij af kwam rijden. Ik kon net op tijd weg springen. Ik heb ongeveer drie passen naar achteren gedaan. Als ik was doorgelopen richting de weg, had de auto mij geraakt. Deze auto stopte met gierende banden op de oprit van de woning van [nummer] . Ik zag een manspersoon uit de auto stappen. De man liep in versnelde pas, luid schreeuwend richting collega's die op de oprit stonden, naar perceel 21. De manspersoon riep: "Laat mij er langs kankerlijers, gele flikkers, homo's". Hierop liep ik naar mijn collega's toe. Collega's [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] pakten de manspersoon vast. Ik hoorde dat de man riep: "Laat mij los, fucking kankerlijers, flikkers". Ik heb gezegd dat hij zich moest gedragen en rustig moest worden. Hierop zei de man: "Nee, dat wil ik niet kankerlijers." Hij ging hierbij voor mij staan en wees naar mij. De man zei: "Kankerlijer, ga aan het werk." Hij zei dit een paar keer. Hij zei dit ook tegen collega's die daar stonden, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . De man stapte in zijn auto. De man reed in de auto ongeveer 1,5 meter langs mij heen, hij reed recht op collega's [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] af. Ik zag dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar achteren liepen om de auto te ontwijken, de voortuin in van perceel 21. Ik zag dat even later, toen de auto de oprit van [nummer] achteruit was opgereden, [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [getuige] op de oprit stonden. Ik stond ook op de oprit, maar aan de zijde van [nummer] . Ik hoorde dat de man die de auto bestuurde een drietal malen zijn gas intrapte, dit klonk dreigend, en zag daarbij dat zijn auto naar voren reed. De auto gaf gas, kwam naar voren, en weer naar achter, gaf weer gas en kwam weer naar voren. Ik bemerkte dat ik een angstig gevoel kreeg en dat mijn hartslag in mijn keel klopte. Ik was door de uitspraken van de man alert geworden en was heel erg gefocust op de auto. Ik was bang dat hij op mij en op de andere collega's in wilde rijden om op die wijze de woning binnen te komen. Ik was ervan overtuigd dat de man dit zou doen. Ik was ervan overtuigd omdat de setting zo dreigend was. De auto met de man kwam weer op mij en mijn collega's af rijden en reed richting ons. Er werd flink gas gegeven met de auto. Ik stond op dat moment aan de linkerzijde van de oprit en aan de rechterzijde van mij stonden mijn collega's [slachtoffer 4] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5] op de oprit. Ik voelde mij op dat moment in mijn veiligheid kwetsbaar en bedreigd. Hierop anticiperend heb ik de clip van mijn holster open gemaakt omdat ik mijn veiligheid en die van mijn collega's op dat moment niet kon garanderen. Ik voelde me zo bedreigd dat ik dacht dat ik moest gaan schieten. Ik was er van overtuigd dat de man op mij/ons in zou rijden. Ik zag dat de manspersoon zijn auto stil hield op de oprit van perceel 21, op ongeveer een meter afstand van [getuige] en de andere collega's. Ik zag dat de afstand tussen de stilstaande auto en mij ongeveer vier meter was.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 december 2017, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland:

Ik doe aangifte van bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie. Op 23 december 2017 omstreeks 23.10 uur was ik samen met collega's [slachtoffer 2] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] nabij de inrit van de woning [straatnaam] in Veendam. Ik was in uniform gekleed en belast met noodhulp. Ik zag een personenauto een blauwe Ford Fiesta met zeer hoge snelheid de [straatnaam] in rijden in onze richting. De bestuurder bracht de auto tot stilstand op de inrit van de woning tegenover de woning waar de collega's stonden, [straatnaam] , sprong uit de auto sprong en rende in de richting van de inrit. Ik liep de inrit van genoemde woning op om bij de collega's [slachtoffer 1] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 2] te gaan staan omdat ik zag dat de collega's moeite hadden om de man tegen te houden. Ik hoorde dat hij in onze richting schreeuwde: "Kanker flikkers, kankerlijers met jullie gele hesjes. Jullie weten niet wie ik ben en ik ga hoe dan ook naar binnen." Die man liep vervolgens weg in de richting van de personenauto waarmee hij was gekomen en instapte op de bestuurders plaats. Hij startte de auto en reed achteruit. Direct hierna reed hij weer naar voren reed en stopte vlak voor ons. De afstand tussen mij en de auto was op dat moment ongeveer 1 meter. Ik was op dat moment een stukje opzij gestapt. Ik zag dat hij opnieuw de auto achteruit reed. De bestuurder ging staan op de inrit van de woning recht tegenover [straatnaam] . Ik hoorde de motor van genoemde auto. De man gaf enkele malen gas en ik voelde mij op dat moment zeer bedreigd door de man omdat ik het gevoel had dat hij met de auto op mij en mijn collega's zou inrijden. Ik had werkelijk het gevoel dat hij ieder moment met hoge snelheid in onze richting zou gaan rijden omdat hij had geroepen dat hij naar binnen wilde en wij hem niet konden tegenhouden. Ik had mijn hand op mijn vuurwapen en de klip van het holster geopend. Ik voelde mij op dat moment namelijk zeer bedreigd door de bestuurder in die auto. Ik had door de wijze waarop hij in zijn auto zat en kennelijk aanstalten maakte om vooruit te rijden werkelijk het gevoel dat hij op ons ging inrijden. Ik hoorde namelijk dat er gas gegeven werd door die bestuurder. De auto reed een stukje vooruit in onze richting, ongeveer 2 meter. Die bestuurder gaf opnieuw enkele malen gas zonder dat zijn auto in beweging kwam. Die man reed toen ineens weer vooruit, met hogere snelheid dan hij kort daarvoor had gedaan, in onze richting en stopte vlak voor ons.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 december 2017, opgenomen op pagina 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5]3:

Ik doe aangifte van bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie. Op 23 december 2017 was ik bezig met de noodhulp surveillance. Ik was in uniform gekleed. Ik ben naar de woning aan de [straatnaam] gegaan. Bij de woning aangekomen zag ik dat mijn collega's [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en Rozema bij de woning aanwezig waren. Volgens mij was het rond 23.00 uur dat de HOvJ [slachtoffer 2] ter plaatse kwam. Omstreeks 23.10 uur stond ik samen met mijn collega's [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de oprit van de woning aan de [straatnaam] . Ik zag dat een blauwe Ford Fiesta aan kwam rijden. Er werd plankgas met deze auto gereden. De portierdeur vloog open en er sprong direct een manspersoon uit. Hij schreeuwde: "Kanker homo's, gele flikkers" en nog wat woorden die ik vergeten ben. Hij zei onder andere: "Kanker homo's, gele flikkers, laat mij er langs, jullie moeten je werk doen." Hij schreeuwde meerdere malen: "Kanker homo's, gele flikkers, ik wil er langs." Hij zei: "Ik kom er wel langs. Als jullie mij er niet langs laten dan kom ik er wel op een andere manier langs." Hij draaide zich om. Hij zei op een zachte toon: "Wacht maar". Hij liep met grote passen naar zijn auto en ging in de auto zitten. Ik hoorde dat de auto gestart werd en zag dat deze auto, vol gas, een paar meter achteruit reed de weg op. De auto bleef een korte tijd op de weg stil staan terwijl de motor draaide. Vervolgens reed de auto vol gas naar voren. De auto stopte ter hoogte van de dienstauto. Ik zag dat de auto direct weer vol gas naar achteren reed, de oprit van [nummer] op. De auto stond met de achterzijde naar [nummer] stond en met zijn koplampen in mijn richting. De manspersoon gaf drie à vier maal vol gas terwijl hij op de oprit bleef staan met de koplampen aan in mijn richting. De auto stond op de oprit aan de overzijde van de weg. Ik zag dat de auto vol gas reed, stopte, dan weer gas gaf en dan weer stopte. Op dat moment deed ik mijn clip van mijn holster los en deed ik een paar passen naar rechts. Ik had mijn hand op mijn vuurwapen. Ik hoorde collega [slachtoffer 2] roepen: "Achter de dienstauto". De auto kwam vol gas in mijn richting en ik deed een paar passen opzij omdat ik oprecht het gevoel had dat deze manspersoon met zijn auto mij wilde overrijden. Zeker gezien de situatie die vooraf was geweest. Ik had nog steeds mijn hand op mijn vuurwapen. De auto stopte omdat [getuige] voor de auto stond. De auto stond binnen een meter van mij af. [getuige] stond op de oprit. De auto stond binnen een meter afstand van [getuige] stil. Ik stond om en nabij de plek waar [getuige] stond toen de auto de oprit op reed. Er was veel publiek aanwezig. Ik vond dat de uitspraken van de manspersoon wel beledigend waren.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van invordering rijbewijs

d.d. 27 december 2017, opgenomen op pagina 98 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 27 december 2017 is van [verdachte] ingevorderd het op zijn naam staand rijbewijs. De vordering werd gedaan naar aanleiding van de overtreding(en) gepleegd met een motorrijtuig, Ford voorzien van het kenteken [kenteken] op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straatnaam] te Veendam.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2017, opgenomen op pagina 39 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Wij brachten verdachte over van de plaats aanhouding naar het politiebureau. Tijdens deze rit hoorden wij verbalisanten verdachte uit eigen beweging vertellen: "Ik wilde met mijn auto in de richting van de politie rijden zodat zij opzij zouden springen, zodat ik vervolgens snel de woning in kon rennen om afscheid te kunnen nemen van [naam 1] ."

8. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 december 2017, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben in de auto, een blauwe Ford Fiesta, naar [naam 1] gegaan. Het was in de avond. [naam 1] woont in Veendam. Ik wilde naar [naam 1] toe en ik zag alleen maar mensen in pakken, agenten. De politieagenten, meer dan twee, stonden verdeeld over de oprit. 'Opgekankerd gele flikkers' zou best uit frustratie gezegd zijn door mij. Ik ben in de auto gestapt. De politieagenten gingen aan de kant. Ik ben er gewoon op afgereden. Ik weet nog wel dat ik met kanker gescholden heb.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel degelijk de intentie had om de verbalisanten vrees aan te jagen. Hij wilde afdwingen dat zij aan de kant zouden gaan, zodat hij, verdachte, de woning van zijn overleden vriend kon betreden. De betrokken verbalisanten hebben ook uiteengezet dat zij werkelijk vreesden dat verdachte met zijn auto op hen in zou rijden. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, het onder 2 ten laste gelegde. Gelet op de wijze waarop verdachte op de verbalisanten is afgereden, acht de rechtbank bedreiging met de dood niet bewezen.

De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte de verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft beledigd door hen de woorden 'kankerlijers', 'vieze flikkers' en 'mongolen' toe te voegen, zoals onder 3 is ten laste gelegd. Verdachte heeft dit opzettelijk gedaan, nu niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich van het beledigende karakter van de door hem gebezigde woorden niet voldoende bewust is geweest.

Met betrekking tot feit 4 acht de rechtbank op grond van de aangiftes bewezen dat verdachte met zijn auto 1 tot 2 meter van de verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] tot stilstand is gekomen en dat verdachte met een afstand van 1 tot 2 meter in de richting van de verbalisanten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] is gereden. Daarmee heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.


hij op 23 december 2017 in Veendam, [slachtoffer 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 2] , inspecteur van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 3] , agent van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 5] , adspirant van politie Eenheid Noord-Nederland, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen en aldaar met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Ford Fiesta) met (hoge) snelheid in voornoemde personen hun richting gereden;

3.


hij op 23 december 2017 in Veendam opzettelijk [slachtoffer 1] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 3] , agent van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 4] , brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland en [slachtoffer 5] , adspirant van politie Eenheid Noord-Nederland, in het openbaar mondeling heeft beledigd, door voornoemde personen de woorden "kankerlijers" en/of "vieze flikkers" en/of "mongolen" toe te voegen, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

4.


hij op 23 december 2017 te Veendam, als bestuurder van een voertuig (personenauto Ford Fiesta met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam] heeft gereden
- tot dichtbij personen te voet, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en
- in de richting van personen te voet, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ,
terwijl hij zijn voertuig op onvoldoende afstand hield tot die personen door welk gedrag gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verbalisanten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] in te tenlastelegging ten onrechte als brigadier zijn aangeduid. De rechtbank heeft dit in de bewezenverklaring ambtshalve gecorrigeerd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

3. eenvoudige belediging aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd;

4. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is geweest van overmacht. De omstandigheid die de van buiten komende drang oplevert is het onverwachte overlijden van [naam 1] met wie verdachte zo'n hechte band had dat hij hem zag als een tweede vader. De wijze en het tijdstip waarop verdachte daar kennis van kreeg, hebben meegespeeld. Voortgedreven door ongeloof en de wens om [naam 1] te zien, gecombineerd met zijn persoonskenmerken en psychische problematiek, is er sprake geweest van een uitbarsting van onbeheerst verdriet en frustratie. Verdachte is niet gelijk te stellen met de gemiddelde mens. Daarom behoren de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voor hem lager te liggen. De druk waaronder verdachte stond was groter dan het geschonden belang. Door de van buiten komende drang kon en hoefde redelijkerwijs en menselijkerwijs niet van verdachte gevergd te worden dat hij anders handelde dan hij gedaan heeft.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overmacht. Van een ongewone psychische toestand was geen sprake, noch van een situatie dat verdachte geen contact meer had met de realiteit.

Oordeel van de rechtbank

Van overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. De wetgever doelt daarbij op een netelige situatie waarin iemand geraakt en die veroorzaakt is door uitwendige omstandigheden en waaruit men zich vervolgens redt door het plegen van een strafbaar feit.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de dood van een dierbaar iemand niet dat sprake is van een dergelijke uitwendige omstandigheid. De persoonlijkheid van verdachte doet daaraan niet af. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op overmacht.

De rechtbank acht verdachte dan ook strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast en gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en ter zake van het onder 4 ten laste gelegde tot een geheel voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een voorwaardelijke werkstraf, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, nu verdachte geen strafblad heeft en het recidiverisico laag is. Er is geen reden een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen, nu er reeds een gedegen onderzoek van het CBR is geweest waarbij verdachte is onderworpen aan een onderzoek door een psychiater en psycholoog. Op grond van dit onderzoek door het CBR is verdachte geschikt bevonden voor het besturen van motorvoertuigen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van vijf politieambtenaren door met een auto in hun richting te rijden. Verdachte heeft door zijn handelen deze agenten angst aangejaagd. Meerdere agenten hebben verklaard dat zij zich zodanig bedreigd voelden dat zij hun dienstwapen gereed hielden om te gebruiken.

Daarnaast heeft verdachte op de bewezen verklaarde wijze vier politieagenten beledigd. Deze beledigingen vonden plaats in bijzijn van omwonenden en belangstellenden. Zodoende heeft hij deze agenten in hun eer en goede naam aangetast en ervan blijk gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten -in het belang van de openbare orde- kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen vanuit het publiek.

Tot slot heeft verdachte gevaar op de weg veroorzaakt door met zijn auto onvoldoende afstand tot vijf politieagenten te houden.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het reclasseringsrapport d.d. 2 augustus 2018, waaruit naar voren komt dat verdachte de nodige persoonlijke problemen en een hulpverleningsgeschiedenis heeft. Zijn strafbaar handelen staat in relatie tot deze problematiek welke zich onder andere uit in het onvermogen zijn emoties te reguleren en een gebrek aan vaardigheden. Er is sprake van stabiele factoren zoals een woonruimte, dagbesteding, inkomen, een klein sociaal steunend netwerk en vrijwillige hulpverlening. De reclassering schat de kans op herhaling laag, omdat het ten laste gelegde plaatsvond onder bijzondere omstandigheden. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen.

Uit de justitiële documentatie blijkt niet van eerdere strafbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank acht met name de bedreiging dusdanig ernstig dat een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsvrouw bepleit, niet aan de orde is. Gelet op het lage recidiverisico, ziet de rechtbank geen aanleiding om een deels voorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Daarnaast is verdachte door een beslissing van het CBR zijn rijbewijs reeds geruime tijd kwijt geweest. Gelet op de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, rekening houdende met de financiële omstandigheden van verdachte en met de situatie waarin hij zich ten tijde van de ten laste gelegde feiten bevond, voorgesteld de hoogte van de vorderingen te matigen tot € 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de vordering van [slachtoffer 3] niet kan worden toegewezen, omdat een machtiging ontbreekt. Ten aanzien van de hoogte van de toe te wijzen bedragen, heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de rechtbank de hoogte van de vorderingen kan matigen en dat de officier van justitie de gronden voor een matiging goed heeft uiteengezet.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen hebben [naam 2] gemachtigd de vorderingen namens hen in te dienen. De vier schadevergoedingsformulieren zijn gelijktijdig ingediend. Bij het formulier van [slachtoffer 3] ontbreekt echter de schriftelijke machtiging. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken genoegzaam kan worden afgeleid dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] , [naam 2] heeft gemachtigd om namens haar de vordering in te dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder

2 en 3 bewezen verklaarde. De rechtbank ziet aanleiding de hoogte van de schade te matigen en zal het bedrag naar billijkheid vaststellen op € 100,00. De rechtbank zal telkens de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 december 2017, en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 62, 77c, 77m, 77n, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

ten aanzien van de feiten 2 en 3:

een werkstraf voor de duur van 60 uren. De werkstraf moet binnen 6 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

ten aanzien van feit 4:

een werkstraf voor de duur van 10 uren. De werkstraf moet binnen 6 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast.

ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 december 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. M.R.M. Beaumont, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2018.

1 uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2017, pagina 34 e.v. van het dossier, blijkt dat aangeefster brigadier van politie Eenheid Noord-Nederland is

2 uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2017, pagina 29 e.v. van het dossier, blijkt dat aangever inspecteur van politie Eenheid Noord-Nederland is

3 uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 december 2017, pagina 26 e.v. van het dossier, blijkt dat aangever adspirant van politie Eenheid Noord-Nederland is