Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3248

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
18/830231-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak medeplegen poging tot doodslag en medeplegen van poging tot zware mishandeling. Veroordeling wegens 2x openlijk geweld, 3x diefstal in vereniging, vernieling, diefstal en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Bij de oplegging van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830231-17

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830241-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder

bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

19 juli 2018.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/830231-17

1.

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) met

kracht en/of geschoeide voet op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van

die [slachtoffer 1] geschopt en/of getrapt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Groningen, op de openbare weg, te weten

de Folkingestraat en/of de Nieuwstad aldaar, in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , door:

- op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te schoppen

en/of te trappen en/of

- in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2016 te Groningen, op de openbare weg, te weten

de Folkingestraat en/of de Nieuwstad aldaar, in vereniging geweld heeft

gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , door:

- op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 2] te slaan en/of

te stompen en/of

- op/tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 2] te schoppen;

3.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [bedrijfsnaam 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

parketnummer 18/830241-16

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen in/uit een aldaar aan de Vechtstraat gevestigde

slijterij (deel uitmakende van de [bedrijfsnaam 2] ) twee flessen Vodka en/of

een fles Whiskey, althans sterke drank, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk

een kantoortafel en/of een kantoorkast , in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Groningen een busje met pepperspray,

zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige

en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van

de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op of omstreeks 24 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen in/uit een aldaar aan het Hoornsediep gevestigde

winkel genaamd [bedrijfsnaam 3] , een handdoek en/of drie tandenborstels en/of twee stuks

siliconenspray en/of remmenreiniger en/of een audiokabel en/of blue tooth

audioreciever en/of twee stereokabels , in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan de [bedrijfsnaam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

5.

hij op of omstreeks 22 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomenin/uit een aldaar aan de Vechtstraat gevestigde

winkel genaamd [bedrijfsnaam 4] , een elektrische

tandenborstel en/of twee verpakkingen Pearldrops en/of een verpakking Iwhite

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Dio Drogisterij

Parfumerie Mirjam, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/830231-17

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot doodslag tot vrijspraak gerekwireerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaringen in het dossier en de camerabeelden blijkt dat verdachte en zijn mededaders meermalen hebben geschopt tegen het lichaam van aangever. Op grond van de camerabeelden is echter onvoldoende duidelijk geworden dat het hoofd/gezicht van aangever ook daadwerkelijk door het schoppen is geraakt. Gelet hierop is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat hoewel op grond van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat het hoofd/gezicht van aangever door het schoppen is geraakt, het wel denkbaar is dat aangever blijvend letsel had kunnen over houden aan het toegepaste geweld. Door het met kracht en ongecontroleerd slaan en schoppen in de richting en tegen het lichaam van aangever had ook eenvoudig het hoofd/gezicht geraakt kunnen worden.

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde gerekwireerd.

Parketnummer 18/830241-16

Op grond van de stukken in het dossier heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat hoewel de pepperspray bij verdachte is aangetroffen, op grond van de camerabeelden en de stukken in het dossier volgt dat hij de pepperspray niet heeft gebruikt.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 3 ten laste gelegde nu medeverdachte [medeverdachte] mogelijk de pepperspray tegelijk met de gestolen flessen drank in de tas van verdachte heeft gestopt.

Standpunt van verdachte

Parketnummer 18/830231-17

Verdachte heeft in zijn ten overstaan van de politie afgelegde verklaring aangegeven zich niets van het ten laste gelegde te herinneren.

Parketnummer 18/830241-16

Verdachte heeft in zijn ten overstaan van de politie afgelegde verklaring ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal bij de [bedrijfsnaam 1] . Met betrekking tot de overige aan hem ten laste gelegde winkeldiefstallen heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak 18/830231-17 feit 1 primair

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging doodslag en medeplegen van een poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op grond van de camerabeelden in het dossier niet kan worden vastgesteld dat het hoofd/gezicht van aangever door schoppen van verdachte en/of medeverdachten is geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee – anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd – onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen van zowel de poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling. Het betoog dat het hoofd of het gezicht van aangever door het met kracht en ongecontroleerd slaan en schoppen geraakt had kunnen worden, maakt dat niet anders. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het medeplegen van poging tot doodslag en het medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring overige feiten

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

18/830231-17 feiten 1 subsidiair en 2

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2016, opgenomen op pagina 50 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2016120404 d.d. 15 juni 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 27 april 2016 ben ik naar de stad Groningen gegaan. (…) Ik was aan het begin van de Nieuwstad. Ik zag dat er van alle kanten ineens jongens aan kwamen rennen. Ik kreeg van een jongen een hele harde klap in mijn gezicht. Ik ben toen ten val gekomen. Toen ik weer bij kennis kwam, lag ik nog op de grond. [slachtoffer 2] lag op dat moment ook op de grond. Volgens mij stonden er wel 7 jongens op [slachtoffer 2] in te slaan en te schoppen. Er was een hele groep op mij aan het inslaan en schoppen. Door het geweld wat op mij werd uitgeoefend, ben ik een tand en een kies kwijt. Verder heb ik veel pijn aan mijn hoofd. Er is later een jongen door uw collega's aangehouden. Ik weet zeker dat deze jongen mij meerdere malen heeft geslagen toen ik op de grond lag. Dit heb ik gezien. Hij heeft [slachtoffer 2] ook meerdere malen geslagen. Ook dit heb ik gezien. Ik en mijn vader hebben toen verdachte aangewezen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2016, opgenomen op pagina 57 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 2] :

Op 27 april 2016 liepen mijn vader, mijn broertje [slachtoffer 1] , (…) in Groningen. Mijn broertje en ik zijn achter de man aangerend die mijn vader geslagen had. Er kwamen zes mannen om mij heen staan en ik werd in elkaar geslagen. Ik heb besloten een verdedigingshouding op de grond aan te nemen. Ik ben overal geraakt. Ik heb pijn aan mijn linker heup, linkerarm en schouder, voelt beurs. En aan de zijkanten van mijn hoofd, de rechterkant van mijn kaak.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2016, opgenomen op pagina 96 en 97 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 27 april 2016 heb ik een verdachte verhoord genaamd: [verdachte] . Op 27 mei 2016 heb ik camerabeelden bekeken. Deze opnamen waren gemaakt door camera's die op de Nieuwstad aanwezig waren. Ik herken op deze camerabeelden [verdachte] aan zijn houding, zijn kleding en zijn gezicht. Hij draagt blauwe schoenen met een opvallend witte zool, een donkerblauwe spijkerbroek, een donkerblauw T-shirt met een wit/gele opdruk op de voorzijde en een witte, katoenen jas, type bomberjack, die hij open draagt. Met uitzondering van de jas en de schoenen droeg hij dezelfde kleding tijdens het verhoor.

Op de beelden van camera ‘13West2016-04-27 10-24-21-645.asf’ zie ik dat er een vechtpartij plaatsvindt op de Nieuwstad. Op tijdstip 02:28 komt [verdachte] links het beeld inlopen, ziet dat er iemand door twee mannen belaagd wordt en rent in die richting. Dit is ter hoogte van café [bedrijfsnaam 5] in de Nieuwstad. Ik zie dat [verdachte] meerdere trappende bewegingen maakt in de richting van de slachtoffers, waarvan er op dat moment eentje op de grond ligt. Kort hierop wordt een ander slachtoffer ook naar de grond gewerkt en zie ik dat [verdachte] hem meerdere malen schopt. [verdachte] gedraagt zich erg opgefokt. Er zijn zeker vijf mannen die deelnemen aan de vechtpartij.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 24 maart 2017, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte (V: vraag politie en A: antwoord verdachte):

Noot verbalisant: verdachte wordt fragment getoond van bestand '13WEST2016-04-27 10_25_21.wmv.’ De tijd van het getoonde fragment start op 04.00 en wordt gestopt op 04. 20.

V: Herken je de persoon op deze beelden?

A: Ik herken alleen mijzelf. Volgens mij ben ik die persoon met die witte jas.

18/830231-17 feit 3

1. Een aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 23 maart 2017 opgenomen op pagina 154 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017074697 d.d. 24 maart 2017, inhoudende als verklaring van [verbalisant 1] :

Op 23 maart 2017 kreeg ik een telefonische melding van een medewerkster van de [bedrijfsnaam 1] . Zij merkte dat de elektronische diefstalbeveiliging waarmee de [bedrijfsnaam 1] is uitgerust in werking trad toen twee mannen het beveiligingssysteem passeerden. Hierop ben ik ter plaatse gegaan. De man met een tas, die later opgaf te zijn [verdachte] , heb ik aangesproken met het verzoek mee terug te lopen. De man liep stevig door. Aangekomen in de Burchtstraat gooit de man zijn tas weg en probeert weg te rennen richting de Oosterstraat. Hier wordt hij tegengehouden. Met toestemming van [verdachte] is de tas onderzocht. Daarbij zijn de volgende goederen van genoemde onderneming aangetroffen: 2x schoenen, 1x vest, 2x T-shirt, 2x tops, 3x jeans, 1x trui. In de winkel zijn alle productlabels, doorgeknipte alarmlabels en de tang aangetroffen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2017, opgenomen op pagina 155 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 23 maart 2017 kregen wij de melding dat de beveiliging van de [bedrijfsnaam 1] , gelegen aan de Herestraat te Groningen, een persoon te voet achtervolgde op verdenking van winkeldiefstal. De man zou een grote tas bij zich hebben waar vermoedelijk kleding, van diefstal afkomstig van de [bedrijfsnaam 1] , in zou zitten. In de Burchtstraat zagen wij twee personen op een man liggen. De beveiliger van de [bedrijfsnaam 1] , vertelde ons dat dit de man betrof die de grote tas met vermoedelijk weggenomen goederen bij zich had. Hierop hebben wij de man, wie later bleek te zijn [verdachte] aangehouden ter zake winkeldiefstal.

18/830241-16 feiten 1, 2 en 3

1. Een aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 24 juni 2016, opgenomen op pagina 29 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016279516 d.d. 30 september 2016, inhoudende als verklaring van [aangever 1] :

Op vrijdag 24 juni 2016 heeft aangever gezien dat desbetreffend persoon een fles drank (blauwe doos) in zijn tas stopte en niet aanbiedt ter betaling. Vervolgens wil hij de zaak verlaten. De tas is onderzocht. Daarbij is het volgende goed aangetroffen: Talisker Malt Whisky. Deze personen gaven op te zijn [medeverdachte] en [verdachte] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d.26 juni 2016, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [aangever 1] :

Ik doe aangifte van diefstal van nog twee flessen drank. Dit gaat om een fles Smirnoff Vodka en een Ciroc Vodka fles. Toen ik de beelden terugzag, zag ik dat de grote jongen twee flessen uit het schap pakt en deze bij de kleinere jongen in de tas stopt.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2016, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op zaterdag 25 juni 2016 ben ik verbalisant [verbalisant 2] in de [bedrijfsnaam 2] geweest aan

de Vechtstraat te Groningen. Op de camerabeelden, welke zijn opgenomen op vrijdag 24 juni 2016, zag ik het volgende:

18:21:25 uur: De beide verdachten komen de slijterij binnen. De beide verdachten lopen gelijk naar een schap toe.

Verdachte 1 heeft kort opgeschoren haar en draagt een zwart shirt, lange broek, zwarte schoenen met witte zool en een schoudertasje. Ik noem hem verder in dit proces verbaal verdachte 1.

Verdachte 2 heeft kort donker haar. Hij draagt een korte broek, zwart. T-shirt met opdruk op de voorzijde en donkere schoenen. Verder draagt hij een rood-witte plastic tas van de Mediamarkt bij zich en een schoudertasje. Ik noem hem verder in dit proces-verbaal verdachte 2.

18:21:29 uur: Verdachte 2 opent de plastic tas van de Mediamarkt met zijn beide handen en houdt de tas open. Verdachte 1 pakt vervolgens met zijn rechterhand twee flessen uit het schap en stopt deze bij verdachte 2 in de plastic tas die hij open houdt.

18:22:20 uur: Verdachte 1 pakt onderuit het schap nog een fles. Hiermee loopt hij naar de kassa en zet de fles op de toonbank.

18:22:45 uur: De caissière komt om de fles af te rekenen en verdachte 2 betaalt met contant geld.

18:23:10 uur: Verdachte 1 opent het tasje welke hij van de toonbank heeft gepakt en buigt voorover. Dan pakt hij een blauwe doos welke naast de toonbank staat. Vervolgens stopt hij de doos in de tas en daarna de fles welke afgerekend wordt.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 juni 2016, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 24 juni 2016 kregen wij de melding om te gaan naar de [bedrijfsnaam 2] aan de Vechtstraat te Groningen. Ter plaatse zagen we dat het personeel van de [bedrijfsnaam 2] een persoon had aangehouden ter zake winkeldiefstal. Later bleek dit verdachte [medeverdachte] te zijn. Door personeel van de winkel werden we vervolgens bij gesproken dat er in het kantoor van de supermarkt een tweede verdachte zou zijn, welke reeds door de bedrijfsleider was aangehouden. De twee verdachten zouden bij elkaar horen. In het kantoor zagen we een manspersoon die door twee mannen onder controle werd gehouden. De verdachte gaf op te zijn [verdachte] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 27 juni 2016, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[aangever 1] :

Het was de kleinere man die in het kantoor was. Hij heeft ook de goederen in het kantoor vernield. Een kantoortafel en een kantoorkast zijn in het kantoor door de man vernield. Ik zag dat hij een kast van de wand trok. Deze kast kwam terecht op een ander bureau.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juni 2016, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige] :

Op 24 juni 2016 omstreeks 18:15 uur was ik in de winkel aan de Vechtstraat. (…) De tweede persoon werd eenmaal in het kantoor erg vervelend en onrustig. Ik zag dat hij een kast in het kantoor omgooide. Doordat de kast op een tafel viel, zag ik dat er een poot van de tafel af brak.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 juni 2016, opgenomen op pagina 6 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

In het kantoor van de [bedrijfsnaam 2] zagen wij 3 mannen. Een van de mannen, een Marokkaans type werd door een andere man vastgehouden. Buiten hebben wij met toestemming van de man die eerder werd vastgehouden gekeken in zijn schoudertasje. Wij zagen dat hier onder andere pepperspray in zat.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 juni 2016, opgenomen op pagina 101 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik verbalisant, ben aangewezen en gecertificeerd als taakaccenthouder (vuur)wapens.

Ik zag dat het inbeslaggenomen wapen aan de onderstaande omschrijving voldeed :

Soort Busje met pepperspray

Uit onderzoek bleek mij verbalisant dat het busje gevuld was met een stof, vloeistof of gas c.q. een combinatie daarvan. De inhoud van het busje riekte naar de mij ambtshalve bekende geur van pepperspray.

Betreffend spuitbusje is een voorwerp, bestemd voor het treffen van personen met pepperspray, zijnde een traanverwekkende of soortgelijke stof. Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie.

18/830241-16 feit 4

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juli 2016, opgenomen op pagina 124 van voornoemd dossier inhoudende als verklaring van

[aangever 2] :

Ik ben namens de benadeelde, [bedrijfsnaam 3] , gevestigd aan het Hoornsediep te Groningen, gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 24 juni 2016 is geconstateerd dat verdachten/betrokkenen zonder de goederen te betalen de onderneming verlieten (c.q. de kassa passeerden). Bij de diefstal is gebruik gemaakt van een hulpmiddel (tas). Er is een badhanddoek weggenomen. De verdachten zijn twee licht getinte mannen. Ze staan in de winkel bij de handdoeken. Verdachte 1 bekijkt de maat van de handdoek, scheurt het labeltje er af en stopt deze in de Mediamarkttas van verdachte 2. Vervolgens lopen ze direct voorbij de kassa en door de poortjes de winkel uit.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juli 2016, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[verbalisant 3] (V: vraag verbalisant en A: antwoord getuige):

V: Op 24 juni 2016 heeft de [bedrijfsnaam 3] aangifte gedaan van winkeldiefstal. Op het

aangifteformulier dat gebruikt is, staat [aangever 2] vermeld als aangever. Zoals ik van jou op 19 juli 2016 heb begrepen is het niet [aangever 2] geweest die de aangifte heeft gedaan maar ben jij degene die de aangifte hebt gedaan. Echter kon jij dat administratief niet aanpassen in het systeem waardoor de naam van [aangever 2] vermeld staat op het aangifteformulier. Klopt dat?

A: Ja. Ik ben vervolgens wel als getuige gehoord.

V: In jouw getuigenverklaring vertel je dat er meerdere goederen zijn weggenomen. Ik,

verbalisant [verbalisant 2] , heb ook zelf op beelden waargenomen dat er volgens mij een

verpakking met tandenborstels wordt weggenomen. Daarnaast blijkt uit jouw verklaring

nog twee stuks siliconenspray en één stuk remmenreiniger zijn weggenomen. Wil je van de diefstal van deze goederen dan ook aangifte doen?

A: Ja.

V: Ook vertel je in je getuigenverklaring dat de mannen voor een tweede keer in de winkel kwamen en richting de multimediahoek lopen. Vervolgens vinden jullie een paar dagen later daar lege verpakkingen.

A: Dit was dezelfde dag nog. De verpakkingen van een Bluetooth audio-receiver en van twee audiokabels lagen in het schap. Die mannen hebben goederen uit de multimediahoek weggenomen. De verdachten zijn even voor 18:00 uur in de multimediahoek geweest. Rond diezelfde tijd hebben we de lege verpakkingen gevonden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 juni 2016, opgenomen op pagina 129 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik verbalisant heb de beveiligingsbeelden van een winkeldiefstal bij de [bedrijfsnaam 3] aan het Hoornsediep te Groningen d.d. 24 juni 2016 bekeken en zag het volgende:

Omstreeks 16:35 uur zag ik de voor mij ambtshalve bekende [verdachte] en [medeverdachte] de winkel binnen lopen. Ik zag dat [verdachte] met een rode plastic tas de winkel binnen liep. Ik zag, omstreeks 16:39:37 uur, dat in een gangpad [medeverdachte] een donker gekleurde handdoek pakt. Ik zag dat [verdachte] de plastic tas opent. Ik zag dat [medeverdachte] de donker gekleurde handdoek in de plastic tas stopt en deze naar onder drukt. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] het beeld uit lopen. Op een andere camera zag ik dat beide heren de kassa passeren zonder de donker gekleurde handdoek ter betaling aan te bieden.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juni 2016, opgenomen op pagina 130 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb de camerabeelden van de winkel [bedrijfsnaam 3] bekeken. De beelden zijn opgenomen op 24 juni 2016. Op de beelden zag ik het volgende:

16:34:58 uur: Verdachte 1 komt de winkel binnen. Hij heeft kort donker opgeschoren

haar. Hij draagt een zwart shirt, een licht kleurige broek en zwarte schoenen met een

witte zool.

16:35:07 uur: Verdachte 2 komt de winkel binnen. Hij heeft kort donker haar. Draagt

een shirt welke blauw is aan de voorzijde en wit aan de achterzijde. Verder draagt

hij een korte broek met daaronder donkere schoenen. Ik noem deze verdachte in dit

proces-verbaal: verdachte 2. Verdachte 2 draagt een plastic tas bij zich. Dit is een

rode tas met een witte onderkant. Later is op de beelden duidelijk te zien dat dit een

plastic tas betreft van de winkelketen Mediamarkt.

16:39:15 uur: Verdachte 1 pakt uit het schap een verpakking. Dit betreft vermoedelijk

een verpakking met daarin drie tandenborstels.

16:39:20: Verdachte l draait richting verdachte 2. Dan stopt verdachte 1 de verpakking in de plastic tas welke verdachte 2 vast heeft.

16:39:40 uur: Verdachte 1 pakt onder uit het schap een donkergekleurde handdoek. Hij

vouwt hem uit en houdt deze voor zich. Dan haalt hij het kaartje er af en gooit het kaartje in het schap.

16:39:54 uur: Verdachte 2 houdt de Mediamarkttas open en verdachte 1 stopt de handdoek in de tas.

16:40:24 uur: Verdachte 1 en verdachte 2 passeren de kassa zonder goederen ter betaling aan te bieden bij de kassa.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2016, opgenomen op pagina 138 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 29 juni 2016 overhandigde getuige Visser in de [bedrijfsnaam 3] mij verbalisant [verbalisant 2] camerabeelden waarop te zien zou zijn dat de verdachten voor de tweede keer op 24 juni 2016 in de [bedrijfsnaam 3] kwamen. Op de camerabeelden van 24 juni 2016 zag ik het volgende:

17:55:55 uur, camera 4: Een man die ik verder verdachte 1 noem, komt de winkel binnen. Hij draagt een zwarte polo met witte kraag, een lange broek. Zwarte schoenen met een witte zool. Hij draagt een schoudertasje. Verder heeft hij kort donker opgeschoren haar.

17:56:04 uur, camera 4: Een man die ik verder verdachte 2 noem, komt de winkel binnen. Hij draagt een T-shirt met blauwe voorkant en witte achterkant, een korte broek en zwarte schoenen. Daarnaast draagt hij een plastic tas van de Mediamarkt bij zich en een schoudertasje. Verder heeft hij kort donker haar.

Verdachte 1 herken ik als [medeverdachte] . Verdachte 2 herken ik als [verdachte] . Ik verbalisant heb deze beide mannen ambtshalve leren kennen naar aanleiding van een onderzoek van diefstal met geweld gepleegd op 24 juni 2016 waar beide verdachten zijn aangehouden.

18/830241-16 feit 5

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte (inclusief bijlage Bijlage goederen) d.d. 28 juni 2016, opgenomen op pagina 153 van voornoemd dossier inhoudende als verklaring van [aangever 3] :

Ik ben namens de benadeelde [bedrijfsnaam 4] gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 22 juni 2016 omstreeks 18.50 uur kwamen er twee mannen onze winkel in. De mannen liepen een tijdje in de winkel, bekeken allerlei goederen en uiteindelijk rekende één van de mannen iets af, vervolgens verlieten beide mannen de winkel. Mijn medewerkers hadden hier geen goed gevoel bij en controleerden vervolgens gelijk de voorraad. Deze bleek niet meer te kloppen. Ik zag op de beelden dat de mannen goederen in een rode plastic tas stopten die één van de mannen bij zich had. Wij zagen op de beelden dat de mannen de winkel verlieten zonder dat zij de goederen, die zij in de tas gestopt hadden, ter betaling aanboden.

Op 24 juni zag mijn collega [medewerker 1] ineens een van die mannen voor de winkel langs rennen. Zij herkende deze man direct als één van die mannen die 22 juni bij ons in de winkel was en diefstal had gepleegd. Vervolgens hoorde [medewerker 2] dat er bij de [bedrijfsnaam 2] ook een tweede verdachte was aangehouden. Hierop liet [medewerker 2] een foto zien van de tweede verdachte die op 22 juni 2016 in de Drogist diefstal had gepleegd. Zij hoorde het personeel van de [bedrijfsnaam 2] reageren met de woorden 'ja dat is ook dezelfde man als bij ons'.

Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

Bijlage goederen: Elektrische tandenborstel, Pearldrops instant white, Iwhite insand whitening, Pearldrops bleaching white.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2016, opgenomen op pagina 160 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 27 juni 2016 ontving ik, [verbalisant 4] , van aangeefster [aangever 3] de

camerabeelden van 22 juni 2016 van de drogist aan de Vechtstraat 129 te Groningen.

22-06-2016 18:54:07 op cam 5 zag ik twee mannen de winkel binnen lopen. Ik zag

dat voorste man, in vervolg genoemd als man 1, een korte licht blauwe spijkerbroek

met een zwart shirt aan had. Ik schat deze man rond de 35 jaar oud en ongeveer 1.70m. Ik zag dat er vervolgens direct een tweede man, in vervolg genoemd als man 2, achteraan lopen. Deze man had een lange licht blauwe spijkerbroek met een zwart T-shirt en daarover een zwart jasje aan had. Ik schat ook deze man rond de 35 jaar oud. Deze man was groter, ik schat hem 1.90m lang. Deze man had een rode plastic tas van de Mediamarkt bij zich.

22-06-2016 18:55:39 zag ik op cam 4 dat man 1 met de korte broek iets uit de stelling

pakt. Hij laat dit vervolgens aan man 2 zien. Ik zag dat man 2 daarna de rode plastic

tas opende en dat man 1 om 18:55:37 het goed in deze tas stopte.

22-06-2016 18:56:40 zag ik op cam 4 dat man 2 iets wit van kleur pakt en dit in zijn

rode plastic tas stopte .

22-06-2016 18: 56:43 zag ik op cam 4 dat man 1 een goed pakt en vervolgens naar de

kassa liep.

22-06-2016 18:56:59 zag ik op cam 4 dat man 1 b ij de kassa stond en dat man 2 nog

iets zwarts uit de stelling pakte en dit vervolgens ook in zijn rode plastic tas stopte.

22-06-2016 18:57:00 zag ik op cam 4 dat man 1 één goed afrekende.

22-06-2016 18:57:24 zag ik op cam 4 dat beide mannen de winkel verlieten, zonder dat

zij de goederen, die zij in de tas gestopt hadden (tenminste drie), afrekenden bij de kassa.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2016, opgenomen op pagina 161 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 29 juni 2016 te 15:15 uur heb ik verbalisant [verbalisant 2] de beschikbare camerabeelden bekeken van de Drogist aan de Vechtstraat. Op de beelden herkende ik de man in de kort broek en zwart T-shirt als: [verdachte] , geboren [geboortedatum 1]. De man in de lange broek en zwart jasje herkende ik als: [medeverdachte] , geboren [geboortedatum 2]. De beide mannen heb ik ambtshalve leren kennen naar aanleiding van een onderzoek van diefstal met geweld, bij de supermarkt [bedrijfsnaam 2] aan de Vechtstraat, gepleegd op 24 juni 2016.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Voor zover verdachte met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal bij de [bedrijfsnaam 1] (18/830231-17 feit 3) tegenover de politie heeft verklaard dat de goederen die in zijn tas zijn aangetroffen persoonlijke spullen betreffen, overweegt de rechtbank dat zij deze verklaring ongeloofwaardig acht. De medewerkster van de [bedrijfsnaam 1] heeft gemerkt dat de alarmpoortjes afgingen op het moment dat verdachte met een tas langs de alarmpoortjes liep. In die tas zijn vervolgens kledingstukken aangetroffen die bij de [bedrijfsnaam 1] worden verkocht. Bovendien zijn er in de winkel doorgeknipte alarmlabels en een tang aangetroffen. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de in zijn tas aangetroffen kleding.

Met betrekking tot het bij verdachte aangetroffen busje pepperspray (18/830241-16 feit 3) is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte dit busje pepperspray voorhanden heeft gehad. Voor de door de officier van justitie geopperde mogelijkheid dat de medeverdachte, zonder medeweten van verdachte, het busje pepperspray in het schoudertasje van verdachte heeft gestopt, bevat het dossier geen enkele aanwijzing. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het gelet op de korte tijdspanne hoogst onwaarschijnlijk dat de medeverdachte, nadat hij een winkelmedewerker met een busje pepperspray heeft bespoten, dat busje eerst nog in het schoudertasje van verdachte heeft gestopt voordat hij is weggerend.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/830231-17 1 subsidiair, 2 en 3 en het onder parketnummer 18/830241-16 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/830231-17

1. subsidiair

hij op 27 april 2016 te Groningen op de openbare weg, te weten de Nieuwstad aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , door:

- in het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en

- tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te duwen;

2.

hij op 27 april 2016 te Groningen op de openbare weg, te weten de Nieuwstad aldaar, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer 2] , door:

- op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en

- op/tegen het bovenlichaam van die [slachtoffer 1] te schoppen;

3.

hij op 23 maart 2017 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding toebehorende aan het winkelbedrijf [bedrijfsnaam 1] ;

18/830241-16

1.

hij op 24 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een aldaar aan de Vechtstraat gevestigde slijterij (deel uitmakende van de [bedrijfsnaam 2] ) twee flessen wodka en een fles whisky toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] ;

2.

hij op 24 juni 2016 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een kantoortafel en een kantoorkast toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] heeft vernield;

3.

hij op 24 juni 2016 te Groningen een busje met pepperspray zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een weerloosmakende en traanverwekkende stof van

de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 24 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een aldaar aan het Hoornsediep gevestigde winkel genaamd [bedrijfsnaam 3] , een handdoek en drie tandenborstels en twee stuks

siliconenspray en remmenreiniger en een audiokabel en bluetooth audioreceiver en twee stereokabels;

5.

hij op 22 juni 2016 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een aldaar aan de Vechtstraat gevestigde winkel genaamd [bedrijfsnaam 4] , een elektrische tandenborstel en twee verpakkingen Pearldrops en een verpakking Iwhite toebehorende aan [bedrijfsnaam 4] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/830231-17

1. subsidiair openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

3. diefstal;

Parketnummer 18/830241-16

1. diefstal door twee of meer verenigde personen;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer

18/830231-17 onder 1 primair wat betreft het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, 2 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/830241-16 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeven feiten waaronder twee geweldsdelicten waarbij de impact op de betrokkenen groot is geweest. De officier van justitie heeft geen aanleiding gezien om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen omdat er geen informatie beschikbaar is omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan acht feiten. Op 27 april 2016 heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van geweld op de openbare weg. Het geweld bestond uit het slaan en stompen tegen het hoofd/gezicht en het duwen en schoppen tegen het (boven)lichaam van twee slachtoffers. Hoewel het letsel beperkt is gebleven, had dit veel ernstiger kunnen zijn. Door op een dergelijke manier te handelen hebben verdachte en zijn mededaders inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg gebracht, nu de vechtpartij op klaarlichte dag en op een feestdag heeft plaatsgevonden in het centrum van de stad.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen (al dan niet in vereniging gepleegd), een vernieling en het voorhanden hebben van een busje pepperspray. Verdachte heeft bij de diefstallen en de vernieling geen respect getoond voor het eigendom van de betreffende winkels. Het voorhanden hebben van pepperspray brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 juni 2018, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts constateert de rechtbank dat verdachte niet heeft meegewerkt aan het opstellen van een advies door de reclassering.

Gelet op de hiervoor gemelde feiten en omstandigheden, de ernst en de hoeveelheid van de door verdachte gepleegde feiten dient naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te volgen. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden in beginsel een passende reactie vormt.

De rechtbank constateert echter ook dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Gezien de data waarop verdachte in verzekering is gesteld, te weten 27 april 2016 (feiten 1 en 2 onder parketnummer 18/830231-17) en 24 juni 2016 (feiten 1, 2 en 3 onder parketnummer 18/830241-16), is de behandeling van de strafzaak niet binnen twee jaar afgerond. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de gevangenisstraf met 1 maand te verminderen en zij zal aan verdachte daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 2.700,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1.037,22 ter vergoeding van materiële schade en

€ 1.100,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen causaal verband aanwezig is tussen de gevorderde schade en de bewezen verklaarde feiten.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gevorderd de immateriële schade geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de verzekering inmiddels een deel van de schade heeft vergoed maar dat onbekend is gebleken welk deel is uitgekeerd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de hoofdelijkheid te bepalen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank dat uit informatie van de benadeelde partij blijkt dat de verzekering een gedeelte van de materiële schade heeft uitgekeerd, maar dat daaruit niet volgt hoe groot dat gedeelte is. Nu de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de materiële schade te kunnen vaststellen en schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog te laten aantonen welk deel van de materiële schade nog niet door de verzekering is vergoed, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding, zal de rechtbank de vordering voor dat deel niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is verder voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 650,-, vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 141, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/830231-17 onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/830231-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/830241-16 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/830231-17

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3], in de vordering niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van 18/830231-17, feit 1 subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 650,- (zegge: zeshonderdvijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door een of meer mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 650,- (zegge: zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door een of meer mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

27 april 2016. Dit bedrag bestaat uit € 650,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 augustus 2018.

Mr. M.B.W. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.