Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2877

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
18-750044-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft zes verdachten veroordeeld wegens de handel in cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De deelnemers aan deze criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol volgens de taakverdeling binnen de organisatie. Een verdachte was de leider van de organisatie en was ook de leverancier van de verhandelde harddrugs, zijn partner verrichtte ondersteunende werkzaamheden en de vier medeverdachten verzorgden de daadwerkelijke verstrekking van de cocaïne aan de afnemers. De organisatie voorzag op deze wijze een ruime klantenkring van drugs met tientallen deals per dag. De opgelegde gevangenisstraffen variëren van 14 maanden (waarvan een deel voorwaardelijk) tot 48 maanden. Tevens is wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen variërend van € 6.360,00 tot € 320.068,00.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 11b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/750044-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende [woonadres] ,

thans gedetineerd in de P.I. Almere Binnen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11, 12, 14 en 28 juni 2018. De inhoudelijke behandeling vond plaats op 11, 12 en 14 juni 2018.

Verdachte is op 11, 12 en 14 juni 2018 verschenen, telkens bijgestaan door mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht. Verdachte is op 28 juni 2018 niet verschenen, maar wel mr. O.R.R. Hetterscheidt, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 11, 12 en 14 juni 2018 vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek en op 28 juni 2018 door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, na nadere omschrijving van de tenlastelegging d.d. 11 juni 2018, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2015 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, telkens (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 mei 2015 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

aanwezig hebben van cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming (onder meer) bestond uit:

-het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leverancier(s) en/of afnemer(s) van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het (mede) organiseren van de (verschillende) leverantie(s) en/of

-de verstrekking van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en/of

-het (mede) ontwikkelen en/of bespreken van plannen om bedoelde misdrijven te plegen en/of

-de verstrekking van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het (elders) onderbrengen en/of ophalen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van die cocaïne, in elk geval dat middel en/of

-het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van die cocaïne, in elk geval dat middel.

Beoordeling van het bewijs

Verweer ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een ernstig onherstelbaar vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen primair dient te leiden tot bewijsuitsluiting, subsidiair tot strafvermindering. De machtigingen van de rechter-commissaris om de bij de verdachte in gebruik zijnde telefoons te tappen en om hem stelselmatig te observeren ontbreken in het dossier. Derhalve is niet te toetsen of (1) deze machtigingen zijn afgegeven en, zo dit al is gebeurd, (2) of dit op juiste gronden is geschied en (3) of er vervolgens conform deze machtigingen is getapt en/of geobserveerd. Hierdoor is telkens inbreuk gemaakt op de artikelen 6 en 8 van het EVRM. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van de zaak aan te houden dan wel het onderzoek te heropenen teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de ontbrekende stukken alsnog aan het dossier toe te voegen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen. Uit het methodieken proces-verbaal (vanaf pagina 60) blijkt dat er machtigingen door de rechter-commissaris zijn afgegeven voor de telefoontaps en de stelselmatige observatie. Deze machtigingen zijn niet aan het dossier toegevoegd, vanwege de grote omvang van het dossier, hetgeen een gebruikelijke gang van zaken is. Het dossier is al maanden in het bezit van de verdediging en er is niet eerder om inzage of verstrekking van de machtigingen gevraagd. Herstel is dus wel degelijk mogelijk, aangezien de machtigingen alsnog aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Er is derhalve geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de zaak.

Het oordeel van de rechtbank 1

Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering luidt voor zover relevant:

“De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld (…)”.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat het voorbereidende onderzoek uitsluitend betrekking heeft op het onderzoek jegens de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde (de zogenoemde Schutznorm). Dit brengt in beginsel met zich dat een onrechtmatigheid jegens de medeverdachten geen vormverzuim is in de strafzaak tegen de verdachte.

Tevens blijkt uit vaste jurisprudentie dat het vormverzuim onherstelbaar moet zijn. Indien een vormverzuim is hersteld of alsnog kan worden hersteld is voornoemd artikel niet van toepassing.

Uit het methodieken proces-verbaal blijkt dat de bevelen tot stelselmatige observatie zien op de stelselmatige observatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .2 Zoals hiervoor reeds is overwogen is een onherstelbaar vormverzuim in de strafzaken tegen medeverdachten in beginsel geen vormverzuim in de strafzaak tegen de verdachte. Zo er derhalve al sprake zou zijn van een vormverzuim dan speelt dat in de zaken tegen de medeverdachten en niet in de zaak tegen verdachte. Reeds op deze grond kan het verweer van de verdediging voor zover het betrekking heeft op stelselmatige observatie niet slagen en wordt dit verworpen.

Uit het dossier3 blijkt, dat de rechter-commissaris de officier van justitie heeft gemachtigd te bevelen onderzoek van het telecommunicatieverkeer ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering te doen verrichten en de officier van justitie bevelen heeft gegeven tot het onderzoek verkeersgegevens telecommunicatie ex artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering. In het dossier is telkens aangegeven welke aansluitingen/IMEI nummers dit betrof, voor welke periode deze onderzoeken zijn verricht en welk proces-verbaal nummer de aanvragen ter verkrijging van een vordering/machtiging daarvoor in het dossier hebben gekregen. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van de officier van justitie dat de machtigingen van de rechter-commissaris eenvoudig aan het dossier kunnen worden toegevoegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er in zoverre geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen. De rechtbank heeft voorts in aanmerking genomen dat het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting aanleiding geeft te vermoeden dat de machtigingen door de rechter-commissaris niet zijn afgegeven of dat de machtigingen niet op juiste gronden zijn verstrekt of dat er niet binnen de grenzen van deze machtigingen onderzoek is verricht.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot aanhouding of heropening van het onderzoek ter terechtzitting voor toevoeging aan het dossier van de ontbrekende machtigingen van de rechter-commissaris. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat door de verdediging in de voorfase nimmer is verzocht om de machtigingen aan het dossier toe te voegen dan wel ter inzage te krijgen. Eerst op vrijdagmiddag 8 juni 2018 kort voor de sluiting van de strafgriffie heeft de verdediging telefonisch contact met de strafgriffie van de rechtbank opgenomen om te verifiëren of de rechtbank de beschikking had over de bedoelde machtigingen. Er is daarna geen nader schriftelijk of ter terechtzitting mondeling verzoek gedaan om alsnog deze machtigingen in te zien dan wel aan het dossier toe te voegen, terwijl daarvoor ruim de gelegenheid was.

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting dan wel strafmatiging wordt aldus verworpen.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1 en 2.

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend te bewijzen. De betrokkenheid van verdachte komt duidelijk naar voren uit de bewijsmiddelen.

Verdachte heeft bekend in cocaïne te hebben gehandeld. Ook uit de verklaringen van medeverdachten en afnemers blijkt dat verdachte medepleger is van de cocaïnehandel in de ten laste gelegde periode.

Het samenwerkingsverband tussen de verdachten is gericht op de drugshandel en was duurzaam en gestructureerd, zodat er sprake is van een criminele organisatie. De rol van verdachte bestaat uit het bemannen van de werktelefoon en het vervolgens verkopen van cocaïne aan de afnemers op een afgesproken plek. Verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] dragen allen geld af aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] en overleggen met hen over de voorraad en het op de pof verstrekken van cocaïne aan afnemers.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft primair bepleit, gelet op het verweer tot bewijsuitsluiting, verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde, zoals hiervoor besproken en verworpen

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld de periode ingekort dient te worden tot de periode vanaf het najaar 2016, aangezien verdachte heeft bekend vanaf die tijd de werktelefoon en cocaïne in zijn bezit kreeg. Ook de verklaringen van afnemers zijn onvoldoende bewijs voor een bewezenverklaring van de periode vóór het najaar 2016. Verdachte dient partieel vrijgesproken te worden voor de onderdelen bewerken, verwerken en verstrekken.

Feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Er is geen sprake van een duurzaam samenwerkingsverband, aangezien er in wisselende periodes en samenstellingen is samengewerkt. Daarbij komt dat een (eventueel) bewezenverklaarde periode niet langer kan zijn dat de periode van feit 1, die naar het oordeel van de verdediging niet is aangevangen van de periode voor het najaar van 2016. Het oogmerk van verdachte ziet enkel op het laatste gedachtestreepje, zodat voor de overige gedachtestreepjes vrijspraak dient te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Algemeen.

Het strafrechtelijk onderzoek ‘ [onderzoek] ’ is in januari 2017 gestart naar aanleiding van de bij het Team Criminele Inlichtingen en Meld Misdaad Anoniem ingekomen informatie. Volgens deze (start)informatie zou [medeverdachte 1] zich in Leeuwarden bezighouden met de handel in cocaïne. Ook zijn vriendin, [medeverdachte 2] , weet hiervan. Verdachte en [medeverdachte 3] zouden drugs dealen voor verdachte. Uit onderzoek zou tevens blijken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] er een riante levensstijl op nahouden die niet verklaard kan worden op basis van de aan hen verstrekte uitkeringen.

In het onderzoek ‘ [onderzoek] ’ is onder meer gebruik gemaakt van observaties en telecomonderzoek. Uit de getapte gesprekken ontstaat de verdenking dat gebruikt is gemaakt van ‘werktelefoons’. Het (werk)telefoonnummer [telefoonnummer 1] is in gebruik van 12 oktober 2016 toen met 1 maart 2017. Het (werk)telefoonnummer [telefoonnummer 2] is in gebruik van 23 februari 2017 tot en met 1 mei 2017. Uit printertapgegevens blijkt dat het laatste (werk)telefoonnummer wederom is vervangen door [telefoonnummer 3] .4 Naar aanleiding van de getapte telefoongesprekken komen in het onderzoek tevens in beeld: [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Zij zouden ook drugs dealen voor [medeverdachte 1] .

Voornoemde onderzoeken hebben er uiteindelijk toe geleid dat op 1 mei 2017 doorzoekingen hebben plaatsgevonden op diverse locaties in Leeuwarden. Daarbij zijn alle voornoemde personen als verdachten in dit onderzoek aangehouden.5

Feit 1 en 2.

In het onderzoek ‘ [onderzoek] ’ zijn meerdere afnemers van cocaïne gehoord. Zij hebben onder meer als volgt verklaard.

[afnemer 1] 6 en [afnemer 2]7 hebben beiden op 3 mei 2017 verklaard dat zij sinds respectievelijk twee jaar en anderhalf jaar cocaïne bestelden via een bepaald telefoonnummer. Zij belden met dit telefoonnummer, waarna of [medeverdachte 3] of verdachte kwam om cocaïne te verkopen. Beiden hebben zij [medeverdachte 3] en verdachte herkend van de getoonde foto’s.

[afnemer 3] heeft op 4 mei 2017 verklaard dat zij sinds anderhalf jaar cocaïne kocht via onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , een telefoonnummer eindigend op [xxxx] en sinds twee weken een nieuw telefoonnummer. Als zij belde kwamen er drie verschillende jongens, waaronder [medeverdachte 3] , een andere dikke man en een licht getinte slanke jongen. Zij noemde alle jongens ‘ [schuilnaam 1] ’, omdat zij dacht dat de jongens voor hem werkten. Zij herkent [medeverdachte 3] van een foto en geeft aan dat hij in het begin altijd kwam, maar de laatste tijd minder vanwege een ruzie met ‘ [schuilnaam 1] ’. Zij twijfelt als haar een foto van verdachte wordt getoond.8

[afnemer 4] heeft verklaard dat zij vanaf juni 2015 cocaïne kocht bij ‘hun’. Met ‘hun’ bedoelde zij dat er verschillende mensen langs kwamen, waaronder verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Zij kan [medeverdachte 3] en verdachte niet uit elkaar houden, maar zij kwamen even vaak. [medeverdachte 4] was er de laatste 3-6 maanden bij. Zij belde eerder naar telefoonnummer [telefoonnummer 2] en later naar een ander nummer. Zij noemt de jongens de groep van ‘ [schuilnaam 1] ’, omdat zij zo worden genoemd in de buurt.9

[afnemer 5] heeft verklaard dat hij vanaf april 2015 gemiddeld drie à vier keer per week cocaïne kocht via verschillende telefoonnummers, laatstelijk [telefoonnummer 3] . [medeverdachte 1] reed in het begin wel eens mee.10 Er kwamen verschillende personen, waaronder [medeverdachte 3] , als hij belde naar één telefoonnummer. Voor verdachte werkten verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . [medeverdachte 3] moest anderhalf jaar terug zitten voor het verhaal in [plaats]. Er was drugs in de auto aangetroffen.11

Bij de rechter-commissaris heeft [afnemer 5] verklaard dat hij bij de politie naar waarheid heeft verklaard en heeft herhaald dat voor het eerst cocaïne kocht in april 2015. Hij relateerde deze aanvangsdatum aan het einde van zijn relatie.12

[getuige] heeft verklaard dat zij een relatie had met [afnemer 5] en deze relatie eindigde in 2014.13

[afnemer 6] heeft verklaard dat hij vanaf juni/juli 2016 cocaïne kocht via een telefoonnummer beginnend met [xxxx] . Er kwamen in totaal drie verschillende personen om de cocaïne te brengen, te weten eerst [medeverdachte 3] , daarna kwam verdachte erbij en op het laatst kwam ook [medeverdachte 5] . Hij vermoedt dat zij voor [medeverdachte 1] werkten, want er kwamen telkens verschillende personen.14

[afnemer 7] heeft verklaard dat zij in het verleden van [medeverdachte 1] cocaïne kocht. Na een tijdje werd hij opgepakt en daarna kocht zij niet meer persoonlijk van hem. Na de detentie van [medeverdachte 1] kreeg zij in 2016 een nieuw telefoonnummer van hem. [medeverdachte 3] was toen ook weer vrij. Als zij belde kwamen er meestal twee vetkleppen, te weten [medeverdachte 3] en verdachte. Een half jaar geleden kwam [medeverdachte 4] erbij en daarna [medeverdachte 5] . Ongeveer drie maanden geleden was [medeverdachte 3] ineens verdwenen. Zij noemde hen de groep van ‘ [schuilnaam 1] ’, omdat zij eerst bij [medeverdachte 1] kocht en daarna via hem het nieuwe telefoonnummer kreeg.15

[afnemer 8] heeft op 17 mei 2017 verklaard dat hij sinds acht maanden cocaïne koopt via een dealtelefoon. Hij kocht cocaïne van verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] . Verdachte zat drie of vier keer in de auto op de achterbank.16

[afnemer 9] heeft verklaard dat hij naar een telefoonnummer belde en dat er vervolgens verschillende personen kwamen van wie hij cocaïne kocht. Hij kocht van verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Uit de reactie op de getoonde foto’s van verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] blijkt dat hij kennelijk weinig verschil tussen deze drie mannen zag.17

[afnemer 10] heeft verklaard dat hij rond de kerstdagen van 2015 een telefoonnummer kreeg van een dealer. Hij kocht via dit nummer cocaïne bij twee dikke jongens, te weten [medeverdachte 3] die een tijdje uit beeld was en verdachte. Later kocht hij ook van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .18

[afnemer 11] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2016 begon met het intensief gebruiken van cocaïne. Hij belde daarvoor met het telefoonnummer van ‘ [schuilnaam 2] ’. Vervolgens werd er cocaïne geleverd door verdachte of [medeverdachte 3] of [medeverdachte 5] of [medeverdachte 4] .19

[afnemer 12] heeft verklaard dat zij sinds mei 2016 cocaïne kocht van ‘ [schuilnaam 1] ’. Op een foto van verdachte herkende zij de persoon die zij ‘ [schuilnaam 1] ’ noemde. Zij kocht ook van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] en ‘ [schuilnaam 1] ’ kwamen vaak samen. Zij kocht ook cocaïne van [medeverdachte 4] en herkende [medeverdachte 5] als een van de chauffeurs. De naam ‘ [schuilnaam 1] ’ werd gezegd door de dealers.20

[afnemer 13] heeft verklaard dat hij sinds december 2016 cocaïne bestelde via de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en een nummers eindigend op [xxxx] . De dealers vertelden dat zij reden voor [medeverdachte 1] . De groep jongens die cocaïne kwamen brengen waren verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .21

[afnemer 14] heeft op 24 mei 2017 verklaard dat hij sinds ongeveer twee jaar geleden cocaïne kocht van de jongens van ‘ [schuilnaam 1] ’. Dat zijn verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] .22

[afnemer 15] heeft verklaard dat hij veelvuldig contact had met de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Door verschillende personen werd de telefoon opgenomen als hij belde. De cocaïne werd gebracht door onder meer verdachte en [medeverdachte 3] . Hij had voor het eerst contact met [medeverdachte 3] in de lente van 2016.23

[afnemer 16] heeft verklaard dat zij op 7 december 2015 uit detentie kwam. Daarna kreeg zij van een ander het telefoonnummer van [medeverdachte 1] voor het kopen van cocaïne. Net na de jaarwisseling van 2015 kocht zij cocaïne van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 2] en de kinderen waren soms in de auto aanwezig als verdachte de cocaïne bracht. Ook heeft zij een aantal keren van [medeverdachte 2] cocaïne gekocht. [medeverdachte 1] had drie helpers, te weten verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .24

Ook [afnemer 17] heeft verklaard dat hij vanaf september 2016 met een telefoonnummer belde om een afspraak te maken voor het kopen van cocaïne. Er kwamen verschillende personen de cocaïne brengen, waaronder [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .25

[afnemer 18] heeft op 24 juli 2017 verklaard dat hij de laatste drie jaar cocaïne bij een aantal jongens kocht. Hij belde een vast telefoonnummer. Daarna kwamen een aantal jongens cocaïne brengen, waaronder verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] . In het begin zag hij [medeverdachte 1] vaker en kocht hij persoonlijk van [medeverdachte 1] .26

[afnemer 19] heeft verklaard dat hij begin 2016 voor het eerst cocaïne kocht. In het zakje zat tevens een briefje met een telefoonnummer met meerdere achten. Daarna is het nummer nog een aantal keren veranderd. Als hij naar het telefoonnummer belde kwam er iemand cocaïne brengen. Hij kocht cocaïne van verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .27

[medeverdachte 3] is op 31 mei 2015 met [medeverdachte 1] in een auto aangehouden wegens het bezit van 400 gram cocaïne.28 [medeverdachte 3] is veroordeeld voor het bezit van deze cocaïne en [medeverdachte 1] is daarvan vrijgesproken.29 [medeverdachte 3] was vanaf 31 mei 2015 tot 18 april 2016 gedetineerd.30

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte vanaf 31 mei 2015 cocaïne leverde, aangezien [medeverdachte 3] op dat moment nog gedetineerd was. Een aantal afnemers heeft ook verklaard dat zij in het begin van de ten laste gelegde periode van [medeverdachte 1] cocaïne kochten, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte en [medeverdachte 1] vanaf 31 mei 2015 samen cocaïne verkochten. De afnemers hebben ook verklaard dat verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] voor [medeverdachte 1] werkten.

Verdachte heeft verklaard dat hij cocaïne heeft verkocht. Hij maakte daarbij gebruik van werktelefoons eindigend met de telefoonnummers [xxxx] en [xxxx] . Het ontvangen geld bracht hij naar een ander. Hij verdiende tussen de € 50,00 en € 100,00 per dag met de handel in cocaïne, afhankelijk van de verrichte werkzaamheden. Hij moest verantwoording afleggen. Hij had een lijst met afnemers die poften. De cocaïne werd aangeduid/genoemd: kleine en grote schoentjes of kippetjes. Een kleine schoen is 0,4 gram en een grote schoen is 0,9 gram.31

Een aantal medeverdachten heeft een voor verdachte belastende verklaring afgelegd.

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van een zogenoemde ‘werktelefoon’.32 Hij verkocht vanaf oktober 2016 met verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] cocaïne voor [medeverdachte 1] .33

Afnemers belden naar het bijbehorende telefoonnummer om cocaïne te bestellen. In een auto van [medeverdachte 1]34 reed hij (meestal met een ander) om bestellingen te brengen.

Hij werkte van tien uur ’s ochtends tot middernacht. Hij kreeg de werktelefoon van degene die de dag ervoor had gewerkt. Voor een hele dag werken kreeg hij een voorraad van 20-30 bolletjes van bijna één gram cocaïne en 60-100 bolletjes van bijna een halve gram cocaïne. Hij maakte van grote bolletjes kleine bolletjes door deze te wegen. Hij kreeg de voorraad van [medeverdachte 1] of van [medeverdachte 2] toen [medeverdachte 1] gedetineerd was. Het verdiende geld bracht hij ook naar hen. Op een papier werd administratie bijgehouden, te weten de meegekregen voorraad en de verkochte hoeveelheden. Soms moest hij overleggen met [medeverdachte 1] over welke afnemers op de pof mochten kopen. Verder belde [medeverdachte 1] tijdens het werken om te vragen of het druk was.35

Hij verdiende voor een dag werken tussen de € 50,00 en € 100,00 afhankelijk van zijn eigen gebruik van cocaïne. Hij heeft twee keer opdracht gekregen om een voorraad cocaïne op te halen bij ene ‘ [schuilnaam 3] ’ in Amsterdam. Deze voorraad moest hij afleveren bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .36

[medeverdachte 1] bepaalde in welke auto’s er werd gereden. Ook bepaalde hij dat een ander telefoonnummer moest worden gebruikt en dat aan alle afnemers het nieuwe telefoonnummer moest worden verteld. Als [medeverdachte 1] er niet was moest [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 2] vragen of dingen wel of niet mochten.37 De dag van de aanhoudingen zou [medeverdachte 5] benodigdheden voor het werken bij [medeverdachte 4] ophalen.38

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij op verzoek van [medeverdachte 1] werkte. Zij nam geld aan wat door verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] werd verdiend met het dealen van cocaïne.39

Zij had telefonisch een aantal keren contact met ‘ [schuilnaam 3] ’. Ook heeft zij in opdracht van [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 4] gebeld om hem naar ‘ [schuilnaam 3] ’ te sturen.40 Zij kreeg opdracht om bolletjes cocaïne te maken en [medeverdachte 1] bracht een zak voorraad van ongeveer 100 gram mee.41 De dealers verdienden tussen de € 100,00 en € 150,00 per dag.42 Eens in de zoveel tijd betaalde [medeverdachte 1] hen.43

Zij hield bij welke afnemers rekeningen open hadden staan.44 Zij hield soms de administratie bij. Zij wist hoeveel bolletjes de dealers mee kregen en de verrekende die met wat de dealers doorgaven.45 Ook gaf zij voorraad mee aan de dealers.46

Zij haalde meermalen zelf voorraden cocaïne uit een loods in Leeuwarden. Zij maakte bolletjes cocaïne van halve en hele grammen. De dealers werkten van ongeveer vanaf half 10 ’s ochtends tot 10 uur ’s avonds en in het weekend tot twee of drie uur ’s nachts.47

In de woning van [medeverdachte 2] is een iPad aangetroffen (beslagnummer [nummer]48) met de naam: iPad van [naam] en het bijbehorende Apple ID: [naam] . [medeverdachte 2] heeft de ontgrendelingscode verstrekt49. Op deze iPad zijn diverse notities aangetroffen in de periode vanaf 7 januari 201650 tot en met 1 december 201651 die duiden op een administratie van afnemers die schulden hadden openstaan en wat de dealers (verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ) aan cocaïnevoorraad kregen.52

Uit het chatgesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 27 april 2016 blijkt het volgende.53

“ [medeverdachte 2] : Moet zo naar de winkel toe want ik sta vandaag te werken maar ik weet verder niet wat de bedoeling is? Jullie rijden? Hebben jullie nog genoeg?

Want ik ga zo weg en weet niet waar [schuilnaam 1] is dus..

Dan kan ik nog even wat dingetjes bij je langs brengen

[medeverdachte 3] : Hoeveel waren er ook alweer?

[medeverdachte 2] : 21 groot 29 klein

[medeverdachte 3] : Dankje.”

Uit voornoemd gesprek leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] dealer-hoeveelheden cocaïne verstrekt aan [medeverdachte 3] en een ander. Zij spreekt immers telkens over ‘jullie’.

Op 26 september 2016 stuurt [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 5] een WhatsApp-bericht met de tekst: “50 gr 86 kl”.

In het proces-verbaal van bevindingen54 is gerelateerd dat uit tapgesprekken volgt dat [medeverdachte 1] veelvuldig in contact stond met de personen die op dat moment reden en afspraken en ontmoetingen regelden met afnemers. De vier personen die reden zijn verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . Zij reden vaak met twee personen en in wisselende samenstelling.55 [medeverdachte 1] belde meermalen per dag naar het telefoonnummer [telefoonnummer 2] om te vragen naar de stand van zaken.56 Ook blijkt uit de tapgesprekken dat naar [medeverdachte 1] werd gebeld voor het aanleveren van bolletjes cocaïne en dat hij nadien terugbelde om te laten weten dat de voorraad klaar lag. Uit een tapgesprek blijkt tevens dat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] opdracht gaf om iets op te halen uit Hoorn.57

Uit diverse tapgesprekken volgt dat er kennelijk een administratie is bijgehouden (zoals ook blijkt uit aangetroffen administratieve lijsten58), afspraken zijn gemaakt over wie moest werken en dat er regels zijn over het al dan niet mogen opschrijven van afnemers. Uit de gesprekken volgt dat [medeverdachte 1] bepaalde wie op de pof cocaïne mag afnemen.59

Uit de getapte telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] op 15 en 16 maart 2017 volgt dat [medeverdachte 5] duizend euro is kwijtgeraakt en ter compensatie 10 dagen gratis moet werken. Tevens blijkt dat [medeverdachte 5] hoopt dat hij zijn baantje niet kwijtraakt, waarop [medeverdachte 1] ontkennend antwoordde.60

Uit tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] de honneurs waarnam toen [medeverdachte 1] in Spanje was61 van 19 tot en met 22 maart 201762. Daar is ook sprake van toen [medeverdachte 1] gedetineerd was.63

[medeverdachte 1] is van 13 tot en met 26 april 201764 gedetineerd in de P.I. te Leeuwarden. Op 20 april 2017 bezoekt [medeverdachte 2] hem in detentie. Uit het opgenomen OVC-gesprek, waarbij A is aangeduid als [medeverdachte 2] en L is aangeduid als [medeverdachte 1] , blijkt dat het volgende is gezegd:

“A: maar die buurman had gisteren een raar verhaal. Over dat uhh [schuilnaam 4] had maandag dinsdag gereden volgens mij en toen had ie bij die grote had ie drie hele rare dingetjes gevonden. Hij zei bewaar maar. Volgens hem was het niet helemaal wat het hoort zijn. Dus nou ja, ik zei, bewaar het maar en dan kijkt [naam] (fon) dan moet je maar uitkoken wat het is. 65

L: meen je niet

A: Ja hij had het over waspoeier of zoiets, maar hij weet het niet en eentje hadden ze, was van iemand teruggekomen en had het weer ingeleverd omdat het niet goed was.

L: was ie aan het kutten met die kankerzooi

A: Denk het. Hij was met zijn broertje aan het rijden zei uhh

L: Was ie weer mooi lijp natuurlijk

A: gisteren

L:Hij was gisteren meegekomen?

A: Nee hij had opgebeld erover maar ik vind het niet echt druk, maar één envelopje heb ik maar

L: Klotezooi

A: Raar he. Of het moet natuurlijk nog

L: Nu moet het komen, vandaag, het is vandaag de 20e

A: Ja kan ook zijn, want je hebt Koningsdag en je hebt Bevrijdingsdag zo meteen.

A: ik vind het wel rustig hoor

L: ja dat klopt niet joh

A: misschien heeft ie er al eentje vol

L: ja hij zei het al. Hij zei het twee dagen geleden al had ie er alweer eentje voor mij

A: Oh heb ik niet gezien. 66

L: veel dealertjes hier ook hoor

L: ik hou er niet van zulke mensen om mij heen. Daar werk ik de hele fucking dag al mee

A: Ja dat gaat niet helemaal goed

L: zijn we wel aan gewend? Ik ben er wel een beetje klaar mee, ik word hier fucking schijtziek van.

A: maar we zijn ook geen bakker natuurlijk he

L: we zijn geen fucking bakker. Ik krijg alles op mijn boterham, niet jij hoor. Jij kan wel makkelijk lullen met die [naam] (fon) van je

A: nou kan misschien wel, want (ntv) zijn vrouw die heeft ook een paar jaar gekregen he

Nee je kan ook wel telkens zeggen dat je niets van af weet

L: je zit wel te lachen zo maar ik heb er stress aan me fucking harses. Jij hebt die shit niet, ik heb ze.

A: ja ik heb ook een beetje stress. (…)

Want ik moet telkens uhhh verantwoorden voor de kinderen.

L: zullen we ruilen?

A: nee (…) Maar je bent zelf, je bent nou zelf niet meer aan het rijden. 67

L: Nee maar die dinge, ik ben wel de ver… het is alleen maar erger geworden

Als (ntv) naar buiten komt dan ben ik de lul. Denk met je fucking hoofd man. Ik ben hun leverancier. Dit is fucking organisatie, wat denk je. Ik krijg nu nog een zwaardere straf dan dat ik zelf rij.

A: Ja, moeten ze eerst nog wat vinden. Ze kunnen toch niet zomaar tegen jou zeggen je bent de leverancier

L: als ze me tappen, dan zijn we de lul hoor.

A: ja dat hadden ze dat had al jaren kunnen doen.” 68

Gelet op de verklaringen van de afnemers, de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , de teksten op de iPad van [medeverdachte 2] en de diverse tapgesprekken en de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde in vereniging met anderen heeft begaan in de periode van 31 mei 2015 tot en met 1 mei 2017.

Feit 2.

Voorts is aan de orde of er ook sprake is van deelname aan een criminele organisatie. Onder organisatie, als bedoeld in artikel 11b Opiumwet wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit de onder feit 1 genoemde bewijsmiddelen blijkt kort gezegd dat verdachte zich met anderen in de periode van 31 mei 2015 tot en met 1 mei 2017 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake is van medeplegen tussen verdachte en [medeverdachte 1] vanaf 31 mei 2015. Op dat moment is er echter nog geen wettig bewijs dat sprake is van een criminele organisatie met een zekere duurzaamheid en structuur.

Uit de bewijsmiddelen, te weten de administratie lijsten van de iPad vanaf 7 januari 2016, de tapgesprekken en de verklaringen van de afnemers en medeverdachten, blijkt dat vanaf 7 januari 2016 wettig bewijs aanwezig is voor het aannemen van een criminele organisatie. Er werken vanaf dat moment meer dan twee personen in de organisatie, die dan een zekere duurzaamheid en structuur kent. Duidelijk is dat vanaf dat moment administratie is bijgehouden. Ook blijkt dat [medeverdachte 2] handelde in opdracht van [medeverdachte 1] , zodat er vanaf dat moment ook een structuur is, waarbij verschillende medeverdachten ieder een eigen rol hebben. In april 2016 komt [medeverdachte 3] bij de organisatie en daarna volgen ook [medeverdachte 5] (vanaf 26 september 2016) en [medeverdachte 4] (vanaf 1 oktober 2016).

Gelet op de bewijsmiddelen die zijn gebruikt voor feit 1, alsmede op wat voorts is overwogen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte vanaf 7 januari 2016 tot en met 1 mei 2017 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 10, derde en vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 31 mei 2015 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, telkens hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij in de periode van 7 januari 2016 tot en met 1 mei 2017 te Leeuwarden, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde lid en/of 10a eerste lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 aanhef en onder B en/of C van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of

aanwezig hebben van cocaïne, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welke deelneming bestond uit:

-het leggen en/of onderhouden van (onder meer telefonische) contacten met leveranciers en/of afnemers van die cocaïne, in elk geval dat middel en

-het (mede) organiseren van de (verschillende) leverantie(s) en

-de verstrekking van die cocaïne, en

-het geven van opdrachten en/of inlichtingen en/of aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van die misdrijven en/of ten behoeve van betalingen en/of het bijeenbrengen van de benodigde middelen, verband houdende met die misdrijven en

-het ophalen van hoeveelheden van die cocaïne, en

-het verkopen en afleveren en vervoeren en aanwezig hebben van die cocaïne.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikel 10, derde en vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling bij GGZ Friesland en het meewerken aan dagbesteding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door officier van justitie gevorderde straf buiten proportioneel is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn beperkte rol in het geheel en de kortere periode waarin hij zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne. De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen conform de duur van het reeds ondergane voorarrest met een voorwaardelijke gevangenisstraf om oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft samen met anderen gedurende een periode van 23 maanden cocaïne gedeald. Sinds januari 2016 heeft dit dealen in georganiseerd verband plaatsgevonden. De deelnemers van de criminele organisatie hadden ieder hun eigen rol en er was sprake van een duidelijke taakverdeling. Verdachte verzorgde, samen met drie medeverdachten, te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , en [medeverdachte 5] , de verstrekking van de cocaïne aan de afnemers. Zij handelden daarbij in opdracht van [medeverdachte 1] dan wel [medeverdachte 2] , kregen van hen de cocaïne verstrekt en droegen ook aan hen de opbrengst af. De organisatie voorzag op deze wijze een ruime klantenkring met tientallen drugsdeals per dag van cocaïne.

Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Cocaïne is een zeer verslavende stof. Verdachte heeft met zijn gedragingen eigen financieel gewin boven de veiligheid van heel veel mensen gesteld. Daarnaast gaat de handel in harddrugs gepaard met overlast in de samenleving. Het gebruik van harddrugs genereert op zijn beurt strafbare feiten. Verdachte heeft hierdoor de maatschappij bewust aan deze risico’s blootgesteld.

Criminele organisaties ondermijnen voorts de rechtsorde, veroorzaken maatschappelijke onrust en berokkenen de maatschappij financieel nadeel. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten veel geld oplevert aan alle personen die zitten in de lijn van de invoer tot aan de uiteindelijke verkoop aan de gebruiker.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 mei 2018, niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor deze feiten rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van strafzaken zoals thans aan de orde (voor een alleen opererende first offender) een gevangenisstraf van 12 maanden vastgesteld. Daarbij gaat het om het (onder 1 bewezen verklaarde) verkopen, afleveren, verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat met enige regelmaat gedurende zes tot twaalf maanden. In dit geval maakte verdachte deel uit van een criminele organisatie die dagelijks aan tientallen afnemers cocaïne verkocht.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan rekening met de bewezenverklaarde periode en de relatief minder prominente rol van verdachte. Hij was geen initiator, maar deed vooral mee in een bestaande criminele organisatie om eigen schulden af te lossen. Verdachte was vooral een loopjongen voor [medeverdachte 1] .

Uit de reclasseringsrapporten van 26 juli 2017, 15 augustus 2017 en 13 november 2017 blijkt dat uit eerder psychologisch onderzoek blijkt dat bij verdachte mogelijk sprake was van een affectieve verwaarlozing. Er lijkt niet direct sprake te zijn van persoonlijkheidsproblematiek en ook zijn de aanwijzingen voor een neurobiologische ontwikkelingsstoornis beperkt. De problemen van verdachte kunnen deels verklaard worden door een beperkte intelligentie en beïnvloedbaarheid. Er zijn problemen met sociaal-maatschappelijk functioneren: verdachte heeft geen werk/dagbesteding, geen inkomen, schulden en politiecontacten. Ondanks de criminele inkomsten liepen de schulden van verdachte op. Na detentie wil verdachte bij zijn ouders gaan wonen om daarna buiten Leeuwarden een woning en werk te zoeken.

Het recidiverisico is ingeschat als matig. Geadviseerd is de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling bij GGZ Friesland en het meewerken aan het verkrijgen en behouden van dagbesteding en een schuldhulptraject.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. Niet volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht. Daarbij is ook gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS, de verschillende rollen tussen de verdachten onderling, de duur van de bewezenverklaarde periode en de intensiteit waarmee als organisatie harddrugs zijn verkocht.

De rechtbank zal van deze gevangenisstraf een deel, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde zich zal laten behandeling bij GGZ Friesland, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

3. dat de veroordeelde zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

4. dat de veroordeelde zal meewerken aan een schuldhulptraject, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer [nummer] , waarvan de 8 ordners zijn doorgenummerd 1 tot en met 2946.

2 Pagina 68.

3 Pagina’s 63 e.v.

4 Pagina 328.

5 Aanhouding verdachte pagina 1028.

6 Pagina 1199.

7 Pagina 1207.

8 Pagina’s 1217 en 1218.

9 Pagina’s 1251 en 1252.

10 Pagina 1268.

11 Pagina’s 1264, 1265 en 1266.

12 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [afnemer 5] , op 21 december 2017 opgemaakt en ondertekend door de rechter‑commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

13 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgesteld en ondertekend door [verbalisanten] op 8 maart 2018.

14 Pagina 1290.

15 Pagina’s 1329, 1330 en 1331.

16 Pagina 1343.

17 Pagina’s 1371 tot en met 1374.

18 Pagina 1383.

19 Pagina’s 1417 tot en met 1421.

20 Pagina’s 1435 en 1436.

21 Pagina’s 1496 tot en met 1499.

22 Pagina 1535.

23 Pagina’s 1578 tot en met 1580.

24 Pagina’s 1645 tot en met 1647.

25 Pagina’s 1664 en 1665.

26 Pagina’s 1672 tot en met 1674.

27 Pagina’s 1737 tot en met 1740.

28 Pagina 30.

29 Pagina 31.

30 Pagina 730 en de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting van 11 juni 2018.

31 Pagina’s 1128 tot en met 1131.

32 Pagina 906.

33 Pagina’s 946 en 947.

34 Pagina 910.

35 Pagina’s 907 en 908.

36 Pagina 909.

37 Pagina 910.

38 Pagina 911.

39 Pagina 669.

40 Pagina 670.

41 Pagina’s 670 en 671.

42 Pagina 672.

43 Pagina 671.

44 Pagina 672.

45 Pagina’s 673 en 677.

46 Pagina 677.

47 Pagina 678.

48 Pagina 2589.

49 Pagina 317.

50 Pagina 321, nummer 107 van de lijst.

51 Pagina 322, nummers 126 en 127 van de lijst.

52 Pagina’s 319 tot en met 322.

53 Pagina’s 318 en 319.

54 Pagina’s 214 tot en met 232.

55 Zie ook pagina’s 1926, 1927 en 1928.

56 Pagina’s 214 tot en met 217.

57 Pagina 217.

58 Pagina’s 319 tot en met 322 en 647.

59 Pagina’s 220 tot en met 224.

60 Pagina’s 232 en 233, maar ook 430 en 431.

61 Pagina’s 234, 235 en 301 tot en met 314.

62 Pagina 301.

63 Pagina’s 291 tot en met 294.

64 Pagina 301.

65 Pagina 291.

66 Pagina 292.

67 Pagina 293.

68 Pagina 294.