Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2909

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
18-750042-17 ontnemingsvordering
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft zes verdachten veroordeeld wegens de handel in cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De deelnemers aan deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol volgens de taakverdeling binnen de organisatie. Een verdachte was de leider van de organisatie en was ook de leverancier van de verhandelde harddrugs, zijn partner verrichtte ondersteunende werkzaamheden en de vier medeverdachten verzorgden de daadwerkelijke verstrekking van de cocaïne aan de afnemers. De organisatie voorzag op deze wijze een ruime klantenkring van drugs met tientallen deals per dag. De opgelegde gevangenisstraffen variëren van 14 maanden (waarvan een deel voorwaardelijk) tot 48 maanden. Tevens is wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen variërend van € 6.360,00 tot € 320.068,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/750042-17

Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2018 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

wonende [woonadres],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 29 mei 2018 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), wordt geschat, en dat de rechtbank de veroordeelde zal verplichten tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 9.100,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit het in de zaak met parketnummer 18/750042-17 tenlastegelegde.

De behandeling heeft plaatsgevonden op de terechtzittingen van 11, 12 en 28 juni 2018. Veroordeelde is op 11 juni 2018 verschenen. De raadsvrouw van veroordeelde, mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen, advocaat te ’s-Gravenhage, is op 11 en 12 juni 2018 verschenen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. P.M. van der Spek, heeft ter terechtzitting van 12 juni 2018 gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 9.100,00.

De berekening is als volgt. De periode van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 behelst 364 dagen. Uit observaties en telefoontaps blijkt dat veroordeelde 5 van de 20 dagen in februari 2017 heeft gewerkt hetgeen leidt tot een verdeelsleutel van 5/20. In totaal heeft veroordeelde 91 dagen in cocaïne gehandeld voor € 100,00 per dag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden gematigd.

Allereerst heeft veroordeelde pas vanaf 1 oktober 2016 harddrugs verkocht in plaats van de gestelde periode vanaf 1 mei 2016, waardoor uitgegaan moet worden van minder gewerkte dagen.

Daarnaast is gemiddeld € 75,00 per dag verdiend in plaats van de gestelde € 100,00. Uit de verklaringen van veroordeelde en [medeverdachte 1] blijkt immers dat minder is verdiend met het enkele werken als chauffeur.

De vordering moet vervolgens met een kwart verminderd worden, aangezien uit de lijst met unieke telefoonnummers ongeveer een kwart een no-hit betreft en dubbeltelling moet worden voorkomen.

Ten slotte is matiging dan wel nihilstelling vanwege de draagkracht van veroordeelde aan de orde, nu hij forse schulden heeft.

Bewijsmiddelen

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:

- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 12 juli 2018 in de onderliggende strafzaak;

- het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict met bijlagen op pagina 2278 e.v. van het dossier in de strafzaak.1

Beoordeling

Het vonnis van 12 juli 2018.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 12 juli 2018 in de zaak met parketnummer 18/750042-17 onder meer veroordeeld ter zake: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit is een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.

Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr. kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Blijkens het vonnis is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde zich, conform zijn eigen verklaring, vanaf 1 oktober 2016 tot 1 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. Dit betreft een periode van 212 dagen.2

Voorts blijkt dat veroordeelde niet op al deze dagen heeft gewerkt. Een werkrooster is opgesteld op basis van observaties en telefoontaps (door middel van stemherkenning), waarbij is gekeken naar het aantal gewerkte dagen in de periode van 7 tot en met 26 februari 2017.3

Volgens de observaties en telefoontaps heeft veroordeelde gewerkt op: 8, 13, 14, 15, 16 en 17 februari 2017.4

Hieruit blijkt dat veroordeelde in die periode, van in totaal 20 dagen, 6 dagen heeft gewerkt. Doorberekend naar de gehele periode van 212 dagen betekent dit dat hij (6/20 x 212 dagen=) 63,6 dagen heeft gehandeld in cocaïne.

Uit de verklaring van veroordeelde blijkt dat hij tussen de € 50,00 en € 100,00 per dag verdiende met het verkopen van cocaïne, afhankelijk van zijn eigen gebruik.5

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat hij tussen de € 50,00 en € 100,00 per dag verdiende met de handel in cocaïne, afhankelijk van de verrichte werkzaamheden. Voor de enkele chauffeurswerkzaamheden werd het minst betaald.6

Uit de verklaring van [medeverdachte 2]7 blijkt dat de dealers tussen de € 100,00 en € 150,00 per dag verdienen voor het verkopen van cocaïne.

Uit de getapte gesprekken tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] op 15 en 16 maart 2017 volgt dat [medeverdachte 4] duizend euro is kwijtgeraakt en ter compensatie 10 dagen moet werken voor [medeverdachte 3].8

Gelet op deze verklaringen is de schatting van de politie dat verdachte per dag

€ 100,00 verdiende aannemelijk.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft in dit geval het gewerkte aantal dagen maal de dagopbrengst, te weten 63,6 x € 100,00 = € 6.360,00.

De rechtbank verwerpt het verweer dat matiging dient te volgen vanwege mogelijke dubbeltelling in de unieke telefoonnummers, aangezien bij voornoemde berekeningswijze het aantal afnemers niet relevant is.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 6.360,00 voordeel heeft genoten.

Op de voet van het bepaalde in artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering, komt de draagkracht in beginsel eerst in de executiefase aan de orde. Uitsluitend in die gevallen waarin vooraf al vaststaat dat veroordeelde ook in de toekomst in het geheel niet zal kunnen betalen, kan de rechter gebruik maken van zijn matigingsbevoegdheid. Nu niet aannemelijk is geworden dat ten aanzien van veroordeelde sprake is van een dergelijke situatie, verwerpt de rechtbank het gevoerde draagkrachtverweer.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.360,00.

Legt [verdachte] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 6.360,00 (zegge: zesduizend driehonderdenzestig euro) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer [nummer], waarvan de 8 ordners zijn doorgenummerd 1 tot en met 2946.

2 Pagina 2282.

3 Pagina’s 1926, 1927 en 1928.

4 Pagina 1927.

5 Pagina 909.

6 Pagina 1128.

7 Pagina 672.

8 Pagina’s 430 en 431.