Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2908

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
18-750042-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft zes verdachten veroordeeld wegens de handel in cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De deelnemers aan deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol volgens de taakverdeling binnen de organisatie. Een verdachte was de leider van de organisatie en was ook de leverancier van de verhandelde harddrugs, zijn partner verrichtte ondersteunende werkzaamheden en de vier medeverdachten verzorgden de daadwerkelijke verstrekking van de cocaïne aan de afnemers. De organisatie voorzag op deze wijze een ruime klantenkring van drugs met tientallen deals per dag. De opgelegde gevangenisstraffen variëren van 14 maanden (waarvan een deel voorwaardelijk) tot 48 maanden. Tevens is wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen variërend van € 6.360,00 tot € 320.068,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 11b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/750042-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]

wonende [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11, 12 en 28 juni 2018. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 11 en 12 juni 2018.

Verdachte is verschenen op 11 juni 2018. De raadsvrouw van verdachte, mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen, advocaat te ’s-Gravenhage, is op 11 en 12 juni 2018 verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging d.d. 11 juni 2018, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

aanwezig hebben van cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming (onder meer) bestond uit:

-het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leverancier(s) en/of afnemer(s) van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het (mede) organiseren van de (verschillende) leverantie(s) en/of

-de verstrekking van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en/of

-het (mede) ontwikkelen en/of bespreken van plannen om bedoelde misdrijven te plegen en/of

-de verstrekking van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het (elders) onderbrengen en/of ophalen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van die cocaïne, in elk geval dat middel.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 en 2.

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend te bewijzen. De betrokkenheid van verdachte komt duidelijk naar voren uit de bewijsmiddelen.

Verdachte heeft bekend in cocaïne te hebben gehandeld. Ook uit de verklaringen van medeverdachten en afnemers blijkt dat verdachte medepleger is van de cocaïnehandel in de ten laste gelegde periode.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten is gericht op de drugshandel en was duurzaam en gestructureerd, zodat er sprake was van een criminele organisatie. De rol van verdachte bestaat uit het bemannen van de werktelefoon en het vervolgens verkopen van cocaïne aan de afnemers op een afgesproken plek. Verdachte, [medeverdachte 5], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] dragen allen geld af aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] en overleggen met hen over de voorraad en het op de pof verstrekken van cocaïne aan afnemers.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1 en 2.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de periode vóór oktober 2016. Het merendeel van de afnemers heeft verklaard over handel in cocaïne vanaf oktober 2016 zoals tevens blijkt uit de bekennende verklaring van verdachte.

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie gedurende de eerder genoemde kortere periode vanaf oktober 2016.

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen.

Het strafrechtelijk onderzoek ‘[onderzoek]’ is in januari 2017 gestart naar aanleiding van de bij het Team Criminele Inlichtingen en Meld Misdaad Anoniem ingekomen informatie. Volgens deze (start)informatie zou [medeverdachte 1] zich in Leeuwarden bezighouden met de handel in cocaïne. Ook zijn vriendin, [medeverdachte 2], weet hiervan. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] zouden drugs dealen voor [medeverdachte 1]. Uit onderzoek zou tevens blijken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] er een riante levensstijl op nahouden die niet verklaard kan worden op basis van de aan hen verstrekte uitkeringen.

In het onderzoek ‘[onderzoek]’ is onder meer gebruik gemaakt van observaties en telecomonderzoek. Uit de getapte gesprekken ontstaat de verdenking dat gebruikt is gemaakt van ‘werktelefoons’. Het (werk)telefoonnummer [telefoonnummer 1] is in gebruik van 12 oktober 2016 tot met 1 maart 2017. Het (werk)telefoonnummer [telefoonnummer 2] is in gebruik van 23 februari 2017 tot en met 1 mei 2017. Uit printertapgegevens blijkt dat het laatste (werk)telefoonnummer wederom is vervangen door [telefoonnummer 3].2

Naar aanleiding van de getapte telefoongesprekken komen in het onderzoek tevens in beeld: verdachte en [medeverdachte 4]. Zij zouden ook drugs dealen voor [medeverdachte 1].

Voornoemde onderzoeken hebben er uiteindelijk toe geleid dat op 1 mei 2017 doorzoekingen hebben plaatsgevonden op diverse locaties in Leeuwarden. Daarbij zijn alle voornoemde personen als verdachten in dit onderzoek aangehouden.3

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank telkens met een opgave van de bewijsmiddelen, nu de verdachte de bewezen verklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Feit 1.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de verklaringen van de afnemers [afnemer 1]4, [afnemer 2]5, [afnemer 3]6, [afnemer 4]7, [afnemer 5]8, [afnemer 6]9, [afnemer 7]10, [afnemer 8]11, [afnemer 9]12, [afnemer 10]13, [afnemer 11]14, [afnemer 12]15, [afnemer 13]16, [afnemer 14]17, [afnemer 15]18, [afnemer 16]19, [afnemer 17]20 en [afnemer 18]21 en de bekennende verklaring van verdachte22 blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’, te weten het in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 1 mei 2017 in vereniging met anderen meermalen opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde gepleegd in de periode vóór oktober 2016. De afnemers [afnemer 2], [afnemer 4], [afnemer 5] en [afnemer 7] ondersteunen de verklaring van verdachte dat hij pas vanaf oktober 2016 betrokken is. Deze afnemers verklaren immers specifiek over de periode waarin verdachte zich volgens hen schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Ook uit de verklaringen van de afnemers [afnemer 13] en [afnemer 18] blijkt dat verdachte later is aangesloten bij de groep die cocaïne aan hen verkocht.

Andere afnemers hebben niet specifiek verklaard vanaf wanneer zij cocaïne van verdachte kochten. Deze verklaringen vindt de rechtbank, gelet op andere getuigenverklaringen die wel specifiek over verdachte verklaren, onvoldoende voor het bewijs dat verdachte zich gedurende de hele tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Feit 2.

Uit de onder feit 1 genoemde bewijsmiddelen en het proces-verbaal van bevindingen23 blijkt dat verdachte zich vanaf 1 oktober 2016 tot en met 1 mei 2017 heeft schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10 derde en vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals hierna blijkt onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

aanwezig hebben van cocaïne, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming bestond uit:

-het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leveranciers en afnemers van die cocaïne en

-het (mede) organiseren van de leveranties en

-de verstrekking van die cocaïne en

-het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en

-het onderbrengen en/of ophalen van hoeveelheden van die cocaïne en

-het verkopen en afleveren en vervoeren en aanwezig hebben van die cocaïne.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, derde en vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten reclasseringstoezicht, verblijven in de beschermde woonvorm Keroazie, ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van VNN en een drugs- en alcoholverbod met controles.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een gevangenisstraf op te leggen conform de duur van het reeds ondergane voorarrest, met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf. Verdachte houdt zich sinds januari 2018 aan de opgelegde schorsingsvoorwaarden. Hij heeft een baan en volgt de door de reclassering geadviseerde trainingen/behandelingen. Voorts is bepleit de duur van de gevorderde proeftijd te matigen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat de voorlopige hechtenis al langere tijd is geschorst.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft samen met vijf anderen gedurende een periode van 7 maanden in georganiseerd verband gedeald in cocaïne.

De deelnemers van deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol volgens de taakverdeling binnen de criminele organisatie. Een buurman van verdachte ([medeverdachte 1]) was de leverancier van de verhandelde harddrugs, de partner van de buurman ([medeverdachte 2]) verrichtte ondersteunende werkzaamheden en verdachte en drie medeverdachten ([medeverdachte 3], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4]) verzorgden de verstrekking van de cocaïne aan de afnemers. De organisatie voorzag op deze wijze een ruime klantenkring van cocaïne met tientallen drugsdeals per dag.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Cocaïne is een zeer verslavende stof. Verdachte heeft met zijn gedragingen zijn eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld. De rechtbank neemt echter wel mee dat verdachte door zijn eigen gebruik van cocaïne een schuld had en daarom zelf ook is gaan handelen. Daarnaast gaat de handel in harddrugs gepaard met overlast in de samenleving. Het gebruik van harddrugs genereert op zijn beurt strafbare feiten. Verdachte heeft hierdoor de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld.

Criminele organisaties ondermijnen voorts de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en berokkenen de maatschappij financieel nadeel. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert voor alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 mei 2018, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voor eerder gepleegde strafbare feiten zijn enkel geldboetes opgelegd.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor deze feiten rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van strafzaken zoals thans aan de orde (voor een alleen opererende first offender) een gevangenisstraf van 12 maanden vastgesteld. Daarbij gaat het om het (onder 1 bewezen verklaarde) verkopen, afleveren, verstekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat met enige regelmaat gedurende zes tot twaalf maanden. In dit geval maakte verdachte deel uit van een criminele organisatie die dagelijks aan tientallen afnemers cocaïne verkocht.

Uit de reclasseringsrapporten van 20 juni 2017, 20 oktober 2017 en 20 december 2017, telkens opgesteld door W. Hanse, reclasseringswerker van Tactus Verslavingszorg, en het e-mailbericht d.d. 11 juni 2018 van R. Tuinstra, reclasseringswerker van VNN, blijkt het volgende.

Verdachte gebruikte sinds juni 2016 cocaïne, waarbij sprake was van een toename naar dagelijks gebruik. Daarnaast gebruikt verdachte softdrugs. Verdachte heeft hoge schulden. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 4 januari 2018 geschorst onder de geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten onder andere een meldplicht bij de reclassering (VNN te Groningen), ambulante behandeling bij FACT in het kader van terugvalpreventie in middelengebruik, verblijf bij Stichting Keroazie in het kader van begeleid/beschermd wonen, een harddrugsverbod met middelencontroles en het meewerken aan bewindvoering en gedragsinterventies. Verdachte houdt zich aan deze bijzondere voorwaarden.

De reclassering schat het recidiverisico in als hoog/gemiddeld. Ingeschat is voorts dat er een laag/gemiddeld risico op onttrekken aan voorwaarden is. De reclassering acht het wenselijk het ingezette zorgtraject onder de huidige bijzondere voorwaarden voort te zetten.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening met de bewezenverklaarde periode en de relatief minder prominente rol van verdachte. Hij was geen initiator, maar deed vooral mee in een bestaande criminele organisatie om eigen schulden af te lossen. Verdachte was vooral een loopjongen voor de medeverdachte [medeverdachte 1].

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd. Van deze gevangenisstraf zal de rechtbank een deel, te weten 7 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en om de oplegging van de geadviseerde (en gedurende de voorlopige hechtenis geldende) bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.

De rechtbank ziet geen redenen om de duur van de gevorderde proeftijd te matigen, gelet op de bewezenverklaarde periode en de intensiteit waarmee als organisatie harddrugs zijn verkocht. Om diezelfde redenen is een taakstraf evenmin aan de orde.

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit tot teruggave van een geldbedrag van € 1.713,10. Dit onder verdachte in beslag genomen geldbedrag behoort aan [benadeelde] toe en is niet afkomstig van enig misdrijf.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave, aangezien er sprake is van conservatoir beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal niet beslissen tot teruggave aan verdachte of [benadeelde] van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.713,10, aangezien er conservatoir beslag is gelegd middels een machtiging van de rechter-commissaris, zoals de officier van justitie ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk heeft bevestigd. Uit de wet en jurisprudentie volgt dat op een zodanig beslag geen beslissing tot teruggave aan een rechthebbende bij einduitspraak in de strafzaak mogelijk is.

Daarbij komt dat uit de door de verdediging overgelegde stukken niet zonder meer blijkt dat [benadeelde] rechthebbende is van het geld, temeer nu verdachte over dit geldbedrag heeft verklaard dat het drugsgeld (een dagopbrengst) is.24

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 7 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij VNN reclassering op het adres Canadalaan 1 (9728 EA) te Groningen, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zal verblijven bij Stichting Keroazie, of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zich houdt aan de gemaakte aanvullende afspraken zoals die zijn voortgevloeid vanuit het intakegesprek en zich te houden aan de huisregels die gelden bij Stichting Keroazie, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

3. dat de veroordeelde zich zal laten behandelen voor terugvalpreventie in middelengebruik bij FACT van VNN en/of de polikliniek van VNN of een soortelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van harddrugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek en/of urineonderzoek, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat de veroordeelde zal meewerken aan bewindvoering en gedragsinterventies zoals de leefstijltraining (dan wel een specifieke module van de interventie ten behoeve van een voortraject voor behandeling of bijvoorbeeld nazorg), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer [nummer], waarvan de 8 ordners zijn doorgenummerd 1 tot en met 2946.

2 Pagina 328.

3 Aanhouding verdachte pagina 790.

4 Pagina’s 1206 en 1207.

5 Pagina’s 1250 tot en met 1252.

6 Pagina’s 1263 tot en met 1268.

7 Pagina’s 1329 tot en met 1331.

8 Pagina’s 1342 en 1343.

9 Pagina’s 1370 tot en met 1374.

10 Pagina’s 1382 en 1383.

11 Pagina’s 1417 tot en met 1421.

12 Pagina’s 1435 en 1436.

13 Pagina’s 1496 tot en met 1499 en 1504.

14 Pagina’s 1530 en 1531.

15 Pagina’s 1535 en 1536.

16 Pagina’s 1645 tot en met 1647.

17 Pagina’s 1664 en 1665.

18 Pagina’s 1672 en 1673.

19 Pagina’s 1721, 1722, 1723 en 1725.

20 Pagina’s 1730, 1731 en 1733.

21 Pagina’s 1737 en 1738.

22 Pagina’s 906 tot en met 910, 946 en 947 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2018.

23 Pagina’s 384 en 385.

24 Pagina 946.