Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2882

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
18/820164-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Verdachte heeft op dezelfde dag tweemaal ingebroken in het pand van een tennisvereniging, waar hij de dag ervoor ook al had getracht in te breken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot een woninginbraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820164-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/062331-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] te Groningen,

wonende te [Woonadres 1] Groningen,

thans gedetineerd te PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/820164-18 dat:

1.

hij op of omstreeks 24 april 2018, op diverse tijdstippen, te Groningen, (meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan het Heerdenpad aldaar) heeft weggenomen een geldbedrag en/of een laptop (merk Toshiba), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan tennisvereniging [Naam vereniging] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te

nemen geld/goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming;

2.

hij op of omstreeks 23 april 2018 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een computerscherm, in elk geval enig goed van zijn gading, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan tennisvereniging [Naam vereniging] en/of [Naam vereniging] , weg te nemen in/uit een pand (gelegen aan het Heerdenpad aldaar) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte: - een raam(uitzetter) van voornoemd pand verbroken en/of - voornoemd pand betreden door voornoemd raam en/of - (een) verbrekende en/of forcerende handeling(en) verricht aan voornoemd computerscherm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en in de zaak met parketnummer 18/062331-18 dat:

1.

hij in of omstreeks de periode gelegen van 28 maart 2018 23.00 uur tot en met

29 maart 2018 05.00 uur te Groningen, uit een (bedrijfs)auto welke geparkeerd

stond aan de Goudlaan, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een (grote) hoevelheid gereedschappen ( onder meer een klopboormachine merk Hilti, een accuboormachine merk Hitachi en/of een slijptol merk Bosch), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [Bedrijfsnaam] ., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen gereedschappen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 28 maart 2018 23.00 uur tot en met 29 maart 2018 05.00 uur te Groningen, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) goed(eren), te weten een (grote) hoeveelheid gereedschap (onder meer

een klopboormachine merk Hilti, een accuboormachine merk Hitachi en/of een slijptol merk Bosch) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks de periode van 28 maart 2018 20.15 uur tot en met 29 maart 2018 5.00 uur te Drachten, gemeente Smallingerland , uit een aan de Foswerd geparkeerde (bedrijfs) auto, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (grote) hoeveelheid gereedschap (onder meer een accuboormachine merk Makita, een klopboormachine merk Hitachi en/of een koffer met diverse gereedschappen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan het installatiebedrijf Hoekst, heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen gereedschap onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks de periode 28 maart 2018 20.15 uur tot en met 29 maart 2018 05.00 uur te Drachten, gemeente Smallingerland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (een) goed(eren), te weten een (grote) hoeveelheid gereedschappen (onder meer een accuboormachine merk Makita, een klopboormachine merk Hitachi en/of een koffer bevattende meerdere gereedschappen) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 27 december 2017 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [Slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers hebbende verdachte een kozijn en/of het sluitwerk van het kozijn verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor al het ten laste gelegde gevorderd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/820164-18 onder 1 en 2 heeft hij zich gebaseerd op de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, de aangiftes en de herkenning van verdachte op de camerabeelden door de verbalisanten.

Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Enkele uren nadat in de bedoelde bedrijfswagens is ingebroken, is verdachte staande gehouden nadat hij uit een voertuig is uitgestapt en weggerend voor de politie. Op de achterbank van het voertuig zijn goederen aangetroffen die kort daarvoor uit de bedrijfswagens zijn gestolen.

Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft geen aannemelijke verklaring voor zijn aanwezigheid in dat voertuig gegeven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in de auto zat, omdat hij een lift had gekregen. Verdachte zou daarvoor bij zijn zus zijn geweest. Door pas op een later moment met deze verklaring te komen, terwijl die niet wordt ondersteund door feiten is deze verklaring niet aannemelijk.

Op basis van het voorgaande kunnen de feiten worden bewezen.

De officier van justitie heeft gevorderd om de zus als getuige te laten horen indien de rechtbank de verklaring van verdachte aannemelijk acht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat het uiterlijk van verdachte past bij het signalement dat van de dader is gegeven, terwijl in de woning een handschoen is aangetroffen waarin DNA van verdachte zat.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte de auto-inbraken en woninginbraak heeft gepleegd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/820164-18 ten laste gelegde heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 18/062331-18, feiten 1 en 2:

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde varianten niet wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte als bijrijder zat in een voertuig waarin gestolen goederen lagen. Het voertuig behoort verdachte niet toe. In het dossier is verder geen enkel bewijsmiddel te vinden waaruit concreet betrokkenheid van verdachte bij de inbraken blijkt. Bij de politie heeft verdachte zich grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. De omstandigheid dat verdachte heeft geweigerd een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden , kan op zichzelf - mede gelet op het bepaalde in artikel 29 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering - echter niet tot het bewijs bijdragen.

Het enkele feit dat hij zich op enig moment als passagier in de auto waarin de eerder die avond of nacht gestolen spullen lagen heeft bevonden, is op zichzelf niet zodanig redengevend voor zijn betrokkenheid bij de inbraken dat hem mag worden tegengeworpen dat hij voor zijn aanwezigheid in die auto geen redelijke verklaring heeft gegeven. Deze omstandigheid dwingt niet tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte, al dan niet tezamen met iemand anders, de inbraken heeft gepleegd. Dat hij is weggerend toen de politie het voertuig klemreed maakt dit oordeel niet anders. De verdediging heeft aangegeven dat hij dit deed omdat hij niet in het bezit was van een geldig identiteitsbewijs en daarvoor niet aangehouden wilde worden.

Nu op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte op enige manier betrokken was bij de diefstallen, zal verdachte zowel van het onder 1 primair als 2 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ook van de subsidiair ten laste gelegde varianten van heling zal verdachte worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bedoelde goederen door misdrijf waren verkregen.

in de zaak met parketnummer 18/820164-18

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna in de zaak met parketnummer 18/820164-18 onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 06 juli 2018;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 23 april 2018, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018101010 d.d. 25 april 2018, inhoudende de verklaring van [Slachtoffer 2] ;

  3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 24 april 2018, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [Slachtoffer 2] ;

  4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 25 april 2018, proces-verbaalnummer 2018099746, inhoudende de verklaring van [Slachtoffer 2] .

in de zaak met parketnummer 18/062331-18, feit 3

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die voor het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 3 ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 december 2017, opgenomen op pagina 114 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018098887 d.d. 23 mei 2018, inhoudende als verklaring van [Slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van poging inbraak. Op 27-12-2017 omstreeks 00.35 uur lag ik in bed tv te kijken. Ik lag te wachten tot dat mijn zoon [Naam] thuis zou komen. Ik hoorde wat gestommel en ging er van uit dat [Naam] thuis gekomen was. Een aantal minuten later hoorde ik ineens een schreeuw van beneden komen. Ik ben hierop uit bed gestapt en ben naar beneden gegaan. Beneden trof ik mijn zoon [Naam] aan. Hij vertelde mij dat hij zojuist thuis was gekomen en dat hij een man in de woonkamer zag staan. Deze man zou dan naast de eettafel staan. Deze man gooide vervolgens een jas in het gezicht van mijn zoon en vluchtte hierop via een raam achter de eettafel. Ik trof op de grond een enkele handschoen aan. Deze is niet van mij dus ik ga er van uit dat deze van de verdachte is. Ik heb deze van de grond opgepakt en op mijn jas op de tafel gelegd.

Toen de politie eenmaal ter plaatse was, wezen ze mij op het raam via welk de verdachte is gevlucht. Ik zag dat er een braakspoor in het kozijn zat. Deze braakspoor zit aan de buitenkant, aan de onderkant van het raamkozijn. Ook is het sluitwerk, welk bevestigd zit op het kozijn, kapot.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 december 2017, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [Slachtoffer 3] :

Op 27 december 2017 omstreeks 00.30 uur kwam ik thuis bij onze woning gelegen aan de [Woonadres 2] te Veendam. Ik ben via een deur van de garage de woning binnengegaan. Via deze deur kom je direct in de keuken van de woning. Toen ik de keuken binnenstapte hoorde ik een geluid, het klonk als gerinkel. In eerste instantie dacht ik dat het mijn vader zou zijn. Derhalve riep ik ''hallo ''. Ik hoorde dat hierop niet werd gereageerd. Ik hoorde ook geen andere geluiden. Kort daarna hoorde ik een soort

gehijg. Het klonk als iemand die verkouden was en door zijn neus ademde.

Ik heb toen de zaklampfunctie op mijn telefoon aangezet en ben verder de woning in

gelopen. Ik zag dat achter de eettafel, iemand op zijn knieën zat. Toen ik op armlengte afstand was zag ik dat de persoon rechtop ging staan. Ik keek hem toen recht in het gezicht en zag dat het iemand was die ik niet kende en niet rechtmatig in de woning zou zijn. Ik wilde hem toen bij zijn jas pakken maar ik zag dat hij een jas in mijn richting gooide, deze jas was van mijn vader welke blijkbaar in de kamer lag.

Ik kan de man als volgt omschrijven:

- 1.70 a 1.75 meter lang

- smal postuur

- onverzorgd uiterlijk

- zwart wild haar

- een stoppelbaard en snor

- zwarte jas met grijze accenten

- grijs/blauwe broek, het leek op een werkbroek

- stevige schoenen, ik vermoed werkschoenen

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 28 december 2017, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 27 december 2017 werd door mij verbalisant als forensisch onderzoeker op verzoek van de politieonderzoek naar sporen verricht in verband met een vermoedelijke poging tot gekwal. diefstal in/uit woning, gepleegd tussen woensdag 27 december 2017 te 00:30 uur en woensdag 27 december 2017 te 00:36 uur.

Het onderzoek is verricht bij [Slachtoffer 1] te Borgerspark 97, 9642 LM Veendam.

Door mij werd een sporenonderzoek verricht na een inbraak in een woning waarbij de

dader door de zoon des huizes werd overlopen en is gevlucht. Tijdens zijn vlucht liet de dader een handschoen in de woonkamer achter. Deze handschoen werd door de collega's, welke na de inbraakmelding ter plaatse waren gekomen, in een papieren zak veiliggesteld voor een DNA onderzoek. Deze handschoen werd mij ten tijde van het onderzoek door de collega's overhandigd.

De aan mij overhandigde handschoen is door mij voorzien van SIN AAJT4583NL en zal vervolgens door mij worden overgedragen aan het sporenbeheer van de Forensische Opsporing Noord Nederland voor een DNA onderzoek.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 9 januari 2018, opgenomen op pagina 120 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Ik heb van de binnenzijde van de handschoen van de handpalmzijde de vingers, de

aanzet van de vingers en de muis bemonsterd met een stub op de mogelijke aanwezigheid van dragermateriaal. Ik heb het spoor veiliggesteld, gewaarmerkt met SIN AALH1564NL en verzegeld.

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.03.02.132, d.d. 16 maart 2018 opgemaakt door ing. R.E.J. van Wijk, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende als zijn/haar verklaring:

Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek

SIN en omschrijving

Beschrijving DNA-profiel

celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans

AALH1564NL#01

Epitheel

Afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man

[Verdachte]

Kleiner dan één op één miljard

Bewijsoverweging

Op 27 december 2017 heeft de zoon van aangever [Slachtoffer 1] de dader van de woninginbraak op heterdaad betrapt toen deze zich in de (woon)kamer had verstopt. De dader heeft hierna een jas in de richting van de zoon gegooid en is uit de woning gevlucht. In de woonkamer werd een handschoen gevonden die niet van de bewoners is en die voor het incident niet in de woning lag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat deze handschoen van de dader is. Aan de binnenzijde van de handschoen is een afgeleid DNA-hoofdprofiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Verdachte heeft geen verklaring willen of kunnen geven voor de aanwezigheid van zijn DNA daarin, dan wel voor de aanwezigheid van de handschoen in de woning, terwijl dat van hem - meermalen veroordeeld voor inbraken - wel mocht worden verwacht.

Voorts overweegt de rechtbank dat het door de zoon opgegeven signalement van de dader past bij verdachte, nu uit foto's in het dossier blijkt dat verdachte soms een baard heeft en verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij af en toe een baard laat groeien.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het aangetroffen DNA-spoor een daderspoor is en dat verdachte de dader is. Het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/820164-18 onder 1 en 2 en het in zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/820164-18:

1.

hij op 24 april 2018, op diverse tijdstippen, te Groningen, meermalen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan het Heerdenpad aldaar heeft weggenomen een geldbedrag en een laptop (merk Toshiba), toebehorende aan tennisvereniging [Naam vereniging] , waarbij verdachte zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2.

hij op 23 april 2018 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een computerscherm, toebehoorde aan tennisvereniging [Naam vereniging] en/of [Naam vereniging] , weg te nemen in/uit een pand gelegen aan het Heerdenpad, aldaar met het oogmerk om zich dat goed wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en het weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, heeft hij, verdachte: een raam(uitzetter) van voornoemd pand verbroken en voornoemd pand betreden door voornoemd raam en verbrekende en/of forcerende handeling(en) verricht aan voornoemd computerscherm, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de zaak met parketnummer 18/062331-18:

3.

hij op 27 december 2017 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed van zijn gading, toebehoorde aan [Slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om zich enig goed wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming, heeft verdachte een kozijn en het sluitwerk van het kozijn verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/820164-18 dat

1. Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2. Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

in de zaak met parketnummer 18/062331-18 dat:

3. Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van de periode reeds doorgebracht in voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest voor de feiten die verdachte heeft bekend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie 5 juni 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op dezelfde dag tweemaal ingebroken in het pand van een tennisvereniging, waar hij de dag ervoor ook al had getracht in te breken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot een woninginbraak. Dit zijn uitermate ergerlijke feiten, die veel overlast veroorzaken. Door dit handelen heeft verdachte schade berokkend aan de betrokkenen. Overigens wordt door een woninginbraak ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de bewoners. In het onderhavige geval geldt dit eens temeer nu verdachte door een minderjarige bewoner is overlopen. In juridische zin is de woninginbraak niet voltooid. Het effect dat verdachtes gedraging op de bewoner(s) heeft gehad, is evenwel gelijk te stellen met dat bij een voltooid delict. Verdachte heeft hiervoor tot op heden geen verantwoordelijkheid willen nemen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Bij verdachte is daarom sprake van veelvuldige recidive.

De rechtbank houdt ook rekening dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een inbraak in een woning wordt daar een gevangenisstraf van zeven maanden gehanteerd als sprake is van veelvuldige recidive en vier maanden voor een inbraak in een bedrijfspand. In onderhavig geval is sprake van een bedrijfsinbraak, een poging daartoe en een (poging tot) een woninginbraak.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden en zal deze straf opleggen.

Benadeelde partij

[Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 4] hebben zich namens [Naam vereniging] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.657,92 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Het bedrag bestaat uit de posten:

- ingegooid raam : € 431,76

- ingetrapte deur : € 348,81

- geforceerde raamuitzetter : € 17,-

- 2 rolluiken gemolesteerd : € 860,35

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de gehele toewijzing van de vordering gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot de som van de kosten die daadwerkelijk betrekking hebben op het bewezenverklaarde feit. Met betrekking tot de post ' ingetrapte deur' gaat het dan om de onderdelen op de bijgevoegde factuur (bijlage 2) die betrekking hebben op de nieuwe deur (€150,-), manuren plaatsen (€ 85,-) en sluitwerk

(€ 40,95).

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/820164-18 onder 1 en 2 bewezen verklaarde.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot de post 'ingetrapte deur' enkel de door de raadsman gestelde onderdelen in aanmerking komen voor vergoeding, nu onduidelijk is gebleven of de overige kosten rechtstreeks verband hebben met het bewezen verklaarde.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 1.585,07 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 april 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[Bedrijfsnaam] is als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 1 primair, subsidiair en 2 primair, subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/820164-18 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 18/062331-18 onder 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/820164-18, feiten 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam vereniging] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.585,07 (zegge: vijftienhonderdvijfentachtig euro en zeven eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam vereniging] te betalen een bedrag van € 1.585,07 (zegge: vijftienhonderdvijfentachtig euro en zeven eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 april 2018.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [Naam vereniging] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/062331-18, feit 1:

Bepaalt dat de benadeelde partij [Bedrijfsnaam] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 juli 2018.