Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3221

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2018
Datum publicatie
09-08-2018
Zaaknummer
18/830072-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens zware mishandeling – kwalificatie van het letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830072-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd in de PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 27 mei 2017, in de gemeente Groningen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in/uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- de woning van die [slachtoffer] is/zijn binnengedrongen, en/of

- bovenop die [slachtoffer] (die op haar buik lag) is gaan liggen, en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gedrukt/geduwd en/of een hand op de mond van die [slachtoffer] gedrukt/geduwd heeft gehouden, en/of

- die [slachtoffer] van achter bij de keel/hals heeft vastgepakt/beetgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals heeft dichtgeknepen, en/of

- de/een arm van die [slachtoffer] met kracht op haar rug heeft geduwd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen;

subsidiair

A. primair

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gekneusde en/of gebroken ribben en/of een scheur in de elleboog, heeft toegebracht, immers is/heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader(s):

- bovenop die [slachtoffer] (die op haar buik lag) gaan liggen, en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer] gedrukt/geduwd (gehouden) en/of

- die [slachtoffer] van achteren bij de keel/hals vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals dichtgeknepen, en/of

- de/een arm van die [slachtoffer] met kracht op haar rug geduwd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam (onder meer de ribben) geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- bovenop die [slachtoffer] (die op haar buik lag) is gaan liggen, en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer] heeft gedrukt/geduwd (gehouden) en/of

- die [slachtoffer] van achteren bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals heeft dichtgeknepen en/of

- de/een arm van die [slachtoffer] met kracht op haar rug heeft geduwd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam (onder meer de ribben) heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers is/heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader(s):

- bovenop die [slachtoffer] (die op haar buik lag) gaan liggen, en/of

- een hand op de mond van die [slachtoffer] gedrukt/geduwd (gehouden), en/of

- die [slachtoffer] van achteren bij de keel/hals vastgepakt en/of (vervolgens) de keel/hals dichtgeknepen, en/of

- de/een arm van die [slachtoffer] met kracht op haar rug geduwd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen/op het lichaam (onder meer de ribben) geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen;

EN/OF

B.

hij op of omstreeks 27 mei 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ) heeft weggenomen een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair en het subsidiair onder A. primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair onder A. subsidiair en onder B. ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte degene is geweest die op 27 mei 2017 het slachtoffer in haar woning heeft overvallen en heeft bestolen van haar sleutelbos. Uit onderzoeken van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gebleken dat op het shirt - in het gedeelte waar een knoop was gemaakt - en onder de nagels van aangeefster DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen. De verklaring van aangeefster dat zij met de dader heeft gevochten en hem met haar hand heeft gekrabd sluit hier naadloos op aan. Aangeefster heeft hierbij gebroken ribben, een scheur in haar elleboog en diverse kneuzingen opgelopen. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat uiteraard voorzichtig moet worden omgegaan met DNA-materiaal dat is aangetroffen op verplaatsbare goederen. In dit geval betreft het echter een T-shirt van aangeefster waarin - niet door aangeefster zelf - een knoop is gelegd en in diezelfde knoop is het DNA-materiaal van verdachte aangetroffen. Daarnaast is er DNA-materiaal van verdachte onder de nagels van aangeefster aangetroffen. Verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor het aantreffen van dit DNA-materiaal. Ook heeft verdachte geen alibi, nu uit de telefoon van verdachte blijkt dat hij in de nacht van 26 op 27 mei 2017 in Groningen was.

De officier van justitie is van mening dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de feitelijkheden die op 27 mei 2017 ‘s nachts in de woning van aangeefster hebben plaatsgevonden heeft gepleegd. Het blijft echter onduidelijk met welke intentie verdachte geweld heeft gepleegd tegen aangeefster. Beargumenteerd kan worden dat verdachte - door het slachtoffer wakker te maken uit haar slaap en met haar in gevecht te gaan - bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene heeft willen verzekeren. Omdat het oogmerk van het toegepaste geweld onduidelijk is gebleven moet vrijspraak volgen voor het primair ten laste gelegde, aldus de officier van justitie. Daarentegen kan op basis van het voorgaande wel wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en diefstal met braak. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het subsidiair onder A. primair ten laste gelegde, en veroordeling voor een poging tot zware mishandeling, nu hij betwijfelt of gebroken ribben en een scheur in de elleboog als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.

Het ten laste gelegde medeplegen, bij zowel de poging tot zware mishandeling als de diefstal met braak, is volgens de officier van justitie niet komen vast te staan. Verdachte dient ten aanzien van dat bestanddeel - bij beide feiten - te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van een woningoverval. De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten stelligste ontkent dat hij betrokken is geweest bij een diefstal met geweld, dan wel bij een van de feiten die aan hem is ten laste gelegd. Voorts acht de raadsman op basis van het dossier onduidelijk wat de intentie is geweest van de persoon die de woning is binnengedrongen. Daarnaast is onduidelijk gebleven waarom de dader het slachtoffer heeft aangevallen.

De raadsman is van mening dat ten aanzien van het feitencomplex hooguit kan worden gesproken van de subsidiair onder A. subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder B ten laste gelegde diefstal met braak. Verdachte ontkent beide feiten en heeft geen verklaring voor het aangetroffen DNA-materiaal. Ten aanzien van de diefstal stelt de raadsman dat op basis van het dossier niet kan worden aangetoond dat er daadwerkelijk een sleutelbos is verdwenen. De enkele verklaring van aangeefster hierover is onvoldoende.

De raadsman acht op basis van het dossier het ten laste gelegde medeplegen bij zowel de poging tot zware mishandeling als de diefstal met braak niet wettig en overtuigend te bewijzen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2018, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017136215 d.d. 4 juni 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van diefstal/inbraak met geweld in mijn woning aan de [adres 1] te Groningen op 27 mei 2017 te 03:13 uur. Op 27 mei ben ik omstreeks 00:30 uur vanwege de warmte in de keuken gaan slapen met de balkondeur open. Op een gegeven moment werd ik wakker en voelde ik dat er iemand bovenop mij lag. Ik lag op mijn buik en ik voelde dat ik een hand voor mijn mond kreeg. Ik voelde dat het een gehandschoende hand was. Dit voelde ik omdat ik een ruwe structuur voelde over mijn mond. Deze hand sloot mijn mond en ik merkte dat ik het benauwd kreeg. Ik voelde dat ik moeilijk kon ademen. Toen ben ik gaan vechten maar ik voelde dat dit moeilijk was omdat ik voelde dat er heel veel gewicht op mij lag. Terwijl ik aan het vechten was, voelde ik een snoer naast de kussens liggen. Dit was een snoer met een bakje eraan. Ik dacht nog: “straks word ik gewurgd!”. Ik voelde dat die persoon die op mij lag, mij begon te wurgen. Ik voelde dat er een hand naar mijn strottenhoofd gleed. Ik bleef vechten. Ik voelde dat ik mijn voet tegen het aanrecht aanhad. Ik kon mij zodoende afzetten. Toen ik die hand naar mijn keel voelde gaan heb ik mijn, ik denk, linkerhand naar de hand van de persoon gebracht en heb ik de persoon gekrabd. Ik probeerde de handschoen af te krijgen en voelde dat ik de hand krabde. Doordat ik bleef vechten en mij afzetten tegen het aanrecht, voelde ik dat ik wat meer beweging kreeg. Ik voelde dat de persoon die op mij lag dit ook door kreeg en ik voelde dat hij mijn linkerhand pakte en mijn linkerarm op mijn rug duwde. Hierna voelde ik dat ik stompen in mijn linker zij kreeg. Ik voelde dat dit met kracht gebeurde. Ik voelde een enorme pijn in mijn linkerzij. Ik denk dat ik twee stompen in mijn linkerzij heb gekregen. Het kunnen ook drie stompen geweest zijn. Een reactie op de stompen was dat ik zei: “ik hou van je, ik hou van je”. Ik dacht misschien trekt de persoon zich hier wat van aan en raak ik een gevoelige snaar. Ik heb heel vaak “ik hou van je” gezegd. Vanuit het niets stopte de persoon. Ik kan mij herinneren dat de voordeur openstond. Ik had veel pijn in mijn linkerzij. Mijn rechterkant van mijn gezicht is rood en wat blauw. Ook is de binnenkant van mijn mond open. In het ziekenhuis is geconstateerd dat mijn linkerarm gekneusd is.

In mijn woning ontdekte ik dat mijn sleutelbos weggenomen was. Aan deze sleutelbos zitten een sleutel van mijn voordeur, een sleutel van de toegangsdeur van het portiek, een sleutel van de deur van de garage, een sleutel van het fietsenhok, een sleutel van mijn juwelierszaak in Groningen, vier sleutels van mijn juwelierszaak in Sneek, autosleutels van mijn Volvo en een sleutel van de woning van mijn moeder. Ik heb verteld dat ik een snoer met een bakje naast mij voelde. Dit was het snoer en het bakje van mijn Carmen krulset. Ik weet dat ik de voordeur niet op het nachtslot heb gedaan. Ik kan u nog vertellen dat de toegangsdeur van de portiek/galerij vernield is. Dat is afgelopen nacht gebeurd. Ik zag namelijk bij terugkomst dat er een barst in het raam zit van de toegangsdeur;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 2 juni 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik heb met mijn linkerhand de rechterhand van de dader gekrabd, met de bedoeling dat hij zijn hand daar weg zou halen. De dader heeft toen met zijn linkerhand mijn linkerhand bij zijn rechterhand wegtrokken en toen op mijn rug gedrukt. Ik ben in mijn linkerzij geschopt. Er is ook met heel veel kracht geschopt. Er zijn foto’s gemaakt en er zijn drie ribben gebroken;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 26 oktober 2017, opgenomen pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

U laat mij een foto zien van een shirt die is onderzocht op DNA-sporen. Dat is mijn shirt. Die avond had ik dat shirt aan. Het was heel warm die avond en het shirt heb ik in mijn woonkamer over een stoel gehangen toen ik ging slapen. De knoop die in het shirt zit heb ik er niet in gemaakt;

4. Een geneeskundige verklaring, op 21 juni 2017 opgemaakt en ondertekend door Dr. E. Bosma, chirurg, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Betreft: [slachtoffer] . Welke letsel is bij betrokkene geconstateerd?

Hematoom linker thorax helft, een thorax foto toonde geen ribfracturen op 27 mei 2017, echter op 8 juni 2017 werden op een thorax foto meerdere ribfracturen en pleuravocht aangetoond. Er was matige drukpijn over de mediale en laterale epicondyl elleboog links;

5. Schriftelijke bescheiden, zijnde geneeskundige verklaringen van het Martini Ziekenhuis d.d. 11 juli 2017 en 17 juli 2017, opgenomen in de vordering tot schadevergoeding, ingediend door de benadeelde partij [slachtoffer] (productie C), inhoudende:

11 juli 2017: gaat wat minder, veel last van lymfoedeem, ribben knakken weer, veel pijn ellebogen.

17 juli 2017: heeft een gebroken rib;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 29 mei 2017, opgenomen pagina 49 e.v van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant als forensisch onderzoeker:

Op 27 mei 2017 omstreeks 04:45 uur werd door mij verbalisant, als forensisch onderzoeker, onderzoek naar sporen verricht in de woning aan de [adres 1] te Groningen. In het glas van de centrale toegangsdeur, ter hoogte van het slot, was een gaatje. In beide lagen glas zat een meerhoekige opening, met een grootte van ongeveer 1 cm². In de folie zat een klein langwerpig gaatje, met een grootte van enkele vierkante millimeters. Vanuit de beschadiging was de ruit in meerdere richtingen gebarsten.

Op het dekbed lag een zwart/wit gevlekt shirt. In het shirt was een knoop gelegd. Het shirt heb ik veilig gesteld. De bemonstering werd voorzien van SIN-nummer: AAJG3787NL.

In het ziekenhuis heb ik, verbalisant, op 27 mei 2017 omstreeks 04:30 uur het nagelvuil van beide handen van het slachtoffer bemonsterd. Deze bemonstering werd voorzien van SIN-nummer AAKC8387NL;

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van biologisch vooronderzoek d.d. 3 augustus 2017, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant, als forensisch onderzoeker:

Het zwart/witte shirt, met bloedvlekken, in een knoop gelegd, met nummer AAJG3787NL is voorzien van SIN-nummer: AAKD4458NL;

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.07.28.132 (aanvragen 001, 002 en 003), d.d. 5 oktober 2017, opgemaakt door dr. S. van Soest, op de door de deskundige van het NFI afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als diens verklaring:

In de zaak met nummer 2017136215 is een onderzoek naar biologische sporen en een DNA-onderzoek uitgevoerd. In de bemonstering AAKC8387NL van de nagels van de linkerhand van het slachtoffer [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat in alle gevallen waarin in dit rapport wordt gesproken over [slachtoffer] wordt bedoeld: [slachtoffer] , oftewel [slachtoffer] ) is bloed aangetroffen.

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAKC8387NL#01 een bemonstering met bloed (nagels linkerhand slachtoffer)

AAKD4458NL#01 een bemonstering (uiteindes knoop)

RABK3807NL referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [slachtoffer]

Van het referentiemonster wangslijmvlies RABK3807NL is een DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. Vanwege een match in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken is het DNA-profiel van [verdachte 1] ook betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Resultaten:

SIN Beschrijving DNA-profiel/ Matchkans DNA-profiel

celmateriaal kan afkomstig zijn van:

__________________________________________________________________________

AAKD4458NL#01 DNA-mengprofiel van tenminste twee

personen, waarvan minimaal één man

Afgeleid DNA- hoofdprofiel kleiner dan 1 op 1 miljard

Slachtoffer [slachtoffer]

DNA-nevenkenmerken

[verdachte 1]

De bemonstering AAKD4458NL#01 betreft volgens de ontvangen informatie van Politie Eenheid Noord-Nederland een bemonstering van een T-shirt dat is aangetroffen in de woning van het slachtoffer [slachtoffer] . Op basis van deze informatie en op basis van de match met het afgeleide DNA-profiel wordt aangenomen dat een deel van het celmateriaal in deze bemonstering afkomstig is van het slachtoffer. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van onderstaande persoon:

[verdachte 1] (RABD9182NL)

Dit betekent dat deze persoon een van de donoren kan zijn van het celmateriaal in de bemonstering AAKD4458NL.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek:

Ten behoeve van het berekenen van de ordegrootte van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [verdachte 1] RABD9182NL#01 en het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAKD4458#01 zijn de volgende aannames gedaan:

  1. de bemonstering AAKD4458NL#01 bevat celmateriaal van twee of drie personen,

  2. de bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] ,

  3. de personen in deze bemonstering zijn niet onderling verwant.

Op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek aan het celmateriaal in deze bemonstering is geconcludeerd dat deze resultaten passend zijn bij zowel twee als drie donoren. Daarom is de berekening van de ordegrootte van de bewijskracht uitgevoerd onder zowel de aanname dat er twee als drie donoren celmateriaal hebben bijgedragen aan deze bemonstering.

Hypothese 1

De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] , [verdachte 1] en geen of één willekeurige onbekende persoon.

Hypothese 2

De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] en één of twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn tenminste 1 miljard keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

Om in deze zaak genetische informatie van de mannelijke celdonor(en) in de bemonstering AAKC8365NL#01 (een bemonstering van het bloed op de zijkant van de boekenkast) te verkrijgen kan deze bemonstering worden onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek;

9. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.07.28.132 (aanvraag 005), d.d. 17 april 2018, opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes, op de door de deskundige van het NFI afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als diens verklaring:

In de zaak met nummer 2017136215 is aanvullend DNA-onderzoek uitgevoerd. Gezien de gemeten hoeveelheid geïsoleerd mannelijk (Y-chromosomaal) DNA is ook de bemonstering AAKC8387NL#01 onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Bij het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek zijn [broer verdachte] en [verdachte 1] betrokken.

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek:

AAKC8387NL#01 bemonstering met bloed (nagels linkerhand slachtoffer)

RAAL4630NL referentiemonster van [broer verdachte]

RABD9182NL referentiemonster van [verdachte 1]

Van de referentiemonsters van [broer verdachte] (RAAL4630NL) en [verdachte 1] (RABD9182NL)

zijn Y-chromosomale DNA-profielen verkregen.

Van het mannelijk DNA in de bemonstering AAKC8387NL#01 (nagels linkerhand slachtoffer) is een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen.

Het Y-chromosomale DNA-profiel van [broer verdachte] (RAAL4630NL) match niet met dit Y-chromosomale DNA-profiel. Dit betekent dat er op basis van het vergelijkend Y-chromosomale DNA-onderzoek geen aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van DNA van [broer verdachte] in deze bemonstering.

Het Y-chromosomale DNA-profiel van [verdachte 1] RABD9182NL match met dit Y-chromosomale DNA-profiel. Dit betekent dat, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van het slachtoffer [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat in alle gevallen waarin in dit rapport wordt gesproken over [slachtoffer] wordt bedoeld: [slachtoffer] , oftewel [slachtoffer] ) zelf, de bemonstering AAKC8387NL#01 een relatief geringe hoeveelheid DNA bevat dat afkomstig kan zijn van [verdachte 1] .

Om de bewijskracht van de match te kunnen formuleren in termen van waarschijnlijkheid is onderstaand hypothesepaar beschouwd.

Hypothese 1

Het mannelijk DNA in de bemonstering AAKC8387NL#01 is afkomstig van [verdachte 1] of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man.

Hypothese 2

Het mannelijk DNA in de bemonstering AAKC8387NL #01 is niet afkomstig van [verdachte 1] , maar van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan hem verwante man.

De verkregen resultaten zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

Het autosomale DNA-profiel van [broer verdachte] (RAAL4630NL) is vergeleken met eerder bij het DNA-onderzoek in deze zaak verkregen autosomale DNA-mengprofielen van onderstaande bemonsteringen.

AAKD4458NL#01 bemonstering (uiteindes knoop) (zie het deskundigenrapport 2017.07.28.132, aanvraag 001, 002 en 003)

AAKD4457NL#01 bemonstering (uiteindes snoer + 40-60 cm vanaf uiteinde) (zie het deskundigenrapport 2017.07.28.132, aanvraag 004)

Op basis van het vergelijkend autosomale DNA-onderzoek zijn er geen aanwijzingen

verkregen voor de aanwezigheid van DNA van [broer verdachte] in deze bemonsteringen;

10. Een wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2017,

opgenomen op pagina 131 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van

verbalisant:

Op 27 mei 2017 ging ik, verbalisant, om 03.30 uur naar het adres [adres 1] te

Groningen. Hieruit is het volgende gebleken: aangeefster is omstreeks

06.30

uur met de politie teruggegaan naar haar woning. Hier bleek dat uit haar woning was

weggenomen de sleutelbos welke hing aan een haakje in de woning vlakbij de voordeur.

Hieraan zat tevens een sleutel van de juwelierszaak te Groningen. Tevens is de autosleutel

weg van haar Volvo S80;

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen kan d.d. 29

januari 2018, opgenomen op pagina 151 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de

bevindingen van verbalisant:

Op 14 november 2017 zijn de historische verkeersgegevens gevorderd ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , welke in gebruik is bij verdachte [verdachte 1] voor de periode 14 mei 2017 tot en met 14 november 2017.

-Op 26 mei 2017 omstreeks 23.06 uur krijgt [verdachte 1] een inkomend gesprek van het telefoonnummer van [getuige] . Het telefoontoestel van [verdachte 1] straalt hierbij een mast aan bij de [adres 2] te Appingedam.

-Opmerking verbalisant: op de printlijst is te zien dat het telefoontoestel van [verdachte 1] op 27 mei 2017 omstreeks 00.36 uur data gebruikt en hierbij een mast aanstraalde bij de [adres 3] in Groningen. De woningoverval aan de [adres 1] was omstreeks 03.13 uur.

-Op 27 mei 2017 omstreeks 04.50 uur krijgt [verdachte 1] twee inkomende sms berichten van het telefoonnummer van [getuige] . Het telefoontoestel van [verdachte 1] straalt hierbij een mast aan bij de [adres 2] te Appingedam;

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met bijbehorende bijlagen d.d. 15 mei 2018, opgenomen pagina 210 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant:

Op 29 maart 2018 is een machtiging afgegeven voor het opnemen van telecommunicatie van telefoonnummer [telefoonnummer 1] van 3 april 2018 tot en met 24 april 2018. Uit eerder onderzoek is gebleken dat [verdachte 1] de gebruiker is van bovenstaand telefoonnummer.

Bijlage 4: in dit gesprek wordt [verdachte 1] gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , welke op naam staat van [naam 1] .

S= [verdachte 1] , M=NNM1767

M: je moet met je telefoon naar de stad gaan, de batterij eruit halen in de stad en chip dan blijft de signaal in de stad. S: ja swa. M: ga die ding ergens anders bewaren. S. ja swa, mijn telefoon kunnen ze niet krijgen en die andere is stuk gegaan dus ze kunnen er niks meer zien. Dus ik heb nu alleen maar deze momenteel en deze krijgen hun ook niet;

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met bijbehorende bijlagen d.d. 16 mei 2018, opgenomen pagina 224 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de bevindingen van verbalisant:

Op 29 maart 2018 is een machtiging afgegeven voor het opnemen van telecommunicatie van telefoonnummer [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] voor een periode van vier weken, te weten van 3 april 2018 tot en met 30 april 2018. Uit onderzoek is gebleken dat [getuige] en [verdachte 1] de gebruikers zijn van bovenstaande telefoonnummers.

Bijlage 2: In dit gesprek wordt [verdachte 1] gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 5] , welke op naam staat van [naam 2] .

S= [verdachte 1]

S: ja, want de politie had mij gebeld dat ik bij een overval was. S: ze zeggen over een zaak van 27 mei S: ze zeggen dat ik daar was. S: ja man.. Ik was wel in Groningen.. S: ze hebben in de telefoon gekeken over die dag wie je gebeld hebt en waar je naartoe hebt gebeld.. Ik was net in de trein richting Groningen.

Bijlage 5:

S= [verdachte 1] , W= [getuige]

W: ik heb ook twee van die SD-kaartjes van jou gevonden. S: ja, je weet toch… gooi die dingen weg swa.. Gooi ze weg, gooi ze weg.

Bijlage 7:

W= [getuige] , S= [verdachte 1]

W: de rechercheur belde gister ook nog weer, over je telefoon. S: ja swa, waar is die telefoon dan? W: zal ik maar even zoeken? S: Aah nee swa, ze moeten zelf die ding gaan zoeken. Als ze die ding wil dan moeten ze zelf gaan zoeken. Begrijp je?;

14. Naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor, met bijbehorende bijlagen d.d. 3 april 2018, opgenomen pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :

U vraagt mij of hij nog thuis is gekomen die nacht/ochtend van de woningoverval. Zal wel, maar ik weet het niet. Ik denk dat hij toen nog niet thuis was, anders had ik hem niet ge-sms’t. In die tijd sliep [verdachte 1] gewoon bij mij. Het telefoonnummer van [verdachte 1] is [telefoonnummer 1] .

Een sms-bericht van verdachte aan getuige [getuige] , als bijlage 1 toegevoegd aan het verhoor: S = [verdachte 1] , W = [getuige] .

S (27 mei 2017, 00:31 uur): imde tren sgatyy.

W (27 mei 2017, 00:37 uur): Ik ook. Naar Almere daar auto ataan;

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 april 2018, opgenomen op pagina 292 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [verdachte 1] :

U vraagt mij of ik [getuige] wel eens sms als ik bij haar ben. Nee.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Feitencomplex

Op 27 mei 2017 werd aangeefster midden in de nacht wakker omdat er opeens een man bovenop haar lag die een hand tegen haar mond drukte. Aangeefster heeft zich geprobeerd te bevrijden en raakte in gevecht met de man. De man probeerde haar met een hand om haar nek te wurgen. Aangeefster heeft vervolgens de hand van de man gekrabd. Op enig moment pakte de man de linkerarm van aangeefster en duwde deze op haar rug, zodat zij niet kon tegenstribbelen. Meteen hierna kreeg aangeefster flinke schoppen in haar linkerzij. Zij heeft vervolgens ettelijke keren “ik hou van je, ik hou van je” geroepen, in de hoop een gevoelige snaar bij de man te raken. Vanuit het niets stopte het gevecht en was de man verdwenen. Na afloop van de gebeurtenis merkte aangeefster dat de centrale toegangsdeur tot haar flat was geforceerd en dat haar sleutelbos, met daaraan onder meer sleutels van haar juwelierszaken, was verdwenen. Ook liep zij door het gevecht ernstig letsel op.

DNA-onderzoek

Door het forensisch onderzoeksteam werd in de woning van aangeefster een aantal sporen veiliggesteld en onderworpen aan een DNA-onderzoek. Dit betrof onder andere een bemonstering van het zwart/wit gevlekte T-shirt, met daarin een knoop, dat op het dekbed van aangeefster lag. Ook werd het nagelvuil van beide handen van aangeefster bemonsterd.

Uit vergelijkend DNA-onderzoek van het NFI bleek dat de knoop, die niet door aangeefster in het T-shirt was gemaakt, DNA-materiaal van verdachte bevatte. Ook is van de bemonstering van de nagels van de linkerhand van aangeefster een Y-chromosomaal DNA-profiel verkregen. Deze bleek te matchen met het Y-chromosomaal DNA-profiel van verdachte. Bij dit onderzoek werd ook het Y-chromosomaal DNA-profiel van de broer van verdachte, [broer verdachte] , betrokken. Hierbij was géén sprake van een match. Aangeefster heeft verklaard dat zij die bewuste avond het zwart/wit gevlekte T-shirt had gedragen en over een stoel had gelegd vlak voordat zij ging slapen. Zij gaf daarbij aan geen knoop in het T-shirt te hebben gemaakt. Juist in deze knoop werd DNA-materiaal van verdachte aangetroffen. Tevens sluit de verklaring van aangeefster dat zij de indringer had gekrabd naadloos aan bij het feit dat onder de nagels van aangeefster DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen. Verdachte heeft geen enkele aannemelijke en te verifiëren verklaring gegeven voor zijn aangetroffen DNA, anders dan, zoals hij bij de politie heeft verklaard soms ‘rare dingen doet met jongens’, waarbij ‘hij overgeeft en spuugt en dat zijn DNA wellicht zo op anderen terechtkomt’. Verdachte heeft dit alternatieve scenario echter op geen enkele wijze gespecificeerd. Noch voor het aantreffen van zijn DNA op het T-shirt van aangeefster, noch voor het aantreffen van zijn DNA onder de nagels van aangeefster - hetgeen een hele specifieke plek is en geen verplaatsbaar goed betreft - heeft hij een plausibele verklaring gegeven. Ook ter terechtzitting van 23 juli 2018 heeft verdachte alleen volstaan met de mededeling dat hij voor het aantreffen van zijn DNA geen verklaring kan geven. De rechtbank is op basis van voorgaande dan ook van oordeel dat het alternatieve scenario, dat verdachte bij de politie heeft geschetst over het aantreffen van zijn DNA-materiaal, niet aannemelijk is.

Alibi

Uit de onderzochte historische verkeersgegevens van de mobiele telefoon van verdachte is gebleken dat verdachte op 26 mei 2017 om 23.06 uur gebeld werd door zijn vriendin, [getuige] . Het telefoontoestel straalde hierbij een telefoonmast aan in Appingedam. Op 27 mei 2017 om 00.31 uur stuurde verdachte een sms’je naar [getuige] met daarin de mededeling dat hij in de trein zat. Kort daarna, om 00.36 uur, straalde het telefoontoestel van verdachte een telefoonmast aan bij de [adres 3] in Groningen. Vervolgens ontving verdachte op 27 mei 2017 omstreeks 04.50 uur sms berichten van [getuige] . Het telefoontoestel van verdachte straalde toen opnieuw een telefoonmast aan in Appingedam. In deze tussenliggende periode, om 03.13 uur, vond het incident met aangeefster plaats. Verdachte heeft verklaard zijn vriendin niet te sms’en wanneer zij bij elkaar zijn. Ook de vriendin van verdachte, [getuige] , kon – desgevraagd – niet aangeven waar verdachte die nacht was en hoe laat hij thuis was.

In de periode dat het onderzoek naar deze zaak gaande was, is de telefoon van verdachte getapt. In een van deze gesprekken praat verdachte over de zaak van 27 mei en zegt hij dat hij in de trein richting Groningen zat en dat hij wel in Groningen was. In een ander gesprek sprak verdachte met een vriend van hem, waarin deze vriend hem adviseerde om met zijn telefoon naar de stad te gaan, de batterij en de chip eruit te halen zodat het signaal in de stad blijft. Verdachte antwoordt daarop dat ze zijn telefoon niet kunnen krijgen. De beide telefoons die verdachte gedurende de periode dat de tap liep in gebruik had zijn dan ook tot op heden niet gevonden.

De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat verdachte voor de bewuste nacht geen alibi had.

Op grond van het aantreffen van de DNA-materiaal van verdachte op de knoop van het T-shirt en onder de nagels van aangeefster, de verklaring van aangeefster hierover, de telefoongeschiedenis van verdachte, de aanwezigheid van verdachte in die nacht - en rond dat tijdstip - in Groningen, de tapgesprekken en de overige hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de feitelijkheden, die zich in de woning van aangeefster hebben afgespeeld op 27 mei 2017 heeft gepleegd.

Kwalificatie

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de hiervoor genoemde feitelijkheden moeten worden gekwalificeerd.

De rechtbank is evenals de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het onduidelijk is wat de intentie van verdachte die bewuste nacht is geweest.

Ten aanzien van de sleutelbos is de rechtbank van oordeel dat - hoewel de sleutelbos niet bij verdachte is aangetroffen - voldoende uit het dossier blijkt dat deze door verdachte die bewuste avond uit haar woning is ontvreemd. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaring van aangeefster hierover te twijfelen.

Daarnaast staat voor de rechtbank vast dat verdachte met aangeefster heeft gevochten en dat hij haar heeft mishandeld. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden waarom verdachte de confrontatie met aangeefster heeft opgezocht, nu aangeefster in een diepe slaap lag. Ook volgt uit het dossier niet op welk moment de sleutelbos is weggenomen. Het voorgaande maakt dat niet kan worden vastgesteld dat het toegepaste geweld ten dienste heeft gestaan van de diefstal of dat verdachte mogelijk een andere reden had om de confrontatie op te zoeken.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Verdachte zal om deze reden van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Wel kunnen de feitelijkheden afzonderlijk worden gekwalificeerd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door de sleutelbos uit de woning van aangeefster te ontvreemden, zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Uitgaande van de braaksporen aan de toegangsdeur in de centrale hal van het flatgebouw concludeert te rechtbank dat sprake is geweest van diefstal met braak. Niet is komen vast te staan hoe verdachte de woning van aangeefster is binnengekomen. Daarnaast is de rechtbank op basis van het dossier van oordeel dat verdachte aangeefster zwaar heeft mishandeld, hetgeen hieronder zal worden toegelicht.

De rechtbank acht het impliciet subsidiair onder A primair en onder B ten laste gelegde bestanddeel medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen. De verklaring van aangeefster dat er gezien de handelingen die bij haar zijn verricht wel een tweede persoon aanwezig moet zijn geweest, acht de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat sprake is geweest van een tweede persoon. Ook het overige bewijs biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Kwalificatie van het letsel

Op basis van het dossier is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft mishandeld.

Verdachte en aangeefster hebben gevochten, waarbij aangeefster onder andere door het schoppen en de wurghandeling gebroken ribben, een scheur in haar elleboog en diverse kneuzingen heeft opgelopen. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag welke kwalificatie moet worden toegekend aan het lichamelijk letsel dat aangeefster heeft opgelopen.

In het standaardarrest van de Hoge Raad van 3 juli 2018 benoemt de Hoge Raad dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is in elk geval kunnen worden aangemerkt: de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Deze beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit.

De Hoge Raad overweegt ten aanzien van botfracturen dat indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, in de regel geldt dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Hierbij merkt de Hoge Raad op dat dit relevant medisch ingrijpen ook kan bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. Voorts stelt de Hoge Raad dat een ander mogelijk gezichtspunt het uitzicht op herstel betreft. Er kan ook sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperking.

Uit het dossier volgt dat aangeefster naast bezoeken aan de huisarts vanwege het opgelopen letsel vele afspraken en diagnostische behandelingen heeft moeten ondergaan bij verschillende specialisten, waaronder chirurgen en longartsen en daarvoor vaak naar het ziekenhuis en zelfs naar de SEH heeft moeten gaan. Uit de aan het dossier toegevoegde geneeskundige verklaringen blijkt ook dat aangeefster maanden na de mishandeling nog aanzienlijke pijnklachten had en dat deze zelfs erger werden. Aangeefster heeft door deze aanhoudende pijn en complexiteit van haar klachten steeds weer vervolgafspraken moeten maken in het ziekenhuis. De rechtbank is van oordeel dat in dit specifieke geval het letsel, dat gepaard ging en nog steeds gaat met een langdurig medisch traject, bezien in het licht van hetgeen de Hoge Raad in zijn standaardarrest hierover heeft overwogen moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair onder A. primair en B. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair

A. primair

hij op 27 mei 2017 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben en een scheur in de elleboog, heeft toegebracht, immers is/heeft hij, verdachte:

- bovenop die [slachtoffer] (die op haar buik lag) gaan liggen, en

- een hand op de mond van die [slachtoffer] gedrukt (gehouden) en

- die [slachtoffer] van achteren bij de hals vastgepakt en vervolgens de hals dichtgeknepen, en

- een arm van die [slachtoffer] met kracht op haar rug geduwd, en

- die [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam (onder meer de ribben) geschopt;

en

B.

hij op 27 mei 2017 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres 1] ) heeft weggenomen een sleutelbos toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair

A. primair zware mishandeling

B. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair onder A. subsidiair en B. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de impact - bestaande uit geestelijk en fysiek letsel - die deze feiten hebben (gehad) op het slachtoffer. De officier van justitie heeft aangegeven dat de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door Reclassering Nederland in de rapportage van 13 juli 2018, in het kader van een eventuele toekomstige voorwaardelijke invrijheidstelling, alsnog aan verdachte kunnen worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling komt, bepleit de strafeis fors te matigen en hierbij aan te sluiten bij de richtlijnen die gelden voor een poging tot zware mishandeling. De raadsman heeft voorts aan de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij gelijksoortige strafzaken, waarin over het algemeen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf onder de twaalf maanden wordt opgelegd. Daarnaast heeft de raadsman verzocht het advies van Reclassering Nederland van 13 juli 2018 over te nemen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en diefstal van een sleutelbos. Verdachte is midden in de nacht de woning van aangeefster - die op dat moment lag te slapen - binnengedrongen. Verdachte is op aangeefster gaan liggen en heeft daarbij zijn hand op haar mond gedrukt. Aangeefster werd hierdoor wakker en merkte dat ze geen lucht kreeg. Er volgde een gevecht, waarbij verdachte aangeefster heeft geprobeerd te wurgen. Ten gevolge van dit gevecht heeft aangeefster zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank acht dit een zeer ernstig feit, dat – wanneer het slachtoffer niet bij machte was geweest zich kranig te verweren – heel anders voor het slachtoffer had kunnen aflopen.

Verdachte heeft door zijn handelswijze op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat dergelijke gewelddadige gebeurtenissen - temeer wanneer deze plaatsvinden in een voor het slachtoffer veilige omgeving: de eigen woning - een grote impact hebben op slachtoffers, hetgeen ook uit de verklaring van het slachtoffer, die zich als benadeelde partij in deze strafzaak heeft gevoegd, is gebleken. Ook uit de verklaring die ter terechtzitting door aangeefster is afgelegd blijkt dat het nu, ruim een jaar na het gewelddadige incident, nog steeds slecht met haar gaat.

Naast het feit dat verdachte het slachtoffer zwaar heeft mishandeld, heeft verdachte een sleutelbos uit haar woning ontvreemd. Verdachte heeft hiermee aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zijn hardnekkige ontkenning geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.

Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict in een proeftijd liep van een op 16 maart 2016 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De reclassering heeft in haar rapport van 13 juli 2018 aangegeven dat verdachte openstaat voor een nieuw traject bij de reclassering, nu hij het vorige reclasseringscontact, dat liep van maart 2016 tot en met maart 2018, als prettig en ondersteunend heeft ervaren en positief heeft afgesloten. De reclassering heeft geadviseerd bij bewezenverklaring van een of meer feiten aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Deze bijzondere voorwaarden zouden moeten bestaan uit een meldplicht bij de reclassering, het verlenen van medewerking aan diagnostiek en interventie/behandeling, een contactverbod met aangeefster, een locatieverbod en schadeherstel. Voorts is geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, zodat kan worden begonnen met het opgestelde plan van aanpak.

Gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt bij een woningoverval in beginsel als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar gegeven. De rechtbank is van oordeel dat hoewel het bewezenverklaarde niet als woningoverval kan worden gekwalificeerd, maar als zware mishandeling en diefstal met braak, hier gelet op de feitelijkheden - het kort voor of na de diefstal overvallen van het slachtoffer in haar slaap en het toepassen van fors geweld, waarbij aangeefster doodsangsten heeft uitgestaan - in de strafeis wel bij zal worden aangesloten. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden. De rechtbank acht vanwege de ernst van het feit een voorwaardelijk deel niet op zijn plaats en zoekt dan ook geen aansluiting bij het advies van de reclassering.

De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zouden in het kader van een eventuele toekomstige voorwaardelijke invrijheidstelling alsnog aan verdachte kunnen worden opgelegd.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 93.963,12 ter vergoeding van materiële schade en primair € 9.000,- en subsidiair € 7.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schade verzocht de schadeposten A tot en met E en G tot en met K toe te wijzen, nu er ten aanzien van deze posten sprake is van rechtstreekse schade. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de schadepost F, bestaande uit het verlies van verdienvermogen, groot € 75.522,50, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De officier van justitie heeft gevorderd de immateriële schade van € 9.000,- toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak.

Subsidiair stelt de raadsman dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

Meer subsidiair heeft de raadsman - indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt - verschillende materiële schadeposten bestreden en verzocht de immateriële schade aanzienlijk te matigen.

De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schadepost ‘verlies verdienvermogen’ aangevoerd dat dit een te complexe schadepost betreft en deze te summier is onderbouwd.

Hij betwijfelt of sprake is van causaal verband tussen de onder A genoemde schadepost ‘kosten coach’ en het bewezenverklaarde, nu het om veel sessies gaat en uit de stukken blijkt dat de benadeelde partij vanwege een eerdere inbraak al langer bij specialisten onder behandeling was. De raadsman heeft aangegeven de kostenpost ‘huishoudelijke hulp’ te hoog te vinden en de kosten die ten behoeve van haar appartement zijn gemaakt, genoemd onder de schadepost ‘overige kosten’ niet op verdachte dienen te worden verhaald. De raadsman is van mening dat ten aanzien van de kosten die betrekking hebben op de verhuizing van de benadeelde partij geen sprake is van causaal verband met het ten laste gelegde.

De raadsman acht voorts de kostenposten ‘annuleren vakantie’ en de ‘reiskosten hulp vriendin’ niet voor toewijzing vatbaar.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schadeposten A tot en met E en G tot en met J heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair onder A. primair en B. bewezen verklaarde. Door de raadsman zijn deze schadeposten ook onvoldoende weersproken. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen.

Ten aanzien van de onder F gestelde schadepost ‘verlies verdienvermogen’ is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze geheel of gedeeltelijk haar oorzaak vindt in het strafbare feit. Tevens is de hoogte van deze schade niet komen vast te staan. Voor de rechtbank is hiervoor het ‘overzicht resultaten [bedrijfsnaam] 2014-2018’, als productie A9 gevoegd bij het schadeformulier van 19 juli 2018, onvoldoende. Met name is van belang dat de handtekening van de accountant ontbreekt. Hiermee komt de bewijskracht aan het stuk te ontvallen. De schadepost vormt daarmee een onevenredige belasting voor het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost dan ook niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Ten aanzien van de onder K gestelde schade is de rechtbank van oordeel dat de schadeposten ‘incassokosten’, ‘kosten laminaat’ en ‘kosten aankoop meubels’ geen schade betreft die het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij ook ten aanzien van deze drie genoemde schadeposten niet ontvankelijk in de vordering verklaren. De rechtbank is van oordeel dat de overige onder K genoemde schadeposten wel het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezen verklaarde.

De gevorderde materiële schade zal tot een bedrag van € 14.103,59,- worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 mei 2017. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat uit de door de benadeelde partij ingediende stukken voldoende blijkt dat sprake is van ernstig lichamelijk letsel en psychisch letsel, dat ten gevolge van het bewezenverklaarde is ontstaan. De rechtbank acht het dan ook alleszins redelijk dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van

€ 7.500,-. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit deel van de vordering voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22b, 36f, 57, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair onder A. primair en B. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 21.603,59,- (zegge: eenentwintigduizend zeshonderddrie euro en negenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 mei 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 21.603,59,- (zegge: eenentwintigduizend zeshonderddrie euro en negenenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 143 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 14.103,59 aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2018.

Mr. W. Geelhoed is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.