Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2918

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
c/17/161507 / KG ZA 18-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Onvoldoende aannemelijk dat schapen bij levering CL besmet waren. Geen redelijk belang voor verstrekkende maatregel sectie op schaap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/161507 / KG ZA 18-127

Vonnis in kort geding van 25 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.M.E. Hamming te Drachten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. H. de Boer te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 15 juni 2018 met producties;

  • -

    producties van de zijde van [gedaagde];

  • -

    de mondelinge behandeling van 5 juli 2018;

  • -

    de pleitnota van [eiser];

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft begin 2017 van [gedaagde] 400 Franse Lacaune schapen (hierna: de schapen) gekocht en op 6 februari 2017 geleverd gekregen voor een koopprijs van € 103.562,00. In de bijbehorende offerte d.d. 20 januari 2017 die [gedaagde] aan [eiser] heeft gestuurd staat voorts vermeld dat de schapen geboren zijn in oktober 2016, afkomstig zijn van op productie en gezondheidsstatus geselecteerde bedrijven en met gezondheidscertificaat worden geleverd.

2.2.

De schapen zijn vanuit Frankrijk rechtstreeks geleverd aan het bedrijf van [eiser], alwaar ze in een stal zijn ondergebracht. [eiser] heeft de schapen aangeschaft ten behoeve van de productie van schapenmelk. Vóór de komst van de schapen heeft [eiser] geen schapen gehouden op zijn boerderij.

2.3.

Omstreeks eind augustus, begin september 2017 heeft [eiser] bij enkele van zijn schapen bulten geconstateerd. Een dierenarts meldde [eiser] vervolgens begin september 2017, na afname van een bloedtest bij de schapen, dat een aantal van hen besmet was met de Caseous Lymfadenitis bacterie (hierna: CL). [eiser] heeft contact opgenomen met [gedaagde], die eveneens schapen van hetzelfde bedrijf uit Frankrijk had gekocht en aan [eiser] meedeelde dat acht van deze schapen via een (eerste) bloedtest positief op CL waren getest.

2.4.

[eiser] heeft zijn schapen vervolgens laten testen bij dierenarts [A] van [B] B.V. te Diever, die op 27 november 2017 het volgende schriftelijk heeft verklaard:

"Ondergetekende, [A] Dierenarts te [woonplaats], verklaart hierbij op 13 november 2017 bij enkele schapen bloed te hebben genomen voor onderzoek naar CL (Caseous Lymphadenitis). De 11 schapen waarvan bloed is afgenomen stonden op dat moment in quarantaine bij dhr. [eiser] in [woonplaats]. Het bloed is vervolgens opgestuurd naar de Gezondheidsdienst in Deventer. De uitslag hiervan is te vinden in bijlage 1. Enkele schapen vertonen opengeknapte huid met een onderliggend abces ter hoogte van de achterrand van de onderkaak. Uit deze wonden komt een etterig wondvocht. De plek van de wonde komt overeen met de Parotis Lymfeknoop.".

2.5.

[gedaagde] heeft zijn Franse schapen laten testen op Zwoegerziekte en op CL. Op grond van een monstername d.d. 13 oktober 2017 heeft de Nederlandse Schapen- en Geitenfokkers Organisatie (NSFO) op 27 december 2017 de einduitslag van voormelde testen gerapporteerd, waaruit naar voren komt dat bij geen van de 200 geteste schapen Zwoegerziekte of CL-besmetting is aangetoond.

2.6.

CL is besmettelijk en komt in Nederland nauwelijks voor. De besmettingsbronnen komen voornamelijk uit het buitenland, waaronder Frankrijk.

2.7.

Bij brief van 12 maart 2018 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld omdat [gedaagde] jegens hem toerekenbaar tekort zou zijn geschoten door hem met CL besmette schapen te leveren.

2.8.

Bij brief van 30 maart 2018 heeft [gedaagde] de aansprakelijkheid afgewezen en daarbij onder meer aangegeven dat zijn schapen in november 2017 allemaal individueel getest zijn en daarbij allemaal negatief op CL zijn bevonden.

2.9.

Bij brief van 17 april 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht om alle testresultaten van zijn schapen op te sturen en toestemming te verlenen om gegevens op te vragen bij de laboratoria waar [gedaagde] de testen had laten uitvoeren.

2.10.

Bij brief van 24 april 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] voormelde toestemming geweigerd en hem de einduitslag van het door NSFO uitgevoerde onderzoek naar CL voor alle schapen die [gedaagde] uit Frankrijk had geïmporteerd, gestuurd. Tevens heeft [gedaagde] aan [eiser] de resultaten gestuurd van een onderzoek dat hij, voorafgaand aan het onderzoek van alle schapen, bij een aantal van zijn schapen had laten verrichten door de Gezondheidsdienst voor Dieren en bij het Veterinair Laboratorium Goutum. In voormelde brief heeft [gedaagde] vermeld dat de monstername is verricht door Dier & Arts Goutum.

2.11.

Bij brief van 26 juni 2018 met als onderwerp "Toelichting uitslag CL: status 'Vrij' 1 jaar" heeft de hoofdinspecteur van NSFO het volgende aan [gedaagde] geschreven:

"Hierbij treft u de officiële uitslag van het CL onderzoek dat u via ons heeft laten uitvoeren. Bij geen van de onderzochte dieren zijn antistoffen tegen de CL bacterie aangetoond. Dit betekent dat uw bedrijf de CL-vrij status voor één jaar verkrijgt (gerekend vanaf datum monstername (13-10-2017), te vinden op de uitslag). (…)".

2.12.

Bij brief van 3 juli 2018 heeft [gedaagde] aan [eiser] - samengevat - meegedeeld dat van de aanvankelijk acht op CL positief geteste schapen één schaap is verkocht en één schaap is doodgegaan en dat de overige zes schapen zich nog op het bedrijf van [gedaagde] bevinden. Daarbij is een spreadsheet overhandigd alsmede een mail van NSFO van 15 november 2017. Op de dag van de mondelinge behandeling, 5 juli 2018, heeft [gedaagde] bij e-mail voorafgaand aan de zitting de laboratoriumrapporten met betrekking tot de acht aanvankelijk positief geteste schapen aan [eiser] verstuurd.

2.13.

[eiser] heeft een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht ingediend bij deze rechtbank ter zake de kwestie van (onder andere wijze van besmetting en wijze van aantonen van) CL.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij dagvaarding in kort-geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] te veroordelen binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] een goed leesbaar afschrift van de volgende stukken te verstrekken:

a. a) Een verklaring van [gedaagde] waar alle (volgens [gedaagde] vals) positief geteste schapen

thans verblijven, met vermelding wannéér de schapen van het bedrijf van [gedaagde]

zijn verwijderd;

b) Alle test resultaten van de schapen die (volgens [gedaagde] vals-) positief waren;

c) Een overzicht van alle laboratoria waar [gedaagde] zijn schapen op CL heeft laten testen;

d) Een verklaring wie de bloedmonsters bij die schapen heeft afgenomen en welke

protocollen daarbij zijn gevolgd en welke (soort) testen daarbij zijn uitgevoerd.

alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) voor elke dag dat [gedaagde] nalatig blijft aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 20.000,00 (zegge:

twintigduizend euro);

2. [gedaagde] te veroordelen binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis op het eerste

schriftelijke verzoek van [eiser] zonder belemmeringen mee te werken aan het uitvoeren

van een sectie op één of meer (volgens [gedaagde] vals-) positief op CL geteste schapen (volgens het volgende protocol: [eiser] geeft aan wanneer de sectie moet worden verricht. Daarna kan [gedaagde] deze dieren door een door [gedaagde] aangezochte of door de rechtbank

benoemde dierenarts laten euthanaseren. Vervolgens moeten deze dieren bij [gedaagde]

worden opgehaald voor pathologisch onderzoek in de laboratoria bij de Gezondheidsdienst

Voor Dieren, althans een door de rechtbank benoemde gerechtelijk deskundige), dit alles

onder de voorwaarde dat [eiser] bij negatieve CL uitslag [gedaagde] de waarde van de geteste

(en gedode) schapen vergoedt), alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 (zegge:

duizend euro) voor elke dag dat [gedaagde] nalatig blijft aan dit vonnis te voldoen, met een

maximum van € 20.000,00 (zegge: twintigduizend euro);

3. met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en (voor het geval voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt) te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag

der algehele voldoening;

4. alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de nakosten van € 131,00 dan wel, indien

betekening van het in dezen te wijzen vonnis plaatsvindt van € 199,00.

3.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven zijn vordering onder 2 aan te willen passen, in die zin dat voordat tot sectie op één of meer van de (thans nog) zes schapen van [gedaagde] wordt overgegaan, eerst moet worden gekeken of er voortekenen van CL zijn door nogmaals een bloedtest te doen en de desbetreffende schapen op de aanwezigheid van de bij het ziektebeeld passende bulten te onderzoeken.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen vloeit voort uit de aard van de zaak. Daarbij wordt onder andere van belang geacht dat - zoals [eiser] heeft aangevoerd - een schaap een levend wezen is en dat hoe langer de gevorderde sectie op zich laat wachten, des te groter de kans is dat één van de schapen die aanvankelijk positief getest zijn, niet meer ter beschikking van [gedaagde] staat.

(Non)conformiteit

4.2.

[gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat geleverd is conform de koopovereenkomst en dat [eiser] niet had mogen verwachten dat CL-vrije schapen zouden worden geleverd, omdat de schapen niet zijn verkocht met de garantie dat zij vrij waren van CL. [eiser] stelt hier tegenover dat op grond van de koopovereenkomst redelijkerwijs verwacht mag worden dat ziektevrije schapen worden geleverd en zeker geen schapen die een sluipmoordenaar in de vorm van een CL besmetting bij zich dragen.

4.3.

Ingevolge artikel 7:17 BW dient de afgeleverde zaak aan de overeenkomst te beantwoorden. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen van de verkoper over de zaak, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Als volgt wordt overwogen.

4.4.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat een met CL-besmet schaap in feite onverhandelbaar is, zowel wat betreft de melk als het vlees van het schaap. Nu [eiser] als professionele partij de schapen bedrijfsmatig wilde gebruiken - hetgeen [gedaagde] als professionele partij ook wist, althans had kunnen weten - moet het CL-vrij zijn van de schapen beschouwd worden als een wezenlijk element van de overeenkomst. Indien vast zou komen te staan dat [eiser] destijds CL-besmette schapen geleverd heeft gekregen, dan is hem onthouden wat hij op grond van de overeenkomst redelijkerwijs mocht verwachten, namelijk de eigenschappen die voor een normaal gebruik van de schapen nodig waren. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] ieder eventueel klachtrecht zou hebben verspeeld omdat hij de schapen bij aflevering niet heeft geïnspecteerd kan hem - nog daargelaten of [eiser] bij inspectie überhaupt een eventuele CL-besmetting had kunnen constateren - dan ook niet baten.

Besmetting schapen

4.5.

[eiser] stelt dat zijn schapen besmet zijn met CL en dat dit reeds het geval was ten tijde van de levering en voert daartoe onder meer het volgende aan. [eiser] heeft zijn schapen direct na de levering in een ontsmette stal gezet en daarna op een weiland gezet dat daarvoor jarenlang is gebruikt voor akkerbouw. Gelet op de incubatietijd - die blijkens de website van de Gezondheidsdienst voor Dieren en volgens de heer [C], 'specialist in small ruminant health care and management' (hierna: [C]) die met [eiser] is meegekomen naar de zitting, langer dan zes maanden kan zijn - en het feit dat CL in Nederland niet of nauwelijks voorkomt maar wel in Frankrijk, terwijl de schapen van [gedaagde] afkomstig zijn van hetzelfde Franse fokbedrijf, heeft [eiser] er groot belang bij om aan te tonen dat de CL besmetting ook bij de schapen van [gedaagde] aanwezig is, waarvoor volgens [eiser] sterke aanwijzingen zijn. Dat de aanvankelijk positief op CL geteste schapen nadien negatief werden getest, kan zowel betekenen dat er sprake is van een vals-positieve als van een vals-negatieve uitslag. De enige manier om absolute zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van een CL-besmetting is sectie op een schaap dat een positieve uitslag had in de bloedtest, aldus [eiser].

4.6.

[gedaagde] betwist dat de schapen van [eiser] met CL zijn besmet omdat daarvoor volgens hem geen bewijs is geleverd, nu [eiser] slechts eenmalig bloedonderzoek bij zijn schapen lijkt te hebben verricht. Voorts voert [gedaagde] - samengevat weergegeven - als verweer aan dat er geen enkel causaal verband bestaat tussen de door [eiser] gestelde besmetting en de levering door [gedaagde] van de schapen. Uit het tijdsverloop blijkt volgens [gedaagde] dat de gestelde besmetting niet aanwezig geweest kan zijn op het moment van levering, aangezien de eerste melding van [eiser] op verdenking van CL pas zeven maanden na de levering was en het laboratoriumonderzoek bij [B] pas negen maanden na de levering, terwijl de incubatietijd (behoudens uitzonderlijke omstandigheden die volgens [gedaagde] gesteld nog gebleken zijn) twee tot zes maanden is. [gedaagde] betwist de stelling van [eiser] dat CL bij Lacaune schapen moeilijker te constateren is dan bij geiten. Voor zover de schapen besmet zouden zijn met CL is deze besmetting ontstaan na de levering, op het bedrijf van [eiser] zelf, aldus [gedaagde]. Daarbij komt dat bij de Franse schapen van [gedaagde], die aanvankelijk positief op CL waren getest, op grond van de daarna uitgevoerde tweede test, de zogenoemde confirmatietest, de uitslagen alle vals-positief bleken te zijn. Uit de tweede confirmatietest is gebleken dat alle schapen van [gedaagde] vrij zijn van CL-besmetting, ook de aanvankelijk positief geteste dieren, waarvoor het bedrijf van [gedaagde] inmiddels een CL-vrij certificaat heeft ontvangen. En zelfs al zou een schaap van [gedaagde] thans positief worden getest op CL, dan ontbreekt het causale verband tussen die besmetting en de op 6 februari 2017 aan [eiser] geleverde schapen, aldus [gedaagde]. Voorts zal er volgens [gedaagde], bij toewijzing van de vordering, geen dierenarts zijn die een gezond dier zal willen euthanaseren.

4.7.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van CL-besmetting onder zijn schapen. Gelet op het feit dat dierenarts [A] naar aanleiding van een eerdere bloedtest bij de schapen van [eiser] onderzoek heeft verricht (r.o. 2.3.), wordt de enkele betwisting van [gedaagde] dat slechts eenmalig een bloedtest bij de schapen in kwestie is afgenomen verworpen. Voorts wordt als uitgangspunt genomen de stelling van [eiser] dat sectie de enige manier is om zekerheid te krijgen over de aanwezigheid van een CL-besmetting, hetgeen [gedaagde] als zodanig niet (voldoende) heeft weersproken. Vervolgens is naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog voldoende aannemelijk dat de schapen van [gedaagde] die aanvankelijk positief getest waren op CL-besmetting, bij de tweede confirmatietest negatief voor CL zijn bevonden, temeer nu een CL-vrij certificaat voor het bedrijf van [gedaagde] is afgegeven. [eiser] heeft erkend dat er bij deze stand van zaken geen sprake kan zijn van het direct euthanaseren van één of meer van de schapen maar dat eerst aanvullend onderzoek nodig is.

4.8.

De vraag die thans voorligt is dan ook of er voldoende reden is voor nader onderzoek naar de schapen van [gedaagde], alvorens eventueel tot sectie op één of meer van zijn zes - aanvankelijk positief op CL geteste - schapen (hierna: de zes schapen) zal worden overgegaan. Als volgt wordt overwogen.

4.9.

Partijen verschillen van mening over de incubatietijd van een CL-besmetting en de wijze waarop CL op grond van uiterlijke kenmerken bij schapen kan worden vastgesteld. In kort-geding kan niet met voldoende zekerheid worden gezegd dat de schapen van [eiser] reeds ten tijde van de levering met CL besmet waren. Dat de van dezelfde leverancier afkomstige schapen van [gedaagde] met CL besmet zijn geweest is evenmin gebleken, sterker nog: zijn bedrijf is officieel CL-vrij verklaard. Om (meer) zekerheid hieromtrent te krijgen dient, naar [eiser] heeft voorgesteld, het bloed van de zes schapen van [gedaagde] nogmaals te worden onderzocht. Tegenover de algemene stelling van [C] dat bloed soms wel vijf jaar opgeslagen blijft, heeft [gedaagde] gemotiveerd aangevoerd dat het desbetreffende bloed - waarnaar hij expliciet heeft geïnformeerd in verband met nog door hem te testen Friese schapen - van de aanvankelijk positief geteste schapen er niet meer is, zodat de voorzieningenrechter daar thans van zal uitgaan.

4.10.

De slotsom is dat, nu aangenomen moet worden dat het aanvankelijk geteste bloed niet meer beschikbaar is, een nieuwe bloedtest alsmede een nieuw onderzoek op uiterlijke kenmerken bij de zes schapen zou moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijk onderzoek - gelet op het tijdsverloop - te weinig zegt over de aanwezigheid van een CL-besmetting van de zes schapen in oktober 2017, laat staan van een CL-besmetting van de schapen van [eiser] ten tijde van de levering in 2017.

4.11.

Al met al is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter thans niet in redelijke mate aannemelijk geworden dat de schapen van [eiser] reeds bij levering met CL besmet waren en zijn er te veel onzekerheden en aannames om nu te spreken van een redelijk belang voor [eiser] om de onder 2. gevorderde verstrekkende en onomkeerbare maatregel van sectie toe te wijzen.

Gevorderde bescheiden

4.12.

[eiser] baseert zijn vordering tot het verkrijgen van een afschrift van de onder 1. genoemde bescheiden op artikel 843a Rv. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat hij, mede gelet op de stukken die hij dezelfde ochtend nog van [gedaagde] heeft ontvangen, inmiddels beschikt over de onder 1. gevorderde informatie. Wel merkt [eiser] daarbij op dat - vanwege het late tijdstip waarop [gedaagde] de gevraagde informatie heeft verschaft - de proceskosten voor rekening van [gedaagde] dienen te komen. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt. Nu hiervoor is geoordeeld dat het onder 2 gevorderde niet zal worden toegewezen, ontbreekt het rechtmatig belang voor [eiser] ten aanzien van de onder a en b gevorderde informatie. Ten aanzien van de onder c en d gevorderde informatie wordt overwogen dat - gelet op hetgeen [gedaagde] in dit verband onweersproken heeft aangevoerd - [eiser] reeds via de brief van 24 april 2018 (grotendeels) over deze informatie beschikte.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 291,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.271,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 1.271,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: 680. coll: