Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3113

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
6355625
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid en toepasselijk recht; consumentenkoop; paard behept met hanentred; bindend advies; moment van levering; bewijsvermoeden artikel 7:18 lid 2 BW; (verkoper geslaagd in het) tegendeelbewijs; bewijswaardering; bewijsopdracht koper dat paard ten tijde van de levering reeds behept was met het gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 6355625 \ CV EXPL 17-11562

vonnis van de kantonrechter d.d. 24 juli 2018

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigden mr. D.F. Berkhout en mr. D. Korzec, advocaten te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PURISIO HOEVE B.V.,

gevestigd te Zevenhuizen,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3 [gedaagde sub 3] ,

gevestigd te Zevenhuizen,

4 [gedaagde sub 4] ,

gevestigd te Zevenhuizen,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.A. Weda, advocaat te Castricum.

Partijen zullen hierna [eiseres] , Purisio, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Purisio c.s. (in vrouwelijk enkelvoudsvorm) worden genoemd.

DE PROCESGANG

De procesgang blijkt uit het volgende:

- de dagvaarding;

- incidentele conclusie tot verwijzing ex artikel 71 Rv, alsmede conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;

- vonnis in het incident, waarmee de rechtbank Noord-Nederland de zaak in de stand waarin deze zich bevond heeft verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Groningen;

- de conclusie van antwoord in reconventie.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

Bij tussenvonnis van 17 oktober 2017 is een comparitie na antwoord gelast. Deze heeft - na uitstel - plaatsgevonden op 6 april 2018. [eiseres] is verschenen met haar gemachtigden mr. Berkhout, mr. Korzec en haar Deense advocaat mr. Christensen. Voorts is verschenen mevr. [naam] (tolk in de Engelse taal). [gedaagde sub 2] is verschenen namens Purisio c.s., samen met haar gemachtigde mr. Weda.

Beide partijen hebben ten behoeve van de zitting pleitaantekeningen en aanvullende producties in het geding gebracht. Van hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Tot slot is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is nader vastgesteld op heden.

OVERWEGINGEN

1 De feiten

in conventie en in reconventie

1.1.

[gedaagde sub 2] is (indirect) bestuurder van Purisio. [gedaagde sub 2] en Purisio houden zich bezig met de handel in sportpaarden en de bemiddeling in die handel. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zijn aan Purisio en [gedaagde sub 2] gelieerde vennootschappen.

1.2.

Op 7 februari 2015 vond de KWPN Select Sale 2015 (hierna: de veiling) plaats in de Brabanthallen in 's-Hertogenbosch. Op die veiling heeft [eiseres] van Purisio het dressuurpaard Handsome O gekocht voor een bedrag van € 300.000,00, exclusief veilingkosten. Handsome O werd door KWPN aangemerkt als een 'premium horse'.

1.3.

Handsome O is geboren op 3 mei 2012 en als veulen door Purisio gekocht. Tot aan de veiling was Handsome O eigendom van Purisio en verbleef hij op de stal van Purisio.

1.4.

Op 10 februari 2015 heeft [eiseres] de koopprijs betaald.

1.5.

Op 17 februari 2015 heeft [gedaagde sub 2] in de late avond Handsome O afgeleverd te [woonplaats] , waarna Handsome O door [A] (hierna: [A] ) en [B] direct in zijn box is gezet. De afstand die Handsome O van de trailer tot de stal heeft afgelegd betrof ongeveer 5 meter.

1.6.

Op zaterdag 21 februari 2015 zag [C] - werkzaam als berijder op Katrinelund - Handsome O voor het eerst. Zij merkte op dat Handsome O a-typisch liep en heeft daarom [D] gebeld en aan hem verteld dat zij het vermoeden had dat Handsome O behept is met hanentred. Zij heeft hierover het volgende verklaard:

'Ik heb gebeld omdat ik verantwoordelijk was voor een duur paard waarvan ik dacht dat er iets mis mee was, hanentred namelijk. Ik heb zelf een paard met hanentred gehad en ik herkende het meteen. Ik vertelde [D] dat ik geobserveerd had dat Handsome O hanentred had en vroeg hem wat ik moest doen. Hij zei dat ik het paard moest filmen en het filmpje naar hem moest toesturen (…) [D] reageerde door te vertellen dat hij ook zelf had gezien dat het paard wat anders liep maar dat hij dacht dat het door de beschermers kwam.'

1.7.

De door [C] op 21 februari 2015 gemaakte video-opnames zijn in hetzelfde weekend naar de dierenarts dr. Jonas Daniël Rasmussen (hierna: dr. Rasmussen) zijn gestuurd. Hierover heeft dr. Rasmussen - onder meer - het volgende verklaard:

'In het weekend was er contact met mij opgenomen door [D] en hij had mij een video gestuurd. Op deze video vertoonde het paard hanentred. Het paard was pas gekocht en we waren het erover eens dat het belangrijk was dat het paard op de eerste werkdag naar de kliniek zou komen.'

1.8.

Op maandag 23 februari 2015 is Handsome O naar het Højgård paardenziekenhuis gebracht. Aldaar is Handsome O is onderzocht door dr. Rasmussen en dr. Louise Husted (hierna: dr. Husted).

1.9.

Dr. Husted heeft in haar onderzoeksrapport d.d. 24 februari 2015 - onder meer - het volgende geconcludeerd:

'Based on a clinical and neurological examination, the horse showed a gait abnormality consistent with a moderate degree of unilateral right-sided stringhalt of the pelvic limb.'

1.10.

[eiseres] heeft KWPN en [gedaagde sub 2] bij e-mail van 25 februari 2015 laten weten dat Handsome O 'has a problem in his right hind leg'. Vervolgens is tussen partijen discussie is ontstaan of er sprake is van een gebrek.

1.11.

Op 4 maart 2015 heeft [gedaagde sub 2] de vennootschap [gedaagde sub 3] opgericht. De groep van vennootschappen van [gedaagde sub 2] bestaat thans uit Purisio Hoeve, [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en Stichting Administratiekantoor [naam] [gedaagde sub 2] is van elke vennootschap - indirect dan wel direct - enig bestuurder en enig aandeelhouder.

1.12.

Dr. Rasmussen heeft Handsome O onderzocht en in zijn onderzoekrapport d.d. 5 maart 2015 - onder meer - het volgende geconcludeerd:

'In walk the horse had a very clear hyperflexion of the right hind leg.'

1.13.

Handsome O is uiteindelijk door verschillende veeartsen nogmaals onderzocht, namelijk door dr. Arie Hoogendoorn (rapport d.d. 10 maart 2015), dr. Rasmussen (rapport d.d. 17 maart 2015), dr. Inge Dagmar Wijnberg (rapport d.d. 29 april 2015) en dr. Gaby van Galen (rapport d.d. 6 mei 2015).

1.14.

Het rapport van dr. Wijnberg d.d. 29 april 2015 betreft een bindend advies. Aan haar zijn de volgende twee vragen voorgelegd:

1) Does the horse show a neurological gait deflict, expressed as hypermetria?

2) If so, how long has the problem been present?

Voornoemde vragen heeft dr. Wijnberg in haar 'End conclusion' als volgt beantwoord:

" Probability diagnosis related to question 1.

'Based on the information obtained during the exams performed on the 18th of April, with consensus of all parties present, the data suggest the presence of some form of soft tissue injury in the cervical region, as evidenced by the very mild ataxia and the occasional hypermetria of both hind legs and paraspinal muscle re-innervation. The overall moderate body stiffness of the horse (…) have to be classified as abnormal. Given the multiple skin abrasions, together with the overall picture of abnormalities seen as described above, a traumatic origin can not be excluded.

Time frame related to question 2.

On the video dating from before the sale, no hypermetria in any of the legs or other signs of neurological defects are seen. On the video dating from the 21st of February, hypermetria similar to the one described above is visible in both legs; the frequency seems to be less than reported before (see letter of the veterinarian L. Husted). This means that it cannot be excluded that in the period between both recordings (hence, after the stallion show and before the 21st of February) some insult had occurred, resulting in the current abnormalities. However, it should be realised that no hard evidence for the occurrence of such an events exists."

1.15.

Omdat Purisio niet wilde meewerken aan ongedaan making van de koopovereenkomst, heeft de Deense advocaat van [eiseres] op 29 mei 2015 Purisio c.s. als volgt aangeschreven:

'HANDSOME O - RECISSION OF PURCHASE CONTRACT

The undersigned is engaged by [eiseres] in connection with detected material defects on the horse "Handsome O" acquired through the KSS Select Sale on 7 February 2015. We refer to [eiseres] 's previous contact with KSS and the seller regarding this.

Given especially the content of three veterinary reports (dated 17 February, 23 February and 2 March), abnormal behaviour due to gait problem (stringhalt) and the content of the report of Dr. Inge D. Wijnberg dated 29 April and Dr. Gaby Van Galen dated 20 May 2015, both from the examination of Handsome O. on 18 April, it is clear that the horse has material defects on the date of sale. The horse has no value for neither dressage or breeding purposes.

Therefore, we hereby, on behalf of [eiseres] , cancel and dissolve the purchase of the horse Handsome O. Because of the cancellation and rescission of the purchase, the seller/KSS shall repay the purchase price of EUR 300.000,- to [eiseres] and [eiseres] shall return the horse to seller/KSS.

(…)'

1.16.

Op 8 december 2015 heeft [eiseres] een verzoekschrift ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en heeft zij op 16 januari 2016 heeft zij om een uitbreiding hiervan verzocht. Op 18 februari 2016 is het verzoek toegewezen, waarna de voorlopig getuigenverhoren zijn gehouden op respectievelijk 1 en 5 september 2016 en 11 en 12 januari 2017

1.17.

Op 1 juni 2017 heeft [eiseres] een verzoek tot beslaglegging ingediend welk verlof haar is verleend, waarna op 2 juni 2017 beslag is gelegd op de bankrekeningen van [gedaagde sub 2] en de vennootschappen en op 6 juni 2017 op de onroerende zaak van [gedaagde sub 2] .

2 De vorderingen en de verweren

in conventie

2.1.

[eiseres] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. Ten aanzien van Purisio

I. Primair: voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst tussen [eiseres] en Purisio met betrekking tot het paard Handsome O d.d. 7 februari 2015 door [eiseres] buitengerechtelijk is ontbonden op 29 mei 2015.

Subsidiair: voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst tussen [eiseres] en Purisio met betrekking tot het paard Handsome O d.d. 7 februari 2015 door [eiseres] buitengerechtelijk is vernietigd op 29 mei 2015.

Meer subsidiair: de ontbinding of vernietiging van de koopovereenkomst bij vonnis uit te spreken.

II. Primair: Purisio te veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 300.000,-, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat, op de datum van deze dagvaarding begroot op € 63.160,82, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan het moment van algehele voldoening.

III. Primair: Purisio te veroordelen om binnen 14 dagen na de datum van het te wijzen vonnis het paard 'Handsome O' af te halen van de stal Katrinelund, te Denemarken.

IV. Primair: Purisio te veroordelen in de kosten van de procedure en kosten van de voorlopige getuigenverhoren op 1 en 5 september 2015 en 11 en 12 januari 2017, waaronder inbegrepen de taxes van de getuigen, begroot op € 12.555,15, een en ander te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

B. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] :

I. Primair: voor recht te verklaren dat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres] .

II. Primair: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk - met Purisio - te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 300.000,-, alsmede een bedrag ter vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, voor zover nodig nader op te maken bij staat, op de datum van deze dagvaarding begroot op € 63.160,82, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan het moment van algehele voldoening.

III. Primair: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk - met Purisio - te veroordelen in de kosten van deze procedure en kosten van de voorlopige getuigenverhoren op 1 en 5 september 2016 en 11 en 12 januari 2017, waaronder inbegrepen de taxes van de getuigen, begroot op € 12.555,15, een en ander te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.2.

[eiseres] legt primair aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van consumentenkoop, dat Purisio een non-conform paard heeft geleverd in de zin van artikel 7:17 BW en dat zij op grond daarvan de koopovereenkomst mocht, dan wel kan, ontbinden. Zij stelt dat - voor zover er geen sprake zou zijn van consumentenkoop - zij tot ontbinding over kon/kan gaan op grond van artikel 6:265 BW dan wel artikel 6:267 BW, nu er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst ex artikel 6:74 BW. Subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat er sprake is van bedrog, artikel 3:44 lid 3 BW, dan wel dwaling in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub a t/m c BW. [eiseres] vordert op grond van artikel 6:74 BW en artikel 6:162 BW schadevergoeding voor de schade die zij heeft geleden - en nog zal lijden - door het gebrek. [eiseres] stelt daarnaast dat het handelen van Purisio een onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 BW. Zij stelt dat het handelen van Purisio in strijd is met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarnaast stelt ze dat Purisio door zonder enige grondslag te weigeren de betaalde koopsom terug te betalen onrechtmatig heeft gehandeld. Voor zover de overeenkomst niet reeds buitengerechtelijk is vernietigd vordert zij vernietiging op grond van artikel 3:51 BW.

Voorts stelt [eiseres] zich op het standpunt dat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, door de groep te herstructureren met - zo stelt [eiseres] - als oogmerk om haar als schuldeiser te benadelen. Zij stelt dat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , aansprakelijk zijn voor de schade die zij hierdoor lijdt. Zij stelt dat er sprake is van misbruik van identiteitsverschil van de vennootschappen, met als doel om vermogensbestanddelen van Purisio aan verhaal door [eiseres] te onttrekken. Zij stelt dat [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 4] , als (in)direct bestuurder(s) van Purisio en [gedaagde sub 3] , een (ernstig) persoonlijk verwijt te maken valt.

[eiseres] verzoekt tot slot om de proceskostenveroordeling op grond van artikel 237 Rv naar billijkheid vast te stellen.

2.3.

Purisio c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vorderingen dan wel afwijzing daarvan met veroordeling van [eiseres] in de kosten. Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring doet Purisio c.s. een beroep op artikel 53 jo. artikel 55 van de Veilingvoorwaarden KWPN Select Sale 2015. Zij voert aan dat [eiseres] geen recht meer toekomt. Daarnaast voert Purisio c.s. inhoudelijk verweer. Zij betwist dat Handsome O non-conform was ten tijde van de levering en stelt zich op het standpunt dat er een ongeval heeft plaatsgevonden op Katrinelund, welke zeer wel hanentred tot gevolg kan hebben. Zij stelt dat hanentred door een ongeval kan worden veroorzaakt en dat geen aanwijzing bestaat dat hanentred een genetische oorzaak kent dan wel dat het kan worden gemaskeerd met botox. In dit kader doet Purisio c.s. een beroep op de tenzij-clausule van artikel 7:18 lid 2 BW. Met betrekking tot de levering stelt Purisio zich op het standpunt dat deze op grond van artikel 12 van de Veilingvoorwaarden KWPN Select Sale 2016 op 7 februari 2015 heeft plaatsgevonden. Purisio c.s. betwist dat [gedaagde sub 2] en de vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld, dat er sprake zou zijn van onrechtmatige herstructurering dan wel dat er sprake zou zijn van misbruik van identiteitsverschil. Tot slot stelt Purisio c.s. dat [gedaagde sub 3] niet aansprakelijk kan worden gehouden nu er geen rechtstreekse rechtsverhouding bestaat tussen [eiseres] en [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] overigens pas na de verkoop is opgericht.

in reconventie

2.4.

Purisio c.s. vordert in reconventie om [eiseres] te gebieden de gelegde conservatoire beslagen, zoals omschreven in het beslagrekest van 1 juni 2017, op te heffen binnen vijf dagen na vonnis alsmede te bepalen dat [eiseres] een dwangsom van € 5.000,00 verschuldigd is per dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke mocht blijven aan de voornoemde vordering te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag. Tot slot vordert Purisio c.s. om [eiseres] in reconventie te veroordelen in de kosten van het geding.

2.5.

Purisio c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat het beslag onder [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] onrechtmatig is gelegd. Er mag geen beslag worden gelegd omdat deze vennootschappen niet zelfstandig aansprakelijk zijn. Een zelfstandig verwijt aan deze vennootschappen ontbreekt.

2.6.

[eiseres] heeft verweer gevoerd en stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat er wel degelijk sprake is van onrechtmatig handelen van Purisio c.s., nu de herstructurering is uitgevoerd met het oogmerk om [eiseres] als schuldeiser te benadelen. Er is sprake van misbruik van identiteitsverschil. Purisio c.s. heeft geen (geloofwaardig of onderbouwd) zakelijk motief aangegeven voor de herstructurering. [eiseres] stelt dat er zowel sprake is van een 'gewone' onrechtmatige daad door Purisio c.s. als van bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] . Tot slot betwist [eiseres] dat er een grondslag bestaat voor het opleggen van een dwangsom.

in conventie en in reconventie

2.7.

De kantonrechter zal hierna, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak,

nader ingaan op hetgeen partijen (overigens) ter onderbouwing van hun stellingen hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd.

3 De beoordeling

in conventie en in reconventie

De bevoegdheid van de kantonrechter en het toepasselijk recht

3.1.

Het gaat in het onderhavige geval om een zaak met internationale aspecten, de koper, [eiseres] , is woonachtig in Noorwegen, en Purisio, de verkoper, is gevestigd in Nederland. De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van die verordening. Ingevolge artikel 4 van de verordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 8 lid 3 van de verordening is de Nederlandse rechter eveneens bevoegd om kennis te nemen van de vordering in reconventie, nu deze tegenvordering voortspruit uit de overeenkomst waarop de oorspronkelijke vordering gegrond is. Overigens heeft [gedaagde sub 2] op grond van artikel 26 lid 1 Brussel I bis-Verordening de bevoegdheid van deze rechtbank aanvaard, door zonder de bevoegdheid van deze rechtbank in twijfel te trekken voor deze rechtbank als gedaagde te verschijnen.

In het vonnis in het incident d.d. 27 september 2017 is door de rechtbank reeds geoordeeld dat de kantonrechter te Groningen bevoegd is om over het geschil te oordelen.

3.2.

Aan de vordering ligt een overeenkomst tot koop en verkoop ten grondslag. De overeenkomst is gesloten op 7 februari 2015 op een door KSS georganiseerde veiling. Het op de overeenkomst toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Rome I-Verordening. Dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 3 van de Rome I-Verordening is niet gesteld of gebleken. In het onderhavige geval is er sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder a) van de Rome I-Verordening, omdat het paard waarop de koopovereenkomst betrekking heeft een roerende zaak is als bedoeld in dat artikel. Tevens is er sprake van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4 lid 1 aanhef en onder g) van de Rome I-verordening, nu de overeenkomst ook een veilingovereenkomst betreft. Omdat de bestanddelen van de overeenkomst onder meer dan een van de punten a) tot en met h) van lid 1 vallen, is lid 2 van toepassing. De koopovereenkomst wordt op grond van het tweede lid beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst heeft verricht, haar gewone verblijfplaats heeft. Er is niet gebleken dat sprake is van een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 8 van de Verordening, op grond waarvan van dat beginsel zou moeten worden afgeweken. De kantonrechter overweegt daarbij - meer specifiek - dat er geen sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 6 van de verordening, nu niet is voldaan aan het vereiste onder sub a aangezien gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] dan wel KWPN zijn commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in of richt op het land waar [eiseres] woonplaats heeft. De kantonrechter oordeelt dat op grond van artikel 4 lid 2 van de Rome-I Verordening het Nederlands recht op de vordering van toepassing is nu de kenmerkende prestatie, namelijk het leveren van Handsome O aan [eiseres] , door het in Nederland gevestigde bedrijf is verricht.

Niet-ontvankelijkheidsverweer

3.3.

Bij vonnis in het incident d.d. 27 september 2017 is reeds geoordeeld dat de veilingvoorwaarden niet van toepassing zijn op de verhouding tussen [eiseres] als koper en Purisio als verkoper. De kantonrechter neemt dit oordeel over, nu partijen tegen dit oordeel van de rechtbank geen bezwaren hebben aangevoerd. Nu Purisio haar niet-ontvankelijkheidsverweer op de veilingvoorwaarden baseert, kan dit verweer niet slagen.

Is er sprake van consumentenkoop?

3.4.

De kantonrechter overweegt dat eerst het karakter van de rechtsverhouding tussen partijen moet worden vastgesteld, omdat de rechtsverhouding de toe te passen regels bepaalt. Bij vonnis in het incident heeft de rechtbank reeds geoordeeld - overigens op verzoek van Purisio c.s. - dat er sprake is van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Ter comparitie heeft Purisio c.s. - in tegenstelling tot het hetgeen zij eerder heeft betoogd - onder verwijzing naar een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2016:2603) aangevoerd dat [eiseres] niet als consumentenkoper te beschouwen is. Purisio c.s. stelt dat een kennisachterstand de ratio is achter de consumentenbescherming en dat - indien de koper qua kennis niet op achterstand is - de consumentenbescherming komt te vervallen. Zij stelt dat hier in het onderhavige geval sprake van is. Ter onderbouwing voert zij aan dat [eiseres] naast Handsome O meerdere paarden op Katrinelund heeft gestald ten behoeve van de dekdienst. Daarnaast stelt zij dat [eiseres] veel kennis heeft van paarden en veel ervaring heeft met het aankopen van paarden, ook ter veiling.

[eiseres] erkent dat zij meerderde paarden heeft gestald op Katrinelund maar stelt zich op het standpunt dat zij Handsome O in hoedanigheid van consument heeft gekocht; het was een cadeau voor haar dochter. Zij stelt dat het in het Nederlands recht gaat om de subjectieve intentie of een koper als consument is aan te merken of niet. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

3.5.

In artikel 7:5 lid 1 BW is bepaald dat onder consumentenkoop moet worden verstaan: “de koop met betrekking tot een roerende zaak (…) die wordt gesloten door een verkoper die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.” Het is daarbij - zo oordeelt de kantonrechter - aan de consumentenkoper zelf om te stellen - en zo nodig te bewijzen - dat van een consumentenkoop sprake is. In het Nederlandse recht geldt de subjectieve benadering. Volgens deze benadering wordt de koper die de gekochte zaken voor privédoeleinden gebruikt aangemerkt als consument. In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat [eiseres] Handsome O heeft gekocht als cadeau voor haar dochter. Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van [naam] (de dochter) van 2 mei 2017: 'I attended the Auction with my mother. We were there to look for a dressage horse for me. I wanted a horse for dressage competitions, which is my sport. My mother told me she would give me a horse as a present, if we could find a good horse.' Dat [eiseres] over verregaande vakbekwaamheid beschikt en professioneel de paardensport uitoefent, maakt niet dat zij in het onderhavige geval niet als consument kan worden aangemerkt. Voornoemde leidt tot het oordeel dat er geen sprake is van een bedrijfs- of beroepsmatige koop door [eiseres] , maar dat er sprake is van een consumentenkoop. De uitspraak waar [eiseres] een beroep op doet (ECLI:GHARL:2017:2603) kan in het onderhavige geval niet tot een ander oordeel leiden, nu in dit arrest de vraag voorlag of topsporter moet worden aangemerkt als een beroep.

Non-conformiteit

3.6.

[eiseres] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat Purisio een non-conform paard in de zin van artikel 7:17 BW heeft geleverd. Artikel 7:17 BW bepaalt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien. De koper kan zich er evenwel niet op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. Het tweede lid van artikel 7:18 BW bepaalt dat bij een consumentenkoop - waar zoals hiervoor overwogen sprake van is - wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.

Gebrek

3.7.

Gelet op het bindend advies van dr. Wijnberg d.d. 29 april 2015 staat tussen partijen vast dat Handsome O op de datum van het onderzoek - te weten 18 april 2015 - een gebrek had. Eveneens staat tussen partijen vast dat Handsome O dit gebrek nog steeds heeft. [eiseres] heeft daarnaast gesteld dat Handsome O door dit gebrek niet kan worden ingezet in de dressuursport en ook als dekhengst niet geschikt is. Nu Purisio c.s. dit niet heeft weersproken gaat de kantonrechter ervan uit dat het gebrek op zichzelf de conclusie rechtvaardigt dat Handsome O niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. Partijen zijn echter nog in geschil over het antwoord op de vraag wanneer het gebrek is ontstaan en - daarmee samenhangend - op wie (eventueel) de bewijslast rust.

Tijdstip van levering

3.8.

Alvorens de vraag te beantwoorden of het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW van toepassing is, dient de vraag te worden beantwoord wat in het onderhavige geval moet worden gezien als het moment van levering. Op grond van artikel 7:10 BW gaat immers het risico op het moment van levering over van de verkoper op de koper. Purisio c.s. stelt zich op het standpunt dat de risico-overgang op grond van artikel 12 van de veilingvoorwaarden heeft plaatsgevonden op de veiling. Zij stelt daarbij dat [eiseres] zich ook direct verzekerd heeft, hetgeen niet nodig was geweest als er niet direct een risico-overgang had plaatsgevonden. [eiseres] stelt zich daarentegen op het standpunt dat artikel 7:11 BW van toepassing is. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

3.9.

Gelet op hetgeen in 3.3 is overwogen zijn de veilingvoorwaarden niet van toepassing op de verhouding tussen [eiseres] als koper en Purisio c.s. als verkoper. De kantonrechter oordeelt voorts dat in artikel 7:6 BW is bepaald dat artikel 7:11 BW van dwingend recht is, waardoor er niet ten nadele van de koper van kan worden afgeweken. In artikel 7:11 lid 1 BW is bepaald dat in het geval van consumentenkoop de zaak bij de koper wordt bezorgd, het risico overgaat op het moment dat de koper de zaak heeft ontvangen. Nu er in het onderhavige geval sprake is van een consumentenkoop, is het risico van Purisio c.s. op [eiseres] overgegaan bij aflevering te Katrinelund op 17 februari 2015. Dat [eiseres] reeds een verzekering had afgesloten - welke verzekering overigens naar haar zeggen enkel zag op het vervoer van Handsome O na de veiling - en of [eiseres] na de veiling al dan niet een aanvullende opdracht heeft verstrekt tot het zadelmak maken, maakt voornoemde niet anders. Nu - zoals hiervoor is geoordeeld - 17 februari 2015 als leveringsmoment heeft te gelden, is eveneens vanaf deze datum het risico overgegaan. Vastgesteld moet dus worden of Handsome O op 17 februari 2015 al dan niet behept was met hanentred en op wie van partijen de bewijslast hiervan rust.

Bewijsvermoeden van toepassing?

3.10.

[eiseres] stelt dat het gebrek zich heeft geopenbaard binnen een termijn van zes maanden na aflevering op Katrinelund - namelijk reeds op de eerste dag - zodat op grond van artikel 7:18 lid 2 BW wordt vermoed dat Handsome O reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Purisio c.s. heeft niet betwist dat de afwijking zich heeft geopenbaard binnen een termijn van zes maanden na aflevering, maar stelt zich op het standpunt dat het gebrek pas na levering is ontstaan, waardoor Handsome O bij aflevering op Katrinelund wel aan de overeenkomst voldeed. Ten aanzien van de bewijslevering beroept Purisio c.s. zich op de tenzij-bepaling van artikel 7:18 lid 2 BW, waarin staat dat het wettelijk vermoeden van dit artikellid niet opgaat als de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen Purisio c.s. heeft aangevoerd dat de aard van de afwijking zich in het onderhavige geval verzet tegen het bewijsvermoeden, nu het om een levend dier gaat. Dit valt onder de tenzij-bepaling van artikel 7:18 lid 2 BW, zodat het wettelijke vermoeden niet opgaat. Daarnaast heeft Purioso c.s. aangevoerd dat traumatisch letsel niet kan worden uitgesloten als oorzaak van het gebrek, nu er een ongeval heeft plaatsgevonden op Katrinelund - hetgeen door [eiseres] wordt betwist - waarbij een berijder van Handsome O is gevallen en Handsome O gewond is geraakt. Purisio c.s. stelt dat het niet zo kan zijn dat de professionele partij nog zes maanden moet instaan voor gebeurtenissen die plaatsvinden op het terrein van de koper. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

3.11.

Uit de wetgeschiedenis volgt dat zowel bij de vaststelling van de Europese richtlijn als het daarop gebaseerde artikel 7:18 lid 2 BW de problematiek van de levende dieren is onderkend. In de Nadere Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer heeft de regering geantwoord:

"Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het niet voor de hand had gelegen om in de wet zelf uitdrukkelijk deze categorie (dieren, rechtbank) consumentenproducten uit te zonderen op grond van de aard van de zaak. Het is, zoals aangegeven, juist dat bij bepaalde planten en dieren de aard daarvan zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden kan verzetten. Ik noemde reeds planten waarvan men niet mag verwachten dat deze langer dan een aantal maanden leven en aquariumvissen die slechts bij een zeer nauwgezette verzorging in leven blijven. Men zal per geval moeten beoordelen of de aard daarvan zich al dan niet tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet, evenals dat bij andere consumptiegoederen het geval is. Ik meen dat men niet in het algemeen bij dieren en planten kan stellen dat de aard zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet. De richtlijn bevat op dit punt een open formulering omdat zo'n algemene uitzondering zich moeilijk in abstracto laat formuleren. Een specificering in de nationale uitvoeringswet zal snel in strijd met de richtlijn zijn." (Kamerstukken I 2002-2003, 27 809, 32a, p. 4).

3.12.

Tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer heeft de minister hieromtrent opgemerkt:

"De discussie richt zich nu op dieren en het is zeker niet mijn bedoeling om daar bagatelliserend over te doen. Ik weet ook dat de betrokken branche zich zorgen maakt op dit punt. Daarom zeg ik voor alle duidelijkheid nog eens, dat Nederland zich van het begin af aan tegen het voorstel op dit punt heeft gekeerd, ook omdat Nederland deze omdraaiing van rechtsvermoedens niet juist vindt. Dat heeft er ook toe geleid dat Nederland zich op dit punt heeft onthouden, maar de consequentie van harmonisatie van wetgeving - dat overigens in de meeste gevallen tot goede wetgeving leidt - is nu eenmaal dat een aantal lidstaten overstemd kan worden. (...) Wel is het zo dat er in de Raad is gesproken over schrapping van het bewijsvermoeden. Dit was op voorstel van Nederland, Duitsland en Denemarken. Dit voorstel heeft het niet gehaald. Tijdens de onderhandelingen heeft Duitsland bepleit om de koop en verkoop van vee van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, maar Duitsland heeft dit punt uiteindelijk laten vallen. Hieruit en uit de afwijzing van het Nederlandse voorstel blijkt ook dat onder ogen is gezien dat de richtlijn ook van toepassing is op de koop en verkoop van dieren en dat dit ook altijd de bedoeling is geweest. Dit geldt derhalve ook voor het wettelijk bewijsvermoeden." (Handelingen I 2002-2003, 27 809, nr. 19, p. 596-597 en 598).

3.13.

De stelling van Purisio c.s. dat vanwege de aard van de zaak, te weten een levend dier, het wettelijke bewijsvermoeden zoals neergelegd in artikel 7:18 lid 2 BW niet zou gelden, gaat, gelet op de hiervoor genoemde wetsgeschiedenis, niet op. Uit die wetsgeschiedenis volgt immers dat die categorie zaken is onderkend maar dat dat er niet toe heeft geleid dat deze categorie als een uitzondering in het kader van de voormelde tenzij-clausule beschouwd moet worden. In gelijke zin oordeelde eerder ook al het hof Arnhem (2 mei 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AX6541) en het hof Den Haag (31 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:869)

3.14.

De kantonrechter overweegt dat ook de aard van de afwijking in de weg kan staan aan de toepassing van het bewijsvermoeden, indien reeds uit de aard van de afwijking volgt dat deze zich ten tijde van de levering niet kan hebben voorgedaan (vgl. Hof Den Haag 31 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:869). In de Memorie van Toelichting bij artikel 7:18 lid 2 BW wordt ten aanzien van de aard van de afwijking opgemerkt:

“(..) bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelwijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder)” (Tweede Kamer 2000-2001, 27809, nr. 3 (artikel I onder E)).

3.15.

Over het ontstaan van de afwijking is in het bindend advies het volgende opgenomen - onder meer - opgenomen: 'The hypermetria that is principally seen in the hind legs, and to lesser extent in the right front leg when walking with an elevated head position, is of neurological origin.' en 'a traumatic origin cannot be excluded' en 'This means that it cannot be excluded that in the period between both recordings (hence, after the stallion show and before the 21st of February) some insult has occurred, resulting in the current abnormalities.'

3.16.

Uit het bindend advies volgt met andere woorden dat geen eenduidige conclusie kan worden getrokken ten aanzien van de oorzaak van het gebrek. Derhalve is niet gebleken dat de afwijking duidelijk is ontstaan door de handelswijze van de koper. Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarom niet met succes een beroep worden gedaan op de tenzij-clausule.

Tegenbewijs of bewijs van het tegendeel

3.17.

Uit het voorgaande volgt dat het wettelijk bewijsvermoeden dat is neergelegd in artikel 7:18 lid 2 BW onverkort moet worden toegepast. Dat betekent dat, nu het gebrek zich binnen zes maanden na aflevering heeft geopenbaard, het ervoor moet worden gehouden dat het paard bij de aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, tot de verkoper, Purisio c.s. het tegendeel heeft bewezen. Een richtlijnconforme interpretatie van het bepaalde in artikel 7:18 lid 2 BW brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat van de verkoper wordt gevergd dat hij in het kader van het tegen het in voornoemd artikellid bedoelde bewijsvermoeden te leveren bewijs, feiten bewijst die het vermoeden dat de zaak niet beantwoordt aan de overeenkomst ontkrachten. Artikel 5 lid 3 van de richtlijn bepaalt: ‘Manifesteert zich een gebrek aan overeenstemming binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van de goederen, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van aflevering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van de goederen of met de aard van het gebrek aan overeenstemming.’. Het enkel ontzenuwen is onvoldoende. Er dient bewijs geleverd te worden van het tegendeel (zie onder meer hof Arnhem 2 mei 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AX6541 en hof Amsterdam 23 november 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BP5515).

3.18.

Purisio c.s. heeft in dit verband - onder meer - aangevoerd dat hanentred een duidelijk zichtbaar gebrek is en dat niemand dit gebrek tijdens de veiling heeft geconstateerd. [eiseres] heeft niet betwist dat het gaat om een duidelijk zichtbaar gebrek. Ook [eiseres] zelf heeft het gebrek op de veiling niet waargenomen - immers anders was zij niet tot aankoop overgegaan. Zij stelt zich echter op het standpunt dat het gebrek kan worden gemaskeerd door botoxinjecties. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

3.19.

Dr. Wijnberg heeft hierover in het voorlopig getuigenverhoor - onder meer - verklaard:

'U vraagt mij naar het door mij gepubliceerde onderzoek over het gebruik van botox bij de behandeling van hanentred. In dat onderzoek is ook toegelicht dat het nog erg zoeken is naar de juiste dosering van botox voor een goed resultaat en welke spier moet worden behandeld om de hanentred te laten verdwijnen.' en 'Het is mij in ieder geval niet gelukt om met botox resultaten te behalen met de behandeling van hanentred, in de zin dat hanentred volledig is weggenomen. Ik ken ook niemand die dat wel is gelukt. Het wordt ook niet beschreven in de literatuur. en ' U vraagt mij naar de kans dat Handsome O behandeld is geweest met botox om hanentred te onderdrukken. Ik acht dat niet realistisch. U vraagt mij naar de kans dat Handsome O is behandeld met ethanol om hanentred te maskeren. Ik ken ethanol niet als middel om hanentred te maskeren.'

Dr. Maree heeft hierover in het voorlopig getuigenverhoor - onder meer - verklaard:

'Bent u er mee op de hoogte dat hanentred wordt gemaskeerd door botoxinjecties? Dit is met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid onmogelijk. (…) Ondanks het gebruik van botox is er nog steeds sprake van een duidelijk waarneembaar afwijkend bewegingspatroon.'

De kantonrechter is van oordeel dat het - gelet op het artikel van dr. Wijnberg ('The effect of Botox in healthy and hypermetric horses) alsmede de verklaringen van dr. Wijnberg en dr. Maree - onvoldoende is komen vast te staan dat het gebrek succesvol kan worden gemaskeerd met botox.

3.20.

Nu daarnaast geen van de getuigen heeft verklaard voor dan wel tijdens dan wel op de videobeelden van de veiling een afwijkende manier van lopen bij Handsome O te hebben waargenomen, staat naar het oordeel van de kantonrechter in rechte vast dat Handsome O ten tijde van de veiling niet behept was met een gebrek.

3.21.

Vraag is echter of Handsome O ten tijde van de levering, te weten 17 februari 2015, reeds een gebrek had. De dag voor vertrek mankeerde Handsome O nog niks. Daartoe is het volgende redengevend.

De hoefsmid - [naam] - heeft verklaard: 'Ik heb Handsome O de dag voor vertrek nog gezien en beslagen. Ik heb Handsome O die dag van vier nieuwe hoefijzers voorzien. Handsome O is normaal komen aanlopen en ook na afloop heb ik geen bijzonderheden opgemerkt, ook niet tijdens het stappen.'

[E] heeft verklaard: 'Ik heb zelf drie keer gereden op Handsome O (i.v.m. zadelmak maken). Van de laatste keer is een filmpje gemaakt. Dit was op de dag voor het vertrek naar Denemarken. Dit was op eigen initiatief en wij hebben dit verstuurd naar mevrouw [eiseres] om te laten zien dat het paard aan de lijn was bereden en dat het goed ging. We waren trots op wat we hadden bereikt. Wij hebben dit filmpje ook naar de KWPN gestuurd.'

Daarnaast overweegt de kantonrechter dat de verklaringen van [gedaagde sub 2] en zijn zoon ( [naam] ) bovengenoemde verklaringen ondersteunen. De verklaring van [gedaagde sub 2] heeft in dit kader volledige bewijskracht, nu op [gedaagde sub 2] niet de bewijslast rust. Gelet op voornoemde is de kantonrechter van oordeel dat in rechte is komen vast te staan dat Handsome O de dag voorafgaand aan de levering (nog) niks mankeerde.

3.22.

Eveneens staat vast dat niemand op de avond van aflevering d.d. 17 februari 2015 op Katrinelund heeft gezien dat Handsome O afwijkend liep. Echter partijen verklaren hierover dat het donker was en dat de afstand van de trailer naar de stal slechts een korte afstand betrof. Over de dagen die daarop volgen zijn tegenstrijdige verklaringen. De kanontrechter acht de verklaring van [B] cruciaal nu zij nu zij als enige niet meer werkzaam is bij Katrinelund.

[B] heeft verklaard over de dag na de levering:

'op woensdag heb ik hem uit de box gehaald om erop te gaan rijden. [D] was er ook bij (…) [D] hield de longe vast en ik reed. Alles was rustig er gebeurde eigenlijk helemaal niks. (…) Aan de gang van Handsome O aan de longe valt niks op te merken. Ik noem zijn gang imposant in draf. Aan de longe zonder ruiter heb ik Handsome O ook in galop gezien.'

Over de donderdag verklaart zij:

'Donderdag hebben we hem door de dierenarts laten verdoven want we moesten hem knippen. Ik heb hem geknipt. We hebben er niet mee gelopen. We hebben hem alleen in het stalpad getrokken om hem te knippen.'

Over de vrijdag verklaart zij:

' Op vrijdag, volgens mij in de ochtend, heb ik Handsome O weer gezien. Ik heb hem gezadeld, uit de box gehaald en gelongeerd. Ik heb met hem in longe gereden terwijl [D] hem vasthield. Het paard was rustig en heel ontspannen en [D] en ik waren het erover eens dat ik hem los kon berijden. Aanvankelijk ging dat prima totdat hij ergens bang van werd en begon te rennen. (…) Ik zat op hem terwijl hij een paar rondjes liep maar had totaal geen controle over hem. Hij draaide en toen viel ik eraf. Ik landde op mijn hoofd, maar had geen letsel. Het paard ook niet want hij stopte direct.'

Ook verklaart [B] :

'Voordat hij bang werd draafde het paard normaal. Aan de longe heb ik niets bijzonders in draf gezien. (…)

Na het weekend hoorde ik van [D] dat hij vermoedelijk hanentred heeft. Ik heb zelf niet gezien dat Handsome O Hanentred heeft. Ik was er niet bij aanwezig toen de video-opnames van Handsome O zijn gemaakt. Ik heb deze later wel gezien en ik kan zien dat hij hanentred heeft.'

3.23.

Weliswaar verklaren onder meer [D] en [F] dat Handsome O vanaf de eerste dag op Katrinelund afwijkend liep/zijn benen hoog optrok en heeft ook [A] verklaard dat Handsome O zijn benen hoog optrok toen hij uit de box werd gehaald. Echter het bevreemdt de kantonrechter dat - voor zover een afwijkend bewegingspatroon zou zijn waargenomen reeds de eerste dag(en) na aflevering - met Handsome O is doorgetraind en er niet direct - maar pas op 21 februari 2015 nadat [C] een afwijking constateerde - actie is ondernomen. Daarnaast bevreemdt het de kantonrechter dat [eiseres] niet direct op de hoogte is gesteld. Dit laatste wordt ondersteund door het volgende deel van de verklaring van [gedaagde sub 2] :

'Ik heb vier dagen na het afleveren van Handsome O nog contract gehad met mevrouw [eiseres] . Ik wilde weten hoe het ging. Ik kreeg retour: bedankt voor het afleveren van mr. Fantastic.'

3.24.

Tot slot bevreemdt het de kantonrechter dat [B] niks heeft gemerkt en heeft geweten van enige afwijking, terwijl juist zij degene is geweest die Handsome O de eerste paar dagen - overigens in het bijzijn van [D] - heeft bereden en Handsome O heeft geknipt.

3.25.

Dit alles afwegende acht de kantonrechter Purisio c.s. geslaagd in het (tegendeel)bewijs van haar stelling dat het gebrek niet bestond op het moment van levering. Dat betekent dat [eiseres] conform de hoofdregel van artikel 150 Rv nader bewijs dient te leveren van haar stelling dat Handsome O ten tijde van de levering op 17 februari 2015 behept was met het gebrek 'hanentred'. [eiseres] heeft in de inleidende dagvaarding een algemeen geformuleerd bewijsaanbod gedaan. Zij heeft voorts aangeboden zelf als getuige gehoord te worden over - onder meer - de oorzaak van de hanentred bij Handsome O.

3.26.

De kantonrechter zal [eiseres] daarom opdragen (nader) bewijs te leveren van haar stelling dat Handsome O ten tijde van de levering op 17 februari 2015 behept was met het gebrek 'hanentred'.

3.27.

De zaak zal naar de hierna te noemen rolzitting worden verwezen, op welke zitting [eiseres] te kennen kan geven of en hoe zij aan de bewijsopdracht wenst te voldoen. Uiteraard kan deze uitlating schriftelijk worden gedaan. Voor het geval [eiseres] getuigen wenst te laten horen, dient zij alsdan de namen van de te horen getuigen op te geven alsmede de verhinderdata in de periode van twee maanden volgende op die rolzitting. Purisio c.s. dient op deze rolzitting (schriftelijk) haar verhinderdata in deze periode op te geven. Indien een getuigenverhoor dient plaats te vinden, zal op die zitting een datum voor het verhoor worden vastgesteld.

3.28.

Partijen hebben op de comparitie verzocht om bij een tussenvonnis tussentijds appèl open te stellen. De kantonrechter oordeelt dat tussentijds appèl vanwege de lange looptijd van onderhavige procedure niet zal worden toegestaan.

in conventie en in reconventie

3.29.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 BESLISSING

De kantonrechter:

4.1.

draagt [eiseres] op (nader) bewijs te leveren van haar stelling dat Handsome O ten tijde van de levering op 17 februari 2015 behept was met het gebrek 'hanentred';

4.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 21 augustus 2018 voor uitlating door partijen als bedoeld in overweging 3.27;

4.3.

bepaalt dat voor de uitlating door partijen en het mogelijk te houden getuigenverhoor in beginsel geen uitstel zal worden verleend;

4.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 30101