Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3212

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
08-08-2018
Zaaknummer
18/730035-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 2 augustus 2018 een 19-jarige man uit Heerenveen veroordeeld wegens betrokkenheid bij een tweetal straatroven. De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen, maar achtte medeplichtigheid bewezen. De rechtbank legde aan verdachte op de maximale werkstraf van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730035-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een zakje met) cocaïne (althans verdovende middelen) en/of een paar (sport)schoenen (Nike), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) een (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp) tevoorschijn heeft/hebben gehaald en/of dit zichtbaar en/of dreigend heeft/hebben getoond en/of dit op (de benen en/of het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of aan die [slachtoffer 1] dreigend heeft/hebben toegevoegd dat hij zijn armen wijd moest doen en/of zijn schoenen uit moest trekken;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van (een zakje met) cocaïne (althans verdovende middelen) en/of een paar (sport)schoenen (Nike), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan deze of aan een ander toebehoorde, door een (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp) tevoorschijn te halen en/of dit zichtbaar en/of dreigend te tonen en/of dit op (de benen en/of het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te richten en/of gericht te houden en/of aan die [slachtoffer 1] dreigend toe te voegen dat hij zijn armen wijd moest doen en/of zijn schoenen uit moest trekken; bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen, opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft door de veiligheid van die [medeverdachte] te bewaken en/of op de uitkijk te gaan staan;

2. primair

hij op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een pakje) sigaretten (Marlboro) en/of een aansteker, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) een (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp) tevoorschijn heeft/hebben gehaald en/of dit zichtbaar en/of dreigend heeft/hebben getoond en/of dit op (de benen en/of het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of aan die [slachtoffer 2] (onder de dreiging van het bezit van het eerder getoonde (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp)) heeft/hebben toegevoegd dat hij zijn armen wijd moest doen;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een pakje) sigaretten (Marlboro) en/of een aansteker, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) een (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp) tevoorschijn heeft/hebben gehaald en/of dit zichtbaar en/of dreigend heeft/hebben getoond en/of dit op (de benen en/of het lichaam van) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of aan die [slachtoffer 2] (onder de dreiging van het bezit van het eerder getoonde (op een) vuurwapen/pistool (gelijkend voorwerp)) heeft/hebben toegevoegd dat hij zijn armen wijd moest doen, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of omstreeks 16 februari 2018 te Heerenveen en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door de veiligheid van die [medeverdachte] te bewaken en/of op de uitkijk te gaan staan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde medeplegen van - kort gezegd - de afpersing van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de diefstal met bedreiging met geweld van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ).

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd wegens medeplichtigheid aan voornoemde afpersing en diefstal met bedreiging met geweld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte was van het plan van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - kort gezegd - te beroven dan wel af te persen. Medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) heeft eveneens verklaard dat op voorhand niet duidelijk was wat [medeverdachte] zou gaan doen en dat hier niet over is gesproken. Uitgaand van deze verklaringen kan opzet van verdachte op beide gronddelicten niet worden bewezen en dient verdachte te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten, zowel primair als subsidiair.

Indien de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte wel op de hoogte was van het plan van [medeverdachte] en dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan, kan medeplegen niet worden bewezen omdat de materiële bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht was. Doorgaans wordt in het geval van op de uitkijk staan medeplichtigheid bewezen. Echter heeft het Gerechtshof Amsterdam in een vergelijkbare zaak1 geoordeeld dat geen sprake was van medeplichtigheid omdat niet was gebleken dat van de lijfelijke aanwezigheid van verdachte op enige afstand van het gebeuren een reële dreiging naar het slachtoffer is uitgegaan. Dit kan ook worden toegepast op de onderhavige zaak en verdachte dient aldus van medeplichtigheid te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat [medeverdachte] op 16 februari 2018 met verdachte en [medeverdachte 2] in de woning van [medeverdachte 2] in Heerenveen verbleef. [medeverdachte] had met aangever [slachtoffer 1] afgesproken en vroeg verdachte en [medeverdachte 2] om met hem mee te gaan. Vervolgens werden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door [medeverdachte] beroofd dan wel afgeperst onder bedreiging van een nepvuurwapen, waarbij [medeverdachte] een paar schoenen, een pakje sigaretten en een zakje met (onder meer) cocaïne buitmaakte. [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en verdachte vertrokken tezamen weer richting de woning van [medeverdachte 2] , alwaar de politie even later de weggenomen spullen aantrof.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte een strafbaar aandeel in voornoemde feiten heeft gehad.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte] hem en [medeverdachte 2] op de bewuste avond vroeg om mee te gaan en dat zij dat deden. Hij wist niet wat [medeverdachte] van plan was en heeft hierover ook geen vragen aan [medeverdachte] gesteld. Toen [medeverdachte] met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ging praten, bleef verdachte op 10 à 15 meter afstand. Toen hij zag dat [medeverdachte] een wapen in zijn hand had, schrok hij en besloot hij om zich erbuiten te houden. Nadien hebben ze niet gesproken over hetgeen is gebeurd.

De rechtbank constateert dat deze verklaring in strijd is met een aantal verklaringen uit het dossier. De rechtbank zal deze verklaringen kort bespreken.

[medeverdachte] heeft verklaard (zie het hierna opgenomen bewijsmiddel 2) dat hij van tevoren aan verdachte en [medeverdachte 2] had verteld dat hij [slachtoffer 1] zou gaan rippen. Verdachte en [medeverdachte 2] moesten van [medeverdachte] op het hoekje wachten en kijken wat er ging gebeuren.

De rechtbank constateert dat [slachtoffer 2] heeft verklaard (zie het hierna opgenomen bewijsmiddel 3) dat verdachte als een soort back-up bij [medeverdachte] stond en [slachtoffer 1] en hem, alsmede de omgeving in de gaten hield. [medeverdachte 2] bleef bij de steeg op de uitkijk staan en waarschuwde dat hij mensen hoorde.

Uit de verklaring van [slachtoffer 1] (zie het hierna opgenomen bewijsmiddel 4) volgt dat verdachte en [medeverdachte 2] op een afstand van ongeveer drie meter stonden tijdens het voorval, dus veel dichterbij dan de afstand van 10 of 15 meter die verdachte heeft genoemd. Ook uit de verklaring van getuige [getuige] (opgenomen onder bewijsmiddel 5) leidt de rechtbank af dat alle betrokkenen bij het voorval, dus ook verdachte, dichtbij elkaar stonden.

Voorts constateert de rechtbank dat verdachte bij de politie heeft verklaard (zie het hierna opgenomen bewijsmiddel 6) dat hij het nepvuurwapen van [medeverdachte] op 16 februari 2018 reeds had gezien in de woning van [medeverdachte 2] .

Gelet op voornoemde verklaringen uit het dossier in onderling verband en samenhang bezien, hecht de rechtbank geen waarde aan de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting. De rechtbank gaat bij de vaststelling van de feiten dan ook uit van de door [medeverdachte] geschetste gang van zaken, waarbij verdachte van tevoren op de hoogte was van het plan van [medeverdachte] om iemand te rippen en verdachte en [medeverdachte 2] conform de opdracht van [medeverdachte] op de uitkijk stonden. Dit komt overeen met hetgeen de aangevers, met name [slachtoffer 2] , blijkens hun verklaringen hebben waargenomen.

Dat [medeverdachte 2] net als verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] van tevoren niet heeft verteld wat hij van plan was, maakt dit niet anders. [medeverdachte 2] heeft er - net als verdachte - persoonlijk belang bij om te verklaren dat [medeverdachte] van tevoren niets heeft gezegd, terwijl de rechtbank geen belang voor [medeverdachte] en aangevers ziet om in strijd met de waarheid te verklaren over de wetenschap of rol van verdachte.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het aandeel van verdachte van onvoldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 blijkt dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Deze kwalificatie is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Verdachte heeft geen uitvoeringshandelingen verricht en er was evenmin sprake van intellectueel daderschap. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde.

Rest de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag positief dient te worden beantwoord. Door als back-up bij [medeverdachte] te staan en op de uitkijk te staan, was verdachte medeplichtig aan de door [medeverdachte] gepleegde afpersing van [slachtoffer 1] en aan de diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld van [slachtoffer 2] .

De door de raadsman gemaakte vergelijking met de casus van het Gerechtshof Amsterdam gaat niet op. De rechtbank constateert dat de verdachte in die zaak aanvankelijk weigerde om mee te gaan met de medeverdachten waarna hem werd gezegd dat hij slechts bij de scooters van zijn medeverdachten hoefde te blijven, hetgeen geschiedde. Dit is een volstrekt andere situatie dan de onderhavige zaak. De rechtbank wijst er onder meer op dat verdachte op geen enkel moment heeft aangegeven niet mee te willen en dat hij blijkens de bewijsmiddelen op korte afstand van [medeverdachte] stond toen laatstgenoemde de feiten pleegde.

De rechtbank verwerpt het verweer derhalve en zal het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair bewezen verklaren.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 19 juli 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ging op 16 februari 2018 samen met [medeverdachte 2] met [medeverdachte] mee. [medeverdachte] ging met twee jongens praten. Hij toonde een nepwapen en ik zag dat hij schoenen en sigaretten afpakte. We gingen met zijn drieën weg. Later zag ik dat hij ook een klein pakketje had. We liepen samen terug naar de woning van [medeverdachte 2] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2018, opgenomen op pagina 210 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

Op 16 februari 2018 heb ik met [slachtoffer 1] afgesproken dat ik cocaïne van hem zou kopen. Ik bedacht dat ik wel kon proberen om hem te beroven.

Ik ging naar [medeverdachte 2] en [verdachte] toe en ik vroeg of er een iemand met mij mee kon. Ze gingen toen beiden mee. Ze bleven bij het hoekje staan.

V: Er moest toen wel iemand mee?

A: Ja stel je voor dat ze me zouden slaan.

V: Wat vertelde je aan [medeverdachte 2] en [verdachte] over jouw plan?
A: Dat ik er naar toe gaan en ik hem zou rippen. Ik heb tegen hen gezegd dat ze bij het hoekje moesten wachten en moesten kijken wat er ging gebeuren.

Ik had van huis wat kleren en mijn B.B. gun meegenomen. Dat is een balletjespistool.

Ik zei tegen [slachtoffer 1] dat hij het maar moest laten zien. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] een zakje met wit poeder pakte en aan mij gaf. Ik hield toen de B.B. gun recht naast mijn heup en ik zei tegen [slachtoffer 1] : "Dat is nu van mij en morgen wil ik die 25 gram hebben". [slachtoffer 1] gaf mij 1 zakje met wit poeder. Van [slachtoffer 2] nam ik een pakje sigaretten af. Ik wilde weten of ze me niet bedrogen en toch meer cocaïne bij zich hadden. Ik heb toen in de borstzak van [slachtoffer 2] gevoeld en daar vond ik die sigaretten. Die heb ik eruit gepakt en meegenomen.

Ik zei ook dat ik een pistool had. Ik zei dat ze hun armen opzij moesten doen, zodat ik hun zakken kon bevoelen. [medeverdachte 2] stond toen om het hoekje daar. Op een afstand van ergens rond 8 a 9 meter. [medeverdachte 2] moest wachten en kijken wat er ging gebeuren. [verdachte] stond ook bij die steeg. Eerst stond hij vlak bij mij en later is hij naar [medeverdachte 2] gelopen. Hij is uit zichzelf met mij meegelopen naar die plek. Ik had hem dat niet gevraagd. Hij is maar heel kort bij mij gebleven, misschien 5 seconden, en toen liep hij terug naar [medeverdachte 2] . Op het laatst stond er iemand boven ons. [verdachte] of [medeverdachte 2] riep toen dat ik moest stoppen en dat we weg moesten gaan.

We zijn naar [medeverdachte 2] zijn huis gegaan. Ik droeg de schoenen, de sigaretten en het zakje cocaïne.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2018, opgenomen op pagina 77 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018040192 d.d. 4 april 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte van diefstal onder bedreiging van geweld op 16 februari 2018 in Heerenveen. Onder bedreiging van een vuurwapen heeft de mij bekende [medeverdachte] een pakje sigaretten van mij afgepakt en heb ik hem een aansteker gegeven. Tevens heeft [medeverdachte] van mijn vriend [slachtoffer 1] onder bedreiging van dat vuurwapen diens schoenen afgenomen. Ik was op 16 februari 2018 samen met [slachtoffer 1] . Ik zag [medeverdachte] met twee andere jongens in dat parkje staan. Een van de jongens ken ik niet, de andere heet [medeverdachte 2] . We zijn met zijn vijven de Lanenburg overgestoken. Daar kan je door een steeg achter de huizen komen. Daar zijn we toen onder een balkon gaan staan. Toen we daar waren zag ik dat [medeverdachte] ineens uit zijn rechter jaszak een pistool tevoorschijn haalde. Ik zag dat [medeverdachte] voor [slachtoffer 1] stond, het pistool pakte en ik hoorde dat hij tegen [slachtoffer 1] zei: "Doe de armen maar wijd, dit is geen grapje. Laat maar zien wat je in je zakken hebt". Ik zag dat hij het pistool in de richting van de benen van [slachtoffer 1] had gericht. Ik zag dat [medeverdachte 2] bij de steeg was blijven staan. Dat was op een afstand van ongeveer drie meter van ons. Ik kon duidelijk aan hem zien dat hij die steeg in de gaten hield. Hij stond daar zeker op de uitkijk. De andere jongen stond als een soort back-up bij [medeverdachte] . Ik schat op een afstand van 1 á 1,5 meter achter [medeverdachte] . Ik zag dat hij ons in de gaten hield, maar ook de omgeving in de gaten hield. Ik zag dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] begon te bevoelen. Daarna zag ik dat [medeverdachte] zich tot mij keerde. Ik moest mijn handen ook wijd doen. [medeverdachte] pakte mijn pakje sigaretten van het merk Malboro. Ik hoorde [medeverdachte] zeggen: "Die zijn nu van mij". Ik hoorde [medeverdachte 2] , die bij de steeg stond, zeggen: "Ik hoor mensen, we moeten gaan". Ik hoorde [medeverdachte] tegen [slachtoffer 1] zeggen dat hij zijn schoenen uit moest doen. Ik zag dat hij dat pistool weer gericht hield op de benen van [slachtoffer 1] . Ik zag dat [slachtoffer 1] zijn schoenen uitdeed. Toen [slachtoffer 1] zijn schoenen uit had gedaan, zag ik dat [medeverdachte] die schoenen van de grond pakte. Daarna zag ik dat [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en de derde jongen richting de [adres 1] zijn weggelopen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 februari 2018, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was vanavond met mijn vriend [slachtoffer 2] . Een jongen die [slachtoffer 2] kende vroeg aan ons om mee te gaan, die andere jongens liepen achter ons. We liepen naar een parkeerplaats ergens achter. Toen we daar waren, zag ik dat hij die kleine, zijn shirt omhoog deed en daar een pistool wegpakte. Ik hoorde dat hij toen zei, dat hij geen grapje maakte en ons zou schieten. Ik heb toen niet meer bewogen uit angst dat hij mogelijk zou gaan schieten. Ik ging met de handen gespreid staan en toen voelde hij mijn jas na en mijn zakken. Ik hoorde dat hij zei dat hij geen grapje maakte en gewoon op mij zou gaan schieten. Hij zei toen dat ik de schoenen uit moest trekken. Ik heb dat toen gedaan en hij heeft zelf die schoenen opgepakt. Ik zag toen dat hij naar [slachtoffer 2] liep en bij hem ook de jas los deed. Ik zag dat hij van [slachtoffer 2] een pakje sigaretten, merk Marlboro, pakte en een gele aansteker. Ik zag dat hij deze in zijn eigen zak deed. De andere twee jongens stonden op een afstand van ongeveer drie meter van ons toen dit gebeurde. Ik voelde mij bedreigd doordat de jongen het pistool pakte en dit op mij richtte. Ik wilde mij daarom ook niet verzetten, omdat hij ook het pistool op de buik van [slachtoffer 2] richtte.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 16 februari 2018, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik hoorde vanaf de straat een groepje jongeren met elkaar praten. Het leek alsof ze ruzie hadden. Ik zag dat er een vijftal jongeren vanonder de balustrade vandaan kwamen. Ze liepen gesplitst weg. Ik zag dat een van deze jongens schoenen vasthield. Ik zag dat drie jongens tezamen rustig wegliepen in de richting van de [adres 1] en vervolgens zag ik dat de andere twee jongens beide rustig wegliepen in de richting van de [adres 2].

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 februari 2018, opgenomen op pagina 200 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik was op 16 februari 2018 bij [medeverdachte 2] . [medeverdachte] kwam daar. Hij vroeg ons mee te gaan.

Tijdens de beroving stond [medeverdachte 2] een stukje weg. Ik herinner dat hij zoiets zei als dat er mensen aankwamen.

V: Heeft [medeverdachte] nog wat meegenomen uit de woning van [medeverdachte 2] ?

A: Ja, hij had een plastic pistool meegenomen. Gisteren in de woning van [medeverdachte 2] zag ik dat pistool voor het eerst. Ik zag dat pistool voordat we weggingen. Ik zag wel dat het nep was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

[medeverdachte] op 16 februari 2018 te Heerenveen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een zakje met cocaïne en een paar schoenen, Nike, dat aan deze [slachtoffer 1] toebehoorde, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn te halen en dit zichtbaar en dreigend te tonen en dit op het lichaam van die [slachtoffer 1] te richten en aan die [slachtoffer 1] dreigend toe te voegen dat hij zijn armen wijd moest doen en zijn schoenen uit moest trekken;

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 16 februari 2018 te Heerenveen opzettelijk behulpzaam is geweest door de veiligheid van die [medeverdachte] te bewaken en op de uitkijk te gaan staan;

2. subsidiair

[medeverdachte] op 16 februari 2018 te Heerenveen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje sigaretten, Marlboro, en een aansteker, toebehorende aan [slachtoffer 2] , welke diefstal werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tevoorschijn heeft gehaald en dit zichtbaar en dreigend heeft getoond en dit op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gericht en aan die [slachtoffer 2] onder de dreiging van het bezit van het eerder getoonde op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft toegevoegd dat hij zijn armen wijd moest doen, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 16 februari 2018 te Heerenveen opzettelijk behulpzaam is geweest door de veiligheid van die [medeverdachte] te bewaken en op de uitkijk te gaan staan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair Medeplichtigheid aan afpersing.

2. subsidiair Medeplichtigheid aan diefstal voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 240 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een werkstaf. Een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf dient geen doel, mede gelet op de beperkte rol van verdachte en het feit dat de reclassering van mening is dat het recidiverisico laag is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportages d.d. 20 februari 2018 en 29 juni 2018, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie 23 april 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - betrokkenheid bij twee gevallen van straatroof. Verdachte heeft op verzoek van een vriend op de uitkijk gestaan terwijl die vriend twee jongens onder bedreiging van een nepwapen een paar schoenen, cocaïne, sigaretten en een aansteker afhandig maakte.

Dergelijke feiten, gepleegd met een (nep)vuurwapen in de openbare ruimte, brengen onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. De slachtoffers hebben verklaard dat zij tijdens de beroving angstige momenten hebben beleefd.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij klakkeloos heeft ingestemd mee te gaan in de plannen van zijn vriend en dat hij kennelijk op geen enkele manier heeft stil gestaan bij de gevolgen van een dergelijke beroving voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 29 juni 2018 volgt dat bij verdachte het (zelf-)reflecterend vermogen en het kunnen inschatten van andere mensen nog niet goed is ontwikkeld, maar de reclassering ziet hierbij een verband met de nog jeugdige leeftijd van verdachte. Verdachte moet de kans krijgen te laten zien dat hij in de toekomst verstandigere keuzes kan maken.

De reclassering schat het recidiverisico in als laag en acht verplichte behandeling of begeleiding niet nodig.

De rechtbank koestert - net als de reclassering - de hoop dat verdachte zal leren van zijn gemaakte fouten en dat hij zich in de toekomst ver van dergelijke praktijken zal houden. De enkele oplegging van een taakstraf, zoals verzocht door de raadsman, zou echter onvoldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder is veroordeeld, het lage recidiverisico en de beperkte rol die verdachte bij de feiten heeft gespeeld, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde maximale taakstraf en deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1. primair en 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 192 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en

mr. M. Brinksma, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 augustus 2018.

Mr. Sikkema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Gerechtshof Amsterdam 23 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1542.

2 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 en HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637.