Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3103

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
18-930034-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling volgt ter zake van het overtreden van de Opiumwet en het zich schuldig maken aan heling. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen waarvan 118 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een verplichte klinische opname.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafrecht 417bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930034-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/930006-16.

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Lok, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere data en/of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 maart 2018 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

te weten zogeheten XTC-pillen, zijnde amfetamine en MDMA middelen als bedoeld

in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2

hij op meerdere data en/of tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 maart 2018 te Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep en/of een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde hennep en/of

hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2017

tot en met 7 maart 2018 te Hoogeveen, althans in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, een of meer goederen, te weten een (dames)fiets van het merk

Batavus, type CNCTD en/of een (dames)fiets van het merk Batavus, type Mambo

en/of een (dames)fiets van het merk Cortina, type U4 en/of een (heren)fiets

van het merk Gazelle, type Orange Comfort en/of een snorfiets van het merk

Peugeot, type Vivacity heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2017

tot en met 7 maart 2018 te Hoogeveen, althans in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, een of meer goederen, te weten een (dames)fiets van het merk

Batavus, type CNCTD en/of een (dames)fiets van het merk Batavus, type Mambo

en/of een (dames)fiets van het merk Cortina, type U4 en/of een (heren)fiets

van het merk Gazelle, type Orange Comfort en/of een snorfiets van het merk

Peugeot, type Vivacity heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018

tot en met 28 april 2018 te Hoogeveen, althans in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, een of meer goederen, te weten een (brom)scooter van het

merk Baotian en/of een (elektrische) fiets van het merk Sparta, type F7E Smart

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door

misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 januari 2018

tot en met 28 april 2018 te Hoogeveen, althans in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, een of meer goederen, te weten een (brom)scooter van het merk

Baotian en/of een (elektrische) fiets van het merk Sparta, type F7E Smart

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had

moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte veroordeling voor het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is geweest van onrechtmatig binnentreden en van een onrechtmatige doorzoeking door de politie in de woning van verdachte. Dit is een onherstelbaar vormverzuim en dient te leiden tot bewijsuitsluiting van hetgeen tijdens die doorzoeking is aangetroffen, te weten de drie fietsen en de Peugeot-snorfiets genoemd onder het onder 3 ten laste gelegde.

Nu enkel de aangiftes van de diefstal danwel de heling van deze goederen resteren ontbreekt het wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

Om dezelfde reden dient eveneens ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, dat ziet op de door de politie aangetroffen hasj in de woning van verdachte, vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde pleegperiode is de raadsvrouw van oordeel dat deze beperkt dient te worden tot 4 maanden nu verdachte heeft bekend vanaf november 2017, het moment dat hij in Hoogeveen kwam wonen, is begonnen met de verkoop van drugs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, met de raadsvrouw van oordeel dat de ten laste gelegde periode ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, beperkt dient te worden en acht bewezen dat verdachte van november 2017 tot en met 7 maart 2018 zich schuldig heeft gemaakt aan het -kort gezegd- dealen van drugs.

Gelet op de bewoordingen van de tenlastelegging heeft het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde kennelijk het oog gehad op hoeveelheden van (telkens) meer dan 30 gram hennep. De verdachte heeft weliswaar bekend ook te handelen in hennep, maar - nog daargelaten de vraag of daarvoor meer aanwijzingen in het dossier te vinden zijn dan enkel de verklaring van de verdachte – is in hetgeen in het dossier is opgenomen geen bewijs voorhanden dat het zou zijn gegaan om hoeveelheden van (telkens) meer dan 30 gram. Zo het Openbaar Ministerie heeft gemeend ook, impliciet subsidiair, de overtreding(en) ten laste te leggen, geven het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, naast de verklaring van de verdachte, daar onvoldoende duidelijkheid over.

De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 6 maart 2017 meer dan 30 gram hasjiesj, aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Nu de rechtbank de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2018 (naast de aangiftes) gebruikt voor het bewijs, gaat de rechtbank voorbij aan het betoog van de raadsvrouw ten aanzien van het onrechtmatig binnentreden en van een onrechtmatige doorzoeking in de woning van verdachte.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde nu er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot het oordeel te

komen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde, de schuldheling, op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte wel wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

Feiten 1 en 2

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2018.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 7 maart 2018 opgenomen in het dossier met nummer [nummer] d.d. 7 juni 2018 op pagina 44 e.v. inhoudende de relatering van verbalisanten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen van Politie Noord-Nederland d.d. 15 maart 2018 opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Feit 3 subsidiair

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2018.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van Politie Noord-Nederland d.d. 13 maart 2018 opgenomen in het dossier met nummer [nummer] d.d. 7 juni 2018 op pagina 185, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7]

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 14 maart 2018 opgenomen op pagina 146 van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van Politie Noord-Nederland d.d. 8 maart 2018 opgenomen op pagina 155 van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van Politie Noord-Nederland d.d. 29 maart 2018 opgenomen op pagina 167 van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van Politie Noord-Nederland d.d. 29 maart 2018 opgenomen op pagina 175 van voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .

Feit 4 primair

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2018.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 28 april 2018 opgenomen in het dossier met nummer [nummer] d.d. 2 mei 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 2 januari 2018, opgenomen in voornoemd dossier inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op meerdere data in de periode van november 2017 tot en met 6 maart 2018 te Hoogeveen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, te weten zogeheten XTC-pillen, zijnde amfetamine en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 6 maart 2018 te Hoogeveen opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3. subsidiair

hij in de periode van 9 december 2017 tot en met 6 maart 2018 te Hoogeveen meermalen

goederen, te weten een damesfiets van het merk Batavus, type CNCTD en een damesfiets van het merk Batavus, type Mambo en een damesfiets van het merk Cortina, type U4 en een herenfiets van het merk Gazelle, type Orange Comfort en een snorfiets van het merk

Peugeot, type Vivacity, voorhanden heeft gehad terwijl hij telkens ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4. primair

hij in de periode van 2 januari 2018 tot en met 28 april 2018 te Hoogeveen meermalen goederen, te weten een bromscooter van het merk Baotian en een elektrische fiets van het merk Sparta, type F7E Smart voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde

van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven

verbod, meermalen gepleegd;

2. : opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3. subsidiair : schuldheling, meermalen gepleegd;

4. primair : opzetheling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van voorarrest waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft aan het voorwaardelijk deel van de straf bijzondere voorwaarden verbonden zoals die zijn omschreven in het reclasseringsrapport d.d. 13 juli 2018. De officier geeft aan dat één van de bijzondere voorwaarden inhoudt een klinische behandeling gevolgd door een ambulante behandeling.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen de eis van de officier van justitie met dien verstande dat het voorwaardelijk deel van de gevorderde gevangenisstraf, gelet op de ernst van de feiten, gematigd dient te worden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het dealen van amfetamine en MDMA (zogeheten XTC pillen) en het voorhanden hebben van meer dan 30 gramhasjiesj. Verdachte is met het plegen van deze feiten voorbij gegaan aan de gevaren die dergelijke verdovende middelen, naar algemene bekendheid, met zich brengen voor de volksgezondheid. Xtc en hennep zijn niet alleen voor de gezondheid schadelijke stoffen, maar ook leidt het gebruik ervan tot velerlei vormen van overlast en verwervingscriminaliteit. Ook de handel zelf gaat gepaard met criminaliteit.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van 6 (snor) fietsen en een scooter. Met dit handelen heeft verdachte geprofiteerd van door anderen gepleegde misdrijven en heeft hij aldus bijgedragen aan het in stand houden van de afzetmarkt voor gestolen goederen.

Verdachtes drijfveer voor het plegen van voornoemde feiten was onder meer het voorzien in de kosten en het vergemakkelijken van zijn eigen drugsgebruik

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, gedateerd 4 juli 2018. Daaruit volgt dat verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezen verklaarde meermalen is veroordeeld ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten.

Voorts overweegt de rechtbank dat de voorlopige hechtenis van verdachte, na zijn aanhouding op 6 maart 2018, op 22 maart 2018 door de rechtbank was geschorst onder voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zou maken aan het plegen van strafbare feiten. Dit heeft verdachte er echter niet van weerhouden om op 28 april 2018, tijdens de schorsing, andermaal over te gaan tot het plegen van strafbare feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 13 juli 2018.

Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in:

Uit het behandelplan van de GGZ Drenthe van 13 juli 2018 blijkt dat er bij verdachte

sprake is van een post-traumatische stress stoornis (PTSS), een voorgeschiedenis van

verslavingsgedrag en een persoonlijkheidsstoornis, niet anderszins omschreven (NAO).

Verdachte heeft de afgelopen jaren diverse vormen van hulp gehad bij onder meer de verslavingszorg, de veteranenzorg, de GGZ en de AFPN. Tot dusver heeft dat echter niet geleid tot een blijvend resultaat. Verdachte is van goede wil, maar ook erg beïnvloedbaar en gemakkelijk over te halen. Het recidiverisico wordt op basis van het uittreksel justitiële documentatie, zijn verslavingsproblematiek, zijn beïnvloedbaarheid en een mislukt schorsingstoezicht, ingeschat als hoog. Klinische behandeling is als basis nodig om hem vooral mentaal te laten aansterken, zodat een ambulant vervolgtraject meer kans van slagen maakt. Daarom acht de reclassering een behandeling nodig in de vorm van een klinische opname in het Intramuraal Motivatiecentrum van de Verslavingszorg (IMC) te Beilen en aansluitend een ambulante behandeling noodzakelijk. Door het IMC is toegezegd dat verdachte op 15 augustus 2018 opgenomen kan worden en een aanvang kan worden gemaakt met de behandeling.

De rechtbank overweegt het volgende.

Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat behandeling en begeleiding van verdachte noodzakelijk is in de vorm van een klinische behandeling. De rechtbank houdt met de hoogte van het onvoorwaardelijke deel van de straf rekening met het feit dat op korte termijn met de behandeling van de problematiek van verdachte, middels opname in het IMC te Beilen of een soortelijke intramurale instelling, kan worden gestart.

Mede gelet daarop en op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport enerzijds, en anderzijds de aard en de ernst van de feiten en dat verdachte, ondanks hem eerder geboden ambulante hulpverlening, blijft recidiveren, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen waarvan 181 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, zoals gevorderd door de officier van justitie, een passende reactie vormt.

De verdediging heeft verzocht om een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet daarvoor geen ruimte gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten. Daarnaast is er sprake van een recidiverend karakter. De rechtbank acht daarom een stok achter de deur in de vorm van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf geboden.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de straf naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarden, zoals genoemd in het reclasseringsrapport d.d. van 13 juli 2018, verbinden. Gelet op de ernst van de problematiek en de noodzaak van een adequate behandeling zal de rechtbank bepalen dat deze klinische behandeling maximaal

9 maanden mag duren, waarna hij een ambulante behandeling zal moeten ondergaan.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 15 juni 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 juni 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 28 juni 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Omdat de rechtbank van oordeel is dat het belangrijk is dat verdachte zijn klinische behandeling op de vastgestelde datum bij het Intramuraal Motivatie Centrum start,, zijn er termenaanwezig thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een computer, Tablet All Winner A 64, vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft tot welke het feit is begaan en deze toebehoorde aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14f, 33, 33a, 57, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 181 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk 3 dagen na opname in het Intramuraal Motivatie Centrum (IMC) (telefonisch) meldt bij de reclassering te Groningen, Leonard Springerlaan 21. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zich op 15 augustus 2018 om 10:00 uur op laat nemen in het IMC te Beilen of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, voor de duur van maximaal 9 maanden of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering dat nodig achten, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling worden gegeven;

3. dat veroordeelde zich vanuit de PI Leeuwarden op 15 augustus 2018 om 09:00 uur door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) naar het IMC Beilen laat vervoeren of op een eerder tijdstip om die dag indien DV&O dit in verband met de praktische uitvoering van het vervoer noodzakelijk acht;

4. dat veroordeelde zich verplicht om zich, aansluitend aan de klinische behandeling, ambulant verder te laten behandelen/begeleiden voor zijn verslavingsproblematiek bij de

Forensische Polikliniek van de VNN te Groningen, Leonard Springerlaan 27, 9727 KB te

Groningen, dan wel een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van

de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in

het kader van die behandeling/begeleiding door of namens de instelling/behandelaar

zullen worden gegeven;

4. dat veroordeelde geen drugs en alcohol gebruikt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

5. dat veroordeelde meewerkt aan het vinden van zelfstandige huisvesting, dagbesteding en beschermingsbewind, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat veroordeelde wordt opgenomen in het IMC te Beilen of een soort gelijke intramurale instelling, zoals verwoordt onder 2 van de hiervoor vermelde bijzondere voorwaarde.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen computer, tablet, All Winner A 64.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/930006-16:

Verlengt de in het vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 15 juni 2106 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr H.H.A. Fransen en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2018.