Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2875

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
LEE 17/1804 en LEE 17/4170
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. De besluiten tot (verlengingen) van de schorsing van eiser als marktmeester berusten op een voldoende belangenafweging en zijn voldoende deugdelijk gemotiveerd. Dit geldt ook voor de gebouwontzegging. De ordemaatregel van schorsing voor wat betreft de aanstelling van eiser als marktmeester is niet gerechtvaardigd in het belang van de dienst.

Voor wat betreft het strafontslag, zijn de gedragingen van eiser aan te merken als ernstig plichtsverzuim. Die gedragingen zijn aan eiser toe te rekenen. Verweerder heeft bij de maatregel van disciplinair ontslag de belangen voldoende gewogen. De straf van onvoorwaardelijk ontslag (als conciërge) is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

De disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag van eiser voor zijn aanstelling van marktmeester houdt geen stand. Dit heeft ook te gelden voor het eervol ontslag, nu dit is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als het strafontslag. Volgt gegrondverklaring van de beroepen en herroeping van de primaire besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/1804 en LEE 17/4170

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaken tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Scheltinga),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. A. Elgersma).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiser bij wijze van ordemaatregel met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de instelling voor de duur van het onderzoek met een maximum van vier maanden en hem tevens de toegang ontzegd tot het gebouw van de [naam gebouw] te [plaats] .

Bij besluit van 28 november 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de duur van de schorsing van eiser verlengd tot uiterlijk 2 januari 2017.

Bij besluit van 22 december 2016 (het primaire besluit 3) heeft verweerder de duur van de schorsing van eiser per 2 januari 2017 verlengd met een maximum van drie maanden.

Bij besluit van 10 april 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer LEE 17/1804 AW.

Bij besluit van 3 mei 2017 (het primaire besluit 4) heeft verweerder aan eiser met ingang van 7 mei 2017 de disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag opgelegd voor zijn aanstelling als [beroep a] en als [beroep b] wegens ernstig plichtsverzuim. Subsidiair heeft verweerder aan eiser met ingang van 7 mei 2017 eervol ontslag verleend als [beroep a] en als [beroep b] .

Bij besluit van 18 oktober 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 4 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer LEE 17/4170 AW.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2018. De beroepen van eiser tegen de bestreden besluiten 1 en 2 zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H.G. van Poll-Lohuis (juridisch adviseur).

Na de behandeling van de zitting heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld samen tot een oplossing van het geschil te komen. De gemachtigde van eiser heeft in dit kader op 14 mei 2018 de rechtbank bericht dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is met ingang van 23 augustus 2010 in dienst getreden bij de [gebouwnaam] , die in eigendom toebehoort aan de gemeente [plaats] (thans: Westerwolde). In de [gebouwnaam] zijn twee scholen gevestigd, te weten [naam school] voor openbaar onderwijs en CBS De Zaaier voor bijzonder onderwijs. Eiser is per genoemde datum aangesteld in de functie van [beroep a] met als schoolbinding de o.b.s. [naam school] voor 21 uur per week.

1.2.

Bij akte van aanstelling voor het openbaar basisonderwijs gemeente [plaats] , gedateerd 27 juli 2012, is eiser aangesteld als [beroep a] bij [naam school] voor 21 uur per week.

1.3.

Bij besluit van 12 augustus 2014 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 augustus 2014 bij het [naam scholengroep] [plaats] (O2SV) een vaste aanstelling heeft van [beroep a] op de school [naam school] voor 21 uur per week.

1.4.

Bij akte van aanstelling voor het openbaar primair onderwijs, gedateerd 25 augustus 2016, is eiser met ingang van 1 augustus 2016 voor onbepaalde tijd aangesteld in de functie van [beroep a] bij O2SV obs [naam school] voor 24 uur per week.

1.5.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft eiser een tijdelijke aanstelling, ingaande per

15 maart 2012, bij wijze van proef tot 15 maart 2013 als [beroep b] gekregen bij de afdeling Ruimte in de dorpen [plaats] en [naam dorp] , voor zowel feitelijk als formeel vier uur per week.

1.6.

Bij besluit van 12 maart 2013 is de tijdelijke aanstelling van eiser als [beroep b] per 15 maart 2013 omgezet in een vaste aanstelling in algemene dienst, met een arbeidsduur van 5 uren per week.

1.7.

In het begin van 2016 is de directeur van [naam school] , de heer B, benaderd door A, onderwijsassistent bij [naam school] , waarbij zij zich heeft beklaagd over vrijpostig gedrag van eiser. Op 3 februari 2016 heeft de directeur eiser op zijn gedrag aangesproken en aangegeven dat hij niet aan vrouwelijke collega’s moest zitten.

1.8.

Op 15 juli 2016 heeft zich een incident voorgedaan tijdens het traditionele afscheidsetentje van groep 8. De dochter van eiser heeft geweigerd om haar leerkracht P, werkzaam op [naam school] , een traktatie te geven, terwijl de andere aanwezigen die wel kregen. Naar aanleiding hiervan heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser, directeur B en plaatsvervangend directeur/leerkracht W. In het verslag van dit gesprek is onder meer vermeld dat eiser tijdens het eten buiten is blijven staan, dat toen de kinderen hun traktatie uitdeelden eiser niet in zaal was, dat iedereen een traktatie ontving van de dochter van eiser, behalve de leerkracht van groep 8. De directeur heeft de handelwijze van eiser gekwalificeerd als onprofessioneel gedrag en een uiting van disrespect, en dat dit, gezien de gedragscode binnen O2SV ontoelaatbaar is en aan sociale onveiligheid raakt. De directeur heeft aangegeven dat het gedrag en de opstelling van eiser onacceptabel zijn. Eiser heeft aangegeven dat hij niet altijd door heeft hoe hij overkomt, waarbij het gaat om de opmerkingen die hij maakt, die soms worden ervaren als seksistisch en die met name bij de leerkracht van groep 8 tot onveiligheid leiden. Er is wel een aandachtspunt met betrekking tot zelfreflectie en weten hoe eiser overkomt. Dat zal echt moeten verbeteren, zeker tegenover de betrokken leerkracht. Tevens is in het verslag opgenomen dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen eiser, de desbetreffende leerkracht en de directie en dat eiser zijn excuses heeft aangeboden aan de leerkracht.

1.9.

Op 30 augustus 2016 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de directeur over de moeizame werkverhouding tussen eiser en leerkracht P. In het verslag van dit gesprek is onder meer vermeld dat samen is besloten om niet achterom te kijken, maar dat er wel afstemming moet plaatsvinden om te voorkomen dat werkverhoudingen verstoord raken. De directeur en eiser hebben een aantal werkafspraken gemaakt om te voorkomen dat zich in de toekomst nieuwe situaties zouden voordoen waardoor de werkverhoudingen verstoord raken. Ook zijn afspraken gemaakt over gedrag en veiligheid. Eiser heeft aangegeven dat het zijn intentie is om normaal met zijn werk bezig te zijn binnen de [gebouwnaam] en om iedere medewerker positief te benaderen en voor zover mogelijk klaar te staan om gevraagde werkzaamheden uit te voeren.

1.10.

Eiser heeft na het onder 1.9 genoemde gesprek verzocht om een gesprek met de wethouder, welk gesprek op 7 september 2016 heeft plaatsgevonden. Na dit gesprek heeft de wethouder contact gezocht met P. Op 29 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen P en de wethouder. Van deze gesprekken zijn geen gespreksverslagen opgesteld.

1.11.

Op 29 september 2016 is bij verweerder een verklaring binnengekomen van een vrouwelijke collega A, waarin zij haar ervaringen met eiser beschrijft. Daarnaast is bij verweerder een (ongedateerde) verklaring gekomen van collega P, waarin uitvoerig de ervaringen met eiser als [beroep a] worden beschreven.

1.12.

Op 1 november 2016 heeft de manager afdeling Samenleving van verweerder individuele gesprekken gehad met de vrouwelijke collega’s A, P en K. Tijdens dat gesprek hebben zij aangegeven dat zij zich door de aanwezigheid en het gedrag van eiser onveilig voelen op het werk. Zij zijn er door de manager op gewezen dat zij een klacht kunnen indienen bij de Landelijke Klachtencommissie (hierna: LKC).

1.13.

Bij primair besluit van 7 november 2016 heeft verweerder eiser voor de volle omvang van zijn aanstelling bij de gemeente [plaats] geschorst (dat wil zeggen in zijn hoedanigheid van [beroep a] zowel als die van [beroep b] ) op grond van artikel 4:13 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (hierna: CAO PO) en op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO) voor de duur van het onderzoek door de LKC naar de door de drie vrouwelijke collega’s A, P en K ingediende klachten, met een maximum van vier weken. Tevens heeft verweerder eiser de toegang tot het gebouw van de [gebouwnaam] in [plaats] ontzegd op grond van artikel 4:13, derde lid, van de CAO PO. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.14.

Op respectievelijk 13, 14 en 17 november 2016 hebben A (onderwijsassistente),
K (invalleerkracht) en P (groepsleerkracht), die allen werkzaam zijn op de openbare bassischool [naam school] , ieder afzonderlijk een klacht ingediend bij de LKC over ongewenst (fysiek), onprofessioneel en ongepast gedrag van eiser richting hen.

1.15.

Bij primair besluit van 28 november 2016 heeft verweerder de eerder gegeven schorsing verlengd voor de duur van het onderzoek door de LKC en de daarop volgende besluitvorming tot uiterlijk 2 januari 2017. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.16.

Bij primair besluit van 22 december 2016, nadat daartoe op 28 november 2016 een voornemen kenbaar was gemaakt, waarover eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder de eerdere gegeven verlenging van de schorsing met ingang van 2 januari 2017 verlengd voor de duur van het onderzoek door de LCK en de daarop volgende besluitvorming, met een maximum van drie maanden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.17.

Op 8 februari 2017 hebben de hoorzittingen bij de LCK inzake de ingediende klachten van A, P en K plaatsgevonden. In op 15 maart 2017 uitgebrachte afzonderlijke adviezen heeft de LCK geconcludeerd dat de klachten over onprofessioneel en ongewenst (fysiek) gedrag jegens klaagsters gegrond zijn, omdat eiser in onvoldoende mate zelf de verantwoordelijkheid neemt voor zijn als ongewenst ervaren gedrag.

1.18.

Op 16 maart 2017 heeft een besloten hoorzitting van de Ambtenarenkamer van de onafhankelijke commissie van advies voor bezwaarschriften (hierna: de commissie) plaatsgevonden. Van die besloten hoorzitting is een verslag opgemaakt. Op 21 maart 2017 heeft de commissie advies aan verweerder uitgebracht.

1.19.

Bij besluit van 30 maart 2017, nadat daartoe op 16 maart 2017 een voornemen kenbaar was gemaakt, waarover eiser zijn zienswijze heeft gegeven, heeft verweerder de schorsing van eiser verlengd tot 7 mei 2017 in afwachting van bestuurlijke besluitvorming naar aanleiding van de klachten die zijn ingediend.

1.20.

Op 29 maart 2017 heeft de gemachtigde van verweerder een getuigenverklaring afgenomen van onderwijsassistente A en invalleerkracht K. Op 31 maart 2017 heeft de gemachtigde van verweerder een getuigenverklaring afgenomen van leerkracht P en van leerkracht W en [beroep a] T. De verklaringen zijn schriftelijk neergelegd.

1.21.

Nadat verweerder een voornemen daartoe bekend had gemaakt en eiser zijn zienswijze hierover naar voren heeft gebracht, heeft verweerder eiser bij besluit van 3 mei 2017 primair wegens ernstig plichtsverzuim met ingang van 7 mei 2017 de straf van (onvoorwaardelijk) ontslag verleend als [beroep a] op grond van artikel 4.8, eerste lid, aanhef en onder j, van de CAO PO en als [beroep b] op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO.

Subsidiair heeft verweerder eiser eervol ontslag verleend als [beroep a] op grond van artikel 4.8, eerste lid, aanhef en onder k, van de CAO PO en als [beroep b] op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO.

Daaraan heeft verweerder de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:

1. Eiser heeft P sinds haar indiensttreding in oktober 2008 geregeld aangeraakt in haar nek en bij haar schouders en een arm om haar schouders geslagen en haar tegen zich aangedrukt;

2. In mei 2013 heeft eiser zijn handen op de handen van P gelegd toen ze die voor zich had liggen op het muurtje in de gemeenschappelijke ruimte. Hij heeft haar daarbij lang en indringend in haar ogen gekeken en gezegd dat hij geen koffie voor haar wilde zetten;

3. Omstreeks februari 2016 is eiser zeer dicht achter P gaan staan en heeft hij haar vlakbij haar oor aangesproken op wat zij in de les van zijn dochter zou hebben gedaan;

4. Omstreeks februari/maart 2016 is eiser, toen P met de rug naar het aanrecht stond, voor haar gaan staan en heeft hij met beide handen haar kraag vastgepakt. Hij heeft die kraag vervolgens naar voren getrokken waardoor P moest meebuigen;

5. Omstreeks mei/juni 2016 heeft eiser, P koffie uit de automaat haalde, een lepeltje gepakt en haar de vraag gesteld: “zal ik hem er even insteken?” Vervolgens heeft hij een lepeltje in de koffie van P gegooid;

6. In juni 2016 heeft eiser de rol ducttape waarmee hij de ramen vaneen lokaal afplakte tegenover P en W in verband gebracht met seksuele handelingen en het vastbinden met die ducttape;

7. Omstreeks november 2015 heeft eiser in de keuken A, in aanwezigheid van [beroep a] T, met zijn beide handen aan weerszijden van haar keel vastgepakt;

8. Eiser heeft A veelvuldig vastgepakt door een arm om haar heen te slaan en haar naar zich toe te trekken. Ook heeft hij haar geregeld handkussen gegeven en haar op haar wang(en) gekust of een por in de zij gegeven. Verder is eiser tegen haar aan gaan staan bij het kopieerapparaat en heeft om haar heen handelingen op het kopieerapparaat verricht. Ook heeft hij op de deur van het toilet geklopt toen A daar zat;

9. Eiser heeft A in de kopieerruimte gevraagd of zij van ruig hield of ze van vastgebonden worden hield en van zweepjes;

10. In het schooljaar 2013-2014 heeft eiser K (stagiaire) veelvuldig aangeraakt door onder meer een arm om haar heen te slaan en haar tegen zich aan te trekken, haar handkussen te geven en haar op haar wang(en) te kussen. Toen K in het schooljaar 2016-2017 als invalkracht kwam werken heeft hij in oktober 2016 haar wederom een handkus gegeven;

11. Eiser heeft ook andere vrouwelijke collega’s, onder wie W, veelvuldig aangeraakt. In aanwezigheid van deze vrouwelijke medewerkers heeft hij seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Zo heeft hij W de vraag gesteld: “nog lekker geneukt dit weekend?”

1.22.

Op 18 september 2017 heeft de hoorzitting van de commissie plaatsgevonden. Op

19 september 2017 heeft de commissie advies aan verweerder uitgebracht. De commissie heeft overwogen dat de door eiser erkende gedragingen en het feit dat een collega getuige is geweest van twee andere gedragingen, gelet op de aard en ernst van die gedragingen als zeer ernstig plichtsverzuim zijn aan te merken. De commissie deelt niet de door eiser geuite kritiek op het door verweerder ingestelde onderzoek en de onzorgvuldige voorbereiding van het besluit.

2.1.

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaar tegen de primaire besluiten

7 november 2016, 28 november 2016 en 12 december 2016 over de (verlengingen van de) schorsing en de ontzegging van de toegang tot het gebouw van de [gebouwnaam] , onder overname van het advies van de commissie, ongegrond verklaard, onder wijziging van de grondslag voor de gebouwontzegging. Verweerder neemt het standpunt in dat – gezien de ernst van de beweerde gedragingen, namelijk verdenking van seksuele intimidatie – er voldoende grondslag bestond voor het opleggen van de schorsing in het belang van de organisatie voor de volle omvang van de aanstelling van eiser. Daarbij heeft een deugdelijke afweging van de betrokken belangen plaatsgevonden. Ook bestond voldoende grondslag voor de verlengingen van schorsing. Er is niet gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.2.

Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit van 3 mei 2017 over de primaire opgelegde disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag en het subsidiaire verleende eervol ontslag, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ongegrond verklaard. Verweerder neemt het standpunt in dat gelet op de consistentie in de verklaringen van de vrouwelijke collega’s, de gegeven waarschuwing van [beroep a] T en directeur B aan eiser, de erkenning van eiser voor de gestelde gedragingen onder 4 en 7 en het feit dat collega [beroep a] T getuige is geweest van de gedragingen onder 6 en 7, de gestelde gedragingen als vaststaand kunnen worden aangemerkt en dat deze als zeer ernstig plichtsverzuim zijn aan te merken. Door de LKC is als externe commissie onderzoek verricht en verder is een eigen aanvullend onderzoek uitgevoerd. Dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, is onvoldoende gebleken. De drie vrouwelijke collega’s zijn afzonderlijk van elkaar gehoord en eiser is meermalen de gelegenheid geboden om daarop te reageren.

3. Eiser kan zich met de bestreden besluiten 1 en 2 niet verenigen. Op hetgeen hij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

4. Over het bestreden besluit 1 oordeelt de rechtbank als volgt.

De (verlengingen van de) schorsing voor de aanstelling van [beroep a] en de ontzegging van de toegang tot het gebouw van de [gebouwnaam]

4.1.

Het schorsingsbesluit is gebaseerd op artikel 4.13, eerste lid, van de CAO PO en de gebouwontzegging op artikel 4:15, tweede lid, van de CAO PO. Volgens eerstgenoemde bepaling kan de ambtenaar worden geschorst, indien het belang van de instelling dit dringend noodzakelijk vereist. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de schorsing als genoemd in artikel 4.13 gepaard gaan met een ontzegging tot de toegang van het gebouw en de terreinen van de instelling(en). Gelet op de bepalingen gaat het hier om een bevoegdheid van verweerder om bedoelde ordemaatregelen te treffen. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit 1 terughoudend dient te toetsen.

4.2.

Het gaat hier om ordemaatregelen. In vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, vergelijk de uitspraak van 7 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3512) is tot uitdrukking gebracht dat een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim in het algemeen voldoende grond is voor het treffen van een ordemaatregel, als aan de integriteit van de betrokken ambtenaar moet worden getwijfeld en het in hem te stellen vertrouwen zozeer is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werk blijft doen.

4.3.

Uit eveneens vaste rechtspraak van de CRvB (vergelijk de uitspraak van 16 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8683) volgt dat een schorsing in het belang van de dienst in beginsel neutraal en niet diffamerend is voor de ambtenaar die de schorsing treft.

4.4.

De rechtbank overweegt dat in het najaar van 2016 drie collega’s van eiser, A, P, en K aan verweerder melding hebben gemaakt van onprofessioneel en ongewenst (fysiek) gedrag van eiser. Hieraan heeft verweerder een concrete verdenking mogen ontlenen dat sprake was van ernstig plichtsverzuim en heeft verweerder eiser kunnen schorsen om een onderzoek te doen naar deze verdenking. Dat, zoals eiser heeft gesteld, verweerder al in februari 2016 bekend was met eisers gedrag waarover was geklaagd, maakt dit niet anders. In november 2016 was naar het oordeel van de rechtbank de situatie zo dat verweerder in het belang van de dienst eiser heeft kunnen schorsen. Gelet op de aard van de beschuldigingen heeft verweerder het niet wenselijk kunnen achten dat eiser zijn werk als [beroep a] , waarin hij elke dag contact zou hebben met de hiervoor genoemde collega’s, zou blijven verrichten. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot schorsing op een voldoende belangenafweging berust en voldoende deugdelijk is gemotiveerd. In het besluit van 7 november 2016 is aangegeven per wanneer de schorsing ingaat (7 november 2016), welke omstandigheden tot de schorsing hebben geleid en wat de duur van de schorsing is (vooralsnog voor maximaal vier weken).

4.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ervoor heeft gekozen het onderzoek niet zelf te verrichten maar dit via individuele klachtprocedures in feite uit te besteden aan de LKC. De rechtbank acht deze keuze, gelet op rol en taak van de LKC, begrijpelijk en volgt eiser dus niet in zijn stelling dat verweerder direct zelf onderzoek had moeten doen. De stelling van eiser dat verweerder de schorsingsgrond zelf heeft gecreëerd door de collega’s te stimuleren een klacht in te dienen, volgt de rechtbank niet. De schorsingsgrond is gelegen in het aan eiser verweten gedrag; de klachten komen daaruit voort. Deze keuze van verweerder heeft wel meegebracht dat, omdat het onderzoek door de LKC langere tijd in beslag nam, verweerder de schorsing heeft moeten verlengen. De rechtbank overweegt hierover dat de duur van de procedure buiten de macht van verweerder ligt en dat, wederom gelet op de aard van de beschuldigingen, de duur van het onderzoek de verlenging van de schorsing noodzakelijk maakte.

4.6.

De rechtbank overweegt verder dat voor de (verlengingen van de) schorsing geldt dat in een situatie waarin het zich laat aanzien dat sprake is van een integriteitskwestie tussen eiser aan ene kant en de vrouwelijke collega’s en zijn leidinggevende aan de andere kant, aan het belang van verweerder bij schorsing meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij opheffing van de (verlengingen van de) schorsing. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder hierbij heeft nagelaten een belangenafweging te verrichten. Ook is de rechtbank van oordeel dat de reden van de verlenging steeds voldoende door verweerder is gemotiveerd.

4.7.

Dit betekent dat het beroep ongegrond is voor zover dit is gericht tegen de (verlengingen van de) schorsing in de aanstelling van eiser als [beroep a] en de hiermee samenhangende gebouwontzegging.

De schorsing voor de aanstelling als [beroep b]

4.8.

Het besluit tot schorsing van eiser voor zijn aanstelling van [beroep b] is gebaseerd op artikel 8:15; eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO. Ingevolge deze bepaling kan de ambtenaar door het college worden geschorst indien dit wordt gevorderd door het belang van de dienst. Een schorsing als ordemaatregel op deze grond is in beginsel neutraal.

4.9.

De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat de ordemaatregel van schorsing voor wat betreft de aanstelling van eiser als [beroep b] in het belang van de dienst niet gerechtvaardigd is. Voor dat oordeel is van belang dat de reden van verweerder om tot schorsing over te gaan gebaseerd is op de klachten van de vrouwelijke collega’s A, P en K, die betrekking hadden op het (seksueel) en onprofessioneel en ongepast gedrag van eiser. Niet in geschil is dat eiser in zijn functie van [beroep b] niet hoefde samen te werken met A, P en K van de school en dat zij, voor deze functie, dus ook geen collega zijn. Eiser heeft ter zitting desgevraagd gezegd dat hij als [beroep b] werkzaamheden verrichtte in [naam dorp] . Hoewel de rechtbank niet uit het oog verliest dat eiser in de functie van [beroep b] zelfstandig optrad als vertegenwoordiger van de gemeente en dat hem in de functie van [beroep a] onprofessioneel en ongepast (fysiek) gedrag wordt verweten, maakt dit nog niet dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid om eiser voor zijn aanstelling als [beroep b] te schorsen gebruik heeft kunnen maken. Immers, niet gebleken is dat eiser in zijn functie van [beroep b] grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van collega’s of anderen op de markt in [naam dorp] heeft vertoond. Gegeven die omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat de schorsing (en de verlengingen ervan) werden gevorderd door het belang van de dienst als bedoeld in artikel 8:15, eerste lid, aanhef en onder d, van de CAR/UWO.

4.10.

Dit betekent dat het beroep tegen de (verlengingen van de) schorsing van eiser in zijn aanstelling als [beroep b] gegrond is en dat het bestreden besluit 1 voor wat betreft deze onderdelen wordt vernietigd. Wat eiser heeft aangevoerd over het moment van het opleggen van de schorsing, de ondeugdelijke belangenafweging en strijd met het motiveringsbeginsel, behoeft geen bespreking meer.

5. Over het bestreden besluit 2 oordeelt de rechtbank als volgt.

Onvoorwaardelijk strafontslag voor de aanstelling als [beroep a] .

5.1.

Het besluit tot (primair) de disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag van eiser voor zijn aanstelling als [beroep a] is gebaseerd op artikel 4.8, eerste lid, aanhef en onder j, van de CAO PO. Volgens die bepaling kan de werknemer ontslag worden verleend als disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim.

5.2.

In artikel 4.16, eerste lid, van de CAO PO is bepaald dat de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, om die reden disciplinair kan worden gestraft. Op grond van het derde lid van dat artikel kan als disciplinaire maatregel worden opgelegd ontslag. Gelet op die bepalingen gaat het hier om een bevoegdheid van een bestuursorgaan om de disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag op te leggen. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit 2 terughoudend dient te toetsen.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

15 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4947) is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.

5.4.

De rechtbank dient te beoordelen of de aan eiser verweten en onder 1.21 opgenomen gedragingen voldoende vast zijn komen te staan. Eiser heeft in dit verband allereerst naar voren gebracht dat aan het besluit tot het opleggen van de disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag geen zorgvuldig onderzoek door verweerder is voorafgegaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat in februari 2016 een gesprek heeft plaatsgevonden met eiser over zijn omgang met vrouwelijke collega’s, dat directeur B in augustus 2016 een gesprek met eiser heeft gevoerd over de werkverhouding met collega P, waarbij werkafspraken zijn gemaakt. Vervolgens heeft op 7 september 2016 op verzoek van eiser een gesprek plaatsgevonden met de wethouder en op 29 september 2016 heeft de wethouder een gesprek gevoerd met de desbetreffende leerkracht op de school. Op dezelfde datum is een verklaring binnengekomen van A en een ongedateerde verklaring van P, waarin zij hun ervaringen met eiser in zijn functie van [beroep a] beschrijven. Daarna zijn in oktober 2016 meldingen van twee vrouwelijke collega’s gedaan, waarna Van D., [functienaam] , op 1 november 2016 individuele gesprekken heeft gevoerd met A, P en K. Zij hebben in de loop van november 2016 een klacht over het ongewenst (fysiek) en intimiderend gedrag van eiser ingediend bij de LKC. De klachten zien op verschillende gedragingen van eiser, te weten het handtastelijk zijn, het maken van seksueel getinte opmerkingen, het bij de keel grijpen (een wurgbeweging maken rondom de keel) van A, het zoenen van vrouwelijke collega’s, zowel op de hand als op het gezicht, het vastgrijpen van P bij de kraag van haar blouse en het haar daarbij naar zich toetrekken en het geven van handkussen aan K en het slaan van een arm om haar schouder. Verweerder heeft de klachten van de vrouwelijke collega’s A, P en K doorverwezen naar de externe commissie LKC om de ingediende klachten te onderzoeken. Nadat de LKC op 15 maart 2017 afzonderlijk advies heeft uitgebracht over de klachten, heeft verweerder gezien de in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vergewisplicht besloten eind maart 2017 eigen aanvullend onderzoek uitgevoerd. In het kader van dat onderzoek heeft (de gemachtigde van) verweerder de vrouwelijke collega’s A, P en K gehoord, alsmede collega [beroep a] T en collega W.

5.5.

De rechtbank kan eiser volgen in zijn standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor door eiser niet te horen over de aan hem verweten gedragingen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om het niet horen van eiser met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, aangezien niet aannemelijk is geworden dat eiser daardoor (in zijn belangen) is benadeeld. Eiser is immers onweersproken de gelegenheid geboden om te reageren op de verslagen van de gehoren van de vrouwelijke collega’s A, P en K. Daarnaast heeft eiser zijn standpunt in het beroepschrift en ter zitting voldoende naar voren kunnen brengen en stukken kunnen overleggen. Eiser heeft dat ook gedaan.

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de verklaringen van de vrouwelijke collega’s A, P en K blijkt dat eiser ten aanzien van hen zich schuldig heeft gemaakt aan onprofessioneel en ongepast (fysiek) gedrag en ook anderszins zich schuldig maakte aan seksuele intimidatie. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser tegen de verklaringen van de vrouwelijke collega’s A, P en K is aangevoerd geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaringen A, P en K te twijfelen. De verklaringen van A, P en K zien in de kern op het onprofessioneel en ongepast (fysiek) gedrag van eiser en het maken van seksueel getinte opmerkingen jegens hen. Van belang daarbij is dat de onafhankelijk van elkaar afgelegde en consistente verklaringen van A, P en K over eisers vertoonde ongepast (fysiek) en seksueel getinte gedrag in grote lijnen met elkaar overeenkomen. Dit heeft eveneens te gelden voor de verklaringen dat eiser richting de vrouwelijke collega’s A, P en K af en toe seksueel getinte en dubbelzinnige opmerkingen maakte. Hoewel eiser in februari 2016 door directeur B is gewaarschuwd, is eiser nadien opnieuw in dit ongepaste gedrag vervallen. Immers, eiser heeft ter zitting erkend dat hij K, die toen als invalkracht werkte, in oktober 2016 nog een handkus heeft gegeven. Verweerder heeft, anders dan eiser stelt, op basis van de beschikbare, deugdelijke vastgestelde gegevens – zoals die blijken uit de verklaringen en bij de LKC ingediende klachten van de vrouwelijke collega’s A, P en K – terecht de overtuiging kunnen verkrijgen dat de door eiser vertoonde gedragingen richting A, P en K gelet de aard daarvan zijn aan te merken als ernstig plichtsverzuim. Dat eiser naar eigen zeggen nooit de bedoeling heeft gehad zich ongepast te gedragen en dat hij nu eenmaal amicaal is, is hier niet van doorslaggevende betekenis. Dat eiser zijn verontschuldigingen voor zijn ongepaste gedrag aan de vrouwelijke collega’s heeft aangeboden valt op zich te prijzen, maar kan niet afdoen aan de ernst van de door hem vertoonde gedragingen richting zijn vrouwelijke collega’s A, P en K. Daarbij is van betekenis dat door het gedrag van eiser de vrouwelijke collega’s A, P en K, zoals naar voren komt uit hun verklaringen, zich ook niet meer veilig voelden op het werk en hem, voor zover dat al mogelijk was, ontweken.

5.7.

De rechtbank overweegt tot slot dat eiser (ook ter zitting) heeft erkend dat hij in november 2015 A bij de hals heeft vastgepakt, dat hij in februari/maart 2016 P (naar eigen zeggen losjes) bij de tipjes van de kraag van de blouse heeft gepakt en dat hij stagiaire K meerdere keren handkussen heeft gegeven en een arm om haar schouder heeft gelegd en dat hij haar in oktober 2016 nog een handkus heeft gegeven. Dit valt onder de in 1.21 onder 4, 7, 8 en 10 genoemde gedragingen. Deze vier gedragingen kunnen, gelet op de aard en ernst van elk ervan, zowel afzonderlijk als samen worden beschouwd als ernstig plichtsverzuim. Dat andere vrouwelijke collega’s vinden dat zij correct door eiser zijn behandeld, maakt dat niet anders. Ook de door eiser ingebrachte adhesiebetuigingen van collega’s van CBS De Zaaier, kunnen eiser niet helpen. Verweerder heeft meer gewicht mogen toekennen aan de verklaringen van de vrouwelijke collega’s A, P en K.

5.8.

Anders dan eiser stelt, kunnen de gedragingen aan hem worden toegerekend. Dat verweerder niet een Protocol ongewenste omgangsvormen heeft opgesteld, maakt dit niet anders. Eiser wordt als weldenkend mens geacht het verschil tussen gewenste en ongewenste omgangsvormen te kennen. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat de vrouwelijke collega’s hem (eerder) hadden moeten aanspreken op de aanwezigheid van ongewenst (fysiek) gedrag. Eiser had behoren te weten dat hij zich diende te onthouden van niet-professioneel en ongewenst (fysiek) gedrag tegenover de vrouwelijke collega’s A, P en K en zich meer bewust moeten zijn van zijn gedrag. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om eiser een disciplinaire straf op te leggen.

5.9.

Eiser heeft naar voren gebracht dat verweerder bij het opleggen van de maatregel van disciplinair ontslag onvoldoende zijn belangen onvoldoende heeft meegewogen. De rechtbank overweegt dat verweerder, zij het in het bestreden besluit 2 summier verwoord, het belang van eiser bij handhaving van zijn functie en voortzetting van zijn werkzaamheden als [beroep a] heeft afgewogen tegen het belang van verweerder, de school en de drie vrouwelijke collega’s A, P en K. Verweerder heeft bij zijn afweging, die in het nadeel van eiser is uitgevallen, mogen betrekken dat aan het belang van de organisatie van de school en de veiligheid van de aldaar werkende personeelsleden groot gewicht toekomt, groter dan aan de persoonlijke belangen van eiser en de gevolgen die de maatregel van disciplinair ontslag voor hem heeft.

5.10.

Het vorengaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag (als conciërge) gelet op de aard en ernst van de gedragingen genoemd in 1.21 onder 4, 7, 8 en 10, niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Nu de in 1.21 onder 4, 7, 8 en 10 verweten en vastgestelde gedragingen reeds het strafontslag kunnen dragen, laat de rechtbank de in 1.21 overige aan eiser verweten gedragingen en hetgeen eiser daartegen ter zitting heeft aangevoerd, onbesproken. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van de CRvB van 19 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1853). Aan het bespreken van de subsidiaire ontslaggrond komt de rechtbank niet toe.

Onvoorwaardelijk strafontslag voor de aanstelling als [beroep b]

5.11.

Ten aanzien van de disciplinaire straf van (onvoorwaardelijk) ontslag van eiser voor zijn aanstelling van [beroep b] op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit 2 op dit onderdeel geen stand kan houden, omdat, zoals eiser terecht heeft aangevoerd, de vrouwelijke collega’s A, P en K geen directe collega’s zijn bij zijn werk als [beroep b] en in die zin niet met hem hoeven samen te werken. De rechtbank verwijst hierbij naar haar overwegingen in 4.9. Aan eiser zijn geen gedragingen verweten die voortvloeien uit zijn werk als [beroep b] in [naam dorp] . Dat, zoals verweerder stelt, de positie van een ambtenaar één en ondeelbaar is, volgt de rechtbank niet. Dit betekent dat de rechtbank tot het oordeel komt dat géén sprake is van plichtsverzuim in zijn aanstelling van [beroep b] . Ook in zoverre is het beroep gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit 2 voor zover verweerder de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag aan eiser heeft opgelegd voor zijn aanstelling als [beroep b] vernietigen.

Eervol ontslag voor de aanstelling als [beroep b]

5.12.

Verweerder heeft subsidiair aan eiser eervol ontslag verleend. Dit ontslag is

gebaseerd op respectievelijk artikel 8:8 van de CAR/UWO, in verbinding met artikel 10d:4 van de CAR/UWO. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

5.13.

De rechtbank overweegt dat het eervol ontslag, desgevraagd bevestigd ter zitting, op hetzelfde feitencomplex is gebaseerd als het strafontslag. Er zijn geen afzonderlijke overwegingen gewijd aan de vraag of hierdoor sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Reeds hierom is het beroep gegrond. Het bestreden besluit 2 wordt vernietigd voor zover dit ziet op het eervol ontslag voor de aanstelling van [beroep b] .

Conclusie

6. Uit 4.10, 5.11 en 5.13 volgt dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit 1 zal vernietigen voor zover dat ziet op de (verlengingen van de) schorsingen voor de aanstelling van [beroep b] . Bestreden besluit 2 zal worden vernietigd voor zover dat ziet op het ontslag voor de aanstelling van [beroep b] (zowel de primaire als de subsidiaire ontslaggrond).

7. De rechtbank ziet aanleiding voor wat betreft de vernietigde onderdelen van de bestreden besluiten 1 en 2 zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept de primaire besluiten 1 tot en met 3 voor zover deze zien op de (verlengde schorsingen van de) aanstelling van [beroep b] en zal bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de bestreden besluiten 1 en 2. Ook herroept de rechtbank het primaire besluit 4 voor zover eiser hierin is ontslagen voor zijn aanstelling als [beroep b] .

8. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in beide zaken dient te vergoeden.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.008,- (2 punten voor het indienen van de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 1 tot en met 3, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit 4, 2 punten voor het bijwonen van de hoorzittingen, 2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 1 voor zover verweerder de (verlengingen van de) schorsing van eiser en de gebouwontzegging tot de [gebouwnaam] voor zijn aanstelling als [beroep b] heeft gehandhaafd;

- vernietigt het bestreden besluit 2 voor zover verweerder primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag en subsidiair het eervol ontslag van eiser voor zijn aanstelling als [beroep b] heeft gehandhaafd;

- herroept het primaire besluit 1 voor zover verweerder eiser heeft geschorst en hem de toegang tot het gebouw van de [gebouwnaam] heeft ontzegd voor zijn aanstelling als [beroep b] ;

- herroept de primaire besluiten 2 en 3 voor zover verweerder de schorsing van eiser heeft verlengd voor zijn aanstelling als [beroep b] ;

- herroept het primaire besluit 4 voor zover verweerder primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag aan eiser heeft opgelegd en subsidiair aan eiser eervol ontslag heeft verleend voor zijn aanstelling als [beroep b] ;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden besluiten 1 en 2;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in bezwaar en beroep tot een bedrag van
€ 4.008,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het in beroep betaalde griffierecht voor beide zaken van
€ 336,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, en mr. K. Wentholt en

mr. H. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.