Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3100

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-08-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
18.930103-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor mishandeling terwijl die mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft, tot een werkstraf van 240 uren en 6 maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het slachtoffer opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930103-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Peize, gemeente Noordenveld, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) schedelfractu(u)r(en) en/of (een) hersenkneuzing(en) en/of (een) bloeding(en) onder en/of tussen (een) hersenvlie(s)(zen) en/of (een) bloeding(en) tussen het/een hersenvlies en het schedelbot en/of blijvende schade aan de hersenen) heeft toegebracht door die [slachtoffer] opzettelijk (krachtig) (met gehandschoende hand en/of gebalde vuist) in het gezicht, in

elk geval op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] (achterover) op de grond viel en/of met zijn (achter)hoofd de stoep/grond en/of een muur raakte);

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 januari 2017 te Peize, gemeente Noordenveld, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk (krachtig) (met gehandschoende hand en/of gebalde vuist) in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] (achterover) op de grond viel en/of met zijn (achter)hoofd de stoep/grond en/of een muur raakte), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) schedelfractu(u)r(en) en/of (een) hersenkneuzing(en) en/of (een) bloeding(en) onder en/of tussen (een) hersenvlie(s)(zen) en/of (een) bloeding(en) tussen het/een hersenvlies en het schedelbot en/of blijvende schade aan de hersenen) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, althans waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Op grond van getuigenverklaringen kan worden bewezen dat verdachte, vanuit het niets, aangever [slachtoffer] met kracht met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen, terwijl verdachte dikke, stugge motorhandschoenen droeg. Aangever is daardoor ten val gekomen. Aangever had geen mogelijkheid zich te verweren. Door de val heeft aangever zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat naar algemene ervaringsregels het hard slaan of stompen tegen het hoofd of in het gezicht kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Het hoofd/het gezicht is immers bijzonder kwetsbaar. In de zaak van verdachte betekent dit dat het hard slaan met de vuist in het gezicht naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat hieruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop ook bewust heeft aanvaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat de vraag kan worden gesteld óf er wel sprake was van een klap of een stomp in het gezicht of tegen het hoofd. Zo heeft getuige [getuige 1] , in een gesprek met een politieagent kort nadat het incident had plaatsgevonden, gezegd dat hij heeft gezien dat “de man” op [slachtoffer] afloopt en hem, met twee handen naar voren gericht, een drukker geeft tegen de keel waardoor [slachtoffer] achterover valt en blijft liggen. Later, tijdens het getuigenverhoor op 17 januari 2017, heeft [getuige 1] verklaard dat hij zag dat verdachte “plots uithaalde” naar [slachtoffer] , maar dat hij niet kan zeggen of verdachte nu heeft geduwd of geslagen.

De raadsman heeft vervolgens aangevoerd dat ook als ervan wordt uitgegaan dat wel degelijk sprake was van een klap of een stomp, uit de afgelegde getuigenverklaringen onvoldoende blijkt, hoe krachtig die klap of stomp was. Daar komt bij dat verdachte dikke stoffen motorhandschoenen droeg, waarvan de politie heeft genoteerd dat de vingers en knokkels ervan waren voorzien van zachte leren kussentjes. Deze motorhandschoenen zullen een remmend effect hebben gehad op hoe hard de klap of stomp was. Ook kan het zo zijn geweest dat het slachtoffer, door de klap of stomp, uit balans is geraakt en, mogelijk in combinatie met de gladheid, is gevallen. Volgens de raadsman is op grond van het voorgaande onvoldoende vast te stellen dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] door de gedraging van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Van zware mishandeling is daarom geen sprake.

De raadsman is voorts van mening dat voor de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, een bewezenverklaring kan volgen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging


Op 15 januari 2017 omstreeks 01:15 uur kreeg de politie een melding dat er bij de sporthal in Peize iemand zou zijn neergeslagen.

Verbalisanten zagen bij de sporthal een man op de grond liggen. De man was niet aanspreekbaar. Op de plaats waar de man lag was wat braaksel te zien; er waren geen bloedsporen te zien.

Het slachtoffer is in eerste instantie vervoerd naar het Martini Ziekenhuis en is later die nacht overgebracht naar het UMCG.

Uit de letselrapportage d.d. 25 april 2017, opgesteld door H. Snijders, forensisch arts, volgt dat bij het slachtoffer [slachtoffer] sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Gebleken is dat het verdachte is geweest, die [slachtoffer] heeft geslagen. De rechtbank moet beoordelen of het opzet van verdachte was gericht op het veroorzaken van het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] .

Verdachte heeft niet verklaard dat hij [slachtoffer] willens en wetens zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen en de gedraging van verdachte is ook niet naar haar aard gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij een ander. Daarom kan “gewoon” opzet niet worden bewezen en dient te worden onderzocht of sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] - is slechts aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden als gevolg van zijn gedraging.

Naar algemene ervaringsregels is het niet zo dat een klap of een vuistslag een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roept. Dat er zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, betekent niet zonder meer dat dit ook te verwachten viel. Het kan echter zo zijn dat er sprake is van bijkomende omstandigheden die dit anders maken. Voor het oordeel omtrent de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel kan bijvoorbeeld relevant zijn met hoeveel kracht is geslagen en in welke richting precies is geslagen. Op grond van de stukken in het strafdossier blijkt niet dat er sprake is geweest van dergelijke bijkomende omstandigheden.

Uit de getuigenverklaringen volgt dat verdachte het slachtoffer eenmaal met de gehandschoende hand tegen het hoofd heeft geslagen, ten gevolge waarvan het slachtoffer recht achterover is gevallen en met zijn achterhoofd zeer hard op de stoeptegels terecht is gekomen, waarbij hij het bewustzijn heeft verloren en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte een klap tegen het hoofd van het slachtoffer heeft gegeven en het slachtoffer ten gevolge van die klap achterover viel, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat (ook) uit de letselrapportage van forensisch arts Snijders niet blijkt of is af te leiden dat sprake is geweest van een dusdanig harde klap dat door die (enkele) klap zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, dan wel dat sprake is geweest van een dusdanig harde klap dat de kans op vallen op de grond zonder meer groot was (en daardoor de kans op mogelijk (extra) zwaar letsel als gevolg van het vallen met het hoofd op de grond).

Voorts is niet gebleken dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer bewust heeft aanvaard.

Dit betekent dat de rechtbank opzet op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen acht, zodat verdachte zoals hierboven is overwogen van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

Wel kan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling worden bewezen verklaard. Het handelen van verdachte was gericht op het toebrengen van pijn dan wel letsel (zij het geen zwaar letsel) bij het slachtoffer. Ten gevolge van dit handelen is het slachtoffer zeer ongelukkig ten val gekomen, waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2017, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017013701 d.d. 13 maart 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 2] .

3. een geneeskundig rapport, op 25 april 2017 opgemaakt en ondertekend door H. Snijders, forensisch arts, inhoudende de letselinterpretatie betreffende [slachtoffer] , naar aanleiding van verkregen medische informatie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 15 januari 2017 te Peize, gemeente Noordenveld, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk met gehandschoende hand tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan waardoor die [slachtoffer] achterover op de grond viel en met zijn achterhoofd de stoep/grond raakte, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten een schedelfractuur en een hersenkneuzing en een bloeding onder en tussen de hersenvliezen en een bloeding tussen het hersenvlies en het schedelbot en blijvende schade aan de hersenen voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft in de eis in hoge mate de ernstige medische gevolgen voor het slachtoffer laten meewegen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en de maximaal op te leggen werkstraf.

Evident zijn de ernstige psychische en fysieke gevolgen voor het slachtoffer.

Anderzijds betreft het een klap met een gehandschoende hand. Ook dient rekening te worden gehouden met de context waarin een en ander zich heeft afgespeeld en de gevolgen die verdachte door het voorval heeft ondervonden.

Naar het standpunt van de raadsman past de eis van de officier van justitie niet bij de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Na afloop van wat (volgens alle getuigen) een gezellige dag en avond was geweest in de sporthal in Peize -waar dat weekend een zaalvoetbaltoernooi was-, bevond verdachte zich buiten die sporthal, samen met vier andere personen, onder wie het latere slachtoffer. Kennelijk na een paar grappig bedoelde opmerkingen over de motorhandschoenen die verdachte droeg, heeft verdachte, ogenschijnlijk zonder enige aanleiding, het slachtoffer tegen het hoofd geslagen ten gevolge waarvan het slachtoffer achterover is gevallen, met zijn achterhoofd hard op de stoeptegels terecht is gekomen en hersenletsel heeft opgelopen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet kan aangeven waarom hij het slachtoffer heeft geslagen omdat hij daar geen herinnering aan heeft. Volgens verdachte kan het niet anders zijn dan dat zijn alcoholgebruik die avond een rol heeft gespeeld bij het door hem begane delict. De rechtbank voegt toe dat ook het strafdossier geen uitsluitsel biedt omtrent wat de aanleiding zou kunnen zijn geweest voor het handelen van verdachte.

Het slachtoffer heeft bij deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel opgelopen. In de ter terechtzitting uitgesproken slachtofferverklaring is namens het slachtoffer duidelijk verwoord hoe zijn leven en dat van zijn familie, in het bijzonder zijn vrouw en dochter, sinds 15 januari 2017 ingrijpend is veranderd en veranderd zal blijven. Het slachtoffer heeft hard gewerkt om fysiek zo goed mogelijk te herstellen, maar merkt dagelijks dat zijn leven totaal is veranderd en dat hij niet meer de man is wie hij was vóór het hersenletsel.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat verdachte nooit de bedoeling heeft gehad dergelijk zwaar en ingrijpend letsel toe te brengen en gaat -anders dan de officier van justitie- niet uit van opzettelijke zware mishandeling. Dit neemt echter niet weg dat het letsel zeer ernstig is en wel degelijk aan het handelen van verdachte is te wijten.

De rechtbank weegt ten voordele van verdachte mee dat uit zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juni 2018 is gebleken dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies. In het advies is als conclusie het volgende opgenomen:

“Betrokkene is een bekennende verdachte. Hij is niet eerder veroordeeld en er is geen sprake van een delictpatroon. Het leefgebied alcohol heeft naar onze mening een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van het delictgedrag. Sinds het incident heeft de heer Kobes geen alcohol meer gedronken. Betrokkene kan zich het incident niet herinneren, waardoor wij geen uitspraken kunnen doen over zijn inzicht in het delictgedrag. Hij kan zich wel inleven in het slachtoffer.

Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.”

Reclassering Nederland adviseert om verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en -mocht de rechtbank van oordeel zijn dat een onvoorwaardelijk strafdeel noodzakelijk is- tot een werkstraf.

De rechtbank is gezien alle bovengenoemde overwegingen van oordeel dat de maximale werkstraf van 240 uren een passende straf is en zal verdachte deze straf opleggen, met aftrek van voorarrest. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op te leggen, gelet op het ontstane zware en ingrijpende letsel dat, zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, wel degelijk aan het handelen van verdachte is te wijten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en mr. E.C.M. Wolfert, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 augustus 2018.

Mr. Wolfert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.