Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2979

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
18-930262-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot gevangenisstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege ondanks het feit dat verdachte niet heeft willen meewerken aan PBC-rapportage.

Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de vordering tot ten uitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930262-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.930161-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

verblijvende op [adres],

thans gedetineerd te Justitieel Complex Zaanstad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 januari 2018, 18 april 2018 en 10 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 24 oktober 2017, te Assen, (althans) in de gemeente Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]

- een forse duw tegen diens lichaam heeft gegeven en/of

- met een tot vuist gebalde hand in/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geslagen of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] (gedesoriënteerd) op de grond lag, meermalen, in elk geval eenmaal, (zeer) (krachtig) (met een geschoeide voet) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt of getrapt en/of

- heeft geprobeerd van een trap te duwen/te trappen/te schoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 24 oktober 2017, te Assen, (althans) in de gemeente Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer], geheten), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

- een forse duw tegen diens lichaam heeft gegeven en/of

- met een tot vuist gebalde hand in/tegen het gezicht, althans het hoofd, heeft geslagen of gestompt en/of

- terwijl die [slachtoffer] (gedesoriënteerd) op de grond lag, meermalen, in elk geval eenmaal, (zeer) (krachtig) (met een geschoeide voet) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt of getrapt en/of

- heeft geprobeerd van een trap te duwen/te trappen/te schoppen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Op de in het schriftelijk requisitoir uitgewerkte gronden heeft de officier van justitie een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aangever niet met kracht heeft geschopt en dat het geconstateerde letsel gering van aard is.

Voorts ontkent verdachte dat hij aangever van de trap heeft willen schoppen of trappen. Voor het subsidiair ten laste gelegde kan een bewezenverklaring volgen met uitzondering van het laatste gedachtestreepje.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de geneeskundige verklaring d.d. 26 oktober 2017 van huisarts E.J. Smelik, niet kan worden vastgesteld dat de door verdachte toegepaste geweldshandelingen jegens aangever de aanmerkelijke kans op de dood als gevolg zouden kunnen meebrengen, noch dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen de dood tot gevolg had kunnen hebben. In dit verband merkt de rechtbank in het bijzonder nog op dat zij niet bewezen acht dat verdachte heeft getracht aangever van de trap af te duwen, te schoppen of te trappen. Weliswaar heeft aangever verklaard: “Ik voelde dat verdachte de intentie had om mij van de trap af te schoppen omdat ik uit balans raakte en bijna de trap af viel”, doch deze verklaring van de aangever en de overige zich in het dossier bevindende (getuigen)verklaringen bieden onvoldoende zekerheid om te kunnen vaststellen dat verdachte dit inderdaad van plan was te doen, mede gelet op het feit dat verdachte dit stellig ontkent.

Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde in overwegende mate duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Voor zover de raadsman ter terechtzitting heeft beoogd te betogen dat er geen bewijs is voor (zeer) (krachtig) schoppen of trappen tegen het hoofd, volgt de rechtbank de raadsman hierin niet. De rechtbank acht bewezen dat verdachte aangever, toen hij gedesoriënteerd op de grond lag, meermalen krachtig met een geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt. De rechtbank heeft daarbij gelet op de verklaring van zowel aangever als, in het bijzonder, getuige [getuige]. Zo heeft deze getuige verklaard dat verdachte, meerdere keren, “schopte als een voetbal tegen het hoofd van [slachtoffer] aan”. Hiermee is niet te rijmen dat verdachte, zoals de raadsman ter terechtzitting heeft betoogd, “bewust ingehouden” heeft geschopt.

Gelet op het voorgaande past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 oktober 2017, opgenomen op pagina 21 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] d.d. 1 november 2017, inhoudende de verklaring [slachtoffer], waaronder zijn verklaring:

Toen ik op de grond lag, is hij doelbewust gaan schoppen op mijn hoofd. Ik voelde dat ik meerdere schoppen tegen mijn hoofd aan kreeg.”;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 26 oktober 2017, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige]

“Ik zag dat [slachtoffer] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]] op de grond viel, hij schopte als een voetbal tegen het hoofd van [slachtoffer] aan. Dit gebeurde meerdere keren. (...) Dat schoppen vond ik zo erg (…). Op het moment van het schoppen op het hoofd wist ik dat ik snel hulp moest halen.”

4. een geneeskundige verklaring, op 26 oktober 2017 opgemaakt en ondertekend door drs. J. Dekker, forensisch arts KNMG, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het letselonderzoek betreffende [slachtoffer].

5. een geneeskundige verklaring (met bijlage), op 26 oktober 2017 opgemaakt en ondertekend door E.J. Smelik, huisarts, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 24 oktober 2017, te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

- een forse duw tegen diens lichaam heeft gegeven en

- met een tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft gestompt en

- terwijl die [slachtoffer] gedesoriënteerd op de grond lag, meermalen, krachtig met een geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstaf die gelijk is aan het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts dient te worden afgezien van het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege nu daarvoor onvoldoende onderbouwing is te vinden in de beschikbare rapportage.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf en de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een psychiatrisch verpleegkundige op de FPA te Assen, waar verdachte verbleef ten tijde van het tenlastegelegde feit.

Op enig moment had verdachte vernomen dat zijn vrijheden werden ingetrokken omdat hij zich na toegekend verlof niet tijdig had gemeld in de FPA. Verdachte ging daarover met het slachtoffer in gesprek. Tijdens dat gesprek raakte verdachte zeer geïrriteerd en ontstond er grote boosheid bij hem. Korte tijd na dit gesprek heeft verdachte de confrontatie met het slachtoffer opgezocht en heeft hij het slachtoffer mishandeld zoals de rechtbank dat bewezen heeft verklaard. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het door verdachte op aangever toegepaste heftige geweld pas is gestopt door ingrijpen van een derde (een medepatiënt die ook in de FPA verbleef).

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij een medewerker van een behandelinrichting letsel heeft toegebracht. Juist een persoon die verdachte hulp en bijstand biedt met betrekking tot zijn psychische/psychiatrische problematiek wordt door verdachte mishandeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van het justitiële verleden van verdachte. Gebleken is dat hij vaker met justitie in aanraking is gekomen. In 2013 en 2014 is hij onder het jeugdstrafrecht veroordeeld ter zake van vernieling en huiselijk geweld. Bij vonnis van 8 augustus 2017 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is hij ter zake van straatroof en geweld tegen een beroepsbeoefenaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 197 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Van laatstgenoemd vonnis heeft de officier van justitie thans de tenuitvoerlegging gevorderd.

Verdachte heeft dan ook meermalen laten blijken dat hij geen respect heeft of kan opbrengen voor de persoonlijke integriteit van anderen. Naar het oordeel van de rechtbank is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook passend en geboden. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf, speelt de vraag of (tevens) aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging zou moeten worden opgelegd, zoals dat door de officier van justitie is gevorderd, een belangrijke rol. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De maatregel van TBS met dwangverpleging kan alleen worden opgelegd als is vastgesteld dat bij een verdachte ten tijde van het begaan van het feit een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Niet is vereist dat het bewezen verklaarde feit het gevolg is van de geestesgesteldheid van de verdachte. In beginsel stelt de rechter het bestaan van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vast op basis van adviezen van twee gedragsdeskundigen.

Op 27 oktober 2017 heeft de deskundige J.M. Westenbroek, psychiater, verbonden aan het NIFP Noord Oost Nederland, locatie Zwolle, in het trajectconsult gerapporteerd dat verdachte zijn medewerking aan gedragskundig onderzoek weigert en dat gelet daarop dergelijk onderzoek geen toegevoegde waarde heeft. In verband hiermee heeft de rechter-commissaris op 22 januari 2018 bevolen dat verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum, voor onderzoek naar zijn geestvermogens.

Op 30 mei 2018 heeft het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht gerapporteerd.

In het PBC-rapport is vermeld dat betrokkene zijn medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd.

De rapporteurs, klinisch psycholoog B.H. Boer en psychiater T. den Boer, vermelden in het PBC-rapport -voor zover hier van belang- het navolgende.

Ondanks de afwezige medewerking van betrokkene, is er voldoende evidentie voor de aanwezigheid van een ernstige, chronische psychiatrische aandoening, te classificeren als schizofrenie.

De volgende elementen dragen bij aan het kunnen vaststellen van deze psychotische aandoening: vanaf 13-jarige leeftijd ontstonden bij betrokkene ernstige psychiatrische problemen in de vorm van hevige angsten, een depressieve episode en een psychotische episode. Ondanks zijn in aanleg ten minste gemiddelde intelligentie, is er sprake van een vergaande maatschappelijke teloorgang, waarvoor intensieve hulpverlening in de psychiatrie noodzakelijk bleek. Er is met andere woorden sprake van een knik in de ontwikkelingslijn, een knik die al in de tienertijd plaatsvond; een dergelijke teruggang in het functioneren is kenmerkend voor schizofrenie. Psychiatrische behandeling vond gedurende langere tijd plaats binnen een gedwongen kader, tijdens de behandeling werd gesproken van schizofrenie. Het gebruik van antipsychotische medicatie is ook in de vorm van dwang aan betrokkene toegediend. Tijdens het verblijf in het PBC maakt betrokkene ook gebruik van antipsychotische medicatie, waardoor wanen en hallucinaties niet meer op de voorgrond staan.

Gedurende een week weigert hij de medicatie in te nemen. Dan wordt een achteruitgang in zijn gedrag waargenomen, in de vorm van het zich nog meer terugtrekken. Maar ook als hij deze medicatie gebruikt, worden symptomen van een chronisch psychotische aandoening gezien. Negatieve symptomen (het wegvallen van voorheen aanwezige mogelijkheden of vaardigheden) vallen op in de vorm van passiviteit, decorumverlies, structuurloosheid en leegte. Daarnaast wordt bizar gedrag waargenomen in de vorm van het ‘s nachts schreeuwen in zijn cel. Deze elementen, samen met de (beperkte) informatie over de levensloop en de ingezette behandeling wegens schizofrenie, leiden tot de conclusie dat er sprake is van een chronisch psychotische aandoening, die voldoet aan de criteria voor schizofrenie.

Vervolgens vermelden de rapporteurs in het PBC-rapport dat zij, gelet op de weigering van betrokkene zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen, geen verband kunnen vaststellen tussen de geconstateerde schizofrenie en het ten laste gelegde. Het niet kunnen onderbouwen van een doorwerking van de geconstateerde stoornis, leidt ertoe dat de rapporteurs zich onthouden van een advies ten aanzien van het toerekenen van het ten laste gelegde feit (indien bewezen) aan betrokkene. Gelet op het voorgaande, kan door de rapporteurs geen onderbouwde risicoanalyse worden opgesteld. Dit alles leidt ertoe dat de rapporteurs evenmin een antwoord kunnen geven op de vraag naar een gedragskundige interventie binnen een strafrechtelijke kader, aldus het vermelde in het PBC-rapport.

Rapporteur psychiater Den Boer heeft ter terechtzitting de in het PBC-rapport gegeven antwoorden op de door de rechtbank gestelde vragen toegelicht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het hiervoor vermelde PBC-rapport en overige informatie die zich in het dossier bevindt, worden geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat verdachte het feit dat de rechtbank bewezen heeft verklaard, heeft gepleegd omdat hij het niet eens was met de begrenzing/inperking van zijn vrijheden. In die situatie heeft verdachte heftig geweld gebruikt, kennelijk om uiting te kunnen geven aan zijn boosheid.

Gelet op het justitiële verleden van verdachte, zoals hiervoor vermeld, en de omstandigheid dat hij thans opnieuw tot heftig geweld is overgegaan in een situatie van boosheid en frustratie is naar het oordeel van de rechtbank het risico op herhaling van geweld tegen personen hoog. Gevreesd moet worden dat verdachte, zonder behandeling, in de (nabije) toekomst wederom impulsief en gewelddadig gedrag zal vertonen.

Onder meer uit het PBC-rapport komt naar voren dat verdachte behandeld is met periodiek ondersteuning van medicatie vanaf het moment dat hij gediagnosticeerd is met schizofrenie. Deze behandeling heeft er echter niet toe geleid dat verdachte voldoende heeft geleerd om in situaties die bij hem boosheid en frustratie oproepen, deze boosheid en frustratie te reguleren zonder over te gaan tot fysiek geweld. Het PBC-rapport vermeldt in dit verband dat er sprake is van de aanwezigheid van een ernstige psychiatrische aandoening, terwijl het zicht op de impulscontrole van verdachte en agressieregulatie ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de behandeling van verdachte te worden voortgezet en geïntensiveerd zodat hij, met het oog op voorkoming van het hoge recidivegevaar dat aanwezig is, leert om op een adequate wijze om te gaan met zijn problematiek.

Zoals hiervoor reeds vermeld, heeft verdachte niet mee willen werken aan enig gedragskundig onderzoek. Dergelijk onderzoek had duidelijk kunnen maken hoe verdachte tot zijn daad is gekomen en op welke wijze herhaling kan worden afgewend. Ter terechtzitting heeft verdachte, op een daartoe strekkende vraag van de rechtbank en na overleg met zijn raadsman, geantwoord dat hij volhardt in zijn weigering, aan enig gedragskundig onderzoek zijn medewerking te verlenen.

Dit leidt naar het oordeel van de rechtbank er toe dat, ter bescherming van de maatschappij, verdere diagnostiek en behandeling van verdachte niet anders kunnen plaatsvinden dan in een gedwongen kader, in een kliniek met een strenge vorm van beveiliging.
De rechtbank heeft bij haar oordeel nog betrokken dat de reclassering in haar advies van 21 juni 2018 heeft aangegeven dat zij van mening is dat, gezien de weigerachtige houding van verdachte ten aanzien van behandeling, een toezichtkader met een eventueel ambulant behandeltraject niet haalbaar is.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis (ook op het moment dat het bewezen verklaarde feit is begaan) en het door verdachte begane feit is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor de lichamelijke integriteit van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Voorts eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van deze maatregel.

De veroordeling betreft een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De op te leggen terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is dus niet gemaximeerd.

Naast het opleggen van bedoelde maatregel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal de duur van deze straf, gelet op al het vorenstaande, beperken tot het aantal dagen dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht op de dag van de uitspraak. Op die wijze wordt het mogelijk dat verdachte zo spoedig mogelijk in een tbs-kliniek wordt geplaatst zodat een aanvang kan worden genomen met de behandeling aldaar van de verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 128,-- ter vergoeding van materiële schade en € 750,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering toewijsbaar met oplegging van de schade-

vergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering in haar geheel erkend.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering is door verdachte erkend en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 8 augustus 2017, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot

-voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 197 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 augustus 2017.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 juni 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf en heeft deze vordering op de terechtzitting gehandhaafd.

De rechtbank is van oordeel dat nu verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verplegen van overheidswege wordt opgelegd toewijzing van de vordering niet opportuun is. De vordering zal daarom worden afgewezen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 37a, 37b, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 271 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van

overheidswege zal worden verpleegd.

Bepaalt daarbij dat de terbeschikkingstelling een periode van vier jaren te boven mag gaan.

Ten aanzien van 18.930262-17, subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 878,-- (zegge: achthonderdachtenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 878,-- (zegge: achthonderdachtenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 128,-- aan materiële schade en € 750,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.930161-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 8 augustus 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. R. Depping en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2018.

Mr. Fransen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.