Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3042

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2018
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
18/750018-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden heeft op 31 juli 2018 een man veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk. De man heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een overval op een tankstation. De rechtbank heeft het als strafverzwarend aangemerkt dat de man bij de overval gebruikt heeft gemaakt van een wapen (broodmes) De rechtbank heeft in zijn voordeel meegewogen dat hij tijdens de zitting meermalen zijn spijt heeft betuigd. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de man aansluitend op zijn gevangenisstraf een klinisch behandeltraject dient te volgen. De rechtbank heeft de civiele vorderingen van de eigenaar en de medewerkster van het tankstation toegewezen tot respectievelijk € 520,-- en € 1.325,--.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750018-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [verdachte] te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden, Holstmeerweg 7, Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2018, te Heerenveen, bij het tankstation [bedrijfsnaam] , gevestigd [adres] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon, genaamd [getuige] , heeft gedwongen tot de afgifte van kassageld (520 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte de verkoopruimte van dat benzinestation heeft betreden deels zijn gezicht bedekt met een capuchon en/of met een mes (deels) zichtbaar en/of daarbij woorden heeft gebezigd als: "Dit is een overval, geef me al het geld in de kassa, alles", althans woorden van gelijke aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat het ten laste gelegde bewijsbaar is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2018, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018014433 / NN1R018006, d.d. 29 mei 2018, inhoudende de verklaring van [getuige] , namens [bedrijfsnaam] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 januari 2018, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de

verklaring van [getuige] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 16 januari 2018, te Heerenveen, bij het tankstation [bedrijfsnaam] , gevestigd [adres] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een persoon, genaamd [getuige] , heeft gedwongen tot

de afgifte van kassageld (520 euro) toebehorende aan [bedrijfsnaam] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte de verkoopruimte van dat benzinestation

heeft betreden deels zijn gezicht bedekt met een capuchon en met een mes deels zichtbaar en daarbij woorden heeft gebezigd als: "Dit is een overval, geef me al het geld in de kassa, alles.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering van 19 juni 2018. Bij de strafeis heeft de officier van justitie het ad informandum gevoegde feit meegenomen, alsook dat veroordeelde ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zich kan vinden in het advies van de reclassering, inhoudende dat hij een klinische behandeling moet ondergaan. De raadsman heeft daarbij gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit (dossier TBKK met registratienummer PL0100-208114378), welk feit hiermee is afgedaan.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een tankstation. Verdachte is het tankstation binnengegaan met een deels bedekt gezicht en met in zijn mouw een mes waarvan de punt zichtbaar was. Verdachte heeft op dreigende toon aan de medewerkster om geld gevraagd. Na geld te hebben gekregen heeft verdachte het tankstation verlaten. De medewerkster heeft tijdens de overval niet meegekregen dat verdachte een mes bij zich had. Pas bij het bekijken van de camerabeelden heeft zij gezien dat verdachte gewapend was met een mes. Algemeen bekend is dat slachtoffers van overvallen nog lange tijd last kunnen hebben van angstgevoelens, hetgeen in dit geval ook blijkt uit het voegingsformulier van slachtoffer [getuige] . Hierin beschrijft zij dat haar algemene gevoel van veiligheid is aangetast en dat zij nog steeds gevoelens van angst ervaart tijdens de uitoefening van haar werk. Daarnaast versterken overvallen het algemene gevoel van onveiligheid in de samenleving.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Het landelijke oriëntatiepunt voor de straftoemeting voor een overval op een tankstation is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. De rechtbank merkt het als strafverzwarend aan dat verdachte bij de overval gebruik heeft gemaakt van een wapen (broodmes). Ter terechtzitting heeft verdachte spijt betuigd en heeft hij verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad. De rechtbank zal dit als straf verminderend meenemen.

Uit het reclasseringsrapport van Verslavingszorg Noord Nederland blijkt dat verdachte is gediagnosticeerd met een stoornis in de vorm van drugsgebruik, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een posttraumatische stressstoornis. De reclassering adviseert de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een klinische behandeling voor de duur van maximaal één jaar, gericht op zowel de verslavingsproblemen als de persoonlijkheidsproblematiek met aandacht voor traumabehandeling. Verdachte kan op donderdag 16 augustus 2018 worden opgenomen op de besloten afdeling van de Forensische Verslavingskliniek Piet Roorda te Zutphen. De reclassering ziet een klinische behandeling met daaropvolgend een beschermd wonen traject en nazorg als een reële mogelijkheid om de kans op recidive af te laten nemen.

De rechtbank is van oordeel dat met de oplegging van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest, zoals de raadsman heeft bepleit, de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde zou worden miskend. De rechtbank acht oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

De rechtbank volgt daarbij de reclassering in haar advies dat verdachte een klinisch behandeltraject dient te volgen. De rechtbank zal deze voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf als bijzondere voorwaarde verbinden, evenals de oplegging van een drugsverbod. Verdachte heeft verklaard dat eerdere behandeltrajecten zijn mislukt omdat hij niet altijd de bij zijn verslavingsproblematiek passende nazorg en begeleiding kreeg. De rechtbank acht het daarom, gelijk het advies van de reclassering, noodzakelijk dat verdachte aansluitend aan het klinische behandeltraject voldoende steun en begeleiding ontvangt en zal daarom tevens als bijzondere voorwaarde een ambulant begeleidingstraject opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten laptop, merk HP, type Pavilion vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp is met behulp van welke het ad informandum gevoegde feit is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten mobiele telefoon, merk Huawei, type Y330-U01, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [bedrijfsnaam] , tot een bedrag van € 520,-- ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [getuige] , tot een bedrag van € 325,-- ter vergoeding van materiële schade en

€ 1000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de volledige vorderingen van de benadeelde partijen [bedrijfsnaam] en [getuige] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen toewijzing van de vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen [bedrijfsnaam] en [getuige] de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 januari 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot tien maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van verslavingszorg in de regio waar veroordeelde klinisch wordt behandeld. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal één jaar van de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Verslavingskliniek (FVK) Piet Roorda te Zutphen of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor de plaatsing, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn drugs- en persoonlijkheidsproblematiek. Veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, aansluitend aan het klinische behandeltraject zal meewerken aan een ambulant traject, zolang de reclassering dat nodig acht, ook als dat inhoudt meewerken aan indicatiestelling en plaatsing in ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang als de reclassering dat gewenst vindt;

4. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen laptop, merk HP, type Pavilion.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon, merk Huawei, type Y330-U01.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 520,-- (zegge: vijfhonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijfsnaam] te betalen een bedrag van € 520,-- (zegge: vijfhonderdentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 520,-- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijfsnaam] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.325,-- (zegge: dertienhonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [getuige] te betalen een bedrag van € 1.325,-- (zegge: dertienhonderdvijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 325,-- aan materiële schade en € 1.000,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker, voorzitter, mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2018.

Mr. C.H. Beuker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.