Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:322

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
18/830383-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor tweemaal met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, en beschadiging van een deur.

Verdachte heeft zich als destijds 37-jarige man schuldig gemaakt aan ontucht met twee jonge meisjes, van respectievelijk 13 en 14 jaar oud, waarbij er sprake is geweest van binnendringen van het lichaam van de slachtoffers.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830383-17

ter berechting gevoegd parketnummer 18/830449-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/830383-17

hij op of omstreeks 16 september 2017 te Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een woning, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

parketnummer 18/830449-16

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 te Groningen, gemeente Groningen, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens): - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of (vervolgens) heen en weer bewogen en/of - zich laten pijpen door die [slachtoffer 2] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 te Groningen, gemeente Groningen, althans in Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden en/of (vervolgens) heen en weer bewogen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder parketnummer 18/830383-17 en het onder 1 en 2 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met opgaven van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgaven luiden als volgt:

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/830383-17 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 september 2017, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017246589, d.d. 20 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 1 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 april 2016, opgenomen op pagina 117 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016072630, d.d. 7 november 2016, inhoudende de verklaring van [vertegenwoordiger slachtoffer 1] , namens [slachtoffer 2] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 126 e.v. van laatstsgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van het onder 2 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 25 april 2016, opgenomen op pagina 126 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/830383-17 en het onder 1 en 2 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/830383-17

hij op 6 september 2017 te Groningen, opzettelijk en wederrechtelijk een deur van een woning, gelegen aan de [straatnaam] aldaar, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft beschadigd;

parketnummer 18/830449-16

1.

hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 te Groningen, gemeente Groningen, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en vervolgens heen en weer bewogen en zich laten pijpen door die [slachtoffer 2] ;

2.

hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 te Groningen, gemeente Groningen, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2002, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht/geduwd/gehouden en vervolgens heen en weer bewogen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/830383-17

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

parketnummer 18/830449-16

1. Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

2. Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/830383-17 en het onder 1 en 2 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen, met aftrek van voorarrest;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting, als geadviseerd in het reclasseringsrapport van de VNN d.d. 20 juli 2017;

- een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om indien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, deze niet van langere duur te laten zijn dan die van het door verdachte in deze zaak ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als destijds 37-jarige man schuldig gemaakt aan ontucht met twee jonge meisjes, van respectievelijk 13 en 14 jaar oud, waarbij er sprake is geweest van binnendringen van het lichaam van de slachtoffers. De verdachte, die wist dat de meisjes jong waren, heeft geen rekening gehouden met de ongelijkwaardige verhouding tussen hem en de slachtoffers. Zijn wetenschap en vermoedens ter zake hun jonge leeftijd heeft hem er niet van weerhouden ontuchtige handelingen met hen te plegen.

Door zijn handelwijze heeft verdachte de lichamelijke en seksuele integriteit van de beide slachtoffers in ernstige mate geschonden, hetgeen in het algemeen als zeer ingrijpend wordt ervaren en nadelige psychische gevolgen van ingrijpende aard en lange duur met zich kan brengen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een deur waarmee hij ook een inbreuk heeft gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank acht voor een combinatie van dergelijke feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor zedendelicten. Langer geleden is verdachte veroordeeld voor vernieling.

Verdachte heeft volledige openheid van zaken gegeven en heeft ter terechtzitting verantwoordelijkheid voor alle feiten genomen en ten aanzien daarvan spijt betoond.

Uit het reclasseringsadvies van de VNN d.d. 20 juli 2017 blijkt, ondanks de schuldbewuste houding van verdachte, met name in de zedenzaken, dat mogelijk toch sprake is van een recidiverisico, onder meer vanwege de beperkte verstandelijke vermogens van verdachte. Om deze recidivekans te verminderen wordt naast een verplicht reclasseringstoezicht door de VNN, begeleiding en behandeling ter vergroting van verdachtes zelfinzicht, inschattingsvermogen en weerbaarheid, door Trajectum geadviseerd. Verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid getoond om een dergelijke begeleiding en behandeling te ondergaan.

De rechtbank zal alles overwegende aan verdachte een straf conform de eis van de justitie opleggen en zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

Benadeelde partij

[vertegenwoordiger slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat een feit als onder 1 van parketnummer 18/830449-16

bewezenverklaard, naar algemene ervaringsregels bij een slachtoffer psychische en emotionele schade veroorzaakt, maar dat in dit concrete geval, het causale verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde schade niet eenvoudig is vast te stellen. De rechtbank overweegt hiertoe dat blijkens het proces-verbaal, de benadeelde partij ook voorafgaand aan het bewezenverklaarde al langere tijd te kampen had met psychische/emotionele problematiek.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij dit causale verband alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 245 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/830383-17 en het onder 1 en 2 van parketnummer 18/830449-16 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 242 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 240 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich zal melden bij de reclassering van de VNN te Groningen, zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht;

2. dat de veroordeelde zich voor zijn psychisch-emotionele en cognitieve problematiek ambulant zal laten begeleiden en behandelen door Trajectum of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan het behandeladvies en de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling en begeleiding door of namens de instelling/(hoofd)behandelaar, zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering van de VNN op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/830449-16, feit 1:

Bepaalt dat de benadeelde partij [vertegenwoordiger slachtoffer 1] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. M.J. B. Holsink en M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 januari 2018.