Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3046

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
18/930116-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:5055, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontnemingsbeslissing. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de medeveroordeelde gedurende ongeveer acht jaar hennep heeft geteeld in de kelder onder de woning van veroordeelde en de koelruimte en silo van het kassencomplex achter die woning. De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde samen met de medeveroordeelde de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van het telen en verkopen van de hennep door de medeveroordeelde. De rechtbank acht wel aannemelijk dat veroordeelde heeft geprofiteerd van de opbrengsten van deze hennepteelt. Zij heeft gedurende een periode van meerdere jaren regelmatig contante geldbedragen van de medeveroordeelde gekregen, terwijl zij op dat moment ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze van misdrijf afkomstig waren. Daarom zijn er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling en witwassen. De rechtbank heeft het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op het bedrag van € 320.777,22 dat in de relevante periode in totaal contant is gestort op de bank- en hypotheekrekeningen van veroordeelde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930116-15

beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 31 juli 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte] ,

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres 1] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 29 juli 2015 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), wordt geschat en aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.773.376,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/930116-15 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: de ontnemingsvordering).

De rechtbank heeft bepaald dat een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaats diende te vinden. De raadsvrouw van veroordeelde, mr. M. Veldman, advocaat te Utrecht (hierna: de raadsvrouw), heeft een conclusie van antwoord ingediend. Vervolgens heeft de officier van justitie een conclusie van repliek ingediend.

De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door de raadsvrouw. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G.J. Heidema.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het "Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij [woonadres 1] " d.d. 10 november 2014 (hierna: de ontnemingsrapportage), voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Naar aanleiding van het aantreffen van een hennepkwekerij op het perceel [woonadres 1] heb ik een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkweek. Op 3 juli 2013 werd door de politie een instap voor een doorzoeking gedaan in voornoemd perceel, alwaar een professionele hennepkwekerij werd aangetroffen. De hennepkwekerij bevond zich in de onder woning gelegen kelder. Op het terrein bevond zich een groot kassencomplex. In een aangebouwde ruimte aan de kas en in een silo op het terrein werden ruimtes aangetroffen met daarin sporen die erop wijzen dat in deze ruimtes hennepkwekerijen hebben gezeten.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt wordt in dit onderzoek berekend over de periode van 1 augustus 2005 tot 3 juli 2013, waarin verdachte(n) continu één of meerdere hennepkwekerijen in bedrijf hadden. Deze tijdspanne wordt aangetoond door netwerkbeheerder Enexis in haar overzicht van het elektriciteitsverbruik vanaf 20 april 2005. Daarin wordt vanaf deze datum tot 3 juli 2013 een exorbitant hoog elektriciteitsverbruik aangetoond op het perceel. Op 21 juni 2005 heeft [verdachte] (hierna: [verdachte] ) de woning op dit perceel op naam gekregen. De datum van 1 augustus wordt gehanteerd omdat een kwekerij dient te worden opgebouwd en dat zou, gezien de datum van tenaamstelling, op 1 augustus 2005 gerealiseerd kunnen zijn.

Gedurende het onderzoek werd naast het kassencomplex een heimelijke ruimte aangetroffen die in het verleden gediend heeft als kweekruimte. [Medeverdachte] (hierna: [Medeverdachte] ) heeft verklaard dat hij een in werking zijnde hennepkwekerij heeft gehad in deze ruimte en dat dit een koelruimte betrof die over was van de tulpen. Hij heeft verklaard dat er in deze hennepkwekerij 600 hennepplanten stonden met 24 assimilatielampen en dat hij in totaal vijf keer heeft geoogst. Hij heeft verklaard dat de hennepkwekerij in juli 2012 is geript.

Aan de achterzijde van het kassencomplex werd een silo aangetroffen die door coniferen aan

het zicht onttrokken was. [Medeverdachte] heeft verklaard dat hij een inwerking zijnde hennepkwekerij heeft gehad in de silo. Hij heeft verklaard dat daar 600 planten stonden en 34 lampen van 400 watt hingen en dat hij vijf à zes keer geoogst heeft.

[Medeverdachte] heeft verklaard dat hij in de kelder van de woning aan de [woonadres 1] is begonnen met een hennepkwekerij. Hij heeft verklaard dat er 220 planten per vertrek stonden. Hij heeft verklaard dat hij van de eerste twee hokken ongeveer vijf keer geoogst heeft en van het derde hok drie keer.

Het is aannemelijk dat [Medeverdachte] gedurende een jaar bedrijfsmatig tulpen/chrysanten heeft gekweekt. [Medeverdachte] verklaarde dat hij in 2012 is begonnen met de hennepkwekerij in de kelder. Daarvoor had hij een kwekerij in de silo en koelruimte. Hij verklaarde dat deze kwekerijen er ongeveer 1,5 à 2 jaar hebben gezeten. Dit betekent dat hij zou zijn begonnen in 2010. Uit het overzicht gebruikersgegevens van Enexis blijkt echter dat de afname van stroom in juni 2005 aanzienlijk stijgt. Verder is uit onderzoek gebleken dat door verdachte(n) vanaf 2006 grote contante stortingen en contante betalingen zijn gedaan. Het is dan ook aannemelijk dat verdachte(n) vanaf juni 2005 zijn begonnen met het kweken van hennep.

Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] over veel contant geld beschikt. Inmiddels is een volledig beeld verkregen van de bankrekeningnummers ten name van [verdachte] , te weten [bankrekeningnummer 1] bij de [bank] en [bankrekeningnummer 2] bij de [bank] . Beide banken verstrekten na vordering afschriften van deze rekeningen. Van de daarop vermelde transacties in het algemeen en de kasstortingen in het bijzonder zijn Excel-overzichten gemaakt die hierbij zijn gevoegd. [verdachte] leeft van een uitkering en van alimentatie van [Medeverdachte] , haar ex-echtgenoot en momenteel haar partner. Deze alimentatie ontvangt zij, volgens haar verklaring en die van [Medeverdachte] , contant. In de periode van 24 februari 2006 tot en met 22 februari 2007 is in totaal een bedrag van € 14.750 contant gestort op de bankrekening van [verdachte] bij de [bank] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] . In de periode van 23 september 2006 tot en met 11 juni 2013 is in totaal een bedrag van € 221.947,14 gestort op de bankrekening van [verdachte] bij de [bank] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] .

Naast de stortingen op haar privérekeningen heeft [verdachte] in de periode van januari 2006 tot en met november 2011 nagenoeg maandelijks hypotheekkosten contant gestort op haar drie hypotheekrekeningen bij de [bank] . De gestorte bedragen liggen tussen ongeveer € 1.700 en € 3.000 per maand. Een overzicht van de transacties gaat bij deze rapportage.

2. De als bijlagen bij de ontnemingsrapportage gevoegde overzichten van contante stortingen op de hypotheekrekeningen met de nummers [hypotheekrekeningnummer 1] , [hypotheekrekeningnummer 2] en [hypotheekrekeningnummer 3] , opgenomen in map 21, pagina b206 tot en met b209, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat in de periode van januari 2006 tot en met december 2011 een geldbedrag van in totaal € 84.080,08 contant is gestort op deze hypotheekrekeningen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 juli 2013, opgenomen in map 21, pagina b136 tot en met b140, inhoudende als verklaring van veroordeelde:

Ik woon aan de [woonadres 1] . De woning is van mij. Hij staat op mijn naam. Ik woon er al een jaar of acht. Op de woning zit een hypotheek bij de [bank] . Ik betaal elke maand € 391, plus € 100 en dan € 1.209. Het zijn drie aparte leningen. (Vraag verbalisant: Wat zijn uw inkomsten?) Alimentatie, dat is € 1.500 per maand. Ik heb een WAO uitkering van € 500 per maand. Ik heb verder geen inkomsten. Ik heb een bankrekening bij de [bank] met nummer [bankrekeningnummer 2] . Het klopt dat mijn inkomsten ongeveer € 2.000 zijn en mijn hypotheeklasten € 1.600.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 juli 2013, opgenomen in map 21, pagina b145 tot en met b146, inhoudende als verklaring van veroordeelde:

[Medeverdachte] betaalt mij alimentatie. Ik krijg € 1.500 per maand. Dat gaat niet via de bank, maar contant.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 juli 2013, opgenomen in map 21, pagina b107 tot en met b112, inhoudende als verklaring van [Medeverdachte] :

(Vraag verbalisant: Maar de alimentatie aan mevrouw [verdachte] werd ook van de opbrengst van de hennepkwekerij betaald?) Ja die werd daar ook van betaald. (Vraag verbalisant: Maar mevrouw [verdachte] en [zoon verdachte] wisten van de hennepkwekerij en kregen nooit een aandeel mee?) We leven er toch van.

Beoordeling

De ontnemingsvordering

2. De officier van justitie heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.773.376,00 en dat dit bedrag aan veroordeelde wordt ontnomen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het telen van hennep in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 (hierna: de ontnemingsperiode). De manier waarop dit bedrag is berekend, is uiteengezet in de ontnemingsrapportage. Deze berekening is gebaseerd op het daadwerkelijke stroomverbruik in de ontnemingsperiode. Daarbij is ervan uitgegaan dat het grote stroomverbruik niet kan worden verklaard door andere grote stroomverbruikers op de locatie. Op basis van gegevens betreffende het gasverbruik op het perceel en getuigenverklaringen is aangenomen dat [Medeverdachte] in een korte periode van hooguit een jaar bloemen heeft gekweekt en dat deze kweek het hoge elektriciteitsverbruik niet kan verklaren. In de ontnemingsrapportage is ervan uitgegaan dat het jaarlijkse legale elektriciteitsverbruik op het perceel 10.000 kWh bedroeg en dat in het jaar 2005/2006 - daar bovenop - 30.000 kWh elektriciteit is gebruikt voor het kweken van tulpen en/of chrysanten. Het legale elektriciteitsverbruik is afgetrokken van het geregistreerde elektriciteitsverbruik. Vervolgens is ervan uitgegaan dat het resterende elektriciteitsverbruik gerelateerd is aan het kweken van hennep. Op basis van de apparatuur die is aangetroffen in de kweekruimtes in de kelder, de verklaringen van [Medeverdachte] over het aantal assimilatielampen dat hij gebruikte in de kweekruimtes in de koelruimte en de silo en het wattage van deze lampen en overige apparatuur is berekend hoeveel elektriciteit per kweekruimte nodig is voor een geslaagde oogst. In de ontnemingsrapportage is ervoor gekozen om telkens eerst uit te gaan van een maximaal aantal kweken in de koelruimte en de silo en de daarvoor benodigde elektriciteit te berekenen en vervolgens de resterende elektriciteit toe te rekenen aan de kweekruimtes in de kelder. Op basis daarvan is berekend dat zowel in de koelruimte als in de silo 34 oogsten hebben plaatsgevonden en dat in de kelder 17 oogsten hebben plaatsgevonden. Vervolgens is in de ontnemingsrapportage op basis van de aangetroffen situatie, de verklaringen van [Medeverdachte] en gegevens uit het BOOM-rapport de opbrengst in kilo's hennep en in geld berekend. Hierbij is ten aanzien van de drie kweekruimtes in de kelder uitgegaan van de door [Medeverdachte] genoemde opbrengst van 4 kg hennep per oogst per ruimte en ten aanzien van de koelruimte en de silo van de in het BOOM-rapport genoemde gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per hennepplant. Voorts zijn op basis van de door [Medeverdachte] genoemde aantallen hennepplanten per kweekruimte de afschrijvingskosten, de kosten voor hennepstekken en de overige variabele kosten (kweekmedium, water en voedingsstof) berekend. Zowel de opbrengst van de koelruimte als de opbrengst van de silo is, na aftrek van kosten, berekend op € 1.586.168,00. De opbrengst van de kelder is, na aftrek van kosten, berekend op € 535.860,40. Vervolgens zijn hiervan de kosten voor het elektriciteitsverbruik (€ 158.480,15) en het wederrechtelijk verkregen voordeel van medeverdachte [medeverdachte] (€ 2.964,00) afgetrokken. Dit resulteert in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van € 3.546.752,25. Dit bedrag is pondspondsgewijs verdeeld tussen veroordeelde en [Medeverdachte] .

Standpunt van de verdediging

3.1.

De verdediging heeft zich blijkens de conclusie van antwoord en hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de hennepkwekerij op het perceel [woonadres 1] (hierna: de hennepkwekerij). Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde geen enkele wetenschap heeft gehad van de hennepkwekerij en dat zij ook niet de beschikking heeft gehad over de opbrengst daarvan. Veroordeelde is door de rechtbank enkel veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep. Bovendien verwacht de verdediging dat zij in hoger beroep ook daarvan zal worden vrijgesproken, omdat de enkele aanwezigheid van hennep in een woning onvoldoende is om te kunnen komen tot het wettig en overtuigend bewijs van het voorhanden hebben van hennep. Veroordeelde heeft geen vraagtekens gesteld bij het inkomen van [Medeverdachte] en had daarvoor ook geen aanleiding, omdat [Medeverdachte] altijd werk had, ook in het buitenland. [Medeverdachte] kweekte rozen, komkommers, sla en tulpen.

3.2.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het te ontnemen bedrag op nihil dient te worden gesteld dan wel fors dient te worden gematigd. Daartoe is in de eerste plaats aangevoerd dat, ook indien wordt uitgegaan van het voorhanden hebben van hennep, onaannemelijk is dat veroordeelde volledig dan wel pondspondsgewijs heeft geprofiteerd van de gestelde opbrengst van de hennepkwekerij. Volgens de verdediging is het aan het openbaar ministerie om vrij nauwkeurig te specificeren en aan te tonen waaruit blijkt dat veroordeelde voor het gevorderde bedrag heeft (mee)geprofiteerd van de hennepteelt van [Medeverdachte] . De rechtbank dient vast te stellen welk deel van het totale voordeel aan ieder afzonderlijk concreet is toe te rekenen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van gemeenschappelijk voordeel, waarover veroordeelde kon beschikken. [Medeverdachte] heeft inzicht gegeven in de verdeling van de opbrengst. Hij heeft verklaard dat er niets werd verdeeld, de winst volledig aan hem is toe te rekenen en veroordeelde nimmer enige opbrengst heeft genoten. Er zijn bij veroordeelde geen geldbedragen of goederen aangetroffen die redengevend zijn voor de aanname van genoten crimineel voordeel. Veroordeelde heeft geleefd van de alimentatie die zij van [Medeverdachte] ontving. Daarnaast heeft zij niets van [Medeverdachte] gekregen. Als veroordeelde bijzondere uitgaven had, werden deze vaak betaald door haar vader. Veroordeelde voorzag in haar inkomen door de verkoop van kleding en zo nu en dan een brommobiel of auto. De kleding werd zowel verkocht via een webwinkel als aan huis. Ook werd wel eens een brommobiel contant betaald. In die laatste gevallen werden de verdiensten contant gestort op de bankrekening van veroordeelde. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de verdediging de bankafschriften van veroordeelde over de periode 2007-2008 en handgeschreven specificaties van de stortingen overgelegd.

3.3.

Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van de verklaringen van [Medeverdachte] . Deze verklaringen houden (kort samengevat) in dat het continu hoge stroomverbruik (mede) kan worden verklaard doordat [Medeverdachte] gedurende een groot deel van de ontnemingsperiode bloemen heeft geteeld. Voorts houden deze verklaringen (kort samengevat) in dat [Medeverdachte] weliswaar hennep heeft geteeld op het perceel, maar dat de periode van deze teelt veel korter en de omvang van deze teelt veel beperkter was dan in de ontnemingsrapportage is aangenomen. Volgens de verdediging bedraagt het totale wederrechtelijk verkregen voordeel, uitgaande van de verklaringen van [Medeverdachte] , € 262.865,68.

3.4.

De verdediging heeft zich meest subsidiair op het standpunt gesteld dat vier variabelen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de ontnemingsrapportage moeten worden aangepast, te weten de toerekening van het aantal kWh aan de kweekruimten, het standaardverbruik van de woning, de opbrengst per plant (in grammen) en de huurkosten die voor aftrek in aanmerking komen. Ten aanzien van het standaardverbruik van de woning heeft de verdediging aangevoerd dat [Medeverdachte] heeft verklaard dat het huishoudelijke verbruik circa 54.000 kWh per jaar was en dat dit wordt bevestigd door het elektriciteitsverbruik in de periode van 17 september 2013 tot en met 14 oktober 2015. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat [werknemer 1] van Enexis in een e-mailbericht d.d. 27 oktober 2015 schrijft dat er na de (tweede) inval in 2014 gedurende zeven maanden een meting op het pand heeft gestaan, waarbij een gigantisch verbruik is geconstateerd, maar waarbij geen henneppatroon is aangetroffen. Daarom moet volgens de verdediging worden uitgegaan van een huishoudelijk jaarverbruik van 54.000 kWh. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeeldes zoon [zoon verdachte] gedurende (een groot deel van) de ontnemingsperiode bedrijfsactiviteiten heeft uitgevoerd op het perceel, bestaande uit de handel in auto's en brommobielen. Na de aanpassing van deze vier factoren bedraagt de opbrengst van de hennepkwekerij volgens de verdediging € 804.911,85.

3.5.

De verdediging heeft een draagkrachtverweer gevoerd en betoogd dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld. Daartoe is aangevoerd dat veroordeelde geen draagkracht heeft nu zij voor 80 tot 100% is afgekeurd, een WAO-uitkering ontvangt van € 735 per maand en forse schulden heeft, waaronder een resterende hypotheekschuld van € 152.000. Volgens de verdediging valt ook niet te verwachten dat veroordeelde in de toekomst in staat zal zijn aan haar betalingsverplichting te voldoen, gelet op haar leeftijd van 57 jaar, het ontbreken van het vermogen om arbeid in loondienst te verrichten en de verwachting dat zij na afronding van de strafrechtelijke procedure in de wettelijke schuldsanering (WSNP) terecht zal komen.

3.5.

Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingsvordering is overschreden en dat daar rekening mee dient te worden gehouden, indien de vordering wordt toegewezen. Volgens de verdediging is deze termijn gaan lopen op het eerste moment dat het veroordeelde gewaar werd dat er een strafzaak kon gaan lopen en dat dit in ieder geval is gebeurd ten tijde van het eerste verhoor en mogelijk zelfs al ten tijde van de eerste inval. De verdediging is van mening dat de ontnemingsvordering ook tegelijkertijd met de hoofdzaak had kunnen worden behandeld en dat dit ook aangewezen was.

De reactie van de officier van justitie op het standpunt van de verdediging

4.1.

De officier van justitie is gebleven bij de oorspronkelijk ingediende ontnemingsvordering en de daarvoor in de ontnemingsrapportage gegeven onderbouwing. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat in de ontnemingsprocedure dient te worden uitgegaan van het veroordelende vonnis van de rechtbank. In dit vonnis heeft de rechtbank de stelling van veroordeelde dat zij van niets wist, verworpen. Volgens de officier van justitie bestaat er geen aanleiding om de vier door de verdediging genoemde factoren aan te passen. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat een pondspondsgewijze verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel tussen veroordeelde en [Medeverdachte] het meest voor de hand ligt, omdat zij geen waarschijnlijke en onderbouwde verklaring hebben afgelegd omtrent die verdeling. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de politie heeft geconstateerd dat er in totaal een zeer groot bedrag aan contant geld is gestort op de rekeningen van veroordeelde. Volgens de officier van justitie kan uit de overgelegde bankafschriften geen grote cashflow worden afgeleid en lijkt daaruit juist te kunnen worden afgeleid dat de verkochte kleding vooral giraal werd betaald.

4.2.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen het matigen of op nihil stellen van de betalingsverplichting in verband met de draagkracht van veroordeelde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het niet op voorhand vaststaat dat veroordeelde in de aankomende jaren niet in staat zal zijn enig inkomen te verwerven en dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om uit te gaan van de stelling van veroordeelde dat zij niet kan werken.

4.3.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de ontnemingsvordering diende te worden aangebracht binnen twee jaar na het wijzen van het vonnis in de strafzaak op 30 november 2016. Deze periode is nog niet verstreken en het valt te verwachten dat de rechtbank binnen deze termijn uitspraak zal doen. Tevens valt te verwachten dat de rechtbank binnen drie jaar na het aanbrengen van de ontnemingsvordering op deze vordering zal beslissen. Voorts is het, gezien het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, vreemd om aan een overschrijding van de redelijke termijn een matiging van de betalingsverplichting te verbinden, omdat veroordeelde daardoor een deel van het criminele vermogen zou mogen behouden. De Hoge Raad staat dit dan ook slechts marginaal toe. Volgens de officier van justitie is in dit geval zo weinig tijd verstreken sinds het veroordelende vonnis dat er geen aanleiding is voor matiging van de betalingsverplichting.

Oordeel van de rechtbank

Inleidende overwegingen

5. De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 november 2016 in de zaak met parketnummer 18/930116-15 (waarbij ter berechting is gevoegd de zaak met parketnummer 18/950278-13) veroordeeld ter zake (kort gezegd) faillissementsfraude, medeplegen van opzettelijk enig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag onttrekken, in vereniging feitelijk leiding geven aan verduistering door een rechtspersoon, witwassen en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. De bewezenverklaring van het laatstgenoemde feit ziet op het aanwezig hebben van hennepplanten in de periode van 1 juni 2012 tot en met 3 juli 2013 in een pand aan de [woonadres 1] .

Grondslag van de ontnemingsvordering

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen vast komen te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (voor zover het de periode vóór 1 juli 2011 betreft) of andere strafbare feiten (voor zover het de periode vanaf 1 juli 2011 betreft), waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. Deze feiten betreffen (kort gezegd) het maken van een gewoonte van het plegen van opzetheling (artikel 417 Sr) of witwassen (artikel 420ter Sr) van de opbrengsten van het telen en verkopen van hennep door [Medeverdachte] .

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [Medeverdachte] gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 in de kelder onder het pand aan [woonadres 1] en in de silo en de koelruimte op dit perceel hennep heeft geteeld en dat hij deze hennep heeft verkocht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

6.3.

[Medeverdachte] heeft erkend dat hij hennep heeft geteeld in de genoemde ruimtes, dat hij in al deze ruimtes meerdere malen hennep heeft geoogst en dat hij de geoogste hennep heeft verkocht.1

6.4.

Uit de gegevens die zijn verstrekt door de netwerkbeheerder Enexis blijkt dat op het perceel [woonadres 1] in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 sprake is van een zeer hoog elektriciteitsverbruik.2

6.5.

De verdediging heeft gesteld dat dit elektriciteitsverbruik is veroorzaakt doordat [Medeverdachte] gedurende de periode van 2005 tot 2012 legaal bloemen en groenten heeft gekweekt in het kassencomplex op het perceel, een deel van het kassencomplex door de zoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen en bovendien sprake was van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik.

6.6.

Op grond van de verklaring van [buurtbewoner] , de bewoner van een naastgelegen perceel3, en hetgeen [Medeverdachte] heeft verteld aan een medewerker van [bedrijf] in het kader van de letselschadeprocedure in verband met het auto-ongeluk dat [Medeverdachte] in maart 2012 heeft gehad4, acht de rechtbank aannemelijk dat [Medeverdachte] gedurende de periode van medio 2005 tot en met medio 2006 in het kassencomplex tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld. Op grond van dezelfde bewijsmiddelen acht de rechtbank niet aannemelijk dat nadien nog bloemen en/of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Daartoe overweegt de rechtbank dat [buurtbewoner] heeft verklaard dat hij weet dat toen veroordeelde, [Medeverdachte] en veroordeeldes zoon op het adres [woonadres 1] kwamen wonen, [Medeverdachte] in het begin tulpen verbouwde, dat [Medeverdachte] dit naar zijn idee maar één seizoen heeft gedaan en dat de kassen na de tulpen niet meer in gebruik waren. Voorts overweegt de rechtbank daartoe dat in het rapport van [bedrijf] staat dat [Medeverdachte] gedurende een jaar tulpen heeft geteeld, maar dat hij daarmee is gestopt omdat het telen van tulpen financieel onvoldoende opleverde. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdediging geen documenten - zoals aankoopfacturen van zaden of stekjes, verkoopfacturen van bloemen of groenten of betalingsbewijzen - noch andere bewijsmiddelen heeft overgelegd of aangedragen, waaruit zou kunnen blijken dat in de periode na medio 2006 nog bloemen of groenten zijn geteeld in het kassencomplex. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook indien in die periode nog wel bloemen en/of groenten zouden zijn geteeld, dit het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik op het perceel niet (volledig) zou hebben kunnen verklaren. Daartoe overweegt zij dat [naam] , de vorige eigenaar van het perceel (hierna: [naam] ), heeft verklaard dat dat hij de woning aan de [woonadres 1] in het verleden in bezit heeft gehad, dat hij toen werkzaam was als tuinder, dat zijn gemiddelde verbruik van stroom toen jaarlijks ongeveer tussen de 20.000 en 30.000 kWh lag, dat dit zowel het stroomverbruik van de woning als van de kas betrof, dat het verbruik van 30.000 kWh een piekjaar was, dat het verbruik nooit hoger was en dat hij de kas dan op volledige productie had draaien.5

6.7.

De rechtbank acht aannemelijk dat een deel van het kassencomplex gedurende een deel van de ontnemingsperiode door de zoon van veroordeelde werd gebruikt als showroom voor auto's en brommobielen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd echter nog geen begin van aannemelijkheid dat het elektriciteitsverbruik op het perceel daardoor zozeer is toegenomen dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier blijkt dat het kassencomplex werd verwarmd met behulp van gas en niet met behulp van elektriciteit.

6.8.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de verdediging om aannemelijk te maken dat gedurende de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 op het perceel sprake is geweest van een zeer hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik. Uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, volgt naar het oordeel van de rechtbank nog geen begin van aannemelijkheid dat sprake was van een zodanig hoog huishoudelijk elektriciteitsverbruik dat daarmee het geconstateerde, zeer hoge elektriciteitsverbruik kan worden verklaard. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen de vorige eigenaar van het perceel heeft verklaard, zoals hiervoor weergegeven onder 6.6.

6.9.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zeer hoge elektriciteitsverbruik in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 is veroorzaakt doordat [Medeverdachte] gedurende die gehele periode hennep heeft geteeld op het perceel. Gelet op de verklaringen van [Medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat hij de door hem geteelde hennep heeft verkocht en dat hij uit deze verkoop wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

6.10.

In het vonnis in de hoofdzaak d.d. 30 november 2016 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde tezamen en in vereniging met [Medeverdachte] hennepplanten aanwezig heeft gehad in de kelder van haar woning aan de [woonadres 1] . Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aangetroffen hennepplanten zich in de machtssfeer van veroordeelde bevonden, aangezien de planten in een kelder onder de woning van veroordeelde stonden en zij deze ruimte kon betreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat vast staat dat veroordeelde wetenschap had van de aanwezigheid van de hennepplanten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in zijn algemeenheid van de eigenaresse en bewoonster van een woning mag worden verwacht dat zij weet wat zich in haar woning afspeelt en dat dit in het onderhavige geval te meer geldt, nu de aangetroffen hennepkwekerij grootschalig was en gedurende meerdere jaren aanwezig is geweest en er in die tijd een aantal keren is geoogst. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat door verbalisanten ten tijde van de aanhouding van veroordeelde en [Medeverdachte] in en buiten de woning een lucht geroken is die zij herkenden als een henneplucht, dat op het terrein rond de woning van veroordeelde diverse benodigdheden voor het exploiteren van een hennepkwekerij openlijk zijn aangetroffen en [Medeverdachte] heeft verklaard dat veroordeelde klaagde over een wietgeur. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank de verklaring van veroordeelde dat zij er niets van heeft gemerkt, niet geloofwaardig geacht.

6.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding om hier voor wat betreft de voorliggende periode anders over te oordelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er dan ook voldoende aanwijzingen dat veroordeelde op de hoogte was van het feit dat er jarenlang hennep werd geteeld op het perceel waar zij woonde. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat veroordeelde wist dat [Medeverdachte] de door hem geteelde hennep verkocht en dat hij daaruit een aanzienlijk wederrechtelijk voordeel verkreeg. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat veroordeelde wist dat [Medeverdachte] geen andere substantiële, legale inkomsten had. Tijdens haar verhoren bij de politie heeft zij verklaard dat ze niet wist wat [Medeverdachte] voor de kost deed, noch waar hij zijn inkomsten uit haalde. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht zij niet aannemelijk dat [Medeverdachte] na medio 2006 nog tulpen (en/of andere bloemen en/of groenten) heeft geteeld in het kassencomplex. Uit de voormelde bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde in de periode van 2006 tot en met de inval op 3 juli 2013 maandelijks grote contante geldbedragen kreeg van [Medeverdachte] . Gelet op de voormelde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde op het moment dat zij deze geldbedragen kreeg ten minste bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat deze van misdrijf afkomstig waren, te weten van het telen en verkopen van hennep. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde zich door het in ontvangst nemen en voorhanden hebben van deze contante geldbedragen schuldig heeft gemaakt aan opzetheling en witwassen. Nu veroordeelde gedurende een periode van meerdere jaren zeer regelmatig contante geldbedragen van [Medeverdachte] heeft ontvangen, heeft zij zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan gewoonteheling en gewoontewitwassen.

6.12.

De rechtbank zal de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel baseren op het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

7.1.

In de ontnemingsrapportage die door de officier van justitie ten grondslag is gelegd aan de ontnemingsvordering is het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde berekend door het voordeel uit de hennepteelt te berekenen en de helft van dat voordeel toe te rekenen aan veroordeelde.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze berekeningswijze niet tot een aannemelijke schatting van het wederrechtelijk voordeel dat veroordeelde daadwerkelijk heeft verkregen. Daartoe overweegt de rechtbank dat veroordeelde in de hoofdzaak is vrijgesproken van het telen en bewerken van hennep en dat uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken ook niet is gebleken dat veroordeelde in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 3 juli 2013 een rol heeft gehad bij het telen en verkopen van de hennep. Op grond van het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken acht de rechtbank niet aannemelijk dat veroordeelde samen met [Medeverdachte] de beschikking heeft gehad over de gehele opbrengst van het telen en verkopen van de hennep door [Medeverdachte] . De rechtbank acht aannemelijk dat deze opbrengst is gegenereerd door [Medeverdachte] en dat hij degene was die daarover de beschikking had. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij bewezen dat veroordeelde op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en is zij van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde van [Medeverdachte] contante bedragen heeft ontvangen, waarvan zij (ten minste) bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat deze afkomstig waren van de opbrengst van de hennepkwekerij. Voorts blijkt uit het dossier dat veroordeelde in het verleden getrouwd is geweest met [Medeverdachte] en dat zij tijdens (een deel van) de ontnemingsperiode met hem samenwoonde in de woning op het perceel waar de hennepkwekerij zich bevond. Uit deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat veroordeelde heeft geprofiteerd van de opbrengsten van de hennepteelt door [Medeverdachte] . Maar daaruit blijkt niet dat dit op zodanig grote schaal heeft plaatsgevonden dat het redelijk is om de opbrengst van de hennepkwekerij in gelijke delen te verdelen tussen veroordeelde en [Medeverdachte] . De rechtbank acht de omstandigheid dat veroordeelde en [Medeverdachte] geen volledige openheid van zaken hebben gegeven ten aanzien van de onderlinge verdeling van het voordeel onvoldoende reden om hier anders over te oordelen.

7.3.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van de door veroordeelde gepleegde strafbare feiten wordt geschat de contante bedragen die blijkens de ontnemingsrapportage en de daarbij gevoegde bijlagen zijn gestort op de bankrekeningen en hypotheekrekeningen van veroordeelde. Op de bankrekeningen zijn in de periode van 24 februari 2006 tot en met 11 juni 2013 contante geldbedragen gestort van in totaal (€ 14.750 + € 221.947,14 =) € 236.697,14. Op de hypotheekrekeningen zijn in de periode van 5 januari 2006 tot en met 14 december 2011 contante geldbedragen gestort van in totaal € 84.080,08. De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde de beschikking heeft gehad over deze geldbedragen en dat deze haar tot voordeel hebben gestrekt.

7.4.

De verdediging heeft betoogd dat de contante geldbedragen die zijn gestort op de bankrekeningen van veroordeelde afkomstig zijn van de contante verkoop van kleding en brommobielen. De rechtbank acht dit betoog niet aannemelijk. Daartoe overweegt zij het volgende.

7.5.

Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van veroordeelde en [Medeverdachte] blijkt dat de hypotheek van de woning aan de [woonadres 1] (in ieder geval voor een aanzienlijk deel) werd betaald van de alimentatie die [Medeverdachte] contant aan veroordeelde betaalde. Blijkens de verklaring van [Medeverdachte] was deze alimentatie afkomstig uit de opbrengst van de hennepkwekerij. Op grond daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat alle bedragen die contant zijn gestort op de hypotheekrekeningen afkomstig zijn uit de opbrengst van de hennepkwekerij.

7.6.

Uit de door de verdediging overgelegde bankafschriften blijkt dat in de periode van 27 april 2007 tot en met 12 juni 2008 zeer vaak bedragen op de bankrekening van veroordeelde bij de [bank] met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] zijn bijgeschreven die blijkens de omschrijving verband houden met de verkoop van kleding en dat in de periode van 7 augustus 2007 tot en met 12 juni 2008 enkele keren bedragen op deze bankrekening zijn bijgeschreven die blijkens de omschrijving verband houden met de verkoop van brommobielen of auto's. Tevens blijkt daaruit dat in de periode van 13 juni 2007 tot en met 27 mei 2008 regelmatig grote contante bedragen op die rekening zijn gestort. Dit laatste komt overeen met hetgeen is geconstateerd in de ontnemingsrapportage en de daarbij gevoegde bijlagen. Uit deze contante stortingen kan niet worden afgeleid dat zij te maken hebben met contante betalingen in verband met de verkoop van kleding, auto's of brommobielen. Veroordeelde heeft geen administratie bijgehouden van de gestelde contante verkoop van kleding, auto's en brommobielen en de rechtbank is niet gebleken dat de inkomsten daaruit zijn opgegeven aan de Belastingdienst. De verdediging heeft ook anderszins geen begin van bewijs geleverd dat in de periode van begin 2006 tot en met medio 2013 sprake is geweest van (substantiële) contante ontvangsten in verband met de verkoop van kleding, auto's en brommobielen, laat staan dat (een deel van) de contant gestorte geldbedragen afkomstig waren uit dergelijke verkopen. Hieruit volgt dat veroordeelde in de genoemde periode geen verifieerbare legale bron van contante inkomsten had. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat alle geldbedragen die in die periode contant zijn gestort op de bankrekeningen van veroordeelde, afkomstig zijn uit de opbrengst van het telen en verkopen van hennep door [Medeverdachte] .

7.7.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat veroordeelde een wederrechtelijk voordeel heeft genoten van (€ 236.697,14 + € 84.080,08 =) € 320.777,22.

Draagkracht

8.1.

Naar aanleiding van het door de verdediging gevoerde draagkrachtverweer overweegt de rechtbank het volgende.

8.2.

Op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van een dergelijk geval. Daartoe overweegt de rechtbank dat conservatoir beslag is gelegd op de woning aan de [woonadres 1] met een geschatte waarde van € 395.000, een woning aan de [woonadres 2] met een geschatte waarde van € 147.000, een personenauto van het merk BMW met een geschatte waarde van € 31.000, een personenauto van het merk Mercedes Benz met een onbekende waarde en een contant geldbedrag van € 12.140. Op dit moment kan onvoldoende worden ingeschat op welke wijze dit beslag zal worden uitgewonnen en in hoeverre dit van invloed zal zijn op de (daarna resterende) betalingsverplichting van veroordeelde.

Redelijke termijn

9.1.

Naar aanleiding van het betoog van de verdediging dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak is overschreden en dat daar in het geval van toewijzing van de ontnemingsvordering rekening mee moet worden gehouden, overweegt de rechtbank het volgende.

9.2.

Het is vaste rechtspraak dat in ontnemingszaken door tijdsverloop inbreuk kan worden gemaakt op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn. Dit tijdsverloop dient te worden gerekend vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Dat moment zal in de regel niet samenvallen met dat waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in de met de ontnemingsvordering samenhangende strafzaak begint. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden het moment waarop de officier van justitie zijn voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken of het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte geraakt dat tegen hem een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Onder omstandigheden zijn ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijvoorbeeld in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifieke op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de betrokkene en/of haar raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In ontnemingszaken komt daar als bijzonderheid bij dat de afdoening van de zaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat de ontnemingszaak zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, als hiervoor vermeld. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

9.3.

De rechtbank constateert dat in deze zaak geen strafrechtelijk financieel onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de officier van justitie zijn voornemen om een ontnemingsvordering aanhangig te maken voor het eerst kenbaar heeft gemaakt door het uitbrengen van de ontnemingsvordering d.d. 29 juli 2015. De rechtbank stelt vast dat conservatoir beslag is gelegd op (onder meer) de woning van veroordeelde aan de [woonadres 1] en een door haar gebruikte personenauto. De rechtbank is niet gebleken dat de positie van veroordeelde hierdoor in belangrijke mate is beïnvloed. Daarbij heeft de rechtbank vooral in aanmerking genomen dat veroordeelde nog steeds in deze woning woont.

9.4.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 29 juli 2015. Hieruit volgt dat op het moment dat deze beslissing wordt uitgesproken sprake is van een tijdsverloop van drie jaren en twee dagen sinds de aanvang van de termijn en dat dus niet binnen twee jaren na het indienen van de ontnemingsvordering een eindbeslissing is genomen op deze vordering.

9.5.

De rechtbank is echter van oordeel dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden die deze langere termijn rechtvaardigen. Daartoe overweegt zij dat de afdoening van deze ontnemingszaak mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en dat deze strafzaak ingewikkeld is. Daarbij heeft de rechtbank in de eerste plaats gelet op de omvang van het in die strafzaak verrichte onderzoek, dat niet alleen betrekking had op de hennepkwekerij maar ook op (onder meer) faillissementsfraude, verduistering, oplichting en witwassen. Voorts acht de rechtbank daarbij van belang dat dit onderzoek niet alleen was gericht tegen veroordeelde maar ook tegen [Medeverdachte] , de zoon van veroordeelde en andere familieleden van veroordeelde. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ingewikkeldheid van de strafzaak bevestigd door de duur van het onderzoek en de omvang van het einddossier (meer dan twintig ordners). De rechtbank heeft in de strafzaak vonnis gewezen op 30 november 2016. Nadien heeft een schriftelijke uitwisseling van standpunten plaatsgevonden. Sinds het vonnis in de strafzaak zijn minder dan twee jaren verstreken.

9.6.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een overschrijding van de redelijk termijn.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 320.777,22.

Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 320.777,22 (zegge: driehonderdtwintigduizend zevenhonderdzevenenzeventig euro en tweeëntwintig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 juli 2018. Mr. Janssen en mr. Sikkema zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte] d.d. 4 juli 2013, map 21, p. b103, p. b104 en p. b106 en het proces-verbaal van verhoor van [Medeverdachte] d.d. 4 juli 2013, map 21, p. b107 en p. b108.

2 De ontnemingsrapportage, map 21, p. 12.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [buurtbewoner] d.d. 12 juli 2013, map 21, p. b35 en b36.

4 Het rapport van [werknemer 2] , werkzaam bij [bedrijf] d.d. 15 oktober 2012, map 21, p. b38.

5 Het proces-verbaal van verhoor van [naam] d.d. 4 juli 2013, map 21, p. b27 en p. b28