Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3271

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
14-08-2018
Zaaknummer
LEE 17/3666
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Plaatsing in functie in nieuwe formatie als functievolger. Bij de functievergelijking is op juiste wijze toepassing gegeven aan de plaatsingsregels, waarbij gebruik is gemaakt van het zogeheten HRM-instrument persoonsgebonden formatie. Niet in te zien valt dat verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de functie toe te voegen in het team van herkomst in de vorm van een persoonsgebonden formatie. Verweerder heeft daarbij acht mogen slaan op het dienstbelang, die gelegen is in het voorkomen van verlies van capaciteit en kwaliteit in de oorspronkelijke eenheid. Bij een reorganisatie geldt als uitgangspunt dat iedereen zoveel mogelijk zijn eigen werk volgt en dat geen recht bestaat op plaatsing in een hogere functie. De Commissie Functievergelijking hoefde niet worden ingeschakeld, omdat de functie van eiseres terugkomt in het eigen team. Verweerder heeft eiseres niet hoeven aanmerken als herplaatsingskandidaat, reeds omdat eiseres terecht als functievolger is aangemerkt. Verweerder is gevolgd in zijn standpunt dat horizontale plaatsing van eiseres in haar functie niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v van het Barp. Van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule, bestaat geen aanleiding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3666

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.J. Dammingh),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. de Wit).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van

1 juli 2016 als functievolger geplaatst in de functie van [naam functie] , gewaardeerd op salarisschaal 12 in de formatie van de [naam eenheid 2] , met als plaats van tewerkstelling [plaatsnaam]

Bij besluit van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 mei 2018 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat in ieder geval de bekendmaking van het bestreden besluit en de ontvankelijkheid van het beroep op de zitting aan de orde zullen komen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

In het overgangsbesluit LFNP van 16 december 2013 heeft verweerder de LFNP-functie van eiseres per 1 januari 2012 vastgesteld op [naam functie] , gewaardeerd op schaal 12. Dit besluit staat in rechte vast.

1.2.

Verweerder heeft eiseres bij brief van 27 november 2014 erover geïnformeerd dat haar werk terugkomt in de nieuwe politieorganisatie en dat zij dus mogelijk functievolger is. Naar verwachting zal zij worden geplaatst bij Staf, Politieprofessie, team Politieprofessie van de [naam eenheid] , in de functie van [naam functie] , gewaardeerd op schaal 12. Haar werkplek wordt naar verwachting [straatnaam] 12 te Groningen.

1.3.

Eiseres heeft in een belangstellingsregistratie haar voorkeur uitgesproken voor de [functienaam] , gewaardeerd op salarisschaal 13, in de [naam eenheid] met Groningen als plaats van tewerkstelling.

1.4.

De plaatsingsadviescommissie (PAC) heeft in haar advies van 2 november 2015 verweerder geadviseerd om eiseres te plaatsen in de functie van [naam functie] , schaal 12, met Amsterdam als plaats van tewerkstelling. De PAC heeft daarbij als toelichting gegeven dat zij eerst naar de herplaatsingskandidaten heeft gekeken die nog geen functie hebben, omdat eiseres al een vergelijkbare of uitwisselbare functie toebedeeld heeft gekregen. Verder heeft de PAC geen aanleiding gezien de optie van eiseres voor de functie Operationeel Specialist E met een hoger schaalniveau te honoreren, aangezien voor eiseres reeds een vergelijkbare of uitwisselbare functie is gevonden op het eigen schaalniveau. Bovendien is volgens de PAC op de gewenste functie geen formatieruimte beschikbaar.

1.5.

Bij besluit van 1 december 2015 is de oorspronkelijke functie van eiseres - die het vertrekpunt vormt bij de functievergelijking - vastgesteld op de functie Bedrijfsvoering-specialist D, gewaardeerd op schaal 12, met plaats van tewerkstelling [straatnaam] , [plaats] . Dit besluit staat in rechte vast.

1.6

Bij brief van eveneens 1 december 2015 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat hij van plan is om eiseres aan te wijzen als functievolger en haar te plaatsen in de functie van [naam functie] , schaal 12, in de formatie van de [naam eenheid 2] , Staf, Politieprofessie en Allianties, Politieprofessie en Allianties, met Amsterdam als plaats van tewerkstelling. Eiseres heeft haar bedenkingen geuit tegen dit voornemen.

1.7.

De PAC heeft verweerder vervolgens geadviseerd om de voorkeur van eiseres voor de [functienaam] , schaal 13, niet te honoreren, omdat deze ziet op een functie met een hoger schaalniveau en voor eiseres als functievolger reeds een vergelijkbare of uitwisselbare functie gevonden is op haar eigen schaalniveau. De PAC heeft verweerder geadviseerd de plaatsing te handhaven conform het voorgenomen besluit.

1.8.

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten om eiseres per 1 juli 2016 te plaatsen in de functie van [naam functie] , schaal 12, in de [naam eenheid 2] , Staf, Politieprofessie en Allianties, met Amsterdam als plaats van tewerkstelling. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.9.

Op 1 maart 2017 heeft de hoorzitting bij de Bezwaaradviescommissie HRM kamer PREO (de bezwaaradviescommissie) plaatsgevonden.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwarenadviescommissie van 7 augustus 2017, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Voor de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de bezwarenadviescommissie.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

4. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep, oordeelt de rechtbank ambtshalve als volgt.

4.1.

Gelet op het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat het beroep tegen het bestreden besluit tijdig is ingediend. Dit betekent dat eiseres volgens partijen in haar beroep kan worden ontvangen. De rechtbank kan zich hierin vinden. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van eiseres inhoudelijk zal behandelen.

5. In geschil is of het bestreden besluit waarbij verweerder eiseres per 1 juli 2016 als functievolger heeft geplaatst in de functie van [naam functie] in de [naam eenheid 2] , in rechte houdbaar is.

5.1.

Ingevolge artikel 55lb, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wordt de ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie in het kader van een reorganisatie geplaatst op deze vergelijkbare of uitwisselbare functie, al dan niet in een andere plaats van tewerkstelling, met inachtneming van het bepaalde in artikel 55l.

5.2.

De (toenmalige) Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschef, de politievakorganisaties en de Centrale Ondernemingsraad (COR) hebben in het zogenaamde vierpartijenoverleg afspraken gemaakt over de aanpak van de personele reorganisatie in verband met de totstandkoming van de Nationale Politie, de zogenoemde reorganisatie Politiewet 2012. Deze afspraken zijn op hoofdlijnen vastgelegd in het Hoofdlijnenakkoord van 20 december 2013. Als uitwerking van dit akkoord zijn vervolgens in het vierpartijenoverleg nadere rechtspositionele afspraken gemaakt. Deze uitvoeringsafspraken zijn op 4 juni 2015 door het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken vastgesteld en zijn vastgelegd in het zogenoemde ‘Moederdocument’, met bijlagen.

5.3.

Volgens het Hoofdlijnenakkoord wordt de uitgangspositie van de medewerker in de reorganisatie bepaald door de aan hem per 1 januari 2012 toegekende LFNP-functie. Dit in samenhang met het samenstel van werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker vóór de overgang naar een LFNP-functie. Voor de meeste medewerkers is dat de oude korpsfunctie op 31 december 2011.

5.4.

In fase 1 van de reorganisatie worden medewerkers, zoals eiseres, geplaatst op functies in de nieuwe formatie. Zij worden geplaatst als functievolger, dan wel vanuit de positie van herplaatsingskandidaat als in fase 1 een passende functie is gevonden. Een functievolger volgt een vergelijkbare of uitwisselbare functie zoals bedoeld in artikel 55l van het Barp. Medewerkers met een vergelijkbare of uitwisselbare functie worden in de reorganisatie Politiewet 2012 allen aangewezen als functievolger, ongeacht de formatieruimte in de functie. Overbezetting in de vergelijkbare of uitwisselbare functie wordt daarbij geaccepteerd.

5.5.

De vergelijkbare of uitwisselbare functies worden vastgesteld door functievergelijking. Die functievergelijking vindt - blijkens het Moederdocument, bijlage 5: ‘Functievergelijking reorganisatie politiewet 2012, Werkwijze Werk naar Team’- op de navolgende wijze plaats:

- op basis van het samenstel van opgedragen werkzaamheden vastgelegd in de uitgangspositie voor de overgang naar een LFNP-functie wordt bepaald in welk taakgebied/werkveld de medewerker werkzaamheden zijn opgedragen;

- aan de hand daarvan wordt bepaald in welk team in de nieuwe formatie dit taakgebied/werkveld terugkeert. Het resultaat daarvan wordt weergegeven in de zogenoemde “Van werk naar team”-tabellen;

- vervolgens wordt vastgesteld of de (generieke) LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het desbetreffende team. Is dit het geval dan wordt de medewerker in die functie als functievolger geplaatst;

- bij de beoordeling of de LFNP-functie van de medewerker voorkomt in de formatie van het desbetreffende team worden werkterreinen, aandachtsgebieden en specifieke functionaliteiten buiten beschouwing gelaten;

- als de LFNP-functie van de medewerker niet voorkomt in de formatie van het desbetreffende team, wordt gekeken of het samenstel van opgedragen werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie in de formatie van het team. Is dit het geval dan wordt de medewerker in die functie als functievolger geplaatst. Voor deze laatste vergelijking bestaat een commissie (Commissie Functievergelijking) die de korpschef hierover adviseert.

5.6.

In bijlage 5d van het ‘Moederdocument’ wordt - voor zover hier van belang - over niet-operationele functies, zoals die van eiseres, vermeld dat deze op grond van het Barp onderdeel zijn van het landelijke deelreorganisatiegebied. Dit geldt ook voor niet-operationele functies met een taakgebied dat terugkeert in een team in een eenheid (regionale eenheid, landelijke eenheid). Als de LFNP-functie van de medewerker niet voorkomt in de formatie voor het team in de eenheid van herkomst, maar wel in de formatie voor het team in een andere eenheid, is het gevolg dat de medewerker functievolger wordt voor de functie in de formatie voor de andere eenheid. Dit is een onbedoeld en ongewenst gevolg van de regelgeving. Ongewenst vanuit het perspectief van de bedrijfsvoering (het werk is er, maar de mensen zijn er niet) en vanuit het perspectief van de beleving medewerker: “Het taakgebied van mijn functie keert toch terug in de eenheid?” Voor de hiervoor geschetste situaties bestaat het HRM-instrument ‘persoonsgebonden formatie’. Deze persoonsgebonden formatie heeft per LFNP-functie in de formatie voor een team (in een eenheid) een omvang van 0,01 fte. Persoonsgebonden formatie wordt toegevoegd in de geschetste situatie voor niet-operationele functies met een taakgebied dat terugkeert in een team in een eenheid, waarbij de medewerker anders mogelijk functievolger zou worden voor een functie in de formatie voor een andere eenheid. Over de persoonsgebonden formatie wordt verder onder meer het volgende vermeld:
- persoonsgebonden formatie bestaat naast de organieke formatie;

- persoonsgebonden formatie bestaat zolang een functievervuller de functie in het team vervult,

- onderhoud aan de organieke formatie laat de persoonsgebonden formatie ongewijzigd, en

- persoonsgebonden formatie is per definitie overbezet. Dit betekent dat de functievervuller in fase 2 van de reorganisatie onder voorwaarden toegang heeft tot flankerende voorzieningen.

6. Eiseres voert aan dat de plaatsingsregels bij de functievergelijking door verweerder niet op de juiste wijze zijn toegepast. Nu de functie van eiseres niet terugkomt in haar oorspronkelijke team in Groningen, had de korpschef zich door de Commissie Functievergelijking overeenkomstig de plaatsingsregels moeten laten adviseren over de vraag of het samenstel van opgedragen werkzaamheden dat is vastgelegd in de uitgangspositie van de medewerker voor de overgang naar de LFNP-functie vergelijkbaar of uitwisselbaar is met een functie in de formatie van het team. Voor die vergelijking was volgens eiseres zeker aanleiding aangezien het taakgebied van eiseres wel terugkeert in haar team. Weliswaar niet in de functie van eiseres of in een functie op een vergelijkbaar schaalniveau, maar wel in de [functienaam] , gewaardeerd op salarisschaal 13. Indien de uitkomst van de functievergelijking negatief zou zijn, dan zou dit resulteren in de status van herplaatsingskandidaat. Voor herplaatsingskandidaten geldt blijkens de opdracht aan de PAC dat indien er in een team geen horizontale herplaatsingsmogelijkheden beschikbaar zijn, herplaatsingsmogelijkheden één schaal hoger of lager de voorkeur hebben boven herplaatsingsmogelijkheden in een ander team. Verweerder had eiseres niet mogen plaatsen in een ander team (Amsterdam) zonder de mogelijkheden tot herplaatsing in het eigen team (Groningen) te hebben onderzocht, aldus eiseres.

6.1.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de in het advies van de bezwaaradviescommissie gegeven overwegingen, op het standpunt dat eiseres een niet-operationele functie heeft en dat haar taakgebied weliswaar terugkeert in haar team van herkomst, maar haar LFNP-functie niet. Gelet hierop heeft verweerder gebruik gemaakt van de in bijlage 5d van het ‘Moederdocument’ geboden mogelijkheid om een persoons-gebonden formatie aan het team in Groningen toe te voegen en aan te bieden aan eiseres. Eiseres heeft vervolgens zelf bewust de keuze gemaakt om als functievolger in Amsterdam te worden geplaatst. Gelet op deze gang van zaken kan het verzoek van eiseres om op basis van haar reisafstand als herplaatsingskandidaat te worden aangemerkt niet worden gehonoreerd, aldus verweerder.

6.2.

De rechtbank kan verweerder volgen in diens standpunt dat bij de functievergelijking op juiste wijze toepassing is gegeven aan de plaatsingsregels en dat eiseres terecht is aangemerkt als functievolger. De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het HRM-instrument persoonsgebonden formatie treft - mede gezien hetgeen verweerder daarover in het verweerschrift deugdelijk heeft uiteengezet en gegeven de door verweerder ter zitting gegeven toelichting - geen doel. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder geen gebruik zou mogen maken van de bevoegdheid om de functie van eiseres in de vorm van een persoonsgebonden formatie aan het team toe te voegen op het moment dat duidelijk werd dat de functie van eiseres in haar team van herkomst niet terug zou keren. Niet valt ook in te zien dat eiseres hierdoor is benadeeld, nu zij op deze manier haar eigen werk binnen haar eigen team kon blijven verrichten. Dat de persoonsgebonden formatie per definitie overbezet is, maakt dit niet anders, nu de rechtbank niet is gebleken dat eiseres daar daadwerkelijk nadeel van zou ondervinden. Verweerder heeft doorslag-gevend gewicht mogen toekennen aan het dienstbelang, welk belang gelegen is in het voorkomen van verlies van capaciteit en kwaliteit in de oorspronkelijke [naam eenheid] . Dat eiseres ervoor heeft gekozen om het aanbod van verweerder om haar eigen werk in haar eigen team te blijven verrichten af te slaan, komt naar het oordeel van de rechtbank voor haar eigen rekening en risico.

6.3.

Bij het voorgaande houdt de rechtbank in gedachten dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:682, volgt dat bij een reorganisatie als hier aan de orde als uitgangspunt geldt dat iedereen zoveel mogelijk zijn eigen werk volgt en dat geen recht bestaat op plaatsing in een hogere functie. Bovendien is een reorganisatie, bezien in het licht van het uitgangspunt daarvan, zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft uiteengezet, niet bedoeld voor het maken van promotie.

6.4.

De beroepsgrond dat de oorspronkelijke functie van eiseres niet terugkomt in de [naam eenheid] en dat daarom de Commissie Functievergelijking had moeten worden ingeschakeld, slaagt niet. De functie van eiseres is immers door gebruikmaking van het HRM-instrument persoonsgebonden formatie toegevoegd aan het team van eiseres. Op deze wijze is een situatie ontstaan waarin de functie van eiseres wel degelijk terugkeert in haar team. Gelet hierop hoefde geen vergelijking meer plaats te vinden door de Commissie Functievergelijking. Dat eiseres geen verzoek heeft gedaan om toevoeging van een persoonsgebonden formatie, is – zoals verweerder terecht heeft gesteld – niet van belang. Voor de stelling van eiseres, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, dat verweerder pas gebruik mocht maken van het HRM-instrument persoonsgebonden formatie nadat alle stappen van de plaatsingsregels waren doorlopen, bestaan geen aanknopingspunten.

6.5.

De beroepsgrond dat verweerder eiseres als herplaatsingskandidaat had moeten aanmerken, slaagt ook niet, reeds omdat verweerder – zoals hiervoor is overwogen – eiseres terecht als functievolger heeft aangemerkt. Daarbij is van belang dat eiseres de mogelijkheid is geboden om als functievolger in de eigen oorspronkelijke [naam eenheid] in het team terug te keren. Eiseres heeft – nadat verweerder haar de keuze heeft gegeven of zij in de [naam eenheid] of in de [naam eenheid 2] wilde worden geplaatst – er (bewust) voor gekozen om als functievolger te worden geplaatst in de [naam eenheid 2] . Deze keuze komt voor rekening van eiseres. Verweerder heeft het verzoek van eiseres om als herplaatsingskandidaat te worden aangewezen in verband met de reistijd naar Amsterdam terecht niet gehonoreerd.

7. Eiseres heeft nog aangevoerd dat haar geuite voorkeur voor de [functienaam] , gewaardeerd in salarisschaal 13, ten onrechte niet door verweerder is gehonoreerd. Plaatsing in een hogere functie moet naar de mening van eiseres mogelijk zijn, omdat anders de belangstellingsregistratie zinloos is.

7.1.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar de in het advies van de bezwaaradviescommissie gegeven overwegingen, op het standpunt dat niet wordt voldaan aan het criterium van horizontale plaatsing, inhoudende dat de voorkeursfunctie hetzelfde functieniveau dient te hebben als de functie waarin eiseres is geplaatst, tenzij er sprake is van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v van het Barp.

7.2.

In artikel 55v van het Barp is bepaald dat indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen tot onbillijkheden van overwegende aard leidt of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat, het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, kan afwijken van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk.

7.3.

De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat horizontale plaatsing van eiseres in haar functie niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 55v van het Barp. Dat verweerder in het geval van eiseres geen onbillijkheid van overwegende aard aanwezig heeft geacht, kan niet voor rechtens onjuist worden gehouden. Evenmin is sprake van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.

8. De stelling van eiseres dat andere functievolgers geplaatst zijn in een voorkeursfunctie +1 salarisschaal en dat het criterium 4 van horizontale plaatsing verschillend is toegepast, vat de rechtbank op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De rechtbank overweegt hierover dat eiseres geen verifieerbare bewijsstukken heeft aangedragen waaruit blijkt dat vorenbedoeld criterium door verweerder verschillend is toegepast.

9. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, mr. P.G. Wijtsma en

mr. A.G.D. Overmars, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2018. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.