Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3063

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
18/940004-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens twee afpersingen van personen, veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 113 dagen waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden, en een werkstraf voor de duur van 100 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/940004-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Smid, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 februari 2018 te Assen, althans in de gemeente Assen, op of nabij de openbare weg, de Laak, althans aan of nabij een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van zijn/hun mobiele telefoon en/of zijn/hun jas en/of schoenen en/of zijn/hun pinpas, met bijbehorende pincode, in elk geval van enige goederen, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hebben gedwongen te stoppen en/of heeft/hebben gedwongen op een bankje te gaan zitten en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) een mes heeft gepakt en/of deze aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond en/of dat mes op de buik en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezet en/of gericht en/of

- verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een lapje/doekje voor zijn gezicht heeft gehad en/of - verdachte en/of zijn mededader(s) dreigend heeft/hebben gezegd "zakken leeg" en/of "geef je pincode" en/of

- aldaar op dat bankje die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] onder bedreiging van het mes en/of door een arm om de keel/hals van die [slachtoffer 2] te slaan, van de vrijheid beroofd heeft/hebben gehouden en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben gezegd: "als we sirenes

horen, weten we jullie te vinden en/of je mag niet de politie bellen", althans

woorden van gelijke (dreigende) aard- en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 21 februari 2018 te Assen, althans in de gemeente Assen,

op of nabij de openbare weg De Laak, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] (werkzaam als pizzakoerier bij [bedrijfsnaam] ) heeft gedwongen tot de

afgifte van een portemonnee met hierin een hoeveelheid geld, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [bedrijfsnaam] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- verdachte en/of diens medeverdachte(n) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de

afgifte van de portemonnee, met hierin een hoeveelheid geld, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] en/of [bedrijfsnaam] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat:

- verdachte en/of zijn medeverdachte(n) die [slachtoffer 3] heeft/hebben gemaand te

stoppen en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) dicht op/om die [slachtoffer 3] is/zijn gaan staan

en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) een mes heeft/hebben gepakt en/of deze aan

die [slachtoffer 3] heeft getoond en/of dat mes op het bovenbeen van die [slachtoffer 3] heeft

geduwd, althans heeft gehouden en/of

- verdachte en/of zijn mededader(s) dreigend heeft gezegd "geef alles wat je

hebt, haal je zakken leeg";

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 21 februari 2018 te Assen, althans in de gemeente Assen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een hoeveelheid geld heeft verworven, voorhanden gehad

en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 21 februari 2018 te Assen, althans in de gemeente Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] te dwingen tot de afgifte van goederen dat van zijn/hun gading zou kunnen zijn, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 4] (rijdende op een fiets, onder "de blauwe brug") heeft/hebben gemaand te stoppen en/of

- aan die [slachtoffer 4] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp te tonen en/of

- die [slachtoffer 4] de zakken leeg heeft/hebben laten maken, althans tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat hij moest laten zien wat hij in zijn zakken had,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het 3 ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft daarnaast veroordeling voor het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste geen bewijsverweer gevoerd.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair en 3 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde betoogd dat de bijdrage van verdachte onvoldoende substantieel is geweest om van medeplegen te spreken. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde poging tot afpersing.

Oordeel van de rechtbank

t.a.v. feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de poging tot afpersing zodat niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden.

t.a.v. feit 1

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juli 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 20 februari 2018, opgenomen op pagina 317 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018072157 d.d. 28 maart 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 20 februari 2018, opgenomen op pagina 330 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

t.a.v. feit 2 primair

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Bij de vorming van haar oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij geldt dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).

Aangeefster heeft verklaard dat drie jongens haar tegemoet kwamen. Twee van hen liepen op de weg en de derde stond op het gras, een meter of vijf van aangeefster vandaan. Verdachte heeft verklaard deze derde persoon te zijn geweest. Hij wist dat zijn medeverdachten aangeefster zouden gaan beroven. Toen de medeverdachten naar [slachtoffer 3] toeliepen en haar tegenhielden, is verdachte - met zijn capuchon op - op een kleine afstand van circa vijf meter gaan staan. [slachtoffer 3] is vervolgens door de medeverdachten bedreigd met een mes en er is tegen haar gezegd: ‘Geef alles wat je hebt, haal je zakken leeg’. [slachtoffer 3] heeft daarop haar portemonnee van [bedrijfsnaam] afgegeven. In de portemonnee zat € 71,26. Dit geld is door verdachte en zijn medeverdachten verdeeld.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, acht de rechtbank de bijdrage die verdachte aan de afpersing heeft geleverd van voldoende gewicht om van medeplegen te spreken. Verdachte stond ten tijde van de afpersing op een kleine afstand (vijf meter) van aangeefster, hij had daarbij een intimiderende houding aangenomen door zijn capuchon op te doen en hij heeft een gedeelte van het buitgemaakte geld ontvangen.

Daarmee acht rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde, redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 juli 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik stond op afstand op het gras, ongeveer op een afstand van 5/6 meter. Ik was de derde persoon waar aangeefster over heeft verklaard. Ik kreeg daarna een klein geldbedrag en heb dit aangenomen. Ik had net als vorige keer mijn capuchon op en stond net als vorige keer nu ook te intimideren. Ik snap dat de aangeefster banger was doordat ik erbij was;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 februari 2018, opgenomen op pagina 335 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018072157 d.d. 28 maart 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte mede namens het slachtoffer [bedrijfsnaam] . Toen ik op 21 februari 2018 terug fietste naar [bedrijfsnaam] kwam ik op de Laak 3 jongens tegemoet. Ik zag dat twee jongens op de weg liepen en één jongen een paar meter daarnaast over het gras. Eén van de jongens die op de weg liepen sprak mij aan. Ik stopte. De jongen die mij aansprak stond links voor mij, heel dicht bij me en die andere jongen stond rechts naast me. De jongen op het gras stond ongeveer vijf meter bij ons vandaan. Direct daarna voelde ik iets op mijn linker [slachtoffer 2] been. Ik keek naar beneden en zag dat er een mest tegen mijn linker [slachtoffer 2] been werd geduwd door de jongen die mij had aangesproken. Bijna tegelijk voelde ik iets tegen mijn rechter heup. De jongen die mij had aangesproken zei tegen mij ‘geef alles wat je hebt, haal je zakken leeg’. Daarop heb ik de portemonnee van [bedrijfsnaam] gegeven. Ik denk dat daar op dat moment 71,26 euro in zat;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 maart 2018, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik was met [verdachte] en [medeverdachte 2] . We waren aan het rondlopen. [verdachte] riep he en achter ons zagen wij een pizzakoerier. Ik had het mes van [medeverdachte 3] nog bij mij. [medeverdachte 2] heeft die pizzakoerier tegengehouden. Een van ons heeft gezegd ‘zakken leeg’. Zij gaf haar portemonnee van Dominos’s af aan [medeverdachte 2] . Ondertussen stond Ibrahim op een afstandje en [medeverdachte 2] en ik stonden bij dat meisje. Nadat ze haar portemonnee had afgegeven zijn we weggegaan. We zijn het bos in gerend. [verdachte] had in de portemonnee gekeken. Er zat iets van 70 euro in. Ook kleingeld. Dat hadden we eruit gehaald en bij ons gehouden. Onderweg hadden we tegen [verdachte] gezegd dat hij weer niets had gedaan. Hij kreeg alleen het kleingeld en een biljet van 10.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 februari 2018 te Assen, op de openbare weg, de Laak, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van hun mobiele telefoon en hun pinpas, met bijbehorende pincode, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gedwongen te stoppen en hebben gedwongen op een bankje te gaan zitten en

- verdachte en/of zijn mededader(s) een mes hebben gepakt en dit aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben getoond en dat mes op het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gezet en gericht en

- verdachte en/of zijn mededader(s) een doekje voor hun gezicht hebben gehad en

- verdachte en/of zijn mededader(s) dreigend hebben gezegd "zakken leeg" en "geef je pincode" en

- verdachte en/of zijn mededader(s) hebben gezegd: "als we sirenes

horen, weten we jullie te vinden en/ je mag niet de politie bellen;

2 primair.

hij op 21 februari 2018 te Assen, op de openbare weg De Laak, tezamen en in vereniging met

anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] (werkzaam als pizzakoerier bij [bedrijfsnaam] ) heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met hierin een hoeveelheid geld,

toebehorende aan [bedrijfsnaam] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 3] hebben gemaand te stoppen en

- verdachte en/of zijn mededader(s) dicht om die [slachtoffer 3] zijn gaan staan en

- verdachte en/of zijn mededader(s) een mes aan die [slachtoffer 3] hebben getoond en dat mes op het bovenbeen van die [slachtoffer 3] hebben geduwd, en

- verdachte en/of zijn mededader(s) dreigend hebben gezegd "geef alles wat je

hebt, haal je zakken leeg".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2 primair. Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 113 dagen jeugddetentie, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, locatie Drenthe, het volgen van onderwijs dan wel het hebben van goede dagbesteding en een contactverbod met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . De officier van justitie heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden gevorderd en een opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor de oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf, met daaraan gekoppeld de door de Raad van de Kinderbescherming voorgestelde algemene en bijzondere voorwaarden en de proeftijd te beperken tot één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in korte tijd samen met anderen tweemaal schuldig gemaakt aan de afpersing van personen. De slachtoffers zijn bedreigd met een mes en hen is vrees aangejaagd. Dit zijn zeer ernstige feiten en de aangevers hebben zich heel angstig gevoeld. Twee van de aangevers durfden in eerste instantie zelfs geen aangifte te doen. Ook de mensen in de samenleving- en in het bijzonder de inwoners van de stad Assen - hebben zich ten tijde van de overvallen onrustig en onveilig gevoeld. Verdachte is hiervoor (mede) verantwoordelijk en dit wordt hem door de rechtbank aangerekend. Uit het dossier blijkt dat de rol van verdachte ten tijde van de afpersingen beperkt is gebleven. Hier houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening mee.

De ernst van de feiten rechtvaardigt de oplegging van jeugddetentie van lange duur. De rechtbank houdt echter ook rekening met de jeugdigheid van verdachte en het belang van zijn ontwikkeling voor de toekomst. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte jeugddetentie wordt opgelegd voor de duur van 113 dagen. Van deze periode wordt de tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, afgetrokken. Het overige gedeelte wordt in voorwaardelijke vorm opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank zal bepalen dat verdachte deze dagen niet hoeft uit te zitten als hij zich gedurende een proeftijd van twee jaren aan een aantal voorwaarden houdt. Bij het bepalen van deze voorwaarden heeft de rechtbank acht geslagen op de over de persoon van verdachte opgemaakte rapporten, te weten het adviesrapport van de Jeugdreclassering van 2 juli 2018, opgesteld door I. Berg, reclasseringswerker en het adviesrapport van 5 juli 2018 van de Raad voor de Kinderbescherming, opgesteld door M. Poortinga, Raadsonderzoeker.

Op basis van voornoemde rapporten en hetgeen ter terechtzitting door de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming naar voren is gebracht, houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met de omstandigheid dat er bij de Raad van de Kinderbescherming zorgen zijn over het functioneren van verdachte. Verdachte is niet eerder met politie of justitie in aanraking gekomen maar is toch betrokken geweest bij zeer ernstige feiten. Verdachte zegt dat het hem is ‘overkomen’ maar was, in ieder geval bij de tweede afpersing, op de hoogte van de plannen en heeft zich hier, net als bij de eerste afpersing, niet van gedistantieerd. Het is van belang dat voorkomen wordt dat verdachte zich in de toekomst, onder groepsdruk of anderszins, weer laat verleiden tot het plegen van strafbare feiten. Dit is mede de reden dat de rechtbank de oplegging van een (voorwaardelijke) jeugddetentie als forse stok achter de deur, passend vindt.

Gebleken is dat verdachte zich goed heeft gehouden aan de bij de schorsing van de voorlopige hechtenis gestelde voorwaarden. Daarnaast heeft hij zich meewerkend opgesteld. Omdat het van belang is dat duidelijk wordt wat de achterliggende reden van het delict is geweest, zal de rechtbank bepalen dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet melden bij stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, locatie Drenthe. Ook is het van belang dat verdachte zich blijft inzetten voor school. Hier heeft verdachte soms wat moeite mee. De rechtbank zal dan ook als bijzondere voorwaarde stellen dat verdachte (volgens lesrooster) onderwijs zal volgen dan wel een zinvolle dagbesteding heeft.

Verdachte en zijn medeverdachten wonen bij elkaar in de buurt zodat er een kans is dat zij in de toekomst weer met elkaar in contact komen. Daarom zal de rechtbank, ondanks dat verdachte heeft verklaard dat deze jongens geen vrienden van hem zijn, bepalen dat verdachte gedurende de proeftijd geen contact mag opnemen met zijn medeverdachten, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2018, niet eerder met justitie in aanraking is gekomen en dus heeft te gelden als ‘first offender’.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. De rechtbank houdt - bij het bepalen van het voorwaardelijke strafgedeelte - rekening met 13 dagen verzekering en voorlopige hechtenis. De rechtbank zal dan ook bepalen dat aan verdachte een jeugddetentie voor de duur van 113 dagen waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden, en een werkstraf voor de duur van 100 uren wordt opgelegd. Daarnaast zal zij bepalen dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 77,96 ter vergoeding van materiële schade en € 400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

1. [bedrijfsnaam] , tot een bedrag van € 71,26 ter zake van materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in de vorderingen ontvankelijk zijn en dat de vorderingen integraal en hoofdelijk dienen te worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende jeugddetentie op nul moet worden gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering en subsidiair dat de vordering dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde.

De rechtbank zal - gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn medeverdachten en omdat zij het niet wenselijk vindt dat zij hierover onderling contact kunnen krijgen - niet bepalen dat de vorderingen ‘hoofdelijk’ worden toegewezen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat iedere verdachte voor een gelijk deel aansprakelijk is.

De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van (€ 477,96 / 5 =) € 95,59, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 februari 2018. De vordering van de benadeelde partij wordt voor het overige afgewezen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende jeugddetentie, in geval van wanbetaling, op nul wordt gesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

t.a.v. de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde.

De rechtbank zal - gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn medeverdachten en omdat zij het niet wenselijk vindt dat zij hierover onderling contact kunnen krijgen - niet bepalen dat de vorderingen ‘hoofdelijk’ worden toegewezen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat iedere verdachte voor een gelijk deel aansprakelijk is.

De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van (€ 71,26 / 3 =) € 23,75, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 februari 2018. De vordering van de benadeelde partij wordt voor het overige afgewezen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal bepalen dat de duur van de vervangende jeugddetentie, in geval van wanbetaling, op nul wordt gesteld.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 77za en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 113 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 100 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich meldt bij stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, locatie Drenthe;

- dat veroordeelde (volgens lesrooster) onderwijs zal volgen dan wel een zinvolle dagbesteding heeft;

- dat veroordeelde op geen enkele wijze contact opneemt met [medeverdachte 1] , geboren op 19 juli 2002, [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 2] , [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 3] en [medeverdachte 4] geboren op [geboortedatum 4] , zo lang de reclassering van stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, locatie Drenthe dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering van stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis, locatie Drenthe op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

een werkstraf voor de duur 100 uren. De werkstraf moet binnen 6 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur 50 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 26 juli 2018.

Ten aanzien van 18/940004-18, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 95,59 (zegge: vijfennegentig euro en negenenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 95,59 (zegge: vijfennegentig euro en negenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 15,95 ter vergoeding van materiële schade en € 80,00 ter vergoeding van immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/940004-18, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 23,75 (zegge: drieëntwintig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijfsnaam] te betalen een bedrag van € 23,75 (zegge: drieëntwintig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijfsnaam] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Wolfert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. B.I. Klaassens en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2018.

mr. C. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.