Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3231

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
LEE 18/2047, LEE 18/2054, LEE 18/2057, LEE 18/2090 en 18/2091
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorzieningen inzake het evenement Psy-Fi "A Shamanic Experience" dat van 15 tot en met 19 augustus plaatsvindt in de Groene Ster te Leeuwarden. De voorzieningenrechter acht het aangewezen om een voorlopige voorziening treffen inzake de verleende geluidsontheffing voor de nachtperiode, waarbij de voorzieningenrechter de geluidswaarden gemeten Front of House voor de nachtperiode vaststelt op 73 dB(A) en 76 dB(C), zodat voor omwonenden geen slaapverstoring optreedt. De voorzieningenrechter acht op grond van een door de Stichting advisering bestuursrechtspraak (StAB) uitgebracht rapport geen verstoring aannemelijk voor de door verzoekers genoemde diersoorten, waaronder de Meervleermuis. Het verzoek om een voorlopige voorziening op dat vlak wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.20a
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.27
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.11
Wet natuurbescherming 2.7
Wet natuurbescherming 2.8
Wet natuurbescherming 3.5
Besluit omgevingsrecht 2.2aa
Besluit omgevingsrecht 2.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 18/2047, LEE 18/2057, LEE 18/2054, LEE 18/2090 en LEE 18/2091

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 augustus 2018 op de verzoeken om voorlopige voorzieningen in de zaken tussen

1 a. [verzoekster sub 1a] , te Leeuwarden, verzoekster sub 1a.,

(gemachtigde: mr. J. Haakmeester),

1b. [verzoekster sub 1b] , gevestigd te Leeuwarden, verzoekster sub 1b.,

(gemachtigden: [gemachtigden] ,

tezamen te noemen: verzoeksters

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden

verweerder sub 1,

2. de burgemeester van de gemeente Leeuwarden verweerder sub 2,

(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] te Leeuwarden,

(gemachtigde: mr. I. van der Meer).

Procesverloop

Ten aanzien van de tijdelijke omgevingsvergunning

Bij (afzonderlijk) besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder sub 1 aan de derde-partij een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van:

- het organiseren van een vijfdaags festival gedurende de periode 15 augustus tot en met 19 augustus 2018;

- het opbouwen en afbouwen van de evenementenlocatie in de periodes 3 augustus tot en met 14 augustus, respectievelijk 20 augustus tot en met 30 augustus;

- het plaatsen van vergunningsvrije tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het festival (onder meer podia, tenten en sanitaire voorzieningen);

- het kamperen door de crew in de periode van 3 augustus vanaf 07:00 uur tot en met 30 augustus 2018 12:00 uur;

- het kamperen door festivalbezoekers in de periode van 13 augustus vanaf 12:00 uur tot en met 21 augustus 2018 12:00 uur.

Daarnaast heeft verweerder de aanvraag van de derde-partij geweigerd voor de onderdelen:

- de laser show;

- het kamperen door bezoekers in de bosschages;

- het kamperen door de crew binnen de 50 meter zone op kaart 5b (Bestemmingsplankaart met projectie evenemententerrein) behorende bij de ruimtelijke onderbouwing.

Verzoekster sub 1a heeft tegen de tijdelijke omgevingsvergunning van 16 juli 2018 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 18/2091.

Verzoekster sub 1b heeft tegen de tijdelijke omgevingsvergunning van 16 juli 2018 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 18/2047.

Ten aanzien van de geluidsontheffing

Bij (afzonderlijk) besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder sub 1 aan de derde-partij een geluidsontheffing onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement op de locatie, plaatselijk bekend als De Groene Ster te Leeuwarden, van 15 augustus 2018 tot en met 19 augustus 2018, inclusief soundcheck op 14 augustus 2018 tussen 09:00 uur en 19:00 uur.

Verzoekster sub 1a heeft tegen de geluidsontheffing van 16 juli 2018 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 18/2090.

Verzoekster sub 1b heeft tegen de geluidsontheffing van 16 juli 2018 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 18/2054.

Ten aanzien van de evenementenvergunning

Bij (afzonderlijk) besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit III) heeft verweerder sub 2 aan de derde-partij een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement "Psy-Fi, A Shamanic Experience" (het evenement) op de locatie plaatselijk bekend als De Groene Ster te Leeuwarden. In de evenementenvergunning is opgenomen dat het evenement aanvangt op 15 augustus 2018 om 07:00 uur en dat het evenement eindigt op 19 augustus 2018 om 24:00 uur (waarbij het einde van de geluidsontheffing om 23:00 uur is). Daarnaast is opgenomen dat de opbouw van het evenement plaatsvindt van 3 augustus 2018 tot en met 14 augustus 2018 en dat de afbouw plaatsvindt van 20 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018. Ook is aangegeven dat het toegestane maximum aantal gelijktijdig aanwezige bezoekers per dag 13.000 bedraagt. Ten slotte heeft verweerder sub 2 ontheffing verleend van het verbod ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet om gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van de geluidsbron hoorbaar is.

Verzoekster sub 1b heeft tegen de evenementenvergunning van 16 juli 2018 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 18/2057.

Verweerder heeft bij brief van 17 juli 2018 de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van een aantal documenten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de voorzieningenrechter daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 25 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft verzoekster sub 1b toestemming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend. Verzoekster sub 1a heeft die toestemming ter zitting verleend.

De verzoeken zijn gelijktijdig met de verzoeken geregistreerd onder de nummers LEE 18/2061 en LEE 18/2062 behandeld op de zitting van 7 augustus 2018. Verzoekster sub 1a. is vertegenwoordigd door mr. A. Daan, vervangster ter zitting van mr. J. Haakmeester. Verzoekster sub 1b is vertegenwoordigd door haar gemachtigden. Verweerder sub 1 en sub 2 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door [ingenieur] , [ecoloog 1] (ecoloog) en [medewerker] . De derde belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door [ecoloog 2] (ecoloog) en [persoon] .

Feiten en omstandigheden

1.1

Bij zijn beoordelingsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.2

Op 28 juni 2017 heeft de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (de FUMO) de rapportage “Gevelgeluidweringsmetingen woningen nabij Groene Ster Leeuwarden” opgesteld.

1.3

Op 19 december 2016 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden (de raad) de Tijdelijke evenementenregeling Leeuwarden 2018 (de Tijdelijke evenementenregeling), in afwijking van Hoofdstuk 2, afdeling 7, van de Algemene Plaatselijke verordening Leeuwarden, voor evenementen, die plaats vinden in de gemeente Leeuwarden in het jaar 2018, binnen het gebied zoals vastgelegd op de bij dit besluit gevoegde kaart, vastgesteld. Bij besluit van 2 januari 2018 heeft de raad de Tijdelijke evenementenregeling van toepassing verklaard op het hele grondgebied van de gemeente Leeuwarden.

1.4.1

Op 28 maart 2018 heeft de derde-partij een aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning voor het organiseren van het vijfdaagse evenement op de locatie, plaatselijk bekend als De Groene Ster te Leeuwarden, bij verweerder sub 1 ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.

1.4.2

Op 28 maart 2018 heeft de derde-partij een aanvraag om een geluidsontheffing voor het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 1 ingediend.

1.4.3

Op 28 maart 2018 heeft de derde-partij een aanvraag om een evenementenvergunning voor het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 2 ingediend.

1.4.4

Op 28 maart 2018 heeft de derde-partij een aanvraag om ontheffing van het verbod om te liggen of slapen op openbare plaatsen tijdens het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 1 ingediend.

1.5

Op 7 maart 2018 is de definitieve kaderstelling "Meerdaagse festivals in de Groene Ster 2018" door de gemeente Leeuwarden opgesteld.

1.6

Op 23 april 2018 heeft verweerder sub 2 de "Nadere regels evenementen Leeuwarden" (de nadere regels evenementen) vastgesteld.

1.7

Op 9 mei 2018 heeft DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (DGMR) een definitieve rapportage “Onderzoek geluid evenementen De Groene Ster 2018” opgesteld.

1.8

Op 16 mei 2018 heeft de Antea Group een memo “beoordeling van het aspect stikstofdepositie, evenementen recreatiegebied De Groene Ster” opgesteld.

1.9

Op 17 mei 2018 heeft Altenburg & Wymenga een definitieve onderzoeksrapportage “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden” opgesteld.

1.10

Op 18 juni 2018 heeft DGMR een rapportage “akoestisch onderzoek Psy-Fi De Groene Ster Leeuwarden” opgesteld.

1.11

De gemeente Leeuwarden heeft een ruimtelijke onderbouwing “Evenementen De Groene Ster 2018” (de ruimtelijke onderbouwing) opgesteld.

1.12

Verweerder sub 1 heeft de aanvraag om omgevingsvergunning, een concept van de ruimtelijke onderbouwing, alsmede een aantal bijlagen voor het evenement, ter inzage gelegd in de periode 28 juni 2018 tot en met 4 juli 2018.

1.13

Bij besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder sub 1 aan de derde-partij een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van:

- het organiseren van een vijfdaags festival gedurende de periode 15 augustus tot en met 19 augustus 2018;

- het opbouwen en afbouwen van de evenementenlocatie in de periodes 3 augustus tot en met 14 augustus, respectievelijk 20 augustus tot en met 30 augustus;

- het plaatsen van vergunningsvrije tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het festival (onder meer podia, tenten en sanitaire voorzieningen);

- het kamperen door de crew in de periode van 3 augustus vanaf 07:00 uur tot en met 30 augustus 2018 12:00 uur;

- het kamperen door festivalbezoekers in de periode van 13 augustus vanaf 12:00 uur tot en met 21 augustus 2018 12:00 uur.

Daarnaast heeft verweerder de aanvraag van de derde-partij geweigerd voor de onderdelen:

- de laser show;

- het kamperen door bezoekers in de bosschages;

- het kamperen door de crew binnen de 50 meter zone op kaart 5b (Bestemmingsplankaart met projectie evenemententerrein) behorende bij de ruimtelijke onderbouwing.

1.14

Bij besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder sub 1 aan de derde-partij een geluidsontheffing onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement op de locatie De Groene Ster te Leeuwarden, van 15 augustus 2018 tot en met 19 augustus 2018, inclusief soundcheck op 14 augustus 2018 tussen 09:00 uur en 19:00 uur.

1.15

Bij besluit van 16 juli 2018 (het bestreden besluit III) heeft verweerder sub 2 aan de derde-partij een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement op de locatie De Groene Ster te Leeuwarden. In de evenementenvergunning is opgenomen dat het evenement aanvangt op 15 augustus 2018 om 07:00 uur en dat het evenement eindigt op 19 augustus 2018 om 24:00 uur (waarbij het einde van de geluidsontheffing om 23:00 uur is). Daarnaast is opgenomen dat de opbouw van het evenement plaatsvindt van 3 augustus 2018 tot en met 14 augustus 2018 en dat de afbouw plaatsvindt van 20 augustus 2018 tot en met 30 augustus 2018. Ook is aangegeven dat het toegestane maximum aantal gelijktijdig aanwezige bezoekers per dag 13.000 bedraagt. Ten slotte heeft verweerder sub 2 ontheffing verleent van het verbod ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet om op zondag 22 juli 2018 gedurende de tijd na 13:00 uur gerucht te verwekken dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van de geluidsbron hoorbaar is.

Rechtsoverwegingen/algemeen

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter acht de verzoeken van verzoeksters voldoende spoedeisend nu het meerdaagse muziekfestival op 15 augustus 2018 begint. Hierbij betrekt de rechtbank eveneens dat een eventuele ontoelaatbare verstoring van de door verzoekster sub 1b in het verzoekschrift genoemde (beschermde) diersoorten niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

4. De voorzieningenrechter overweegt dat in de onderhavige voorzieningenprocedure het geschil zich met betrekking tot de verleende tijdelijke omgevingsvergunning met name toespitst op de door verzoekster sub 1b in het verzoekschrift genoemde diersoorten, te weten de Meervleermuis, de boombewonende en andere vleermuizen, de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis. Ten aanzien van de door verweerder sub 1 verleende geluidsontheffing spitst de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure zich met name toe op de vraag of verweerder sub 1 in redelijkheid deze ontheffing, met de daarin opgenomen geluidsnormen voor de dag-, avond en nachtperiode, heeft kunnen verlenen. Hetgeen verzoeksters voor het overige hebben aangevoerd dient bij voorkeur aan bod te komen in een bodemprocedure en aldaar te worden beantwoord.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van de tijdelijke omgevingsvergunning

5.1

Tussen partijen is in geschil of verweerder sub 1 in dit geval in redelijkheid een tijdelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het evenement heeft kunnen verlenen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het voorgenomen gebruik van de Groene Ster als terrein voor het evenement in strijd is met de gebruiksregels van het bestemmingsplan "Leeuwarden - Recreatiegebied Groene Ster" (het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan hebben de gronden ter plaatse van het noordelijke deel van het festivalterrein de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie”. De gronden ter plaatse van het water en de gronden aan de zuidkant van het terrein hebben de bestemming "Natuur". Om medewerking te verlenen aan het met het bestemmingsplan strijdige gebruik heeft verweerder sub 1 toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

5.3

De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 4, elfde lid, van de bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) behorende bijlage II een categorie ander gebruik van gronden en bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar, aanwijst waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.

5.4

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verweerder sub 1 aan het bestreden besluit I een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd, namelijk de 'Ruimtelijke onderbouwing evenementen De Groene Ster 2018'. Daarnaast heeft verweerder sub 1 aan het bestreden besluit I de rapportage 'Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden' van Altenburg & Wymenga van 17 mei 2018 ten grondslag gelegd.

5.5.1

Uit de ecologische rapportage van Altenburg en Wymenga van 17 mei 2018 kan - onder meer en samengevat - het navolgende worden afgeleid. Ten aanzien van de Meervleermuis is aangegeven dat het mogelijk is dat er een ecologische relatie is tussen het meerdaagse evenemententerrein en het Natura 2000-gebied De Groote Wielen. Ten aanzien van alle vleermuissoorten is aangegeven dat het meerdaagse evenemententerrein onderdeel is van het leefgebied van vleermuizen en dat omdat sommige soorten vleermuizen onder andere gevoelig zijn voor lichtverstoring, deze dierensoort relevant is voor de effectbeoordeling van de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor wat betreft de Noordse woelmuis is aangegeven dat deze soort niet in het meerdaagse evenemententerrein is aangetroffen en evenmin wordt verwacht en dat deze daarom niet relevant is voor de Wnb-effectbeoordeling.

5.5.2

Uit het rapport van Altenburg & Wymenga blijkt in het kader van de effectbeschrijving voor het evenement onder meer dat ten aanzien van foeragerende meervleermuizen, alle overige vleermuizen en de Waterspitsmuis is aangegeven dat er geen knelpunt is met (het beschermingsregime van) de Wnb.

5.6

Verzoekster sub 1b betoogt - onder meer en samengevat - dat de door verweerder sub 1, naar aanleiding van het rapport van Altenburg & Wymenga, opgelegde beperkingen op basis van de ecologie onvoldoende zijn. Hierbij heeft verzoekster sub 1b met name verzocht om nadere beperkingen ten behoeve van de Meervleermuis, de boombewonende vleermuizen, de overige vleermuizen, de Noordse woelmuis en de Waterspitsmuis.

5.7

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of de door verzoekster sub 1b genoemde diersoorten als gevolg van het evenement ontoelaatbaar worden verstoord. Onder andere in dit kader heeft de voorzieningenrechter de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de StAB) om advies gevraagd. De StAB heeft op 31 juli 2018 zijn rapport uitgebracht en heeft op 6 augustus 2018 een nader rapport uitgebracht als reactie op de door partijen aangeleverde commentaren op het rapport. Hieronder gaat de voorzieningenrechter mede aan de hand van het StAB-rapport in op de aan de orde zijnde diersoorten.

Ten aanzien van de Meervleermuis

6.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Meervleermuis in de context van de onderhavige zaak wordt beschermd langs twee lijnen. De ene lijn loopt langs de soortenbescherming omdat de Meervleermuis op grond van de Habitat-richtlijn wordt beschermd. De andere lijn loopt langs de gebiedsbescherming die voortvloeit uit de aanwijzing van De Groote Wielen, het naastgelegen Natura 2000-gebied, waarvoor de Meervleermuis als beschermde soort is aangewezen.

6.2

Uit het Bor volgt dat zowel de ontheffing ten aanzien van artikel 3.5 (de soorten-bescherming) als de vergunning ex artikel 2.7 (Natura 2000-gebied) van de Wnb verplicht worden aangehaakt tenzij afzonderlijk ontheffing/vergunning aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân is gevraagd of verkregen. In dit geval is de omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder sub 1. Daarbij is niet aangegeven dat een ontheffing of vergunning is, of wordt aangevraagd. In die situatie is het aan verweerder sub 1 om te beoordelen of een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) nodig is of niet. Niet in geschil is dat er natuurwaarden in het geding zijn en dat die beoordeeld moeten worden aan de hand van de vraag of een vvgb in het kader van de Wnb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân noodzakelijk is. Die vraag is ook door verweerder sub 1 onder ogen gezien in de ruimtelijke onderbouwing en vervolgens op basis van het rapport “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden”, waarin is geconcludeerd dat een vvgb niet nodig is. Op basis daarvan heeft verweerder sub 1 geconcludeerd dat een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân niet nodig is. Hierna zal de voorzieningenrechter ten aanzien van de Meervleermuis in het kader van de soortenbescherming en de gebiedsbescherming beoordelen of die conclusie terecht is.

6.3.1

De StAB heeft in zijn rapport van 31 juli 2018 aangegeven dat tussen de verblijfplaats in Camminghaburen en het foerageergebied in De Groote Wielen zich twee vliegroutes bevinden. Te weten de westelijke vliegroute en de oostelijke vliegroute. De laatste loopt via De Kleine Wielen naar De Groote Wielen. Kortheidshalve wordt ook verwezen naar de bij partijen bekende uitspraken aangaande de evenementen 'Conference of the birds' en 'Welcome to the village'. Deze laatste uitspraak is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder het nummer ECLI:NL:RBNNE:2018:2862. Deze beide vliegroutes zijn, aldus de StAB, als essentieel aan te merken, nu dit de enige vliegroutes zijn om vanuit de kraamkolonie te Camminghaburen het Natura 2000-gebied De Groote Wielen te bereiken.

6.3.2

Met betrekking tot de verstoring van de Meervleermuis door geluid overweegt de StAB dat het geluid van het evenement geen effect zal hebben op de actief luisterende soorten die gebruikmaken van echolocatie, zoals de Meervleermuis.

6.3.3

Ten aanzien van de verstoring van de Meervleermuis door licht overweegt de StAB - onder meer en samengevat - als volgt. De verblijfplaats te Camminghaburen en het foerageergebied in het Natura 2000 gebied De Groote Wielen zullen niet verstoord worden door het licht van het evenement. Verder geeft de StAB aan dat evenmin de westelijke vliegroute van de verblijfplaats in Camminghaburen naar De Groote Wielen verstoord zal worden. Verstoring van het licht in De Kleine Wielen, dat onderdeel uitmaakt van de oostelijke vliegroute is echter, aldus de StAB, op voorhand niet uit te sluiten vanwege de ligging aansluitend aan het evenemententerrein. Daardoor kan de functionaliteit van de verblijfplaats te Camminghaburen in het gedrang komen. Met betrekking tot de oostelijke vliegroute geeft de StAB verder aan dat voor deze vliegroute er twee alternatieven zijn, een noordelijke variant en een zuidelijke variant. Zowel de noordelijke als de zuidelijke variant van de essentiële verbindingsroute in De Kleine Wielen wordt doorsneden door priklinten. Nu het licht schijnt op een deel van de verbindingsroute dat zich over honderden meters uitstrekt, brengt dit, aldus de StAB een verstoring van de oostelijke vliegroute met zich mee. Indien de vliegroute naar een foerageergebied wordt aangetast kan het voortbestaan van de verblijfplaats van de Meervleermuis in het gedrang komen. De StAB geeft vervolgens aan dat de verstoring van de oostelijke vliegroute onverlet laat dat de westelijke (essentiële) vliegroute niet door het festival wordt verstoord. In welke mate gebruik wordt gemaakt van de oostelijke en westelijke vliegroute is echter onbekend en evenmin bestaat (wetenschappelijk) inzicht in de mate waarin de Meervleermuis zich kan aanpassen aan de verstoring van de oostelijke vliegroute door als alternatief de westelijke route te gebruiken. In welke mate de verstoring van de oostelijke vliegroute voor de Meervleermuis tot gevolg heeft dat de functionaliteit van de verblijfplaats te Camminghaburen wordt aangetast en in welke mate die verstoring leidt tot significante negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling is nog niet te beantwoorden, aldus de StAB.

6.4.1

Naar aanleiding van het rapport van de StAB van 31 juli 2018 verzoekt verzoekster sub 1b in haar brief van 3 augustus 2018 - onder meer en samengevat - ten aanzien van de Meervleermuis dat lichtmasten niet mogen worden geplaatst langs de essentiële oostelijke vliegroute dan wel langs de oostelijke overgang naar De Groote Wielen, dat er geen podiumverlichting wordt toegepast en dat priklint niet wordt geplaatst langs de zuidelijke of de noordelijke variant van de oostelijke vliegroute.

6.4.2

Verweerder sub 1 geeft in haar brief van 3 augustus 2018, in reactie op het rapport van de StAB van 31 juli 2018, ten aanzien van de Meervleermuis primair aan dat de oostelijke vliegroute geen essentiële vliegroute is. Hiertoe verwijst verweerder naar de notitie van Altenburg & Wymenga van 2 augustus 2018. Vervolgens geeft verweerder sub 1 subsidiair aan dat de lichtplanbeoordeling van 31 juli 2018 voldoende rekening houdt met de toegankelijkheid van de zuidelijke variant van de oostelijke vliegroute. Hierbij heeft verweerder sub 1 aangegeven dat uitvoering van het lichtplan conform deze beoordeling ertoe leidt dat geen verstoring optreedt van de oostelijke vliegroute. Ten slotte geeft verweerder sub 1 aan dat de monitoring van de Meervleermuis laat zien dat de soort minder lichtgevoelig is dan gedacht. Hierbij heeft verweerder sub 1 verwezen naar ecologisch onderzoek dat door Ecobureau Merula is uitgevoerd in juli 2018 gedurende het evenement 'Welcome to the Village'.

6.5

De StAB geeft in zijn nadere rapportage van 6 augustus 2018, naar aanleiding van de reacties van partijen op het StAB rapport van 31 juli 2018 nogmaals aan dat de (zuidelijke variant van de) oostelijke route een essentiële vliegroute is voor de Meervleermuis. Daarnaast geeft de StAB aan dat directe lichtinstraling op deze vliegroute leidt tot de grootste mate van verstoring, maar dat ook strooiverlichting kan leiden tot verstoring van de Meervleermuis. Ten aanzien van het door verweerder ingediende rapport 'Lichtplan beoordeling Psy-Fi 2018' van 31 juli 2018, geeft de StAB aan dat uit dit rapport niet het door de StAB gevraagde inzicht in de lichtuitstraling van de toe te passen verlichting blijkt en dat de StAB weinig nut ziet in het in situ monitoren van 'effecten op vleermuizen' en het dan eventueel treffen van maatregelen. Hiertoe geeft de StAB aan dat verstoring er niet toe hoeft te leiden dat vleermuizen niet in het gebied aanwezig zijn, maar dat het ook zo kan zijn dat ze door de verstoring te weinig toekomen aan foerageren. Samenvattend geeft de StAB aan dat de reactie van partijen geen aanleiding geeft om haar eerdere rapport aan te passen.

6.6

Ten aanzien van de procedurele overwegingen of verweerder sub 1 al dan niet terecht heeft geconcludeerd dat in het kader van de gebiedsbescherming een vvgb van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân niet nodig was, verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de hiervoor opgenomen rechtsoverwegingen in de bij partijen bekende uitspraken inzake de evenementen 'Conference of the birds' en 'Welcome to the village'. Dit betekent dat verweerder sub 1 met betrekking tot de gebiedsbescherming ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat geen vvgb van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân nodig was en dat verweerder sub 1, nu de vvgb niet is gevraagd, derhalve niet bevoegd was tot het verlenen van de tijdelijke omgevingsvergunning.

6.7

De soortenbescherming is geregeld in artikel 3.5 en artikel 3.6 van de Wnb. In dit geval zijn met name artikel 3.5, tweede lid en vierde lid van toepassing. In het tweede lid wordt het verboden om dieren opzettelijk te verstoren en in het vierde lid wordt het verboden om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te verstoren.

6.8

Voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningenrechter gelet op het bovenstaande een voorlopige maatregel dient te treffen, ziet de voorzieningenrechter zich vervolgens gesteld voor de vraag of de (zuidelijke variant van de) oostelijke vliegroute, als een essentiële vliegroute voor de Meervleermuis moet worden beschouwd. En indien dit het geval is of deze oostelijke vliegroute gelet op de door verweerder sub 1 opgenomen maatregelen in het lichtplan, alsmede de in de tijdelijke omgevingsvergunning opgenomen voorschriften, voldoende afgeschermd wordt tegen (directe en indirecte) lichtinval waardoor er geen ontoelaatbare verstoring zal plaatsvinden. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.9.1

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat hij verweerder sub 1 niet volgt in het door verweerder sub 1 ingenomen standpunt dat de oostelijke vliegroute geen essentiële vliegroute voor de Meervleermuis betreft. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn zowel de westelijke vliegroute als de oostelijke vliegroute als essentieel aan te merken. De voorzieningenrechter volgt hierin derhalve het rapport van de StAB.

6.9.2

Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat naar zijn voorlopig oordeel verweerder sub 1 met het ingebrachte lichtplan van 31 juli 2018 alsmede de in de tijdelijke omgevingsvergunning opgenomen voorschriften, voldoende heeft gegarandeerd dat de Meervleermuis voldoende mogelijkheden blijft behouden om te foerageren op De Groote Wielen en dat voldoende is gegarandeerd dat de lichtinval over de oostelijke vliegroute wordt beperkt tot een zodanig minimum dat verstoring in eerdergenoemde zin niet plaatsvindt. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter dat ecoloog [ecoloog 1] en ecoloog [ecoloog 2] ter zitting een nadere toelichting op het lichtplan van 31 juli 2018 hebben gegeven. Uit deze toelichting blijkt dat er geen lampen rechtstreeks op het wateroppervlak of de oever zullen worden gericht. Na de nog te houden lichtschouw wordt op aangeven van voornoemde ecologen bepaald welke kleur deze lampen dienen uit te stralen teneinde geen verstoring te veroorzaken voor de Meervleermuis. Voorts blijkt uit de gegeven toelichting dat verzekerd is dat de volgens het lichtplan te plaatsen lichtmasten uitsluitend aan gaan indien er zich een calamiteit in de zin van een noodtoestand voordoet. Ter zitting is van de kant van verweerder sub 1 gegarandeerd dat op de naleving daarvan wordt toegezien.

Verder is ter zitting aangegeven dat de priklinten op een hoogte van maximaal 2 á 3 meter aangebracht zullen worden en dat gelet op deze hoogte alsmede de afstand tot de oever deze verlichting onder de 0,5 lux blijft en dat de priklinten in rood dan wel warm wit, worden uitgevoerd. De daaraan ten grondslag gelegde berekening is niet bestreden.

Ten slotte betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat door de derde-belanghebbende ter zitting is verklaard dat uitsluitend ledverlichting zal worden aangebracht en van de kant van verweerder sub 1 is aangegeven dat uitsluitend deze type verlichting wordt toegestaan.

6.10

Gelet op het bovenstaande overweegt de voorzieningenrechter dat de (zuidelijke variant van de) oostelijke vliegroute toegankelijk blijft en dat daarmee geen ontoelaatbare verstoring in eerder genoemde zin van de Meervleermuis valt te verwachten. Er bestaat om die reden geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of het treffen van een andere maatregel.

Ten aanzien van de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laatvlieger, de Rosse vleermuis en de Watervleermuis

7.1

Voor wat betreft de procedurele overwegingen verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van de soortenbescherming. Hierna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de conclusie van verweerder sub 1 dat geen vvgb nodig was terecht is.

7.2

Verweerder sub 1 stelt zich, onder verwijzing naar het ecologische rapport van 17 mei 2018 dat deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt dat er van verstoring als gevolg van het evenement van de overige vleermuissoorten geen sprake is, aangezien er geen verblijfplaatsen van vleermuissoorten op het recreatieterrein De Groene Ster zijn aangetroffen. Verder volgt volgens verweerder sub 1 uit voormeld ecologisch rapport dat er op het recreatieterrein De Groene Ster geen essentiële vliegroutes van de overige vleermuissoorten zijn. Gelet hierop is verweerder sub 1 van mening dat in dit geval geen vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân vereist is.

7.3

Met betrekking tot deze overige vleermuissoorten geeft de StAB in zijn rapportage van 31 juli 2018 aan dat geen sprake is van een ontoelaatbare verstoring van de leefgebieden en/of de verblijfplaatsen door geluid en licht. Essentiële vliegroutes van deze vleermuizen dreigen ook niet verstoord te worden door licht of geluid.

7.4

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan het advies van de StAB te twijfelen. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 1 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 1 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of het treffen vaneen andere maatregel.

Ten aanzien van de Noordse woelmuis

8.1

De StAB geeft in zijn rapport van 31 juli 2018 ten aanzien van de Noordse woelmuis aan dat niet is gebleken dat deze in De Groene Ster voorkomt zodat als gevolg van het evenement geen sprake is van een ontoelaatbare verstoring van zijn leefgebied.

8.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan het advies van de StAB te twijfelen. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 1 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 1 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of het treffen van een andere maatregel.

Ten aanzien van de Waterspitsmuis

9.1

De StAB geeft in zijn rapport van 31 juli 2018 aan dat het meerdaagse evenement leidt tot een bepaalde mate van geluidsbelasting en lichtimmissie op het potentieel leefgebied van de Waterspitsmuis. Welke gevolgen dit heeft is onbekend, aldus de StAB.

9.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan het advies van de StAB te twijfelen. Wel overweegt de voorzieningenrechter dat in het kader van de voorlopige voorzieningen inzake het evenement 'Welcome to the village', is overwogen dat de Waterspitsmuis niet op het recreatieterrein De Groene Ster is aangetroffen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in de onderhavige voorzieningen anders te oordelen. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 1 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 1 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder een vvgb van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of het treffen van een andere maatregel. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat voor zover toch moet worden aangenomen dat de Waterspitsmuis verblijft in De Groene Ster, aan de tijdelijke omgevingsvergunning het voorschrift is verbonden dat de (niet te maaien) oevers niet mogen worden betreden en dat dit - zoals ter zitting is verzekerd van de kant van verweerder sub 1 - geldt voor een strook van vijf meter breed. Gelet op het StAB-rapport geeft dit voorschrift voldoende garantie dat het leefgebied c.q. de verblijfplaats van de Waterspitsmuis niet wordt verstoord ten gevolge van het evenement.

10. Gelet op het bovenstaande worden de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de tijdelijke omgevingsvergunning afgewezen.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van de geluidsontheffing

11.1

Tussen partijen is in geschil of verweerder sub 1 na een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een geluidsontheffing ten behoeve van het evenement heeft verleend. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

11.2.1

Niet in geschil is dat verzoekster sub 1a als belanghebbende moet worden beschouwd, gelet op het feit dat zij als (direct) omwonende de gevolgen van het evenement ondervindt, waaronder het geluid dat door het evenement wordt veroorzaakt.

Wel in geschil is of ook verzoekster sub 1b als belanghebbend kan worden beschouwd. Aangezien verzoekster sub 1b een stichting is, dient - onder verwijzing naar de bij partijen bekende uitspraken aangaande 'Conference of the birds' en 'Welcome to the village' - beantwoording van die vraag plaats te vinden aan de hand van de statuten van de stichting. Daarin valt in artikel 2 het volgende terug te vinden:

a. het bevorderen van duurzaam gebruik van natuur- en recreatiegebieden ten Oosten van Leeuwarden, zoals bijvoorbeeld “De Groene Ster”;

b. het gevraagd en ongevraagd adviseren van overheden (gemeente, provincie, waterschap, etcetera), bedrijven en instellingen over duurzaam gebruik en beheer, het

beperken van overlast voor flora en fauna, het beperken van overlast (van evenementen) voor omwonenden en reguliere bezoekers;

c. het geven van publieksvoorlichting over duurzaam gebruik van de natuur- en recreatiegebieden;

d. het voeren van overleg over gezamenlijk optreden en uitwisseling van gegevens met

natuurbeschermingsorganisaties en verwante organisaties die regionaal en/of landelijk actief zijn;

e. het zo nodig ondernemen van juridische stappen om het duurzaam gebruik zeker te stellen en overlast te beperken;

f. het verrichten van alle activiteiten die in de ruimste zin van het woord met het vorenstaande verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

11.2.2

De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat verzoekster sub 1b primair als doelstelling heeft een duurzaam gebruik van (onder meer) het gebied De Groene Ster. In dat kader komt verzoekster sub 1b op voor de natuurwaarden van het gebied en de bescherming van de in het verzoekschrift genoemde diersoorten. Zoals in de uitspraken aangaande de eerder genoemde evenementen is overwogen, is verzoekster sub 1b in zoverre belanghebbend.

Uit hetgeen in de statuten staat vermeld onder artikel 2, sub b, leidt de voorzieningenrechter af dat vanuit genoemde primaire doelstelling - het realiseren van een duurzaam gebruik van het gebied De Groene Ster - tevens als doelstelling is geformuleerd het zoveel mogelijk tegengaan van overlast ten gevolge van evenementen die worden gehouden in het gebied De Groene Ster. Het gaat dan niet alleen om overlast voor de flora en fauna van dat gebied, maar ook om overlast voor omwonenden. Alhoewel het laatstgenoemde niet is opgenomen in de primaire doelstelling zoals die is neergelegd in artikel 2, sub a, doch in de activiteiten die de stichting gelet op artikel 2, sub b tot en met f, van de statuten onderneemt ter uitvoering van de primaire doelstelling, moet naar voorlopig oordeel worden aangenomen dat ook het tegengaan van overlast voor omwonenden, als een afzonderlijke doelstelling van de stichting moet worden beschouwd, zodat verzoekster sub 1b ontvankelijk is in haar verzoek. Onder overlast moet dan tevens geluidsoverlast worden begrepen.

Bij vorenstaande betrekt de voorzieningenrechter dat het hier handelt om een verzoek om voorlopige voorziening, in welk geval met het oog op een efficiënte rechtsbescherming slechts tot een niet-ontvankelijkheid moet worden gekomen indien met een hoge mate van zekerheid vaststaat dat geen sprake is van belanghebbendheid. In een nog te volgen bodemprocedure kan dienaangaande dan een finaal oordeel worden geveld. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoekster sub 1b werkzaamheden ontplooit ter uitvoering van de in geding zijnde doelstelling.

11.2.3

Verder merkt de voorzieningenrechter in aanvulling op vorenstaande op dat niet wordt aangenomen dat verzoekster sub 1b als (ideële) stichting kan opkomen voor de individuele belangen van (alle) omwonenden. Zij is slechts belanghebbend daar waar het gaat om de vraag of in zijn algemeenheid het door verweerder sub 1 gevoerde geluidsbeleid en de in dat kader gehanteerde uitgangspunten en gestelde geluidsnormen, maken dat geluidsoverlast door een evenement in het gebied van De Groene Ster in eerder genoemde zin voldoende wordt tegengegaan. Meer concreet gaat het dan om de vraag of de (algemeen) gestelde dB(A)/dB(C)-normen, zoals die bijvoorbeeld gelden op de gevel van woningen of Front of House, door verweerder sub 1 mogen worden gehanteerd.

11.2.4

Vervolgens wordt ten aanzien van de door beide verzoeksters verzochte voorlopige voorziening inhoudelijk het volgende overwogen.

11.3

Aan het bestreden besluit II heeft verweerder sub 1 ten grondslag gelegd dat in de geluidsontheffing voor het ten gehore brengen van muziek gedurende het evenement geluidsgrenswaarden zijn opgelegd die gelden op meerdere referentiepunten voor de in de ontheffing weergegeven data en periodes. Verweerder sub 1 heeft de aanvraag getoetst aan de Beleidsregel geluid 2018, Evenementen in de open lucht (hierna: de Beleidsregel) en daarbij is gebleken dat uit het akoestisch onderzoek van DGMR volgt dat aan die normen kan worden voldaan. Verder wijst verweerder sub 1 erop dat in voormelde Beleidsregel is aangesloten bij de Wm, de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter”, opgesteld door de Inspectie Milieuhygiëne Limburg (hierna: de Nota Evenementen) en eerdere gerechtelijke uitspraken.

11.4

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder sub 1, gelet op artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (APV), in beginsel bevoegd is van het in dat artikel neergelegde verbod ontheffing te verlenen. Deze bevoegdheid kent een ruime beleidsvrijheid, waarbinnen verweerder sub 1 de belangen die bij het verlenen van een ontheffing zijn betrokken tegen elkaar afweegt. Deze vrijheid om, binnen de grenzen van de wettelijke bepaling, naar eigen inzicht uitvoering te geven aan die bevoegdheid is echter niet onbeperkt, maar vindt zijn grens in een voor omwonenden qua geluid te bieden beschermingsniveau dat valt te kwalificeren als niet kennelijk onredelijk.

11.5

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat verweerder sub 1 de geluidsontheffing heeft verleend op basis van de Beleidsregel. Het uitgangspunt van de Beleidsregel is dat geen onduldbare overlast ontstaat in de woningen van omwonenden. Met de Beleidsregel beoogt verweerder sub 1 (vrijwel) dezelfde bescherming te bieden als de landelijk als richtlijn aanvaarde Nota Evenementen. De Beleidsregel houdt in dat de organisator van het festival het volume van de verschillende podia/tenten zodanig dient aan te passen dat de geluidsdruk op de referentiepunten de vastgestelde geluidsgrenswaarden niet overschrijdt.

11.6 .1

De Nota Evenementen geeft een handreiking aan gemeenten voor het ontwikkelen van beleid ten aanzien van evenementen, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken van ernstige en onduldbare geluidsoverlast. De Nota Evenementen richt zich daarbij op het waarborgen van de spraakverstaanbaarheid in de woning overdag en in de avond en het vermijden van slaapverstoring in de nacht.

11.6.2

Uitgangspunt van de Nota Evenementen is een normstelling die is gericht op bescherming van de binnenruimte van de in de omgeving gelegen geluidsgevoelige objecten tegen geluidshinder. Ook schetst de Nota Evenementen de gevolgen indien het geluid in de woning toeneemt. Indien het geluidsniveau binnen in de woning stijgt boven 40 dB(A) zal dat tot gevolg hebben dat de bewoners van die woning daardoor “luider” moeten gaan spreken om verstaanbaar te zijn. Een “stoor” geluid van 50 dB(A) in de woning is volgens de Nota Evenementen een dusdanige ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer, dat hier de grens zou moeten liggen van wat in redelijkheid van een omwonende gevraagd kan worden te accepteren. In de Nota Evenementen is een waarde van 50 dB(A) in de woning daarom aangemerkt als de grens waarboven geluid als “onduldbaar” moet worden gekwalificeerd. De kwalificatie van de hinder bij de verschillende overschrijdingen van het referentieniveau binnen in de woning en van de overschrijding van de absolute waarde van 50 dB(A), is opgenomen in de ‘Hinderkwalificatietabel’ op bladzijde 7 van de Nota Evenementen. Omdat de achtergrondniveaus in woningen nogal kunnen variëren, wordt in het algemeen uitgegaan van een vaste waarde van 35 dB(A) etmaalwaarde, zoals in tabel 1 op bladzijde 8 van de Nota Evenementen is aangegeven. Rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 à 25 dB(A) leidt deze benadering volgens de Nota Evenementen tot maximaal toelaatbare gevelbelastingen, berekend volgens één-minuut LAeq, zoals die in tabel 2 op bladzijde 9 van de Nota Evenementen zijn aangegeven. Een overschrijding van de absolute waarde van 50 dB(A) in de woning, wordt in deze tabel geclassificeerd als onduldbare overlast.

11.6.3

Indien de geluidsisolatie van gevels lager is dan volgens de waarden in de bovengenoemde tabel, kunnen de geluidsgrenswaarden voor de maximale gevelbelasting volgens de Nota Evenementen worden verlaagd met 5 tot 10 dB. Andersom geldt dat indien de geluidsisolatie hoger is, de waarden kunnen worden verhoogd. Dit maakt dat inzicht in de akoestische eigenschappen van de gevels van woningen, zoals de mate van isolatie, kierdichting e.d., relevant is voor de door verweerder sub 1 op te leggen geluidsnormen.

11.6.4

Voor het bereiken van de mentale belastbaarheidsgrens voor personen zijn volgens de Nota Evenementen naast de mate van de geluidshinder per evenement, ook factoren zoals het aantal muziekevenementen per jaar en het aantal dagen per muziekevenement van belang.

11.7

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder sub 1 met de verwijzing naar de Beleidsregel en de Nota Evenementen in dit geval geen kennelijk onredelijke invulling van zijn beleidsvrijheid gegeven. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van 13 juli 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), gepubliceerd op www.raadvanstate.nl onder het nummer ECLI:NL:RVS:2016:1976.

11.8

Verzoeksters betogen dat het DGMR-rapport met betrekking tot evenementen in De Groene Ster ondeugdelijk is. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat DGMR op pagina 10 van dit rapport stelt dat ‘House’ het spectrum is dat de evenementen in De Groene Ster produceren. Vervolgens wordt dat spectrum gebruikt om berekeningen uit te voeren en de geluidgrenswaarden op te baseren. Uit de toelichting in de bijlage van het rapport blijkt volgens verzoeksters echter de fout in deze aanname. Uit metingen van de gemeente (Munisense) en inschattingen van DGMR zelf blijkt dat "Front of House" (FoH) het spectrum van de drie evenementen wisselt tussen house en ultra Bass. Volgens de richtlijnen van de Nederlandse Stichting Geluid (de NSG) moet naar de mening van verzoeksters voor het bepalen van een spectrum van een evenement ten minste tien metingen op het FoH worden verricht. En volgens de StAB en de NSG moet voor het bepalen van de mate van overlast voor omwonenden gerekend worden met het worst case scenario. Dat betekent in de visie van verzoeksters dat in dit geval gebruik moet worden gemaakt van het spectrum ultra bass. Datzelfde volgt volgens verzoeksters ook uit de conclusie in een eerdere uitspraak van deze rechtbank dat de geluidgrenswaarden op de gevel gezien moeten worden als “never exceed”.

11.9

De voorzieningenrechter beperkt zich tot de vraag of onduldbare hinder voor omwonenden (in omliggende woningen in het algemeen en dat van verzoekster sub 1a in het bijzonder) ontstaat door het evenement. Ten aanzien van deze vraag heeft de voorzieningenrechter de StAB om advies gevraagd. De StAB heeft op 31 juli 2018 zijn rapport uitgebracht.

11.10.1

Met betrekking tot de dag- en verlengde avondperiode geeft de StAB in zijn rapport van 31 juli 2018 - onder meer en samengevat - aan dat in de Beleidsregel en de geluidsontheffing voor het evenement een beoordeling van de bastonen van de muziek in de omliggende woning(en) van het evenemententerrein De Groene Ster ontbreekt. Vervolgens geeft de StAB aan dat zij heeft aangesloten bij onderzoek van de gemeente Amsterdam voor haar beleidsregel geluid 2018. De gemeente Amsterdam is na ruime evaluaties van metingen bij evenementen aan de hand van met name de muziekspectra en geluidwering van woningen door een expertgroep gebleken dat met een gevelwaarde van maximaal 85 dB(C) beneden het 50 dB(A) niveau wordt gebleven in woningen. In de beleidsregel in Amsterdam is aangegeven dat in vergelijking met het oude beleid, waarin een maximale waarde van 70 dB(A) aan de gevel dikwijls als maximale waarde werd vergund, de norm van maximaal 85 dB(C) strenger en beter gericht is op het beperken van overlast door lage tonen. Vervolgens geeft de StAB aan dat in de geluidsontheffing voor het evenement in voorschrift 2.1 ter plaatse van de woning van verzoeksters sub 1a grenswaarden voor de dag- en (evt. verlengde) avondperiode zijn vastgelegd van 60 dB(A) respectievelijk 81 dB(C). Deze waarden liggen beduidend lager dan de maxima uit de beleidsregel van Leeuwarden van 70 dB(A) en 95 dB(C) en de 81 dB(C) is ook lager dan het maximum dat de gemeente Amsterdam in haar beleidsregel hanteert - te weten 85 dB(C) - bij het beperken van overlast door lage tonen. Gelet hierop overweegt de StAB dat het erop lijkt dat met de opgelegde grenswaarden bij de woníng van verzoekster sub 1a bij naleving daarvan geen sprake lijkt te zijn van onduldbare hinder.

11.10.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan het advies van de StAB ten aanzien van de door verweerder opgenomen geluidsnormen voor de dag- en verlengde avondperiode te twijfelen. Gelet op dit advies is er voor de woning van verzoekster sub 1a, gelet op de door verweerder sub 1 in voorschrift 2.1 bij de geluidsontheffing opgenomen geluidsnormen, geen sprake van onduldbare hinder. Dat uit het rapport van de StAB blijkt dat voor een aantal andere meetpunten wel in beperkte mate sprake is van overschrijding van de geluidsnormen, brengt de voorzieningenrechter niet tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu het belang van verzoekster sub 1a niet ziet op deze geluidsnormen en voor verzoekster sub 1b geldt dat voor haar evenmin een onomkeerbare situatie dreigt die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening. Verwezen wordt daarbij naar haar statutaire doelstelling, zoals aangegeven in rechtsoverweging 11.2.3. Gelet op het vorenoverwogene ziet de voorzieningenrechter ten aanzien van de dag- en verlengde avondperiode geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of het treffen van een andere maatregel.

11.11

Ten aanzien van de nachtperiode geeft de StAB in zijn rapport van 31 juli 2018 aan dat de Nota Evenementen voor de nachtperiode ter voorkoming van slaapstoornissen uit gaat van een waarde in de woning van 25 dB(A), waardoor in de nachtperiode slechts "achtergrondmuzíek" ten gehore mag worden gebracht. Vervolgens overweegt de StAB dat het in het onderhavige geval niet gaat om achtergrondmuziek, nu duidelijk is dat het hier gaat om muziek met het doel om daar juist direct en bewust naar te luisteren en op te dansen. Hierbij heeft de StAB aangegeven dat dit ook blijkt uit het feit dat die muziek

veel informatie (bassen) bevat gezien het verschil tussen het dB(A)- en het dB(C)-niveau van 19 dB ter hoogte van de twee podia (FoH) die in de nacht in gebruik zijn. In voorschrift 2.l bij de geluidsontheffing zijn bij referentiepunt 6 op korte afstand van de woning van verzoekster sub 1a grenswaarden vastgelegd van 40 dB(A) en 63 dB(C). Hierbij bedraagt het verschil 23 dB. Het laatstgenoemde verschil betekent, aldus de StAB, dat in de woning, zelfs bij dichte ramen, muziekgeluidniveaus zullen worden waargenomen die overwegend lage bastonen bevatten. De niveaus zijn zodanig en de informatie is zo rijkelijk dat 's nachts, ondanks dat sprake is van een waarde nabij de gevel van iets minder dan 40 dB(A) welke binnen de bandbreedte van de Nota Evenementen valt, sprake zal zijn van ernstíge slaapverstoring, hetgeen, aldus de StAB, zou moeten worden aangeduid als onduldbare hinder. Vervolgens geeft de StAB aan dat met een vastgelegd niveau van 63 dB(C) op referentiepunt 6 naar verwachting niet aan de grenswaarde van 25 dB(A) uit de Nota Evenementen in de woning van verzoekster sub 1a zal kunnen worden voldaan. Ten slotte geeft de StAB aan dat ter voorkoming van slaapverstoring vanwege de bassen het verschil

tussen het dB(A) en dB(C)-niveau zeer sterk zal moeten worden gereduceerd. Hetgeen

echter betekent dat de gewenste muziekoptredens niet mogelijk zijn omdat de maatgevende bassen die juist zo kenmerkend zijn voor die specifieke muziek nagenoeg wegvallen.

11.12.1

Verzoekster sub 1a geeft in reactie op het rapport van de StAB - onder meer en samengevat - allereerst aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de maatgevende geluidwerking in de woning van verzoekster sub 1a. Hierbij heeft verzoekster sub 1a aangegeven dat uit het rapport van FUMO van 28 juni 2017 blijkt dat de maatgevende geluidwering voor haar woning is bepaald op 15 dB en niet op 20-25 dB(A) waar de StAB van uit lijkt te gaan. Daarnaast geeft verzoekster sub 1a aan dat verweerder sub 1 zich niet op het rapport van DGMR heeft mogen baseren, nu DGMR van een onjuist muziekspectrum is uitgegaan. Vervolgens geeft verzoekster sub 1a aan dat de StAB ten onrechte de invloed van andere geluidsbronnen dan versterkt muziekgeluid niet bij de geluidgrenswaarden heeft betrokken. Ten slotte onderschrijft verzoekster sub 1a de conclusie van de StAB dat er in de nacht sprake is van onduldbare hinder.

11.12.2

In haar reactie van 3 augustus 2018 heeft verzoekster sub 1b haar verzoekschrift, naar aanleiding van het rapport van de StAB, aangevuld. Zo verzoekt verzoekster sub 1b onder meer om aangepaste geluidwaarden voor het binnenniveau, om de geluidsgrenswaarden op de referentiepunten als maatgevend voor handhaving te stellen, aanpassing van de geluidsgrenswaarde voor de Main Stage, het opnemen van BBT-maatregelen in de geluidsontheffing, alsmede het verbieden van het produceren van muziekgeluid tijdens de nachtelijke uren.

11.12.3

Verweerder sub 1 geeft in zijn reactie van 3 augustus 2018 concluderend aan dat er vanuit akoestisch oogpunt geen reden is om de geluidsontheffing voor de nachtperiode te wijzigen. Hiertoe heeft verweerder sub 1 - onder meer en samengevat - aangegeven dat de muziek van het evenement zich kenmerkt door laagfrequent geluid, waarvan van deze lagere frequenties het de 63 hertz frequentieband is die bij de woning van verzoekster sub 1a overblijft. Het geluiddrukniveau van het geluid in de 63 hertz band in de woning van verzoekster sub 1a ligt, aldus verweerder sub 1, onder de gehoorgrens. Hierbij heeft verweerder sub 1 de door de FUMO voor de woning van verzoekster sub 1a berekende geluidsisolatie voor de 63 hertz band betrokken. Ten slotte heeft verweerder aangegeven dat een eventueel hoorbaar geluid vooral uit de 125, 250 en 500 hertz band zal komen, maar dat dat dan zeker geen hogere binnenwaarde dan 25 db(A) zal opleveren.

11.3

De StAB gaat in zijn nadere rapportage van 6 augustus 2018, naar aanleiding van de reacties van partijen op het StAB rapport van 31 juli 2018 ten aanzien van de geluidsontheffing - onder meer en samengevat - met name in op de vraag of de bastonen in de woning van verzoekster sub 1a hoorbaar kunnen zijn. Hierbij is de StAB ingegaan op de muziekspectra house en ultra bass en is de StAB uitgegaan van een geluidsniveau op de gevel van de woning van verzoekster sub 1a, zoals opgenomen in de geluidsontheffing. De StAB geeft aan dat de conclusie op basis van de gehoordrempel is dat in de 63 hz en 125 hz octaafband bij zowel open als gesloten ventilatievoorzieningen de muziek goed hoorbaar zal zijn. Ten slotte is de StAB ingegaan op het meten van een geluidsniveau binnen in de woning. Concluderend geeft de StAB aan dat een aantal waarden in de specifieke octaafband van 63 hz en 125 hz uit komt boven de 25 dB(A). Hierbij heeft de StAB aangegeven dat sommatie met een andere octaafband sowieso leidt tot een hogere waarde dan 25 dB(A).

11.4 .1

De voorzieningenrechter acht het, gelet op het advies van de StAB dat wordt gevolgd, aangewezen om ten aanzien van de door verweerder sub 1 verleende geluidsontheffing voor de nachtperiode een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit het rapport van de StAB blijkt dat de in tabel 2 bij voorschrift 2.1 van de geluidsontheffing opgenomen geluidsnormen voor de nachtperiode zodanig zijn dat, bij de woning van verzoekster sub 1a, sprake zal zijn van (ernstige) slaapverstoring. Hetgeen volgens de StAB kan worden aangeduid als onduldbare hinder. Hierbij heeft de StAB aangegeven dat ter voorkoming van slaapverstoring vanwege de bassen het verschil tussen het dB(A) en dB(C) niveau zeer sterk zal moeten worden gereduceerd, maar dat dit betekent dat de gewenste muziekoptredens niet mogelijk zijn omdat de maatgevende bassen, die juist zo kenmerkend zijn voor die specifieke muziek, nagenoeg wegvallen. Ter zitting is door de derde-partij, zijnde de organisator van het evenement, verklaard dat het geluidsniveau in de nachtperiode kan worden aangepast zonder dat daarmee het karakter van het evenement wordt aangetast. Op 8 augustus 2018 heeft de voorzieningenrechter telefonisch contact gehad met de StAB en hierbij heeft de voorzieningenrechter de StAB verzocht om aan te geven in hoeverre de dB(A) en dB(C) normen, gemeten op het meetpunt FoH, voor de nachtperiode bijgesteld moeten worden om - in ieder geval - bij de woning van verzoekster sub 1a onder de vereiste binnenwaarde van 25 dB(A) uit te komen. In reactie hierop heeft de StAB aangegeven dat bij een vastgestelde geluidsnorm van 75 dB(A) en 86 dB(c) in de nachtperiode, gemeten FoH, met een redelijke mate van zekerheid gesteld kan worden dat in de woning van verzoekster sub 1a onder de binnenwaarde van 25 dB(A) gebleven wordt.

11.4.2

Gelet op dit nadere advies van de StAB acht de voorzieningenrechter het aangewezen om de in tabel 2 bij voorschrift 2.1 van de verleende geluidsontheffing opgenomen geluidswaarden voor de nachtperiode, gemeten FoH, vast te stellen op 73 dB(A) en 76 dB(C). Hierbij zij opgemerkt dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet - mede gelet op het vol continue karakter van het evenement, de noodzaak tot het af en toe ventileren van de woning via ventilatieroosters en het volgen van een worst case scenario (muziekspectrum) - een extra veiligheidsmarge in te bouwen waardoor uitgaande van het rapport van de StAB met zekerheid mag worden aangenomen dat geen slaapverstoring optreedt.

12.1

Gelet op al het bovenstaande worden de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening inzake de verleende geluidsontheffing gedeeltelijk toegewezen.

12.2

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder sub 1 in de door verzoekster sub 1a gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, 0,5 punt voor een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-- en wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door verzoekster 1a betaalde griffierecht van € 170,-- en het door verzoekster 1b betaalde griffierrecht van € 338,-- aan hen te vergoeden.

Rechtsoverwegingen ten aanzien van de evenementenvergunning en ontheffing Zondagswet

13.1

Tussen partijen is in geschil of verweerder sub 2 in dit geval in redelijkheid een evenementenvergunning voor het evenement in het gebied De Groene Ster heeft kunnen verlenen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

13.2

Aan het bestreden besluit III heeft verweerder sub 2 ten grondslag gelegd dat, onder het stellen van voorschriften aan de evenementenvergunning, geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 9 van de Tijdelijke evenementenregeling juncto artikel 1:8 van de APV aanwezig zijn. Hierbij heeft verweerder sub 2 aangegeven dat hij een vergunning op grond van artikel 9, tweede lid, van de Tijdelijke evenementenregeling kan weigeren indien een aantal specifieke weigeringsgronden van toepassing zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 van de APV. Hierbij heeft verweerder sub 2 aangegeven dat ten aanzien van de in artikel 1:8 van de APV genoemde belangen onder andere in het draaiboek en het Veiligheids- en calamiteitenplan maatregelen ter waarborging daarvan zijn genomen en dat aan de evenementenvergunning, de tijdelijke omgevingsvergunning en de geluidsontheffing voorschriften zijn verbonden.

13.3

Verzoekster sub 1b betoogt - naar de voorzieningenrechter begrijpt - met name dat door het verlenen van de evenementenvergunning een onevenredig beslag op het recreatiegebied De Groene Ster wordt gelegd en de (natuurlijke) waarden van dat gebied te zeer worden aangetast.

13.4.1

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in artikel 9 van de Tijdelijke evenementenregeling, in samenhang gelezen met artikel 1:8 van de APV, neergelegde vergunningenstelsel strekt ter bescherming van specifiek genoemde belangen. Bij zijn besluitvorming om wel of geen evenementenvergunning te verlenen, dient verweerder sub 2 rekening te houden met de betrokken algemene belangen, de belangen van de aanvrager en van de omwonenden in het licht van artikel 1:8 van de APV, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Tijdelijke evenementenregeling. De voorzieningenrechter dient zich bij de beoordeling van die belangenafweging terughoudend op te stellen en dient te toetsen of het bestreden besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel dat sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder sub 2 niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

13.4.2

De voorzieningenrechter stelt gelet op vorenstaande vast dat hetgeen onder rechtsoverweging 13.3 staat aangegeven als verzoekgrond voor het treffen van een voorlopige voorziening, niet rechtstreeks valt terug te voeren op hetgeen in voornoemde artikelen als een weigeringsgrond voor het verlenen van een evenementenvergunning staat aangegeven. Gelet op wat voor het overige in het verzoekschrift naar voren is gebracht, zal de voorzieningenrechter aandacht besteden aan de gronden genoemd in artikel 1.8, sub d, van de APV en artikel 9, tweede lid, sub a en c, van de Tijdelijke evenementenregeling.

13.4.3

In het kader van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Tijdelijke evenementenregeling dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verweerder sub 2 zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het evenement niet in strijd is met het karakter of de bestemming van de locatie. Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Tijdelijke evenementenregeling dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden gelezen in het kader van de belangen die de APV beoogt te beschermen en zoals die zijn neergelegd in artikel 1.8 van de APV. Gelet daarop dient onder het begrip bestemming in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Tijdelijke evenementenvergunning niet de bestemming in de zin van het bestemmingsplan te worden verstaan. Strijd met de bestemming zoals die is verwoord in het bestemmingsplan levert om die reden geen weigeringsgrond op. Daarvan kan eerst sprake zijn indien de voor het evenement aangewezen locatie qua karakter of wijze waarop die is bestemd c.q. wordt gebruikt, maakt dat de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu gevaar loopt. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor kortheidshalve ook naar de bij partijen bekende uitspraak aangaande het evenement 'Welcome to the village' en de daarin aangegeven jurisprudentie.

13.4.4

Ook de uit laatstgenoemde uitspraak volgende definitie van het in artikel 1.8, sub d, van de APV gebezigde begrip milieu, wordt door de voorzieningenrechter in de onderhavige zaak onverkort gevolgd, hetgeen impliceert dat daaronder niet valt de bescherming van natuurwaarden waarop (met name) als lex specialis de Wnb ziet. Het gaat bij dit begrip om het woon- en leefmilieu van met name omwonenden van het voorgenomen evenement.

13.4.5

Gelet op het Veiligheids- en calamiteitenplan met bijlagen wordt voorts geen aanleiding gezien om aan te nemen dat het bepaalde in artikel 9, tweede lid, sub a, van de Tijdelijke evenementenregeling zich voordoet. Weliswaar ziet de gemeente Leeuwarden zich in de hier aan de orde zijnde periode geconfronteerd met twee (omvangrijke) evenementen, doch mede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht van de kant van verweerder sub 2 moet worden aangenomen dat de gemeentelijke diensten, met inbegrip van de gemeentelijke hulpdiensten, daarop berekend zijn.

13.4.6

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder sub 2 zich, gelet op het beoordelingskader en de aan hem toekomende beoordelingsruimte, dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het evenement geen strijd oplevert met de in artikel 1.8, van de APV en artikel 9, van de Tijdelijke evenementenregeling genoemde belangen. Het door verzoekster sub 1b aangevoerde maakt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet dat verweerder sub 2 in het kader van de door hem te verrichten belangenafweging tot weigering van de evenementenvergunning had dienen over te gaan. Het treffen van een voorlopige voorziening is om die reden dan ook niet aan de orde.

14. Bij het bestreden besluit III heeft verweerder sub 2 eveneens ontheffing verleend van het verbod ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet. Hierbij heeft verweerder sub 2 aangegeven dat op zondag 22 juli 2018 gedurende de tijd na 13:00 uur gerucht mag worden verwekt dat op een afstand van meer dan 200 meter van het punt van de geluidsbron hoorbaar is. Met betrekking tot deze ontheffing merkt de voorzieningenrechter op dat vorengenoemde datum thans niet in geschil is. Zoals bekend wordt verondersteld vindt het thans in geding zijnde evenement, plaats van 15 augustus tot en met 19 augustus 2018. De verleende ontheffing op grond van artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet ziet daar niet op. Een voorlopige voorziening als verzocht hoeft reeds om die reden niet te worden getroffen.

15. Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening inzake de verleende evenementenvergunning dan wel de verleende ontheffing van het verbod ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet.

16. De verzoekschriften van verzoeksters bevatten voor het overige een aantal onderwerpen die zich niet lenen voor een beoordeling in de onderhavige procedure en waarvan de spoedeisendheid niet of onvoldoende is gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken met zaaknummers LEE 18/2047 en LEE 18/2091 af;

- wijst de verzoeken met zaaknummers LEE 18/2054 en LEE 18/2090 toe in die zin dat:

- het geluidsniveau voor de nachtperiode voor de podia 'Alternative' en 'Chill-out',

zoals neergelegd in tabel 2 van voorschrift 2.1, op meetpunt Front of House wordt

vastgelegd op 73 db(A) en 76 dB(C);

- wijst de verzoeken voor het overige af;

- draagt verweerder sub 1 op het betaalde griffierecht van in totaal € 508,--, zijnde

€ 170,-- (verzoekster sub 1a) en € 338,-- (verzoekster sub 1b) aan verzoeksters te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster sub 1a tot een bedrag van € 1.252,50;

- wijst het verzoek met zaaknummer LEE 18/2057 af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE - Wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. (..)

e. (..)

f. (..)

g. (..)

h (..)

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. (..)

b. (..)

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. (..)

e. (..)

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. (..)

c. (..)

d. (..)

Artikel 2.20a

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Artikel 2.27, eerste lid en derde lid

1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.

Artikel 3.11, eerste lid en derde lid

1. Het bevoegd gezag zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.

3. Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens artikel 2.26 aangewezen adviseurs kunnen mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.

Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 2.7, tweede en derde lid

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:

a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of

b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.

Artikel 2.8, eerste en derde lid

1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Artikel 3.5, eerste en tweede lid

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 2.2aa, aanhef en onder b

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Artikel 2.7

Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Bestemmingsplan "Leeuwarden - Recreatiegebied Groene Ster"

Artikel 6.1

De voor ''Natuur'' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden;

b. droge en (half)natte ruigvegatieve terreinen;

c. water;

d. groenvoorzieningen;

e. bebossing;

f. recreatief medegebruik;

g. gebouwen ten behoeve van het beheer en onderhoud;

h. een molen ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van natuur - molen'';

met daaraan ondergeschikt:

i. groenvoorzieningen;

j. paden;

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 6.4

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de bestemming;

b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 7.1

De voor ''Recreatie - Dagrecreatie'' bestemde gronden zijn bestemd voor:

a. extensieve dagrecreatie;

b. water;

c. strandoevers;

d. (schier)eiland(en);

e. groenvoorzieningen;

f. bebossing;

g. een gemeentewerf, ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van recreatie -

gemeentewerf'';

h. een gebouw ten behoeve van een horecabedrijf categorie 3;

i. gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen;

j. een midgetgolfbaan, ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van recreatie -

midgetgolfbaan'';

met daaraan ondergeschikt:

k. paden;

l. parkeervoorzieningen;

m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 7.5

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. de opslag van aan hun gebruik onttrokken voer- of vaartuigen, werktuigen of machines of onderdelen daarvan, verpakkingsmaterialen, bouwmaterialen, bagger en grondspecie, afval, puin, grind of brandstoffen, anders dan in verband met normaal onderhoud of ter verwezenlijking van de bestemming;

b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 19, onder a en b, aanhef en onder vier

a. Het is op grond van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen volgens de artikelen 3 tot en met 16.

b. Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in lid a wordt in ieder geval gerekend:

4. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Ingevolge het bepaalde onder b, aanhef en onder vier wordt tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in lid a, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (APV)

Artikel 1:4, eerste lid

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Artikel 1:8

De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Artikel 4:6, eerste, tweede en derde lid

1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

Tijdelijke evenementenregeling Leeuwarden 2018

Artikel 1

In deze regeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek, al dan niet met enige beperkingen, toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

a. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt;

b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden;

c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d. activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn;

e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9, 2:39 en 2:26f van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden;

g. voetbalwedstrijden als bedoeld in artikel 2:26 en verder van de Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden.

Artikel 2, eerste en derde lid

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

3. Met het oog op de in artikel 9 van deze regeling en de in artikel 1:8 Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden genoemde belangen, kan de burgemeester over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen.

Artikel 9, eerste en tweede lid

1. De vergunning wordt geweigerd, indien:

a. niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 5 of

b. niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 6 gestelde eisen;

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 Algemene plaatselijke verordening Leeuwarden kan de vergunning worden geweigerd, indien:

a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten;

b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

c. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

d. herhaaldelijk gegronde klachten worden ingediend met betrekking tot een evenement of organisator of;

e. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 7 reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan;

f. het een evenement van meer dan 300 bezoekers betreft en niet voldaan is aan de eisen van artikel 7;

g. tegen de organisator in de afgelopen 3 jaar een bestuurlijke sanctie is genomen of anderszins maatregelen noodzakelijk waren.

Beleidsregel geluid 2018, Evenementen in de open lucht

Paragraaf 4.2

Begintijden

Een geluidsontheffing kan worden verleend vanaf 7:00 uur. Vanaf dit tijdstip begint de dagperiode, mag er meer geluid geproduceerd worden en is slaapverstoring geen beoordelingsaspect. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Wet milieubeheer.

Eindtijden

Op zondag tot en met donderdag kan een geluidsontheffing worden verleend tot 23:00 uur.

Op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag kan een geluidsontheffing worden verleend tot 24:00 uur.

Hierbij geldt dat;

• van oudsher voor dorpsfeesten op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag een geluidsontheffing kan worden verleend tot 2:00 uur en de overige dagen tot 24:00 uur.

• voor evenementen in De Groene Ster op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag een geluidsontheffing kan worden verleend tot 1:00 uur. De overige dagen is de eindtijd 23:00 uur.

• Met de eindtijd van 1 uur wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Nota Limburg die voordagen waarop een vrije dag volgt het tijdstip waarop de normstelling voor de nachtperiode ingaat, met 1 of 2 uur wordt verschoven naar respectievelijk 24:00 en 1:00 uur. Uit onderzoek blijkt dat dit ook de dagen zijn waarop mensen vaak later naar bed gaan. Met deze eindtijd wordt tegemoetgekomen aan de maatschappelijke behoefte om in de weekenden tot een later tijdstip dan 23:00 uur, geluid bij evenementen ten gehore te brengen. Doordat de dagen met een eindtijd tot 1:00 uur beperkt zijn tot de weekenden en dagen gevolgd door een officiële feestdag vinden wij de overlast die dit met zich mee kan brengen acceptabel.

• op basis van de Zondagswet voor een zondag en met de zondag gelijkgestelde dagen een geluidsontheffing kan worden verleend vanaf 13:00 uur.

Standaard rustperiode geluid

Bij evenementen die daags na elkaar op dezelfde locatie plaatsvinden moet er tussen de eindtijd en de begintijd minimaal 8 uren zitten. Dit is een aaneengesloten rustperiode. Dit betekent dat bij een eindtijd van 23:00 uur op de volgende dag een begintijd van 7:00 uur mogelijk is. Is de eindtijd 1:00 uur dan is een begintijd de aansluitende ochtend van 9:00 uur mogelijk.

Ontheffing rond tijden van het geluid bij een meerdaags evenement in De Groene Ster

Een geluidontheffing voor een meerdaags evenement in De Groene Ster wordt verleend binnen de volgende normen:

• de geluidsontheffing kan voor maximaal vijf dagen worden verleend.

• de periode tussen de verlening van elkaar opvolgende geluidsontheffingen moet minimaal twee weekenden zonder geluid bevatten.

• de geluidsontheffing kan worden verleend na de reguliere eindtijd van 23:00 of 1:00 uur.

• op zondag wordt de geluidsontheffing tot uiterlijk 23.00 uur verleend.

• In de nachtperiode op de maandag tot en met donderdag geldt een standaard aaneengesloten rustperiode van 9 uren. Deze aaneengesloten rustperiode bedraagt voor de nacht van vrijdag op zaterdag minimaal 8 uren; voor de nacht van zaterdag op zondag minimaal 12 uren. Gedurende deze rustperiode is het lagere geluidsniveau van kracht zoals beschreven onder

Toelichting

Met de tijden van het geluid wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Wet milieubeheer en de Nota Limburg met uitzondering van de plaatselijke dorpsfeesten, waar gelet op de uitgangspunten van de Nota Limburg, 1 uur extra geluidsruimte wordt geboden. Dit vanwege het sterke plaatselijke draagvlak (veel bezoekers komen uit het dorp/omgeving van het dorp) en de maatschappelijke behoefte om op dergelijke wijze evenementen te kunnen organiseren.

Bij het kiezen van de begin- en eindtijden van het geluid bij evenementen is daarnaast gekeken naar de maatschappelijke aanvaardbaarheid. Uit onderzoek van Chrono@work blijkt dat de meeste mensenrond 23:00 uur naar bed gaan en in het weekend ongeveer 1 uur later. Het verschuiven van de eindtijd in de weekenden en dagen waarop een officiële feestdag volgt vinden wij daarom acceptabel.

Bij meerdaagse evenementen in De Groene Ster stellen wij geen limiet aan de eindtijd en kan het evenement met een lagere geluidsnorm (achtergrondmuziek) doorgaan. Aangezien geen slaapverstoring optreedt, worden deze uren als rustperiode beschouwd. De meerdaagse evenementen in De Groene Ster hebben een dag-/avond- en nachtprogrammering en passen qua aard en omvang niet altijd in het strakke regime van een volledig verbod op versterkte muziek om 23:00 of 01:00 uur. Om met de regelgeving aangaande de tijden en geluidsnormeringen om te gaan en te zoeken naar creatieve oplossingen, zoals een silent disco of een 100 volt systeem, wordt de ruimte geboden om voor de nachtperiode aan te sluiten bij de nachtnormen uit de Nota Limburg. Op deze manier willen we onderzoeken hoe voor zowel de evenementen-organisatoren als de omwonenden een algemeen aanvaardbare modus kan worden gevonden ten aanzien van het hinderaspect

Meerdaagse evenementen in De Groene Ster moeten op een zondag 23:00 uur eindigen. Dit omdat uitmeldingen over geluidsoverlast over De Groene Ster is gebleken dat de verwachting van omwonenden is dat het muziekgeluid bij een meerdaags evenement op een zondag stopt. Dat het op maandag doorgaat wordt vaak als zeer hinderlijk ervaren, ook omdat men dan vaak weer aan het werk moet.

Alles afwegende zijn wij van mening dat de gekozen tijden van het geluid bij evenementen niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder voor de omgeving.

Paragraaf 4.3

Op de gevel van gevoelige gebouwen

Voor de dag- en avondperiode is een maximaal geluidsniveau van 75dB(A) en 95 dB(C) toegestaan.

Voor de nachtperiode is een maximaal geluidsniveau van 45 dB(A) en 70dB(C) toegestaan.

Front of house

Er is een maximaal geluidsniveau van 103 dB(A) toegestaan.

Er is een maximaal geluidsniveau van 113 dB(C) toegestaan.

Hierbij geldt dat;

• voor de binnenstedelijk gebieden, als ook in de dorpen, een maximaal geluidsniveau wordt toegestaan van 85 dB(A). Door de ligging van geluidgevoelige gebouwen dicht bij de podia is het hanteren van de norm van 75 dB(A) vaak onvoldoende om het evenement doorgang te laten vinden. Daarom is in deze gebieden een extra ruimte van maximaal 10 dB(A) toegestaan.

• Deze verruiming van 10 dB(A) vinden wij toelaatbaar omdat de evenementen beperkt zijn in aantal (12 dagen-regeling), beperkt zijn in tijd (niet voortduren in de nachtperiode) en een belangrijke functie hebben voor de stad/omgeving.

• Daarnaast blijft de normstelling van 95 dB(C) onverkort van kracht en dienen deze evenementen gebruik te maken van BBT (Best Beschikbare Technieken) om geluidshinder zoveel als mogelijk te beperken.

• in de Prinsentuin van oudsher de geluidsbelasting vanwege een evenement maximaal 75 dB(A) ter plaatse van de dichtstbij gelegen geluidgevoelige objecten bedraagt. Dit staat ook in de Beheersverordening Leeuwarden-Prinsentuin (februari 2016).

• bepaalde evenementen, zoals een braderie of een sportevenement met een lagere geluidsnorm toe kunnen dan een muziekevenement. De muziek is ondersteunend aan het evenement en meer bedoeld als sfeermuziek. Ook de verslaggeving door speakers bij een sportevenement is prima mogelijk bij een lagere geluidsnorm. Bij dergelijke evenementen speelt de invloed van basgeluiden een minder grote rol en daarom wordt hiervoor geen dB(C) norm opgelegd.

• geluid afkomstig van op- en afbouwwerkzaamheden ten behoeve van evenementen wordt beoordeeld overeenkomstig het ‘Bouwbesluit 2012’ en de ‘Beleidsregel geluidhinder bij bouw en sloopwerkzaamheden en overige tijdelijke werkzaamheden gemeente Leeuwarden 2014’. Geluid afkomstig van overige toestellen, zoals aggregaten, wordt beoordeeld overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Geluidsnormen bij (meerdaagse) evenementen in De Groene Ster

Dag en avondperiode

Maximaal 70 dB(A) en 95 dB(C) op de gevel van gevoelige gebouwen (woningen).

Nachtperiode

Maximaal 45 dB(A) en 70 dB(C) op de gevel van gevoelige gebouwen (woningen).

Front of house

Er is een maximaal geluidsniveau van 103 dB(A) toegestaan

Er is een maximaal geluidsniveau van 113 dB(C) toegestaan.

Hierbij geldt dat;

• per evenement de organisator met een akoestisch onderzoek moet aantonen welk spectrum het uitgangspunt is en welke frequentieband maatgevend is. Op basis van de meetgegevens van de in de afgelopen jaren gehouden evenementen en rekening houdend met de gevelwering per woning en uitgaande van het voorkomen van spraakverstoring in de woning komen we tot de bovenstaande maximale normwaarden.

• geluidsmetingen worden uitgevoerd conform het meetprotocol beschreven in bijlage 2: Meetprotocol voor geluidsmetingen evenementen gemeente Leeuwarden.

Toelichting

dB(A) normering

Voor de dag- en avondperiode geldt het uitgangspunt van spraakverstaanbaarheid. Rekening houdende met gemiddelde gevelisolaties van 20 a 25 dB, mag worden uitgegaan van een gevelbelasting van maximaal 70 a 75 dB(A), om een binnenniveau in de omliggende woningen te kunnen garanderen van maximaal 50 dB(A), volgens de Nota Limburg de grens van onduldbare hinder.

Bij meerdaagse evenementen in De Groene Ster mag in de nachtperiode (versterkt) geluid gemaakt worden. Hierbij mag in de omliggende woningen een geluidsniveau optreden waarbij ‘geen slaapverstoring’ optreedt. Rekening houdend met een gevelisolatie van 15 tot 20 dB, betekend dit voor de gevelwaarden: 45 dB(A).

Wij sluiten aan bij het Tweede Convenant preventie gehoorschade en beperken het toegestane bronniveau tot maximaal 103 dB(A) front of house.

dB(C) normering

Met de norm van 95 dB(C) wijken wij met 3 dB naar boven toe af, als je kijkt naar de uitspraak van de Raad van State tegen de evenementenregeling in het bestemmingsplan Kardinge waarin een niveau van 92 dB(C) wordt gehanteerd welke de rechtbank niet onaanvaardbaar acht.

Metingen in de binnenstad hebben aangetoond dat een niveau van 95 dB(C) nodig is om een evenement tot haar recht te laten komen. Dit is vanuit praktisch uitvoerbaarheid van beleid wenselijk. In combinatie met andere maatregelen ten aanzien van het beperken van de lage bastonen, zoals het af filteren van de 40 Hz (zie BBT, in paragraaf 4.4) achten wij deze afwijking acceptabel.

Om overlast van laagfrequent muziekgeluid te beperken staan we maximaal 113 dB(C) toe front of house.

Het StAB zegt, in het kader van de voorlopige voorziening in de zaak Welcome to the Village 2016, het volgende over de dB(C) normering:

De StAB kan zich daarom vinden in de stelling van verweerder dat een geluidsnorm in dB(C) op de referentiepunten en woningen moeilijk hanteerbaar is. De StAB concludeert dat het bewaken van het verschil tussen een meting met een A-weging en een C-weging op het evenemententerrein nabij de regietoren een goed en hanteerbaar alternatief is. Een verschilwaarde bij de regietoren biedt volgens de StAB indirect ook bescherming voor de woningen. Met inachtneming van het advies van de StAB acht de voorzieningenrechter de keuze van verweerder om de verschilwaarde bij de regietoren te meten geen kennelijk onredelijke beleidskeuze en een goede aanvulling op de Nota die niet in deze bescherming voorziet. Bij deze keuze is voldoende rekening gehouden met de belangen van omwonenden en de belangen van de organisator van het festival.

In lijn met de nieuwe inzichten, vanwege onze eigen visie op het hanteren van de dB(C) normering en ondersteund door het advies van het StAB, maar ook rekening houdende met de uitspraken van de rechtbank hanteren wij zowel een dB(C) norm bij de woningen als tussen 20 en 25 meter vanaf de geluidsbron.

Paragraaf 4.4

Bij evenementen met een hoog geluidsniveau (vanaf 75 dB(A)) dient de organisator het BBT-principe (Best Beschikbare Technieken) toe te passen. Dit zijn technieken om de geluidsoverdracht naar de omgeving zoveel als mogelijk te beperken. Onderstaande technieken moeten voor zover mogelijk worden toegepast.

• Anti geluid en line array systemen

• Podia en speakers worden in de meest optimale richting opgesteld

• Gevlogen speakers worden zo laag mogelijk opgehangen

• Speakers dienen zo goed mogelijk gericht te zijn op het publiek

• Gevlogen subwoofers zijn niet toegestaan

• Zogenaamde ‘end fire’ technieken zijn niet toegestaan

• Het geluid onder de 40 Hz wordt afgefilterd met een verval van 6 dB per tertsband.

Geluid onder de 40 Hz moet worden afgefilterd .

Een maatregel om hinder van (zeer) lage tonen te verminderen is het zogenaamde ‘af-filteren’. Dit betekent dat het geluidsniveau onder een bepaalde frequentie verminderd wordt. Hiervoor wordt een filter gebruikt die naarmate de frequentie lager wordt het geluidniveau steeds verder reduceert.

Akoestische onderzoek

Het kan zijn dat de evenementenorganisator bij de vergunningaanvraag met een akoestische rapportage duidelijk moet maken welke geluidsruimte wordt gevraagd en waarom. Of deze verplichting wordt opgelegd, hangt af van een combinatie van factoren, zoals eerdere ervaringen met het evenement, hoogte van de geluidsniveaus, duur van het evenement, locatie van het evenement en de omvang van het evenement. Dit wordt per vergunningaanvraag beoordeeld. Het akoestische onderzoek moet voldoen aan de HMRI 1999 en in het onderzoek moeten de BBT- technieken worden meegenomen.

De Groene Ster

Bij de grootschalige evenementen in De Groene Ster moeten de organisatoren bij de vergunningaanvraag, in het verlengde van de uitspraken van de rechtbank, een akoestisch onderzoek indienen. Op basis van de door de aanvrager aangeleverde akoestische rapportage zal de geluidsontheffing worden opgesteld en wordt geborgd dat er niet meer geluid wordt gemaakt, dan op grond van deze beleidsregel mogelijk is.