Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2999

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
30-07-2018
Zaaknummer
18/930044-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

246 Sr, vier maal gepleegd. Verdachte heeft meerdere minderjarige meisjes die van of naar school fietsten in hun billen geknepen. Oplegging van een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 voorwaardelijk met daaraan gekoppeld diverse bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930044-11

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PPC Zwolle te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 maart 2018 in de gemeente Emmen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen,

hebbende verdachte die [slachtoffer 1] , die daar fietste, onverwachts (meermalen) in

haar bil(len) geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2018 in de gemeente Emmen,

met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

hebbende verdachte die [slachtoffer 1] , die daar fietste, (meermalen) in haar

bil(len) geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt;

2.

hij op of omstreeks 19 maart 2018 in de gemeente Emmen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid

[slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen,

hebbende verdachte die [slachtoffer 2] , die daar fietste, bij haar fiets vastgepakt

en/of haar onverwachts (meermalen) in haar bil(len) geknepen, althans haar

bil(len) betast/aangeraakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 maart 2018 in de gemeente Emmen,

met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

hebbende verdachte die [slachtoffer 2] , die daar fietste, (meermalen) in haar bil(len)

geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt;

3.

hij op of omstreeks 22 maart 2018 in de gemeente Emmen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid

[slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen,

hebbende verdachte die [slachtoffer 3] , die daar fietste, onverwachts (meermalen) in

haar bil(len) geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt;

4.

hij op of omstreeks 23 maart 2018 in de gemeente Emmen,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid

[slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handelingen,

hebbende verdachte die [slachtoffer 4] , die daar fietste, onverwachts (meermalen) in

haar bil(len) geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2018 in de gemeente Emmen,

met [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 4] , die toen de leeftijd van zestien

jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

hebbende verdachte die [slachtoffer 4] , die daar fietste, (meermalen) in haar bil(len)

geknepen, althans haar bil(len) betast/aangeraakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte bekende feiten, te weten de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair, kunnen worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 maart 2018, opgenomen op pagina 114 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018085233 d.d. 26 april 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 maart 2018, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 2] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2018, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[betrokkene] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2018, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 maart 2018 in de gemeente Emmen door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, hebbende verdachte die [slachtoffer 1] , die daar fietste, onverwachts in haar billen geknepen;

2.

hij op 19 maart 2018 in de gemeente Emmen door een feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, hebbende verdachte die [slachtoffer 2] , die daar fietste, onverwachts meermalen in haar billen geknepen;

3.

hij op 22 maart 2018 in de gemeente Emmen door een feitelijkheid [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, hebbende verdachte die [slachtoffer 3] , die daar fietste, onverwachts in haar billen geknepen;

4.

hij op 23 maart 2018 in de gemeente Emmen door een feitelijkheid [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, hebbende verdachte die [slachtoffer 4] , die daar fietste, onverwachts in haar billen geknepen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

2. primair feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

3. feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

4. primair feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, begeleid wonen en het volgen van een ambulante behandeling bij de AFPN.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in de door de officier van justitie gevorderde straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in een tijdsbestek van enige dagen meerdere minderjarige meisjes die van of naar school fietsten in hun billen geknepen. Door het plegen van deze feiten heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze meisjes. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring en de overige zich in het dossier bevindende verklaringen van slachtoffers blijkt dat deze feiten een grote impact op het dagelijks leven van de slachtoffers hebben en met name hebben geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie in Nederland niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit het dossier blijkt weliswaar dat verdachte als minderjarige in België ooit contact met politie of justitie heeft gehad wegens een gluurincidenten in kleedhokjes van een zwembad, maar voor zover bekend heeft dit niet tot een onherroepelijke veroordeling geleid.

Over verdachte is een psychologisch rapport opgemaakt. Hierin wordt bij verdachte een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens vastgesteld bestaande uit een autistische stoornis, een aandachtstekortstoornis, een stoornis in de impulsbeheersing, alcoholmisbruik en cannabisafhankelijkheid. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde ook aanwezig. Onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid stress en paniek en onder invloed van overmatige hoeveelheden van alcohol en cannabis heeft verdachte de controle verloren over zijn gedrag en impulsen en heeft hij de feiten gepleegd. Het plegen van deze feiten diende als een vorm van ontlading van stress, en niet zozeer van seksuele ontlading. Geadviseerd wordt de feiten verdachte verminderd toe te rekenen. De kans op herhaling wordt als matig ingeschat, nu sprake is van normbesef en bereidheid om mee te werken aan interventies en er voorts sprake is van bovengemiddelde intelligentie. Gelet op eerder seksueel grensoverschrijdend gedrag, zal er bij de behandeling ook gekeken moeten worden naar eventuele onderliggende seksuele pathologie en/of fantasieën. Aanbevolen wordt de oplegging van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf, bestaande uit een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek, naast plaatsing in een 24-uurs begeleide woonvoorziening. Op het moment dat een behandeling bij de forensische polikliniek is afgerond, zal een doorverwijzing naar een autisme expertisecentrum kunnen worden overwogen.

In het aanvullend reclasseringsadvies wordt het eerdere advies van de reclassering tot klinische behandeling na kennisname van het rapport van de psycholoog gewijzigd en wordt aangegeven dat de reclassering zich kan vinden in het advies van de psycholoog, met als aanvulling de oplegging van een meldplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het aantal gepleegde feiten en ter voorkoming van recidive de oplegging van een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Omdat de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf niet volledig recht doet aan de negatieve uitwerking die de feiten hebben gehad op het leven van vier minderjarige meisjes zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan geëist. De rechtbank zal een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld de door de psycholoog en de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger, tot een bedrag van € 211,30 ter zake van materiële schade en € 650,-- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 4] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger, tot een bedrag van

€ 101,12 ter vergoeding van materiële schade en € 500,-- ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft aangegeven dat verdachte de vorderingen wil voldoen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

Niet bestreden is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering is evenmin door verdachte betwist en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 maart 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4]

Niet bestreden is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 primair bewezen verklaarde. De hoogte van de vordering is evenmin door verdachte betwist en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 maart 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Leger des Heils Groningen, Damsterdiep 271 te Groningen;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen bij de AFPN of soortgelijke forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van dei behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, zal verblijven en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/930044-18, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 861,30 (zegge: achthonderdeenenzestig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 861,30 (zegge: achthonderdeenenzestig euro en dertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 211,30 aan materiële schade en € 650,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd dat indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/930044-18, feit 4 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 601,12 (zegge: zeshonderdeen euro en twaalf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 601,12 (zegge: zeshonderdeen euro en twaalf cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 101,12 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd dat indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. J.V. Nolta en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2018.