Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3066

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-08-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
C/17/161568 / KG ZA 18-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Medewerking aan bouwwerkzaamheden door gebruiker van terrein en opstallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/161568 / KG ZA 18-131

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2018

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. R.H. Knegtering te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEENFABRIEK OOSTRUM B.V.,

gevestigd te Soest,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.A. Abma te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] en Steenfabriek Oostrum genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de nadere producties van [A]

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van Steenfabriek Oostrum

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] heeft in 2010 het terrein en diverse bijbehorende opstallen van de voormalige steenfabriek aan de Tichelwei te Oostrum aan Steenfabriek Oostrum verkocht voor de prijs van € 1.200.000,00. De steenfabriek met oven en schoorsteen en enkele zogenoemde 'haaghuizen' zijn aangewezen als rijksmonument.

2.2.

Bij notariële akte van 30 december 2010 heeft [A] het terrein en de opstallen aan Steenfabriek Oostrum geleverd.

2.3.

De akte van levering luidt onder meer:

Artikel 1

1. a. (..)

b. Koper is voornemens om het Verkochte ten behoeve van thans nog niet bekende plannen - waarschijnlijk voor woningbouw, al dan niet voor permanente bewoning - te ontwikkelen.

(..)

2. De Aflevering van het Verkochte aan Koper geschiedt zoals hierna nader in artikel 13.A omschreven. (..) Tot het moment van Aflevering is Koper te allen tijde bevoegd het Verkochte al dan niet samen met derden te betreden. Het bezit en het gebruik van het Verkochte blijft tot de Aflevering exclusief voorbehouden aan Verkoper.

3.a. (..)

c. Koper heeft de bevoegdheid de tot het Verkochte behorende opstallen te onderhouden, doch is daartoe niet verplicht. Omtrent de uitvoering van onderhouds- en/of herstelwerkzaamheden zal, indien en voorzover deze op initiatief van Koper worden uitgevoerd, vooraf door Koper met Verkoper als bezitter van het Verkochte worden overlegd waarbij Koper door Verkoper tenminste ongehinderd in de gelegenheid moet worden gesteld onderhoud te plegen of te laten plegen aan de tot het Verkochte behorende opstallen.

(..)

Artikel 13

A. Aflevering

1. Het Verkochte wordt, met inachtneming van het hierna onder 2 bepaalde, afgeleverd en blijft bij Verkoper en/of zijn kinderen - woonachtig in de op de Woonpercelen aanwezige woningen - om niet in gebruik tot twee jaar nadat:

a. de bestemming van de Woonpercelen onherroepelijk zodanig is gewijzigd of er op het huidige bestemmingsplan een onherroepelijke ontheffing is verleend dat de woningen elk blijvend, vrij, onbelemmerd en permanent als zelfstandige woningen kunnen worden bewoond en er in de bestemming geen afhankelijkheid meer is met het Verkochte én uitbreiding van elk van de bestaande op de Woonpercelen aanwezige woningen mogelijk wordt tot vijf en twintig procent (25 %) van de thans bebouwde oppervlakte; en

b. de bestemming van het Verkochte in die zin onherroepelijk is gewijzigd dat de door Koper ontwikkelde plannen kunnen worden gerealiseerd en

c. Koper aan zijn hierna onder B genoemde verplichting (verzelfstandiging woningen op de Woonpercelen) heeft voldaan;

d. Koper aan zijn verplichting tot het verharden van de hierna onder D bedoelde bebouwingsvrije zone heeft voldaan;

e. Koper aan zijn verplichting tot het realiseren van de hierna onder E bedoelde afscheidingen heeft voldaan.

Tot dat moment kan Koper of zijn eventuele rechtsopvolgers in de eigendom van het Verkochte geen enkel bezit of gebruiksrecht van het Verkochte vorderen. (..).

2.4.

[A] gebruikt het terrein en de daarop staande loodsen voor opslag van zaken. Verder wonen twee zonen van [A] in twee bij de voormalige steenfabriek behorende bedrijfswoningen. Zij gebruiken het terrein ook voor stalling van bedrijfsmiddelen.

2.5.

In 2017 wilde Steenfabriek Oostrum een aantal werkzaamheden aan opstallen uitvoeren. Uiteindelijk is hierover tussen partijen een geschil ontstaan en heeft Steenfabriek Oostrum [A] in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 13 december 2017 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (zaaknummer C/17/158376/KG ZA 17-320) is de vordering van Steenfabriek Oostrum, die er heel kort gezegd toe strekte dat [A] de uitvoering van de beoogde werkzaamheden niet mocht verhinderen, toegewezen. [A] heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

2.6.

Aannemersbedrijf Visser heeft in opdracht van Steenfabriek Oostrum werkzaamheden aan onder meer de daken van een aantal loodsen uitgevoerd. Renovatie van de monumentale schoorsteen is voorzien, maar met de daadwerkelijke uitvoering ervan is nog geen aanvang gemaakt. In verband met de werkzaamheden was het nodig dat loodsen door [A] werden ontruimd.

2.7.

[A] heeft Steenfabriek Oostrum op 23 mei 2017 gesommeerd om de werkzaamheden af te ronden.

2.8.

Bij brief van 23 juli 2018 hebben Burgermeester en Wethouders van de gemeente Dongeradeel Steenfabriek Oostrum in kennis gesteld van hun voornemen tot handhaving met betrekking tot een onveilige situatie vanwege asbest aan een tweetal loodsen op het terrein en haar geboden om over te gaan tot verwijdering van op en aan deze loodsen bevestigde asbestplaten, onder vooraankondiging van het toepassen van bestuursdwang.

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.

[A] vordert, na vermindering van eis ter zitting, veroordeling van Steenfabriek Oostrum, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot:

- het binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis waterdicht maken van alle aansluitingen tussen schuine en platte daken, alsmede de gevelaansluitingen;

- het binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aansluiten van alle goten en hemelwaterafvoeren op de riolering, althans op een dusdanige wijze dat het water niet meer in de loodsen kan lopen of over het terrein stroomt;

- het binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aanbrengen van deuren waar deze eerder zijn verwijderd en/of open gemaakt, voorzien van deugdelijk hang- en sluitwerk, waarvan in ieder geval één sleutel aan [A] dient te worden overhandigd;

- het binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis een aanvang te maken met en in een voortvarende en continue bouwstroom voortgaan met het aanbrengen van de steigers ten behoeve van de restauratie van de schoorsteen en vervolgens daarop aansluitend in een voortvarende en continue bouwstroom restaureren van de schoorsteen;

- het voortdurend en dagelijks afdekken en afgedekt houden van de lichtstraat zodra de schoorsteenbouwer die toegang niet (meer) nodig heeft voor de uitvoering van zijn werkzaamheden en na het uitvoeren van de dagelijkse werkzaamheden;

- het per 1 november 2018 verwijderen en het verwijderd houden van alle materieel en materiaal van aannemers en onderaannemers van Steenfabriek Oostrum en het verstrekken van sleutels van de toegangspoort aan [A] ;

alsmede om Steenfabriek Oostrum te verbieden om:

- andere werkzaamheden uit te voeren dan genoemd in het plan van aanpak d.d.

16 oktober 2017;

- werkzaamheden na 1 november 2018 uit te voeren zonder voorafgaand overleg met en instemming van [A] of rechterlijke toestemming;

het een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat Steenfabriek Oostrum (een of meer van) de veroordelingen en verboden die hiervoor zijn weergegeven niet nakomt, met een (voorlopig) maximum van € 250.000,-,

alsmede Steenfabriek Oostrum te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.

3.2.

Steenfabriek Oostrum voert verweer in conventie en vordert in reconventie:

I. [A] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis

de twee loodsen, gelegen op het terrein van de voormalige steenfabriek aan de Tichelwei

22 te Oostrum (Friesland), welk terrein is omschreven in de akte van (ver)koop en

levering van 30 december 2010 verleden ten overstaan van notaris G. Mulder te

Leeuwarden, welke loodsen zijn aangeduid met de hoofdletters “A” en “B” en tevens

met de kleur roze zijn omcirkeld op de bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, gevoegde productie 11 volledig te ontruimen door alle zich daarin bevindende roerende zaken te verwijderen en verwijderd te houden en te gehengen en gedogen dat de deze loodsen worden gesloopt in het kader van de in het lichaam van deze conclusie genoemde asbestsanering.

II. [A] te veroordelen tot betaling aan de Steenfabriek Oostrum van een dwangsom van € 10.000,--, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, met een maximum van

€ 150.00--, zulks voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [A] de onder I gevorderde veroordeling niet nakomt;

III. Voor het geval [A] ook na volledige verbeurte van de sub II gevorderde

dwangsommen de sub I gevorderde veroordeling niet nakomt, de Steenfabriek Oostrum te machtigen (i) om zich toegang te verschaffen tot de sub 1. bedoelde loodsen, en

(ii) om alle roerende zaken die zich in deze loodsen bevinden te verplaatsen naar een willekeurige vrije ruimte op het sub I bedoelde terrein, dan wel te verplaatsen naar andere

beschikbare loodsruimte op het sub I bedoelde terrein,

alsmede [A] te veroordelen in de proceskosten in conventie en in reconventie, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.

3.3.

[A] voert verweer tegen de vordering in reconventie.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie

4.1.

Het komt er heel kort gezegd op neer dat [A] van mening is dat de bouwwerkzaamheden veel te lang duren. Hij stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de in 2010 gesloten overeenkomst het exclusieve recht van gebruik en bezit heeft op het terrein en de loodsen. De onderhoudswerkzaamheden door Steenfabriek Oostrum en het recht om het terrein te betreden maken inbreuk op dit gebruiksrecht. Deze inbreuken zijn toegestaan, maar dienen wel beperkt te zijn en de werkzaamheden moeten volgens hem daarom snel worden afgerond. Tevens moeten door [A] aangegeven (afrondende) werkzaamheden worden uitgevoerd.

4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. [A] heeft bij zijn stellingname zeer sterk de nadruk gelegd op zijn exclusieve recht van gebruik en bezit van het terrein en de opstallen en hij lijkt ervan uit te gaan dat op grond van dat recht zijn wil bepalend is in de verhouding met Steenfabriek Oostrum. Een dergelijke gedachtengang kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen stand houden.

4.3.

In artikel 1 lid 2 van de akte van levering is het exclusieve recht van bezit en gebruik (tot nader orde) toegekend aan [A] , maar Steenfabriek Oostrum is eigenaar van het terrein en opstallen geworden en heeft op grond van het bepaalde in artikel 1, leden 2 en 3, van de akte het ongehinderde recht van betreden en van onderhoud. [A] heeft dit derhalve te dulden. Daarbij is van belang dat Steenfabriek Oostrum blijkens artikel 1 lid 1 onder b van de akte van levering het complex heeft gekocht om dit te ontwikkelen en dat -de duur van- het gebruiksrecht van [A] door middel van het bepaalde in artikel 13 onder A van de akte van levering is gekoppeld aan het traject van deze ontwikkeling. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat in deze contractuele relatie het gebruiksrecht van [A] niet per definitie bovenliggend is.

4.4.

Zoals is overwogen in het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 december 2017 dienen partijen zich bij de uitvoering van de overeenkomst te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit geldt naast hetgeen partijen omtrent de uitvoering van de overeenkomst met elkaar hebben afgesproken en in de akte van levering hebben vastgelegd.

4.5.

In artikel 1 lid 3 van de akte van levering is bepaald dat Steenfabriek Oostrum omtrent de uitvoering van onderhouds- of herstelwerkzaamheden vooraf met [A] zal overleggen, maar dit betekent niet dat het al dan niet uitvoeren van (bepaalde) werkzaamheden en de inhoud, omvang, volgorde en het tempo ervan door [A] , en niet door Steenfabriek Oostrum worden bepaald.

De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen wel mee dat Steenfabriek Oostrum rekening moet houden met de belangen van [A] en dat bijvoorbeeld, zoals door Steenfabriek Oostrum ook is erkend, de werkzaamheden niet nodeloos lang mogen duren.

4.6.

Dat de huidige werkzaamheden zodanig lang duren is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Uit hetgeen door partijen is aangevoerd blijkt dat de uitvoering van de huidige werkzaamheden een vrij lange geschiedenis heeft, maar daarbij kan niet worden voorbijgegaan aan de houding van [A] in het verleden, welke onderwerp was van geschil in de reeds genoemde procedure in kort geding. Met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden die momenteel onder handen zijn bij aannemer Visser is aangevangen in maart 2018 en deze werkzaamheden zijn thans nagenoeg afgerond.

Het werk aan de monumentale schoorsteen blijkt aanmerkelijk later aan te vangen dan aanvankelijk was voorzien, maar Steenfabriek Oostrum heeft daartoe een afdoende, door [A] onvoldoende gemotiveerd weersproken, verklaring gegeven door te wijzen op de langdurige discussie met de Welstandscommissie en de beschikbaarheid van de gespecialiseerde aannemer. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid van Steenfabriek Oostrum niet worden gevergd dat deze werkzaamheden strikt volgens een tevoren vastgelegd tijdpad en voor een vastgelegde einddatum worden afgerond, nog afgezien van bijvoorbeeld onvoorspelbare weersomstandigheden die voor vertraging kunnen zorgen.

4.7.

[A] heeft verder kritiek geuit op de wijze van uitvoering van diverse onderhouds- en herstelwerkzaamheden en daar een aantal onderdelen van zijn vordering op gebaseerd. Hij heeft in dit kader onder meer aangevoerd dat herstelde daken niet volledig waterdicht zijn gemaakt en dat waterafvoeren niet op het riool zijn aangesloten, als gevolg waarvan waterschade voor zijn zaken dreigt. Steenfabriek Oostrum heeft hiertegenover gesteld dat de opstallen bij de verkoop in deplorabele staat waren met vele lekkages door onder andere gaten in daken en het ontbreken van goten en waterafvoeren en dat [A] geen betere toestand dan voorheen gold kan afdwingen.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de door Steenfabriek Oostrum als producties 5, 6, 7 en 12 overgelegde foto's blijkt van gaten in daken, het (deels) ontbreken van dakgoten en afvoerbuizen en van sporen van waterschade aan muren en dakconstructies, die het gevolg moeten zijn van langdurige lekkage en waarbij, zoals door Steenfabriek Oostrum ook is gesteld, de indruk wordt gewekt van langdurig achterstallig onderhoud. Voorts tonen deze foto's nieuwe dan wel herstelde dakgoten en afvoeren en een hersteld dak en topgevel. Zo er thans lekkage zou optreden daar waar door Steenfabriek Oostrum werkzaamheden zijn verricht, is door [A] niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een verslechterde toestand, ten opzichte van de voordien bestaande situatie.

De verwijten van [A] treffen dan ook geen doel.

Dit laatste geldt ook met betrekking tot de deuren van een loods, waarvan [A] herstel wenst. Door Steenfabriek Oostrum is voldoende aannemelijk gemaakt dat ook deze deuren, die eerder door haar waren verwijderd maar inmiddels zijn teruggeplaatst, zich reeds in een zeer slechte toestand bevonden en dat een gat in deze deuren mogelijk groter is geworden maakt niet dat Steenfabriek Oostrum nu gehouden is tot reparatie daarvan.

4.9.

[A] gebruikt de loodsen voor opslag van zaken en zijn belangen ten aanzien hiervan dienen bij de beoordeling mee te wegen. Indien als gevolg van de werkzaamheden en de wijze waarop deze worden uitgevoerd schade aan de aan [A] toebehorende zaken ontstaat kan daar niet aan voorbij worden gegaan.

De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat daarvan niet is gebleken. [A] heeft daaromtrent onvoldoende concreet gesteld en Steenfabriek Oostrum heeft gesteld dat [A] slechts oude, waardeloze zaken in opslag heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de overgelegde foto's van deze zaken het standpunt van Steenfabriek Oostrum in deze vooralsnog voldoende ondersteunen.

4.10.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat er geen grond is voor toewijzing van het door [A] gevorderde. Zijn vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

4.11.

[A] zal als de in conventie in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Steenfabriek Oostrum worden vastgesteld op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.606,00, te vermeerderen, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Steenfabriek Oostrum wordt betaald, met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag der algehele voldoening.

4.12.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op basis van de gebruikelijke tarieven op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beoordeling in reconventie

5.1.

Steenfabriek Oostrum beoogt met haar vordering in reconventie medewerking van [A] af te dwingen in verband met asbestsanering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Steenfabriek Oostrum met de door haar overgelegde brief van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dongeradeel van 23 juli 2018 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er asbestverwijderingswerkzaamheden zullen moeten plaatsvinden, althans dat de mogelijkheid dat zij daartoe van overheidswege zal worden gedwongen reëel is. [A] zal daaraan als feitelijk gebruiker van de desbetreffende opstallen dan medewerking moeten verlenen.

5.2.

[A] heeft gesteld dat hij die medewerking, indien nodig, zal verlenen en dat de vordering van Steenfabriek Oostrum dienaangaande onnodig is.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering, niettegenstaande deze uitlating van [A] toewijsbaar is, gelet op diens niet bijzonder coöperatieve houding in het verleden en de positie van de Steenfabriek Oostrum ten opzichte van de gemeente.

5.3.

[A] heeft aangevoerd dat de door Steenfabriek Oostrum gestelde termijn te kort is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter treft dit verweer van [A] in zoverre doel dat er geen grond is om de gevorderde ontruiming plaats te doen vinden zo lang er nog geen zicht op is wanneer de uitvoering van de saneringswerkzaamheden zal gaan plaatsvinden. Omtrent deze termijn heeft Steenfabriek Oostrum zich niet uitgelaten en de brief van Burgemeester en Wethouders biedt in verband daarmee onvoldoende concrete aanknopingspunten.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tempo van de uitvoering van de werkzaamheden mede kan worden bepaald door Steenfabriek Oostrum en zal dat gegeven mede als uitgangspunt nemen. Teneinde een met in achtneming van het voorgaande voor partijen duidelijke termijn te bepalen, zal de voorzieningenrechter de vordering in gewijzigde vorm toewijzen en bepalen dat de genoemde loodsen zullen moeten worden ontruimd binnen veertien dagen na betekening aan [A] van dit vonnis, vergezeld van het in de brief van 23 juli 2018 van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dongeradeel bedoelde geldige asbestinventariseringsrapport.

De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat, om de belemmering in het gebruik door [A] te zoveel mogelijk te beperken, Steenfabriek Oostrum daarna binnen zes weken met de saneringswerkzaamheden zal moeten beginnen.

5.4.

De gevorderde dwangsom voor het geval [A] de op te leggen ontruimingsplicht niet zal nakomen zal worden toegewezen.

5.5.

De subsidiair gevorderde machtiging aan Steenfabriek Oostrum om zelf tot ontruiming over te gaan indien [A] daarvan nalatig blijft, zal worden toegewezen gelet op het belang dat Steenfabriek Oostrum heeft bij het kunnen uitvoeren van de saneringswerkzaamheden.

5.6.

[A] zal als de in reconventie het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Steenfabriek Oostrum worden vastgesteld op € 980,00 vanwege salaris advocaat, te vermeerderen, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Steenfabriek Oostrum wordt betaald, met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag der algehele voldoening.

5.7.

De gevorderde nakosten zullen evenals in conventie worden toegewezen op basis van de gebruikelijke tarieven op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Steenfabriek Oostrum tot op heden begroot op € 1.606,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Steenfabriek Oostrum wordt betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag der algehele voldoening,

6.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4.

verklaart dit vonnis (in conventie) wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

6.5.

veroordeelt [A] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis vergezeld van het in de brief van 23 juli 2018 van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dongeradeel bedoelde geldige asbestinventariseringsrapport, de twee loodsen, gelegen op het terrein van de voormalige steenfabriek aan de Tichelwei 22 te Oostrum (Friesland), welk terrein is omschreven in de akte van (ver)koop en levering van

30 december 2010 verleden ten overstaan van notaris G. Mulder te Leeuwarden,

welke loodsen zijn aangeduid met de hoofdletters “A” en “B” en tevens met de kleur roze zijn omcirkeld op de bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, gevoegde productie 11 volledig te ontruimen door alle zich daarin bevindende roerende zaken te verwijderen en verwijderd te houden en te gehengen en gedogen dat de deze loodsen worden gesloopt in het kader van de het lichaam van deze conclusie genoemde asbestsanering,

6.6.

veroordeelt Van de Wal tot betaling aan de Steenfabriek Oostrum van een dwangsom van € 10.000,00, met een maximum van € 150.000,00, zulks voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat [A] de onder 6.5 gegeven veroordeling niet nakomt,

6.7.

veroordeelt [A] , voor het geval hij na volledige verbeurte van de onder 6.6. toegewezen dwangsommen de onder 6.5. uitgesproken veroordeling niet nakomt, de Steenfabriek Oostrum te machtigen

(i) om zich toegang te verschaffen tot de onder 6.5. bedoelde loodsen, en

(ii) om alle roerende zaken die zich in deze loodsen bevinden te verplaatsen naar een willekeurige vrije ruimte op het onder 6.5. bedoelde terrein, dan wel te verplaatsen naar andere beschikbare loodsruimte op het onder 6.5. bedoelde terrein,

6.8.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Steenfabriek Oostrum tot op heden begroot op € 1.606,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag, indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Steenfabriek Oostrum wordt betaald, vanaf de vijftiende dag na aanschrijving tot aan de dag der algehele voldoening,

6.9.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.10.

verklaart dit vonnis (in reconventie) tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.11.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2018.1

1 type: 439 coll: