Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3281

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-08-2018
Datum publicatie
15-08-2018
Zaaknummer
K4303 7049373 \ CV EXPL 18-5451
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

functieschaalindeling, doorbetaling loon bij ziekte, artikel 67 cao voor de Metaal & Techniek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0975
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 7049373 \ CV EXPL 18-5451

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 15 augustus 2018

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. D.J. Bomhof,

tegen

[B] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- producties aan de zijde van [A]

- de brief met vermindering van eis en overlegging productie van [A]

- het antwoord met producties van [B]

- de brief met producties van [A]

- de mondelinge behandeling

- de ter zitting overgelegde producties van [B]

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

[A] is op basis van een arbeidsovereenkomst ingaande 1 april 2007 bij [B] als werknemer in dienst getreden, aanvankelijk voor de duur van een jaar. Het aanvangssalaris bedroeg volgens de schriftelijke arbeidsovereenkomst € 1.568,90 bruto per maand op voltijdsbasis. [A] werkte 24 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Metaal & Techniek (hierna: de cao), in de schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen partijen nog aangeduid als de cao Kleinmetaal, van toepassing.

2.2.

[B] exploiteert een groothandel in autosloopmaterialen en handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's. [A] verricht onder meer autosloop- en -demontagewerkzaamheden.

2.3.

[A] is op 19 augustus 2016 na een hartinfarct ziek uitgevallen. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat [A] zijn eigen werk niet meer kan uitvoeren en dat arbeidskundig onderzoek nodig is, waarna begeleiding naar passend werk kan volgen.

2.4.

Bij rapport van arbeidskundig onderzoek van 26 juni 2018 heeft arbeidsdeskundige G. Wijnja geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van [B] onvoldoende zijn en dat hij het loon maximaal 52 weken moet doorbetalen. Bij brief van 28 juni 2018 heeft het UWV als volgt aan [A] bericht:

"U heeft bij ons op 28 mei 2018 een WIA-uitkering aangevraagd. Wij hebben beoordeeld of uw werkgever alle verplichtingen is nagekomen voor uw re-integratie. Wij vinden dat hij dit niet heeft gedaan.

Daarom hebben wij de periode waarin u tijdens ziekte recht heeft op loon, verlengd tot 16 augustus 2019. (…)."

[B] heeft bij brief van 28 juni 2018 een soortgelijke beslissing van het UWV ontvangen.

2.5.

[B] heeft [A] tot en met december 2017 maandelijks bruto € 1.100,20 (netto € 944,18), (volgens loonstroken op basis van een voltijdsloon van € 1.833,66) betaald. In januari 2018 heeft [B] [A] te kennen gegeven dat hij vanaf dat moment nog maar 90% van het loon zou betalen. Huizinga heeft de loonbetaling vervolgens vanaf februari 2018 tijdelijk gestaakt.

2.6.

De gemachtigde van [A] heeft [B] bij brief van 17 mei 2018 aangeschreven en tot doorbetaling van loon gesommeerd. [B] heeft hierna enige loonbetalingen verricht.

[A] heeft na 1 januari 2018 de navolgende (netto) betalingen (met de daarbij gegeven omschrijvingen en de brutobedragen volgens de door [B] ter zitting overgelegde loonstroken) ontvangen:

24 februari: € 1.000,-- (loon december)

29 maart: € 888,36 (loon januari)

29 mei: € 855,18 (bruto € 1.001,57), (loon maart), € 563,44, (bruto € 601,50), (loon
april) en € 563,44 (bruto 601,50), (loon mei)

18 juni: € 505,-- (bruto € 551,85) (vakantiegeld 2018)

2 juli: € 855,18 (bruto € 1.001,57), (loon februari)

25 juli: € 896,69 (bruto € 1.054,28), (loon juni).

2.7.

Artikel 67 cao luidt, voor zover voor deze procedure van belang:

"Artikel 67 Aanvulling van salaris

1. a. De werkgever is bij gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de werknemer gedurende een tijdvak van maximaal 24 maanden gehouden het salaris aan de werknemer door te betalen dat de werknemer bij arbeidsgeschiktheid zou hebben verdiend, waarbij geldt dat gedurende de eerste zes maanden 100% van dat salaris wordt doorbetaald en gedurende de volgende 18 maanden 90% van dat salaris wordt doorbetaald.

b. In afwijking van het in lid 1 sub a gestelde wordt aan de werknemer die het werk gedeeltelijk dan wel op arbeidstherapeutische basis hervat gedurende de in lid 1 sub a bedoelde periode van maximaal 24 maanden tijdens die periode van werkhervatting 100% van het salaris door de werkgever doorbetaald dat de werknemer bij arbeidsgeschiktheid zou hebben verdiend.

c. In afwijking van het in lid 1 sub a gestelde wordt aan de werknemer waarvan is vastgesteld dat die geen kans op herstel heeft en niet beschikt over een resterende verdiencapaciteit gedurende de in lid 1 sub a bedoelde periode van maximaal 24 maanden 100% van het salaris door de werkgever doorbetaald dat de werknemer bij arbeidsgeschiktheid zou hebben verdiend.
(…)"

De vordering

3.1

[A] vordert, verkort weergeven, na vermindering van eis, betaling door [B] van:

- bruto € 8.458,11 vanwege achterstallig loon over de periode van 1 januari 2018 tot en met

30 juni 2018, verminderd met het bruto equivalent van het netto reeds betaalde bedrag van

€ 4.678,29,

- bruto € 1.344,30 vanwege vakantiebijslag over de periode van 1 mei 2017 tot en met 30

april 2018, verminderd met het bruto equivalent van het netto reeds betaalde bedrag van
€ 505,--,

- bruto € 1.434,32 per maand, ter zake van loon voor elke maand na 30 juni 2018,

- de wettelijke verhoging over het achterstallig loon en vakantiebijslag,

- de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot de dag der algehele voldoening over het
achterstallig loon en vakantiebijslag en over de wettelijke verhoging,

- € 650,79 vanwege buitengerechtelijke incassokosten

- de proceskosten.

Verder vordert [A] afgifte door [B] van correcte salarisspecificaties, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het verweer

4.1.

[B] voert verweer.

De beoordeling

5.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het gaat in deze procedure met name over de vordering tot betaling van achterstallig loon en de doorlopende loonbetalingsverplichting van [B] ten opzichte van [A] . [A] stelt zich op het standpunt dat [B] hem te weinig loon betaalt en heeft betaald en hij heeft zich daarbij gebaseerd op zowel een doorlopende, onverkorte loonbetalingsverplichting bij arbeidsongeschiktheid als op betaling op grond van indeling in de juiste functieschaal en loongroep volgens de cao.

5.2.

Om met dit laatste te beginnen. [A] stelt dat hij gedurende langere tijd door [B] is onderbetaald. Volgens [A] dient hij gelet op zijn werkzaamheden in minimaal functiegroep 5 van de cao de worden geplaatst, waarbij hij met inachtneming van zijn deeltijdfactor momenteel een bruto maandloon van € 1.409,68 zou moeten ontvangen.

[B] heeft dit betwist, onder meer door te wijzen op hetgeen partijen zijn overeengekomen en met de stellingname dat hij [A] indertijd met subsidie heeft aangenomen, dat [A] geen papieren heeft en dat [A] slechts eenvoudige werkzaamheden verrichte en niet zelfstandig werkte.

5.3.

De procedure in kort geding is bedoeld om een voorlopig oordeel te krijgen in situaties waarbij een spoedeisend belang is. De loonvordering van [A] voor zover daaraan de indeling in functiegroep 5 van de cao ten grondslag ligt betreft naar het oordeel van de kantonrechter het vragen om een declaratoire voorziening, waarbij de rechtstoestand tussen [A] en [B] wordt vastgesteld, en die vordering verdraagt zich niet met een voorlopige voorziening. De discussie omtrent de functiegroepindeling zal in een bodemprocedure moeten worden gevoerd. In zoverre is de vordering van [A] niet toewijsbaar. De kantonrechter voegt daar aan toe dat de volgens [A] onjuiste salarisindeling kennelijk al jarenlang bestaat, zodat er op zijn minst twijfels kunnen zijn over het spoedeisend belang van de door [A] gevorderde vaststelling.

5.4.

Het hiervoor overwogene geldt niet met betrekking tot de reguliere loonbetalingsverplichting van [B] ten opzichte van [A] in de huidige, gegeven situatie en de daarop door [B] toegepaste verrekening. De kantonrechter oordeelt daarover als volgt.

[A] heeft met een beroep op artikel 67 cao gesteld dat [B] het loon tijdens arbeidsongeschiktheid moet doorbetalen. [B] heeft daar tegenovergesteld dat hij [A] gedurende 18 maanden voor 100% heeft doorbetaald en dat dit volgens zijn boekhouder niet had gehoeven. [B] stelt dat hij [A] aldus teveel loon heeft betaald en dat hij dit kon verrekenen.

5.5.

De loonbetalingsverplichting tijdens arbeidsongeschiktheid door ziekte is geregeld in artikel 7:629 Burgerlijk Wetboek (BW). Het komt er kort gezegd op neer dat de werknemer tijdens ziekte de eerste 104 weken aanspraak houdt op 70% van het loon en de eerste 52 weken in elk geval het minimumloon moet ontvangen. Indien door het UWV aan de werkgever een loonsanctie is opgelegd, wordt volgens artikel 7:629 lid 11 BW de periode van 104 weken verlengd. Bij cao kan een andere, voor de werknemer gunstiger, regeling worden getroffen, zoals in het onderhavige geval in artikel 67 cao. Bij de beoordeling van de vordering van [A] zal moeten worden uitgegaan van het bepaalde in artikel 67 cao.

5.6.

Uit de tekst van artikel 67 cao kan de kantonrechter niet anders afleiden dan dat er de eerste zes maanden van de ziekte periode 100% loon moet worden betaald en de volgende 18 maanden 90%. Van de in artikel 67 lid 1 onder b of c cao omschreven situaties is niet gebleken. Omtrent (aanvullende) loonbetaling tijdens de periode van loonsanctie is in artikel 67 cao, en in het daarop volgende artikel 67a over re-integratie, niets geregeld.

De kantonrechter begrijpt verder dat [A] voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 16 augustus 2016 bruto per maand € 1.100,20 ontving en dat [B] dit bedrag tot 1 januari 2018 heeft betaald. In augustus 2017 bedroeg volgens een door [A] overgelegde loonstrook het netto equivalent hiervan € 944,18.

Uit het voorgaande volgt naar het (voorlopig) oordeel van de kantonrechter dat [B] hiermee tot 1 januari 2018 (ruimschoots) aan de hem in artikel 67 cao opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan, daarbij uitgaande van het hiervoor genoemde bruto maandloon.

5.7.

De beslissing van [B] om te stoppen met de betaling van de aanvulling tot 100% en de directe effectuering daarvan is door [A] als zodanig, afgezien van zijn algemene beroep op artikel 67 cao, niet aangevochten en de kantonrechter zal daaromtrent niet oordelen.

Met het tijdelijk volledig staken van loonbetaling, naar de kantonrechter begrijpt in afwachting van herberekening door zijn boekhouder, heeft [B] de op hem rustende loonbetalingsverplichting geschonden, maar na aanschrijving door [A] is hij tot nabetaling overgegaan.

Voor zover [B] stelt dat hij (tot 1 januari 2018) aan [A] teveel heeft betaald en dat hij dit teveel betaalde kan verrekenen, volgt de kantonrechter hem niet. Het stond hem vrij om meer te betalen dan het in artikel 67 cao genoemde percentage en het achteraf zonder meer verrekenen van dat meer betaalde is naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de regels van goed werkgeverschap.

5.8.

Waartoe leiden de voorgaande overwegingen? Het voorlopig oordeel van de kantonrechter is dat [B] op grond van het bepaalde in artikel 67 cao vanaf 1 januari 2018 kan volstaan met betaling van 90% van het loon.

Volgens een door [B] nog overgelegde berekening van zijn boekhouder bedraagt het maandloon op die basis bruto € 1.054,28 (netto € 896,69). De boekhouder is hierbij uitgegaan van een volledig voltijds loon van bruto € 1.854,75 en een deeltijdfactor van 63,15% (24/38), waarvan 90% (= 56,84%). Deze berekening, die door [A] niet is weersproken, komt de kantonrechter niet onjuist voor.

Over de periode van 1 januari 2018 tot 1 juli 2018 dient [B] op basis van deze berekening € 6.325,68 (6 x € 1.054,28) bruto, € 5.380,14 (6 x € 896,69) netto te hebben betaald.

Uit het door [A] overgelegde betalingsoverzicht (2.6 hiervoor) volgt dat er over de maanden januari tot en met juni 2018 is betaald een netto bedrag van € 4.622,29.

Aldus is er netto € 757,85 te weinig betaald en dat bedrag, althans het bruto equivalent daarvan, zal worden toegewezen vanwege achterstallig salaris over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018.

5.9.

[A] heeft verder een aanvullend bedrag aan vakantietoeslag over de periode van 1 mei 2017 tot 1 mei 2018 gevorderd. De kantonrechter berekent de aanspraak van [A] op vakantietoeslag over deze periode op € 1.041,50 (8% x (8 x € 1.100,20) + (4 x

€ 1.054,28)). Blijkens een door [B] overgelegde loonstrook is door hem bruto

€ 551,85 (netto € 505,--) betaald, zodat resteert een bedrag van bruto € 489,65. Dit bedrag zal worden toegewezen.

5.10.

De gevorderde wettelijke verhoging vanwege te laat betaald salaris krachtens artikel 7:625 BW over de toe te wijzen bedragen aan achterstallig salaris en achterstallige vakantiebijslag zal worden toegewezen, waarbij de kantonrechter de toe te wijzen verhoging zal beperken tot 10%.

5.11.

De wettelijke rente over de hiervoor genoemde, toe te wijzen bedragen zal worden toegewezen vanaf 8 juli 2018, datum dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening.

5.12.

De door [A] verder nog gevorderde betaling van bruto € 1.434,32 per maand voor elke maand na 30 juni 2018 is gebaseerd op de door [A] gestelde cao-salarisgroepindelingen en zal, gelet op hetgeen onder 5.3. hiervoor is overwogen, worden afgewezen. De kantonrechter volstaat met de vaststelling dat de periode van de eerste 24 maanden arbeidsongeschiktheid van [A] per 16 augustus 2018 eindigt en dat aan [B] een verlengde loonbetalingsverplichting is opgelegd. [B] zal op basis van die feiten op grond van cao dan wel wet loon aan [A] moeten betalen.

5.13.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet betwist en zullen worden toegewezen op basis van (15% van) de toe te wijzen bedragen aan loon en vakantietoeslag, een bedrag groot € 187,13.

5.14.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:626 BW moet de werkgever salarisbetaling vergezeld doen gaan van een salarisspecificatie en de gevorderde afgifte daarvan zal worden toegewezen voor wat betreft de te verrichten nabetaling. [B] heeft ter zitting salarisspecificaties overhandigd ten aanzien van de door hem inmiddels verrichte betalingen, en heeft in zoverre aan het gevorderde voldaan. De kantonrechter ziet daarom thans geen grondslag om aan dit deel van de veroordeling een dwangsom te verbinden en zal dat deel van de vordering afwijzen.

5.15.

[B] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 98,01

- griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 777,01.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

6.1.

veroordeelt [B] om aan [A] te betalen:

- het bruto equivalent van netto € 757,85 vanwege achterstallig salaris over de periode van
1 januari 2018 tot en met 30 juni 2018,

- bruto € 489,65 vanwege achterstallige vakantietoeslag,

- een bedrag vanwege wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW ter grootte van
10% van de hiervoor genoemde bedragen aan achterstallig salaris en vakantietoeslag,

- de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf datum dagvaarding,
8 juli 2018, tot aan de dag der algehele voldoening,

- een bedrag van € 187,13 vanwege buitengerechtelijke incassokosten;

6.2.

veroordeelt [B] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een correcte salarisspecificatie te verstrekken met betrekking tot de hiervoor toegewezen bedragen aan achterstallig salaris en vakantietoeslag;

6.3.

veroordeelt [B] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op € 777,01;

6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A. van der Meer, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 augustus 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 324