Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2862

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
LEE 18/1917, 18/1974, 18/1975 en 18/2003
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Tijdelijke omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, evenementenvergunning en geluidsontheffing ten behoeve van het festival Welcome to the Village in het Groene Ster-gebied te Leeuwarden. Procedurele gebreken en motiveringsgebreken voor wat betreft de grondslag van het afwijken van het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing. Is er sprake van een ontoelaatbare verstoring van beschermde diersoorten in het kader van de Wnb? Beleidsregel geluid ten behoeve van de geluidsontheffing niet kennelijk onredelijk. Evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake is van onduldbare hinder in de woning van verzoekster, zodat er geen aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Festivalterrein uit een oogpunt van openbare orde en openbare veiligheid niet ongeschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2018/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 18/1917, 18/1974, 18/1975 en 18/2003

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2018 in de zaken tussen

1 a.[verzoekster], te [plaats], verzoekster sub 1.a.,

(gemachtigde: mr. drs. Th.C. van Gelder),

1.b. [verzoekster] gevestigd te [plaats], verzoekster sub 1.b.,

(gemachtigden: mr. drs. Th.C. van Gelder en A.H.F. van Daelen),

1.c. [verzoeker], te [plaats], verzoeker sub 1.c.,

(gemachtigde: mr. drs. Th.C. van Gelder),

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

en

1. de burgemeester van de gemeente Leeuwardenverweerder sub 1,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwardenverweerder sub 2,

(gemachtigde: mr. J.C. van Oosten).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. de Stichting Welcome to the Village, gevestigd te Leeuwarden, derde-belanghebbende sub 1.,

(gemachtigde: mr. I. van der Meer);

2. het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân, derde-belanghebbende sub 2.,

(gemachtigden: mr. T. Tuenter en drs. F.R. Wagenaar).

Procesverloop

Evenementenvergunning

Bij (afzonderlijk) besluit van 22 juni 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder sub 1 aan derde-belanghebbende een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement “Welcome to the Village” (hierna: het evenement) op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden. De evenementenvergunning is geldig voor de volgende periode:

- opbouw: 11 juli tot en met 15 juli 2018 (dagelijks van 07.00 – 21.00 uur);

16 juli tot en met 19 juli 2018 (dagelijks van 07.00 – 24.00 uur);

- evenement: 19 juli tot en met 22 juli 2018;

- afbouw: 22 juli 2018 (21.00 – 02.00 uur);

23 juli 2018 (07.00 – 24.00 uur);

24 juli, 25 juli en 26 juli 2018 (07.00 – 21.00 uur);

27 juli 2018 (07.00 – 13.00 uur).

Tegen het bestreden besluit I hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekster sub 1.a. en verzoekster sub 1.b. bij brief van 9 juli 2018 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster sub 1.c. heeft de voorzieningenrechter bij brief van 16 juli 2018 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Geluidsontheffing

Bij (afzonderlijk) besluit van 22 juni 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder sub 2 aan derde-belanghebbende een geluidsontheffing onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement op de locatie, plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden, van 19 juli tot en met 22 juli 2018, inclusief soundcheck op 18 juli 2018 tussen 09.00 – 19.00 uur.

Tegen het bestreden besluit II hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekster sub 1.a. en verzoekster sub 1.b. bij brief van 9 juli 2018 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster sub 1.c. heeft de voorzieningenrechter bij brief van 16 juli 2018 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Tijdelijke omgevingsvergunning

Bij besluit van 4 juli 2018 (het bestreden besluit III) heeft verweerder sub 2 aan derde-belanghebbende een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van:

- het organiseren van het vierdaagse evenement “Welcome to the Village” gedurende de periode van 19 juli tot en met 22 juli 2018 op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden;

- het opbouwen van de evenementenlocatie in de periode van 11 juli tot en met 19 juli 2018 (inclusief de opbouw en het gebruik DORP van 13 juli tot en met 19 juli 2018);

- het afbouwen van de evenementenlocatie in de periode van 22 juli tot en met 27 juli 2018;

- het plaatsen van vergunningsvrije tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het festival (onder meer podia, tenten en sanitaire voorzieningen);

- het kamperen door de crew in de periode van 13 juli 09.00 uur tot 23 juli 2018 tot 12.00 uur;

- het kamperen door festivalbezoekers in de periode van 19 juli vanaf 13.00 uur tot 23 juli 2018 tot 12.00 uur.

Tegen het bestreden besluit III hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekster sub 1.a. en verzoekster sub 1.b. bij brief van 9 juli 2018 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster sub 1.c. heeft de voorzieningenrechter bij brief van 16 juli 2018 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 5 juli 2018 de voorzieningenrechter verzocht ten aanzien van een aantal documenten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en wel in die zin dat uitsluitend de voorzieningenrechter daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij brief van 10 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter in een tussenbeslissing geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Verzoekster sub 1.a. en verzoekster sub 1.b. hebben bij brief van 12 juli 2018 geen toestemming in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

Verweerder sub 1 en verweerder sub 2 hebben een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 17 juli 2018.

Verzoekster sub 1.a. is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verzoekster sub 1.b. is vertegenwoordigd door haar gemachtigden.

Verzoeker sub 1.c. is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde,

mr. drs. M. Braakensiek, ing. J.T.F. Gosselink en dr. E. van der Heijden (ecoloog).

Derde-belanghebbende sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde,

M. Zweemer (ecologe), B. Pander (directrice) en R. Bosch.

Derde-belanghebbende sub 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 28 juni 2017 heeft de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (hierna: de FUMO) de rapportage “Gevelgeluidweringsmetingen woningen nabij Groene Ster Leeuwarden” opgesteld.

1.2.

Bij besluit van 2 januari 2018 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden (hierna: de raad) de Tijdelijke evenementenregeling Leeuwarden 2018 (de Tijdelijke evenementenregeling) van toepassing verklaard op het hele grondgebied van de gemeente Leeuwarden.

1.3.

Op 6 maart 2018 heeft derde-belanghebbende een aanvraag om evenementenvergunning voor het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 1 ingediend.

Op 6 maart 2018 heeft derde-belanghebbende een aanvraag om geluidsontheffing voor het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 2 ingediend.

Op 6 maart 2018 heeft derde-belanghebbende een aanvraag om een ontheffing van het verbod om te liggen of te slapen op openbare plaatsen tijdens het evenement in het recreatiegebied De Groene Ster te Leeuwarden bij verweerder sub 2 ingediend.

1.4.

Op 7 maart 2018 is de definitieve kaderstelling “Meerdaagse festivals in de Groene Ster 2018” (hierna: de kaderstelling) door de gemeente Leeuwarden opgesteld.

1.5.

Op 27 maart 2018, aangevuld op 20 juni 2018 met een draaiboek, heeft derde-belanghebbende een aanvraag om tijdelijke omgevingsvergunning voor het organiseren van het vierdaagse evenement op de locatie, plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden, bij verweerder sub 2 ingediend.

De aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteit:

- handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening.

1.6.

Verweerder sub 1 heeft op 23 april 2018 de “Nadere regels evenementen Leeuwarden” (hierna: de nadere regels evenementen) vastgesteld.

1.7.

Verweerder sub 2 heeft bij besluit van 24 april 2018 de “Beleidsregel geluid 2018, evenementen in de open lucht” (hierna: de Beleidsregel geluid) vastgesteld.

1.8.

Op 9 mei 2018 heeft DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (hierna: DGMR) een definitieve onderzoeksrapportage “geluid evenementen De Groene Ster 2018” opgesteld.

1.9.

Op 16 mei 2018 heeft de Antea Group een memo “beoordeling van het aspect stikstofdepositie, evenementen recreatiegebied De Groene Ster” opgesteld.

1.10.

Op 17 mei 2018 heeft Altenburg & Wymenga een definitieve onderzoeksrapportage “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden” opgesteld.

1.11.

Op 8 juni 2018 heeft DGMR een rapportage “akoestisch onderzoek Welcome to the Village, terrein De Groene Ster Leeuwarden” opgesteld.

1.12.

De gemeente Leeuwarden heeft een ruimtelijke onderbouwing “Evenementen De Groene Ster 2018” (hierna: de ruimtelijke onderbouwing) opgesteld.

1.13.

Verweerder heeft de aanvraag om omgevingsvergunning, een concept van de omgevingsvergunning en een concept van de ruimtelijke onderbouwing, alsmede een aantal bijlagen voor het evenement, ter inzage gelegd in de periode van 14 juni tot en met 20 juni 2018.

1.14.

Naar aanleiding van voormelde terinzagelegging heeft verzoekster bij brief van 19 juni 2018 een zienswijze bij verweerder sub 2 ingediend.

1.15.

Op 20 juni 2018 heeft derde-belanghebbende het draaiboek “Welcome to the Village 2018” opgesteld en bij verweerders ingediend.

1.16.

Verweerder heeft een reactie- en antwoordnota zienswijzen opgesteld.

1.17.

Bij (afzonderlijk) bestreden besluit I van 22 juni 2018 heeft verweerder sub 1 aan derde-belanghebbende een evenementenvergunning onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement “Welcome to the Village” (hierna: het evenement) op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden. De evenementenvergunning is geldig voor de volgende periode:

- opbouw: 11 juli tot en met 15 juli 2018 (dagelijks van 07.00 – 21.00 uur);

16 juli tot en met 19 juli 2018 (dagelijks van 07.00 – 24.00 uur);

- evenement: 19 juli tot en met 22 juli 2018;

- afbouw: 22 juli 2018 (21.00 – 02.00 uur);

23 juli 2018 (07.00 – 24.00 uur);

24 juli, 25 juli en 26 juli 2018 (07.00 – 21.00 uur);

27 juli 2018 (07.00 – 13.00 uur).

1.18.

Bij (afzonderlijk) bestreden besluit II van 22 juni 2018 heeft verweerder sub 2 aan derde-belanghebbende een geluidsontheffing onder voorschriften verleend voor het houden van het evenement op de locatie, plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden, van 19 juli tot en met 22 juli 2018, inclusief soundcheck op 18 juli 2018 tussen 09.00 – 19.00 uur.

1.19.

Bij (afzonderlijk) besluit van 22 juni 2018 heeft verweerder sub 2 aan derde- belanghebbende een ontheffing verleend van het verbod om te liggen of te slapen op openbare plaatsen tijdens het evenement op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden van 13 juli tot en met 23 juli 2018.

1.20.

Bij het bestreden besluit III van 4 juli 2018 heeft verweerder sub 2 aan derde-belanghebbende een tijdelijke omgevingsvergunning verleend ten behoeve van:

- het organiseren van het vierdaagse evenement “Welcome to the Village” gedurende de periode van 19 juli tot en met 22 juli 2018 op de locatie plaatselijk bekend als de Groene Ster te Leeuwarden;

- het opbouwen van de evenementenlocatie in de periode van 11 juli tot en met 19 juli 2018 (inclusief de opbouw en het gebruik DORP van 13 juli tot en met 19 juli 2018);

- het afbouwen van de evenementenlocatie in de periode van 22 juli tot en met 27 juli 2018;

- het plaatsen van vergunningsvrije tijdelijke bouwwerken ten behoeve van het festival (onder meer podia, tenten en sanitaire voorzieningen);

- het kamperen door de crew in de periode van 13 juli 09.00 uur tot 23 juli 2018 tot 12.00 uur;

- het kamperen door festivalbezoekers in de periode van 19 juli vanaf 13.00 uur tot 23 juli 2018 tot 12.00 uur.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 2.20a van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.

Ingevolge artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten.

Ingevolge artikel 2.27, derde lid, van de Wabo kan de verklaring slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.

Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, van de Wabo zendt het bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is een verklaring te geven als bedoeld in artikel 2.27, onverwijld een exemplaar van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken.

Ingevolge artikel 3.11, derde lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, kunnen zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Awb naar voren gebracht mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring bedoeld in artikel 2.27.

2.2.

Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 2.7, derde lid, van de Wnb verlenen gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:

a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of

b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Ingevolge artikel 2.8, derde lid, van de Wnb stelt het bestuursorgaan het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Ingevolge artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb is het verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Ingevolge artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb, is het verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

2.3.

De in rechtsoverweging 2.1. bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ingevolge artikel 2.2aa, sub b, van het Bor worden als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, tevens aangewezen: het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wnb, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, voor zover thans van belang, wordt de omgevingsvergunning, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet en waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten derde, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, verklaard heeft dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is.

Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, van het Bor kan de verklaring slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 4, elfde lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, in aanmerking: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

2.4.

Ingevolge het bestemmingsplan “Leeuwarden – Recreatiegebied Groene Ster” is aan de percelen de bestemming “Recreatie-Dagrecreatie” toegekend.

Ingevolge artikel 7.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Recreatie-Dagrecreatie” bestemde gronden bestemd voor:

a. extensieve dagrecreatie;

b. water;

c. strandoevers;

d. (schier)eiland(en);

e. groenvoorzieningen;

f. bebossing;

g. een gemeentewerf, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie – gemeentewerf”;

h. een gebouw ten behoeve van horecabedrijf categorie 3;

i. gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen;

j. een midgetgolfbaan, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van recreatie – midgetgolfbaan”;

met daaraan ondergeschikt:

k. paden;

l. parkeervoorzieningen;

m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 7.5, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend: het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan is het op grond van artikel 7.2 van de Wro en artikel 2.1 van de Wabo verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen volgens de artikelen 3 tot en met 16.

Ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, ten vierde, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in lid a, in ieder geval gerekend: het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

2.5.

Ingevolge artikel 1:4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Leeuwarden (APV) kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 1:8 van de APV kan de vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 2:24 van de APV wordt in deze afdeling onder evenement verstaan: elke voor publiek, al dan niet met enige beperkingen, toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

a. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt.

Ingevolge artikel 2:25, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 2:25, derde lid, van de APV kan de burgemeester, met het oog op de in artikel 2:25g en de in artikel 1:8 genoemde belangen, over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen.

Ingevolge artikel 2:25g, tweede lid, van de APV, kan onverminderde het bepaalde in artikel 1:8 de vergunning worden geweigerd, indien:

a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke- of hulpdiensten;

b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement;

c. de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

d. herhaaldelijk gegronde klachten worden ingediend met betrekking tot een evenement of organisator; of,

e. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 2:25e reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de APV is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Onder hinder in de zin van dit artikel wordt in ieder geval verstaan elektrisch versterkte muziek afkomstig van een evenement.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de APV kan het college van het verbod ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 4:6, derde lid, van de APV geldt het verbod niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wom, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

2.6.

Op 23 april 2018 heeft verweerder sub 2 de Beleidsregel geluid vastgesteld.

Het doel van de Beleidsregel geluid is:

- een eenduidig normenstelsel bieden voor de sturing van het geluid bij evenementen in de open lucht;

- transparantie, het is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat burgers, bedrijven en instellingen inzicht krijgen welke regels voor bepaalde activiteiten van toepassing zijn. In deze beleidsregel gaat dat specifiek over geluid bij het organiseren van evenementen in de open lucht;

- een balans te vinden tussen enerzijds evenementen en anderzijds de omwonenden en zo een positieve bijdrage te leveren aan het woon-, werk- en leefklimaat in de gemeente.

In paragraaf 4.2 van de Beleidsregel geluid is met betrekking tot tijden voor het produceren van geluid bij evenementen, onder meer het volgende aangegeven.

Begintijden

Een geluidsontheffing kan worden verleend vanaf 7:00 uur. Vanaf dit tijdstip begint de dagperiode, mag er meer geluid worden geproduceerd en is slaapverstoring geen beoordelingsaspect. Hiermee wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Wet milieubeheer (Wm).

Eindtijden

Op zondag tot en met donderdag kan een geluidsontheffing worden verleend tot 23:00 uur. Op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag kan een geluidsontheffing worden verleend tot 24:00 uur.

Hierbij geldt dat:

- van oudsher voor dorpsfeesten op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag een geluidsontheffing kan worden verleend tot 2:00 uur en de overige dagen tot 24:00 uur;

- voor evenementen in De Groene Ster op vrijdagen, zaterdagen en dagen gevolgd door een officiële feestdag een geluidsontheffing kan worden verleend tot 1:00 uur. De overige dagen is de eindtijd 23:00 uur.

Met de eindtijd van 1:00 uur wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Nota Limburg die voor dagen waarop een vrije dag volgt het tijdstip waarop de normstelling voor de nachtperiode ingaat, met één of twee uur wordt verschoven naar respectievelijk 24:00 en 1:00 uur. Uit onderzoek blijkt dat dit ook de dagen zijn waarop mensen vaak later naar bed gaan. Met deze eindtijd wordt tegemoet gekomen aan de maatschappelijke behoefte om in de weekenden tot een later tijdstip dan 23:00 uur, geluid bij evenementen ten gehore te brengen. Doordat de dagen met een eindtijd tot 1:00 uur beperkt zijn tot de weekenden en dagen gevolgd door een officiële feestdag, vindt verweerder sub 2 de overlast die dit met zich kan brengen acceptabel,

- op basis van de Zondagswet voor een zondag en met de zondag gelijkgestelde dagen een geluidsontheffing kan worden verleend vanaf 13:00 uur.

Standaard rustperiode geluid

Bij evenementen die daags na elkaar op dezelfde locatie plaatsvinden, moet er tussen de eindtijd en de begintijd minimaal acht uren zitten. Dit is een aaneengesloten rustperiode. Dit betekent dat bij een eindtijd van 23:00 uur op de volgende dag een begintijd van 7:00 uur mogelijk is. Is de eindtijd 1:00 uur dan is een begintijd de aansluitende ochtend van 9:00 uur mogelijk.

Ontheffing rond tijden van het geluid bij een meerdaags evenement in De Groene Ster

Een geluidsontheffing voor een meerdaags evenement in De Groene Ster wordt verleend binnen de volgende normen:

- de geluidsontheffing kan voor maximaal vijf dagen worden verleend;

- de periode tussen de verlening van elkaar opvolgende geluidsontheffingen moet minimaal twee weekenden zonder geluid bevatten;

- de geluidsontheffing kan worden verleend na de reguliere eindtijd van 23:00 of 1:00 uur;

- op zondag wordt de geluidsontheffing tot uiterlijk 23:00 uur verleend;

- in de nachtperiode op de maandag tot en met donderdag geldt een standaard aaneengesloten rustperiode van negen uren. Deze aaneengesloten rustperiode bedraagt voor de nacht van vrijdag op zaterdag minimaal acht uren; voor de nacht van zaterdag op zondag minimaal twaalf uren. Gedurende deze rustperiode is het lagere geluidsniveau van kracht, zoals beschreven onder 4.3 Geluidsnormen.

Bij meerdaagse evenementen in De Groene Ster stelt verweerder sub 2 geen limiet aan de eindtijd en kan het evenement met een lagere geluidsnorm (achtergrondmuziek) doorgaan. Aangezien geen slaapverstoring optreedt, worden deze uren als rustperiode beschouwd. De meerdaagse evenementen in De Groene Ster hebben een dag-/avond- en nachtprogrammering en passen qua aard en omvang niet altijd in het strakke regiem van een volledig verbod op versterkte muziek om 23:00 of 1:00 uur. Om met de regelgeving aangaande de tijden en geluidsnormeringen om te gaan en te zoeken naar creatieve oplossingen, zoals een silent disco of een 100-volt systeem, wordt de ruimte geboden om voor de nachtperiode aan te sluiten bij de nachtnormen uit de Nota Limburg. Op deze manier wil verweerder sub 2 onderzoeken hoe voor zowel de evenementen-organisatoren als de omwonenden een algemeen aanvaardbare modus kan worden gevonden ten aanzien van het hinderaspect.

Meerdaagse evenementen in De Groene Ster moeten op een zondag om 23:00 uur eindigen. Dit omdat uit meldingen over geluidsoverlast over De Groene Ster is gebleken dat de verwachting van omwonenden is dat het muziekgeluid bij een meerdaags evenement op een zondag stopt. Dat het op maandag doorgaat, wordt vaak als zeer hinderlijk ervaren, ook omdat men dan vaak weer aan het werk moet.

In paragraaf 4.3 van de Beleidsregel geluid is met betrekking tot geluidsnormen onder meer het volgende aangegeven.

Voor de geluidsnormen hanteert verweerder sub 2 de volgende uitgangspunten.

Op de gevel van gevoelige gebouwen

Voor de dag- en avondperiode is een maximaal geluidsniveau van 75dB(A) en 95 dB(C) toegestaan.

Voor de nachtperiode is een maximaal geluidsniveau van 45 dB(A) en 70dB(C) toegestaan.

Front of house

Er is een maximaal geluidsniveau van 103 dB(A) toegestaan.

Er is een maximaal geluidsniveau van 113 dB(C) toegestaan.

Hierbij geldt dat:

- voor de binnenstedelijk gebieden, als ook in de dorpen, een maximaal geluidsniveau wordt toegestaan van 85 dB(A). Door de ligging van geluidgevoelige gebouwen dicht bij de podia is het hanteren van de norm van 75 dB(A) vaak onvoldoende om het evenement doorgang te laten vinden. Daarom is in deze gebieden een extra ruimte van maximaal 10 dB(A) toegestaan. Deze verruiming van 10 dB(A) vindt verweerder sub 2 toelaatbaar omdat de evenementen beperkt zijn in aantal (12 dagen-regeling), beperkt zijn in tijd (niet voortduren in de nachtperiode) en een belangrijke

functie hebben voor de stad/omgeving.

Daarnaast blijft de normstelling van 95 dB(C) onverkort van kracht en dienen deze evenementen gebruik te maken van de beste beschikbare technieken (BBT) om geluidshinder zoveel als mogelijk te beperken;

- geluid afkomstig van op- en afbouwwerkzaamheden ten behoeve van evenementen wordt beoordeeld overeenkomstig het ‘Bouwbesluit 2012’ en de ‘Beleidsregel geluidhinder bij bouw en sloopwerkzaamheden en overige tijdelijke werkzaamheden gemeente Leeuwarden 2014’. Geluid afkomstig van overige toestellen, zoals

aggregaten, wordt beoordeeld overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Geluidsnorm bij (meerdaagse) evenementen in De Groene Ster

Dag- en avondperiode

Maximaal 70 dB(A) en 95 dB(C) op de gevel van gevoelige gebouwen (woningen).

Nachtperiode

Maximaal 45 dB(A) en 70 dB(C) op de gevel van gevoelige gebouwen (woningen).

Front of house

Er is een maximaal geluidsniveau van 103 dB(A) toegestaan.

Er is een maximaal geluidsniveau van 113 dB(C) toegestaan.

Hierbij geldt dat:

- per evenement de organisator met een akoestisch onderzoek moet aantonen welk spectrum het uitgangspunt is en welke frequentieband maatgevend is. Op basis van de meetgegevens van de in de afgelopen jaren gehouden evenementen en rekening houdend met de gevelwering per woning en uitgaande van het voorkomen van

spraakverstoring in de woning komt verweerder sub 2 tot de bovenstaande maximale normwaarden;

- geluidsmetingen worden uitgevoerd conform het meetprotocol beschreven in bijlage 2: Meetprotocol voor geluidsmetingen evenementen gemeente Leeuwarden.

BBT

Bij evenementen met een hoog geluidsniveau (vanaf 75 dB(A)) dient de organisator het BBT-principe toe te passen. Dit zijn technieken om de geluidsoverdracht naar de omgeving

zoveel als mogelijk te beperken. Onderstaande technieken moeten voor zover mogelijk worden toegepast.

- Anti geluid en line array systemen;

- Podia en speakers worden in de meest optimale richting opgesteld;

- Gevlogen speakers worden zo laag mogelijk opgehangen;

- Speakers dienen zo goed mogelijk gericht te zijn op het publiek;

- Gevlogen subwoofers zijn niet toegestaan;

- Zogenaamde ‘end fire’ technieken zijn niet toegestaan;

- Het geluid onder de 40 Hz wordt afgefilterd met een verval van 6 dB per tertsband.

Geluid onder de 40 Hz moet worden afgefilterd

Een maatregel om hinder van (zeer) lage tonen te verminderen is het zogenaamde ‘af-filteren’. Dit betekent dat het geluidsniveau onder een bepaalde frequentie verminderd wordt. Hiervoor wordt een filter gebruikt die naarmate de frequentie lager wordt het geluidniveau

steeds verder reduceert.

De Groene Ster

Bij de grootschalige evenementen in De Groene Ster moeten de organisatoren bij de vergunningaanvraag, in het verlengde van de uitspraken van de rechtbank, een akoestisch onderzoek indienen. Op basis van de door de aanvrager aangeleverde akoestische rapportage zal de geluidsontheffing worden opgesteld en wordt geborgd dat er niet meer geluid wordt gemaakt, dan op grond van deze beleidsregel mogelijk is.

Rechtsoverwegingen

3. Ambtshalve overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.1.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

3.1.2.

Blijkens artikel 2 van de statuten stelt eiseres sub 2 zich ten doel om:

a. het bevorderen van duurzaam gebruik van natuur- en recreatiegebieden ten Oosten van Leeuwarden, zoals bijvoorbeeld “De Groene Ster”;

b. het gevraagd en ongevraagd adviseren van overheden (gemeente, provincie, water-schap, et cetera), bedrijven en instellingen over duurzaam gebruik en beheer, het

beperken van overlast voor flora en fauna, het beperken van overlast (van evenementen) voor omwonenden en reguliere bezoekers;

c. het geven van publieksvoorlichting over duurzaam gebruik van de natuur- en recreatiegebieden;

d. het voeren van overleg over gezamenlijk optreden en uitwisseling van gegevens met

natuurbeschermingsorganisaties en verwante organisaties die regionaal en/of landelijk actief zijn;

e. het zo nodig ondernemen van juridische stappen om het duurzaam gebruik zeker te stellen en overlast te beperken;

f. het verrichten van alle activiteiten die in de ruimste zin van het woord met het vorenstaande verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

3.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster sub 1.b. daar waar het in dit geding gaat om het opkomen voor en beschermen van natuurwaarden zoals de bescherming van de in het kader van de Wnb bedoelde (beschermde) diersoorten, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Daarbij wordt overwogen dat voor een ideële organisatie als verzoekster sub 1.b. de belangen waarvoor zij in rechte opkomt, moeten passen binnen haar doelstelling en dat zij feitelijke werkzaamheden binnen die doelstelling moet verrichten. Uit artikel 2 van de stichtingsakte blijkt onder meer dat verzoekster sub 1.b. ten doel heeft om het duurzaam gebruik van natuur- en recreatie-gebieden ten oosten van Leeuwarden, zoals bijvoorbeeld “De Groene Ster” te bevorderen en het gevraagd en ongevraagd adviseren van overheden (gemeente, provincie, waterschap, et cetera), bedrijven en instellingen over duurzaam gebruik en beheer en het beperken van overlast voor flora en fauna. Uit deze bepalingen, in samenhang met onderdeel f van artikel 2, leidt de voorzieningenrechter af dat het beschermen van natuurwaarden in de Groene Ster in vorengenoemde zin valt binnen de doelstelling van verzoekster sub 1.b. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat is gebleken dat verzoekster sub 1.b. overleg heeft gevoerd met provinciale staten en verweerder sub 2 alsmede zelf inspanningen heeft verricht door het laten verrichten van een ecologisch onderzoek met betrekking tot de flora en fauna in de Groene Ster, zodat ook feitelijke werkzaamheden zijn verricht.

4. De voorzieningenrechter acht het verzoek van verzoekers voldoende spoedeisend nu het meerdaagse muziekfestival op 19 juli 2018 begint en een eventuele ontoelaatbare verstoring van de door verzoekers in het verzoekschrift genoemde (beschermde) diersoorten niet meer ongedaan kan worden gemaakt.

5. Inhoudelijk wordt vervolgens als volgt overwogen.

Ten aanzien van de tijdelijke omgevingsvergunning

5.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder sub 2 in dit geval in redelijkheid een tijdelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het evenement heeft kunnen verlenen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het voorgenomen gebruik van de Groene Ster als terrein voor het evenement in strijd komt met de gebruiksregels van voormeld bestemmingsplan.

Om medewerking te verlenen aan het met het bestemmingsplan strijdige gebruik heeft verweerder sub 2 toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 4, elfde lid, van de bij het Bor behorende bijlage II een categorie ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar, aanwijst waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo, van het bestemmingsplan kan worden afgeweken (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (AbRvS), 7 november 2012, ECLI:NL: RVS:2012:BY2516).

5.4.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan het bestreden besluit III een ruimtelijke onderbouwing ten grondslag heeft gelegd. Verder dient te worden vastgesteld dat verzoekers de juistheid van voormelde ruimtelijke onderbouwing betwisten. Anders dan ten tijde van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d.

16 november 2017, heeft verweerder thans een integrale beoordeling van de effecten op de omgeving, waaronder de natuurwaarden, in kaart gebracht. Gelet hierop kan de enkele verwijzing van verzoekers naar voormelde uitspraak van de rechtbank niet leiden tot de door hen naar voren gebrachte verstrekkende conclusie dat er door verweerder sub 2 door middel van een tijdelijke omgevingsvergunning ten behoeve van het festival Welcome to the Village nimmer van voormeld bestemmingsplan kan worden afgeweken. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

5.4.2.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat, gelet op de bij de verleende evenementenvergunning behorende plattegrond, een deel van het festivalterrein van Welcome to the Village valt binnen de bestemming “Natuur”. Dit brengt met zich dat de grondslag van het bestreden besluit III onvolledig is, aangezien er slechts omgevingsvergunning is verleend voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan inzake de planvoorschriften voor wat betreft de bestemming “Recreatie – Dagrecreatie” en het daarbij behorende algemene gebruiksverbod. Gelet hierop is de onderliggende ruimtelijke onderbouwing naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens onvolledig, terwijl de afwijking van de bestemming groot is en aan die onderbouwing derhalve hogere motiveringseisen dienen te worden gesteld.

5.4.3.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt vervolgens de rechtsvraag voor of er, gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek, aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter beantwoordt voormelde rechtsvraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Aannemelijk moet worden geacht dat verweerder sub 2 het geconstateerde motiveringsgebrek in de bezwaarfase (alsnog) kan helen, zodat er om die reden geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Ook een belangenafweging noopt hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toe. Daarbij wordt enerzijds acht geslagen op de betrokken belangen van derde-belanghebbende sub 1, zoals die ter zitting zijn toegelicht en anderzijds het feit dat het geconstateerde gebrek in het licht van de ruimtelijke onderbouwing en hetgeen verzoekers daar tegenin hebben gebracht, niet tot enige onomkeerbare situatie zal leiden.

5.5.1.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder sub 2 aan het bestreden besluit III de rapportage “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden” d.d. 17 mei 2018 van Altenburg & Wymenga ten grondslag heeft gelegd.

5.5.2.

Uit voormelde rapportage van Altenburg & Wymenga kan voor wat betreft de navolgende door verzoekers in hun verzoekschrift genoemde diersoorten onder meer het volgende worden afgeleid.

"Ten aanzien van de Meervleermuis

De Meervleermuis foerageert in het Natura 2000-gebied Groote Wielen en heeft zijn

verblijfplaatsen daarbuiten. Er zijn drie gebouwen aanwezig binnen het meerdaagse

evenemententerrein. Het gaat om een kiosk, sanitaire voorzieningen en een nutsgebouw. Deze zijn volgens Altenburg & Wymenga ongeschikt als verblijfplaats voor (deze) vleermuizen. Er zijn dus geen verblijfplaatsen van de Meervleermuis in het gebied van de Groene Ster aanwezig. Ten westen en oosten van het meerdaagse evenemententerrein zijn vliegroutes van Meervleermuizen vastgesteld tussen de verblijfplaats in Camminghaburen en de Groote Wielen. Tijdens veldonderzoek is in 2017 vastgesteld dat de Meervleermuis foerageert boven de Grote en Kleine zwemplas. Het is dus mogelijk dat er een ecologische relatie is tussen het meerdaagse evenemententerrein en het Natura 2000-gebied Groote Wielen ten aanzien van Meervleermuis.

Ten aanzien van alle vleermuissoorten

In 2017 zijn tijdens een veldonderzoek op het meerdaagse evenemententerrein zes

verschillende vleermuissoorten waargenomen. Deze zijn: de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis, de Laatvlieger, de Rosse vleermuis, de Watervleermuis en de Meervleermuis.

Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden die van belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Deze zijn verblijfplaatsen,

foerageergebieden en vliegroutes. Hieronder worden deze drie elementen besproken.

In de zomerperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in

gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen,

bunkers en kelders. Tijdens het onderzoek van Zweemer in de periode van juni tot en met augustus 2017 zijn in het noordelijk deel van het meerdaagse evenemententerrein geen

verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.

Het evenemententerrein wordt gebruikt als foerageergebied voor bovengenoemde vleermuissoorten. Hierbij maken de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis en de Laatvlieger gebruik van bosranden. De Rosse vleermuis foerageert vaak

langs oevers, terwijl de Meervleermuis en de Watervleermuis gebruik maken van groot open

water.

Bij verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebied maken vleermuizen, om zich te

oriënteren, meestal gebruik van vaste vliegroutes langs lijnvormige structuren, zoals lanen,

boomsingels en (oevers van) sloten, vaarten en waterlopen. Aan zowel de west- als oostzijde van het evenemententerrein is een vaste vliegroute aanwezig van de Meervleermuis.

Daarnaast zijn tijdens het vleermuisonderzoek van Zweemer verschillende soorten vleermuizen vliegroutes vastgesteld. Het betreft hier echter geen belangrijke vliegroutes van

verblijfplaats naar foerageergebied. Deze vliegroutes zijn daarom niet essentieel voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen.

Het meerdaagse evenemententerrein is onderdeel van het leefgebied van vleermuizen. Omdat

sommige soorten vleermuizen onder andere gevoelig zijn voor lichtverstoring, is deze dierensoort relevant voor de Wnb-effectbeoordeling.

Ten aanzien van de Noordse woelmuis

De Noordse woelmuis komt naar alle waarschijnlijkheid niet meer voor in de Groote Wielen.

Om deze reden wordt de komende jaren hier een nieuw gebied aangelegd ten behoeve van

deze soort. Hoewel Stijkstra (2011) aangeeft dat de Noordse woelmuis in De Groene Ster kan voorkomen, gaat Altenburg & Wymenga er nu van uit dat dit niet het geval is. Reden hiervoor is dat er de laatste jaren steeds meer gericht onderzoek wordt gedaan naar deze soort. Hierdoor ontstaat een steeds duidelijker beeld van het biotoop waar de soort zich ophoudt. De soort wordt met name aangetroffen in natte geïsoleerde rietlanden van enige omvang, boezemlanden en zomerpolders die jaarlijks inunderen. Het evenemententerrein bestaat uit parkbos, intensief beheerde graslanden en oevers met relatief smalle rietkragen en verruigd grasland. Het is daarom ongeschikt als leefgebied voor de Noordse woelmuis. De soort wordt daarom niet in het meerdaagse evenemententerrein verwacht. De Noordse woelmuis is daarom niet relevant voor de Wnb-effectbeoordeling.

Ten aanzien van de Roek

Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wnb. Een aantal vogelsoorten maakt echter gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. In augustus 2009 is onder

de Flora- en faunawet een indicatieve lijst opgesteld van soorten met jaarrond beschermde

nestplaatsen. Deze lijst is per 1 januari 2017 onveranderd overgenomen bij de Wnb. Daarop staan onder andere de roek. Tijdens het onderzoek in 2017 (Zweemer) zijn geen jaarrond beschermde nestplaatsen aangetroffen. Wel zijn in de afgelopen jaren in en rond het evenemententerrein kleine kolonies met roeken vastgesteld. De indruk is dat de soort van jaar tot jaar op verschillende locaties broedt. Omdat het niet is uitgesloten dat de Roek op het evenemententerrein voorkomt, is de soortgroep relevant voor de Wnb-effectbeoordeling."

In voormeld rapport komt Altenburg & Wymenga in het kader van de effectbeschrijving voor het evenement "Welcome to the village" onder meer tot de volgende bevindingen.

"Ten aanzien van de Meervleermuis

Er zijn geen verblijfplaatsen van de Meervleermuis in het gebied aanwezig. Ten oosten van het festivalterrein ligt een waterloop die een vaste vliegroute vormt van Meervleermuizen van en naar De Groote Wielen. Het is belangrijk om deze waterloop tijdens het festival vrij te houden van verlichting, zodat er geen lichtverstoring optreedt op deze vliegroute. Er is dan geen knelpunt met het beschermingsregime van de Wnb.

Het Natura 2000 gebied De Groote Wielen is als foerageergebied voor de Meervleermuis aangewezen. Vanuit het festivalterrein vindt er geen lichtuitstraling plaats naar (vliegroutes richting) De Groote Wielen. Er is daarom geen sprake van lichtverstoring van het foerageergebied in De Groote Wielen. Daarmee zijn er geen knelpunten met de Wnb ten aanzien van foeragerende Meervleermuizen.

Ten aanzien van alle vleermuizen

Als gevolg van lichtuitstraling gaat een beperkt areaal foerageergebied voor vleermuizen voor enkele dagen verloren. Na het festival zijn de gebieden weer geschikt als foerageergebied en worden die als zodanig ook weer gebruikt door vleermuizen (Zweemer 2017). Er zijn bovendien in en rond het festivalterrein voldoende donkere plekken aanwezig waar de dieren naar kunnen uitwijken. De functionaliteit van verblijfplaatsen gaat dus niet verloren. Daarom zijn er geen knelpunten met het beschermingsregime van de Wnb.

Ten aanzien van de Roek

Het is niet uitgesloten dat op het festivalterrein jaarrond beschermde nestplaatsen van broedvogels aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om hiernaar in het voorjaar nog een aanvullend onderzoek uit te voeren en zo nodig maatregelen te nemen om verstoring van broedende vogels te voorkomen. In dat geval is er geen knelpunt met het beschermings-regime van de Wnb.

Ten aanzien van de Waterspitsmuis

Langs een deel van de oevers op het festivalterrein kan in principe de waterspitsmuis

voorkomen. Hier worden geen activiteiten uitgevoerd en de oevers zijn te drassig om te lopen of te kamperen. Ook worden deze oevers niet gemaaid. Aantasting van het leefgebied van de waterspitsmuis is daarom onwaarschijnlijk. De plannen veroorzaken daarom geen conflict met de Wnb."

5.5.3.

Verzoekster betoogt, onder verwijzing naar een rapportage ‘quick scan Flora en Fauna De Groene Ster Leeuwarden’ van Smit Groenadvies d.d. 21 juni 2018 dat het door verweerder aan het bestreden besluit III ten grondslag gelegde onderzoek van Altenburg & Wyminga ondeugdelijk is. In voormelde rapportage komt Smit Groenadvies onder meer tot de volgende bevindingen en conclusies.

"Het plangebied ligt aan de noordoostkant van Leeuwarden. Aan de noordkant van het

gebied ligt het Natura 2000-gebied De ‘Groote Wielen’. Het plangebied en voormeld Natura 2000-gebied zijn van elkaar gescheiden door de provinciale weg N355. Het gebied De Groene Ster is een ‘natuurterrein met recreatief medegebruik’. Het gebied bestaat voor het grootste gedeelte uit kunstmatige waterplassen met zonneweiden, strandjes en groenstroken. Door het gebied lopen vele wandel- en fietspaden. Het is een vrij groot gebied met diverse vegetatietypen die afwisselend voorkomen en waar veel soorten gebruik van kunnen maken. Door de afwisseling van groenstroken, grazige vegetaties, oevers en open water is het een geschikt gebied voor (broed)vogels, kleine grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen en insecten. Het gebied kan als verschillende onderdelen van hun leefgebied functioneren. Tijdens het veldbezoek zijn er veel algemene vogels waargenomen die mogelijk in het plangebied (gaan) broeden.

- Zwaarder beschermde vaatplanten en/of sporen en delen hiervan zijn niet

aangetroffen in het plangebied. Het plangebied heeft aannemelijk geen betekenis

voor beschermde planten;

- De combinatie van ruige vegetatie, groenstroken, struweel, oevervegetatie en

water maakt het een geschikt leefgebied voor allerlei soorten;

- Algemene soorten kleine grondgebonden zoogdieren kunnen voorkomen in het

plangebied;

- Het plangebied kan als foerageergebied en als vliegroute gebruikt worden door

vleermuizen;

- Oudere bomen met holtes kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats van

vleermuizen.

- Algemene soorten amfibieën en reptielen kunnen jaarrond voorkomen in het

plangebied. Het water in het plangebied kan voor voortplanting gebruikt worden

en de groenstroken kunnen in de periode van overwintering worden gebruikt.

- In het water binnen en om het plangebied kunnen beschermde vissoorten

voorkomen;

- Verschillende vogelsoorten kunnen in het plangebied broeden. Daarnaast kan het

plangebied voor vele vogelsoorten functioneren als foerageer- en overwinteringsgebied;

- De vegetatiesamenstelling, structuur en hoogteverschillen maken voor vele

insectensoorten het plangebied geschikt als leefgebied.

Vanuit de bureaustudie zijn er aanwijzingen dat er beschermde soorten aanwezig zijn in (de omgeving van) het plangebied. Kleine grondgebonden zoogdieren zoals muizen kunnen jaarrond verblijfplaatsen en hun leefgebied in het plangebied hebben. De waargenomen vleermuizen kunnen het plangebied gebruiken als vliegroute en foerageergebied. De waargenomen roeken komen jaarrond in het plangebied voor en hebben een broedkolonie.

Het plangebied De Groene Ster is volgens onderzoek uit 2011 uitgevoerd door Altenburg &

Wymenga (Strijkstra, 2011) essentieel als vliegroute en als foerageergebied voor Meervleermuizen in de provincie Friesland.

Uit onderzoek in 2016 en 2017 is door Ecobureau Meruta aangetoond dat tijdens en na het

festival Psy-Fi minder vleermuizen werden aangetroffen dan voorafgaand aan het festival.

In 2016 zijn er paarverblijfplaatsen in het plangebied waargenomen, maar in 2017 zijn die

niet meer waargenomen. Het is mogelijk dat het festival hier iets mee te maken heeft en

een negatieve invloed heeft gehad op paarverblijfplaatsen en het foerageergebied van

Meervleermuizen.

Uit het provinciaal onderzoek naar Meervleermuizen in Friesland is gebleken dat het

kraamverblijf in Leeuwarden, die in relatie staat tot het foerageergebied in De Groene Ster, tussen 2009 en 2017 dramatisch is afgenomen. Het aantal is teruggelopen van 165 naar 18 individuen. De situatie aan het kraamverblijf is onveranderd dus de achteruitgang heeft een andere oorzaak. Mogelijk dat de festivals hier iets mee te maken hebben en een negatieve invloed hebben gehad.

Noordse woelmuizen komen voor in het Natura 2000-gebied De ‘Groote Wielen’. Dat gebied

wordt door vernattingsmaatregelen verbeterd als leefgebied voor deze soort. Door zijn actieradius is de Noordse woelmuis ook te verwachten in De Groene Ster.

Door de Natura 2000-kaart te raadplegen is vastgesteld dat er binnen drie kilometer rondom het plangebied het beschermde Natura 2000-gebied De ‘Groote Wielen’ gelegen is. Dit natura 2000-gebied is aangewezen voor soorten die ook in De Groene Ster kunnen voorkomen. Als er verbindingen tussen deze gebieden aanwezig zijn dan is het zeer waarschijnlijk dat soorten de oversteek kunnen maken.

De meerdaagse festivals die in De Groene Ster plaatsvinden kunnen mogelijk effect hebben

op soorten met een (hoge) beschermingsstatus.

- Mogelijk kunnen algemene kleine grondgebonden zoogdieren in het plangebied

aanwezig zijn. Deze kunnen nadelige invloeden ondervinden als er voor langere

periode verstoring plaatsvindt, zoals bij een meerdaags festivals;

- De meerdaagse festivals kunnen negatieve effecten ten aanzien van het

foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen veroorzaken, doordat er voor

langere tijd verstoring plaatsvindt. Vleermuizen zijn vrij mobiele soorten en er

zijn uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving waar de vleermuizen heen

kunnen om te foerageren. Of er op lange termijn effecten zijn op de

functionaliteit van het foerageergebied van vleermuizen door het plaatsvinden van

meerdaagse festivals is niet bekend.

- Uit de bureaustudie blijkt dat de Meervleermuis in en rond Leeuwarden

drastisch achteruit gaat (Haarsma & Koopmans, 2017). Het aantal

vleermuizen in het kraamverblijf is gedecimeerd. Mogelijk komt dit door

veranderde omstandigheden in het foerageergebied, waarvan De Groene

Ster een essentieel onderdeel is;

- In 2016 zijn er kraamverblijfplaatsen aangetroffen in De Groene Ster maar

tijdens het onderzoek in 2017 niet meer. Mogelijk is dat deze verlaten zijn

door invloed van de festivals.

- de aanwezige roekenkolonie kent een jaarronde beschermingsstatus en

mag niet verstoord worden."

Vervolgens komt de door verzoekers ingeschakelde deskundige tot de conclusie dat er bij het plaatsvinden van meerdaagse festivals negatieve effecten worden verwacht op beschermde soorten, zoals die in het verzoekschrift zijn genoemd.

5.5.4.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of de door verzoekers genoemde diersoorten als gevolg van het evenement "Welcome to the Village" ontoelaatbaar worden verstoord.

Het komt de voorzieningenrechter aangewezen voor om dit inhoudelijk per afzonderlijke diersoort te beoordelen.

Ten aanzien van de Meervleermuis

5.6.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Meervleermuis in de context van de onderhavige zaak wordt beschermd langs twee lijnen. De ene lijn loopt langs de soortenbescherming omdat de Meervleermuis op grond van de Habitat-richtlijn wordt beschermd. De andere lijn loopt langs de gebiedsbescherming die voortvloeit uit de aanwijzing van de Groote Wielen, het naastgelegen Natura 2000-gebied, waarvoor de Meervleermuis als beschermde soort is aangewezen.

5.7.

Uit het Bor volgt dat zowel de ontheffing ten aanzien van artikel 3.5 (de soorten-bescherming) als de vergunning ex artikel 2.7 (Natura 2000-gebied) van de Wnb verplicht worden aangehaakt tenzij afzonderlijk ontheffing/vergunning aan derde-belanghebbende sub 2 is gevraagd of verkregen. In dit geval is de omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder sub 2. Daarbij is niet aangegeven dat een ontheffing of vergunning is, of wordt aangevraagd. In die situatie is het aan verweerder sub 2 om te beoordelen of een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) nodig is of niet. Niet in geschil is dat er natuurwaarden in het geding zijn en dat die beoordeeld moeten worden aan de hand van de vraag of een vvgb in het kader van de Wnb van derde-belanghebbende sub 2 noodzakelijk is. Die vraag is ook door verweerder sub 2 onder ogen gezien in de ruimtelijke onderbouwing en vervolgens op basis van het rapport “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden”, waarin is geconcludeerd dat een vvgb niet nodig is. Op basis daarvan heeft verweerder sub 2 geconcludeerd dat een vvgb van derde-belanghebbende sub 2 niet nodig is. Hierna zal de voorzieningenrechter ten aanzien van de Meervleermuis achtereenvolgens in het kader van de soorten-bescherming en de gebiedsbescherming beoordelen of die conclusie terecht is.

5.8.1.

De soortenbescherming is geregeld in artikel 3.5 en artikel 3.6 van de Wnb. In dit geval zijn met name artikel 3.5, tweede lid en vierde lid van toepassing. In het tweede lid wordt het verboden om dieren opzettelijk te verstoren en in het vierde lid wordt het verboden om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te verstoren.

5.8.2.

Ten aanzien van de voortplantings- en rustplaatsen is de situatie aldus. In Camminghaburen bevindt zich een verblijfplaats voor de vrouwelijk Meervleermuis. Ter zitting is door de ecologen van verweerder en derde-belanghebbende sub 1 naar voren gebracht dat er meerdere verblijfplaatsen zijn, doch dat deze behoudens die in Camminghaburen (nog) niet bekend zijn, waarbij er op is gewezen dat deze diersoort afstanden tot 20 kilometer overbruggen om te foerageren. Niet in geschil is echter dat de verblijfplaats in Camminghaburen en de mogelijke andere verblijfplaatsen niet rechtstreeks door de voorgenomen activiteiten wordt geraakt. Een verblijfplaats kan alleen functioneren indien de betrokken dieren van daaruit ook kunnen foerageren. Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS vloeit voort dat zowel de vliegroutes als het foerageergebied van belang is bij de beoordeling van de vraag of de verblijfplaats wordt verstoord. In een uitspraak van 10 januari 2018, kenbaar uit ECLI: NL:RVS:2018:12, heeft de AbRvS daarover als volgt overwogen:

“9.1. Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van

wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer

er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.

Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is

als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of

rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve route teveel energie kost.”

5.8.3.

In de ecologische onderbouwing wordt gesteld dat in 2017 is vastgesteld dat de

Meervleermuis foerageert boven de grote en kleine zwemplas (De Kleine Wielen). In dat

rapport wordt ook vastgesteld dat er ten westen en ten oosten van de evenemententerreinen

een vliegroute ligt naar De Groote Wielen. Daarmee is gegeven dat er een verbinding bestaat tussen de oostelijke vliegroute en de verblijfplaats. In het rapport “de Meervleermuis in Fryslân” wordt ter zake daarvan geconstateerd dat De Kleine Wielen een belangrijk gebied vormt voor de kolonie in Leeuwarden en wordt geconstateerd dat de soort in de periode 2005-2016 ernstig achteruit gegaan is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn zowel de westelijke route als de oostelijke route over de Groningerstraatweg en het gedeelte daartussen in dat over De Kleine Wielen loopt aan te merken als essentiële vliegroutes in vorengenoemde zin. De voorzieningenrechter constateert dat het rapport van 17 mei 2018, dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, deze conclusies niet trekt en is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan zijn vergewisplicht.

5.8.4.

Ten aanzien van de vraag of een verstoring ook een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb met zich meebrengt heeft de AbRvS in dezelfde uitspraak als volgt overwogen:

“9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 november

2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2464), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en

faunawet (hierna: Ffw) als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een

beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke

verontrusting is in de zin van die bepaling. In die uitspraak heeft de Afdeling in het kader

van de uitleg van artikel 11 van de Ffw tevens geoordeeld dat het aantasten van essentiële

foerageergebieden en essentiële vliegroutes, die - zoals in dit geval - niet samenvallen

met vaste rust- of verblijfplaatsen moet worden gezien als beschadiging of vernieling van

rust- of verblijfplaatsen indien daardoor de functionaliteit van de rust- of verblijfplaatsen

van de betrokken vleermuissoorten wordt aangetast. De Afdeling volgt deze interpretatie ten

aanzien van de in respectievelijk het tweede lid en het vierde lid van artikel 3.5 van de Wnb

neergelegde verboden.”

5.8.5.

Een verstoring van deze vliegroutes of dit foerageergebied kan een overtreding vormen van artikel 3.5 van de Wnb, tenzij blijkt dat de Meervleermuis voldoende mogelijkheden heeft om zich aan te passen aan deze verstoring zonder dat dit nadelige gevolgen heeft of dat door middel van maatregelen deze verstoring kan worden voorkomen. Uit de ter zitting door ecoloog Van der Heijden afgelegde verklaring, bevestigd door ecoloog Zweemer, dient te worden afgeleid dat er voor de Meervleermuis een alternatieve, niet ten gevolge van het evenement door lichtinval aangetaste route aan de zuidkant bestaat die naar De Kleine Wielen leidt. Een en ander is verduidelijkt aan de hand van een ter zitting door de gemachtigde van verzoekster meegebrachte detailkaart. Gelet hierop is er naar voorlopig oordeel een mogelijkheid om uit te wijken voor de Meervleermuis zonder dat die daarvan nadelige gevolgen zal ondervinden. Gegeven het feit dat de verstoring zich in het uiterst oostelijke gedeelte van de Kleine Wielen bevindt, het meest veraf van de verblijfplaats in Camminghaburen, is het ook niet aannemelijk dat er onvoldoende mogelijkheden zouden overblijven voor de Meervleermuis om te foerageren. Nu de mogelijke andere verblijfplaatsen (en aanvliegroutes) niet bekend zijn, blijft de beoordeling door de voorzieningenrechter beperkt tot genoemde verblijfplaats.

5.8.6.

Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 2 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 2 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder vvgb van derde-belanghebbende sub 2. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of een andere maatregel.

5.9.1.

Net als bij de soortenbescherming was, gegeven de hierboven beschreven bevoegdheidsverdeling, verweerder sub 2 gehouden om te beoordelen of een vvgb van GS nodig was.

5.9.2.

Duidelijk is dat het Natura 2000-gebied de Groote Wielen is aangewezen als habitat voor de Meervleermuis. Dat deze diersoort daar onbetwist geen verblijfplaats heeft, doet aan dat gegeven niet af. In artikel 2.7 van de Wnb is, voor zover hier van belang, bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van derde-belanghebbende sub 2 projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Vergunning kan slechts worden verleend indien is voldaan aan de voorwaarden die in artikel 2.8 van de Wnb worden genoemd.

5.9.3.

Zoals de voorzieningenrechter hierboven in een voorlopig oordeel heeft geconcludeerd is de oostelijke vliegroute, met inbegrip van het gedeelte dat over De Kleine Wielen leidt, naar het Natura 2000-gebied De Groote Wielen een essentiële vliegroute naar dit Natura 2000-gebied. Gelet op bovenstaande bepalingen had verweerder sub 2 moeten beoordelen of er een verstorend effect kan optreden. In het rapport dat ten grondslag ligt aan de ruimtelijke onderbouwing is onvoldoende ingegaan op de vraag welke vliegroutes er precies voor de Meervleermuis moeten worden aangehouden en of deze routes als essentiële vliegroutes in eerdergenoemde zin moeten worden beschouwd. Wel is onder verwijzing naar het door verweerder ingezonden lichtplan voor het evenement gesteld en ter zitting toegelicht dat het oostelijke gedeelte (de doorgang over het gemaal) en het gedeelte daarvoor (over De Kleine Wielen en verder) voldoende wordt afgeschermd tegen lichtinval.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het project mogelijk een significant verstorend effect hebben op de Meervleermuis waarvoor De Groote Wielen als habitat is aangewezen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat niet in geschil is dat het project kan leiden tot lichtuitstraling over (onder meer) De Kleine Wielen én op de oostelijke passage over het gemaal. Daarmee kan de toegang voor de Meervleermuis naar het Natura 2000-gebied (mogelijk) worden beperkt. De vraag of, en zo op welke wijze, deze mogelijke beperking toelaatbaar is en eventueel zou moeten worden gemitigeerd had daarom moeten worden onderzocht in het kader van een passende beoordeling. Gelet hierop heeft verweerder sub 2 in zoverre een onjuiste conclusie getrokken dat geen vvgb van derde-belanghebbende sub 2 nodig was. Nu die vvgb niet gevraagd en ook niet verleend is, was verweerder sub 2 niet bevoegd tot het verlenen van de onderhavige omgevingsvergunning.

5.9.4.

Voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningenrechter gelet op vorenstaande een voorlopige maatregel dient te treffen, zal de voorzieningenrechter een belangenafweging voltrekken. Daarbij is, gezien de bovenstaande context, vooral van belang of met een redelijke mate van zekerheid kan worden geconcludeerd dat er schade zal worden toegebracht aan de Meervleermuis in verhouding tot het Natura 2000-gebied De Grote Wielen.

5.9.5.

Op basis van hetgeen ecoloog Van der Heijden en ecoloog Zweemer ter zitting aan de hand van eerdergenoemde detailkaart naar voren hebben gebracht, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de Meervleermuis voldoende mogelijkheden blijft houden om te foerageren op De Groote Wielen, indien en voor zover de oostelijke passage voldoende wordt afgeschermd van lichtinval en ook wordt gegarandeerd dat de lichtinval over de rest van deze aanvliegroute, over De Kleine Wielen en verder, wordt beperkt tot een minimum. Alsdan blijft er namelijk voldoende ruimte over voor de Meervleermuis om uit te wijken. Aan de hand van het door verweerder ingebrachte lichtplan stelt de voorzieningenrechter vast dat vorenstaande voldoende is gegarandeerd, zodat de belangen van de Meervleermuis niet dusdanig in de knel komen dat schorsing van de vergunning voor het evenement in dit geval op zijn plaats zou zijn. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat door eerdergenoemde ecologen is verklaard dat de mogelijkheden om uit te wijken groter zijn dat de afgebeelde vliegroute op meergenoemde detailkaart doet vermoeden. Er wordt geen reden gezien aan deze verklaringen te twijfelen.

In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

Ten aanzien van de Roek

5.10.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat zich nesten van roeken in de bomen op het recreatieterrein De Groene Ster bevinden en dat die nesten jaarrond beschermd zijn.

5.10.2.

Uit het Bor volgt dat de ontheffing ten aanzien van artikel 3.5 (de soorten-bescherming) van de Wnb verplicht wordt aangehaakt tenzij afzonderlijk ontheffing/ vergunning aan derde-belanghebbende sub 2 is gevraagd of verkregen. In dit geval is de omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder sub 2. Daarbij is niet aangegeven dat een ontheffing of vergunning is, of wordt aangevraagd. Dan is het aan verweerder sub 2 om te beoordelen of een vvgb nodig is of niet. Niet in geschil is dat er natuurwaarden in het geding zijn en dat die beoordeeld moeten worden aan de hand van de vraag of een vvgb in het kader van de Wnb van derde-belanghebbende sub 2 noodzakelijk is. Die vraag is zoals eerder gezegd ook door verweerder sub 2 onder ogen gezien in de ruimtelijke onderbouwing en vervolgens op basis van het rapport “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden”, waarin is geconcludeerd dat een vvgb niet nodig is. Op basis daarvan heeft verweerder sub 2 geconcludeerd dat een vvgb van derde-belanghebbende sub 2 niet nodig is. Hierna zal de voorzieningenrechter in het kader van de soortenbescherming beoordelen of die conclusie terecht is.

5.10.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder sub 2 zich voor wat betreft de soortenbescherming van de Roek in dit geval ten onrechte op het standpunt gesteld dat een vvgb van derde-belanghebbende sub 2 niet nodig is. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat zich in de bomen op het recreatieterrein De Groene Ster nesten van de Roek bevinden en dat niet valt uit te sluiten dat er als gevolg van het geluid en de lichtuitstraling van het evenement "Welcome to the Village" verstoring van de (nesten van de) Roek zal (kunnen) plaatsvinden. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat aan de tijdelijke omgevingsvergunning voorschriften zijn verbonden om verstoring van de Roek te voorkomen en dat uit de ter zitting afgelegde verklaringen van ecoloog Van der Heijden en ecoloog Zweemer dient te worden afgeleid dat er voorzieningen kunnen worden getroffen om verstoring van de Roek te beperken dan wel te voorkomen. Gelet hierop heeft verweerder sub 2 naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet kunnen volstaan met de stelling dat van verstoring van de roek geen sprake is. Een vvgb had derhalve bij derde-belanghebbende sub 2 moeten worden aangevraagd. De voorzieningenrechter verwijst voor het overige kortheidshalve naar hetgeen in dit verband is overwogen ten aanzien van de Meervleermuis.

5.10.4.

Voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningenrechter een voorlopige maatregel dient te treffen moet de voorzieningenrechter een belangenafweging voltrekken.

Daarbij is, gezien de bovenstaande context, vooral van belang of met een redelijke mate van

zekerheid kan worden geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van een ontoelaatbare verstoring van de Roek.

5.10.5.

Ter zitting heeft ecoloog Van der Heijden met betrekking tot de Roek te kennen gegeven dat de (aangetroffen) Roeken ten tijde van het evenement "Welcome to the Village" uitgebroed zijn. Door verzoekers is dit niet gemotiveerd bestreden. Gesteld is slechts dat het broedseizoen van Roeken soms langer doorloopt dan tot medio juli. Ecoloog Zweemer heeft ter zitting echter naar voren gebracht dat Roeken in februari beginnen met broeden en dat zij geconstateerd heeft dat de op het evenemententerrein (aangetroffen) Roeken begin juni (ten tijde van het eerdere festival Promised Land) reeds waren uitgevlogen. Tijdens de recent gehouden schouw is dit bevestigd. Verder heeft zij er ter zitting op gewezen dat de bomen, waarin de nesten zich bevinden, niet op enige wijze door het evenement worden aangetast. Mocht tijdens de doorlopende monitoring door een ecoloog voor en tijdens het evenement blijken dat dit toch dreigt, dan zal het nest in de boom onmiddellijk worden afgeschermd. Ten slotte heeft deze ecoloog ter zitting aangegeven dat geluidgevoeligheid niet zozeer geldt voor Roeken. De praktijk heeft ook uitgewezen dat er ieder jaar Roeken terugkeren naar het in geding zijnde gebied.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van voornoemde ecologen. Hieruit volgt dat er in beginsel aanleiding bestaat om de verklaringen ter zitting van voornoemde ecologen te volgen. In hetgeen de gemachtigde van verzoekers met betrekking tot het kennisdocument voor wat betreft de wijze van het lokaliseren van Roeken naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de verklaringen van voornoemde ecologen voor onjuist te houden. Dit brengt met zich dat naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet is komen vast te staan dat er in dit geval sprake is van een ontoelaatbare verstoring van de Roek als gevolg van het evenement "Welcome to the Village". Onder die omstandigheden bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening of een voorlopige maatregel te treffen. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

Ten aanzien van de overige vleermuissoorten

5.11.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bij de overige vleermuizen om de navolgende soorten gaat:

- de gewone dwergvleermuis;

- de ruige dwergvleermuis;

- de Laatvlieger;

- de Rosse vleermuis; en,

- de Watervleermuis.

5.11.2.

Uit het Bor volgt dat de ontheffing ten aanzien van artikel 3.5 (de soorten-bescherming) van de Wnb verplicht wordt aangehaakt tenzij afzonderlijk ontheffing/ vergunning aan derde-belanghebbende sub 2 is gevraagd of verkregen. In dit geval is de omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder sub 2. Daarbij is niet aangegeven dat een ontheffing of vergunning is, of wordt aangevraagd. Dan is het aan verweerder sub 2 om te beoordelen of een vvgb nodig is of niet. Niet in geschil is dat er natuurwaarden in het geding zijn en dat die beoordeeld moeten worden aan de hand van de vraag of een vvgb in het kader van de Wnb van derde-belanghebbende sub 2 noodzakelijk is. Die vraag is ook door verweerder sub 2 onder ogen gezien in de ruimtelijke onderbouwing en vervolgens op basis van het rapport “Ecologische beoordeling van vier meerdaagse evenementen in 2018 in de Groene Ster te Leeuwarden”, waarin is geconcludeerd dat een vvgb niet nodig is. Op basis daarvan heeft verweerder sub 2 geconcludeerd dat een vvgb van derde-belanghebbende sub 2 niet nodig is. Hierna zal de voorzieningenrechter in het kader van de soortenbescherming beoordelen of die conclusie terecht is.

5.11.3.

Verweerder sub 2 stelt zich, onder verwijzing naar het ecologische rapport d.d.

17 mei 2018 dat deel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing, op het standpunt dat er van verstoring als gevolg van het evenement "Welcome to the Village" van de overige vleermuis-soorten geen sprake is, aangezien er geen verblijfplaatsen van vleermuissoorten op het recreatieterrein De Groene Ster zijn aangetroffen. Verder volgt volgens verweerder uit voormeld ecologisch rapport dat er op het recreatieterrein De Groene Ster geen essentiële vliegroutes van de overige vleermuissoorten zijn. Gelet hierop is verweerder sub 2 van mening dat in dit geval geen vvgb van derde-belanghebbende sub 2 vereist is.

5.11.4.

Verzoekers betogen, onder verwijzing naar een rapportage van Smit Groenadvies, dat verweerder sub 2 in dit geval onterecht tot de conclusie is gekomen dat een vvgb van derde-belanghebbende sub 2 niet nodig is, aangezien uit voormelde rapportage dient te worden afgeleid dat het recreatieterrein De Groene Ster en de zich daarop bevindende bomen geschikt zijn als verblijfplaats voor de overige vleermuissoorten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers naar voren gebracht dat er in dit geval geen onderzoek op grond van het Vleermuisprotocol heeft plaatsgevonden en dat uit de bevinding dat er gedurende een jaar geen vleermuizen worden aangetroffen, niet de conclusie kan worden getrokken dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen (meer) zijn.

5.11.5.

Tussen partijen is in geschil of de overige door verzoekers genoemde vleermuissoorten verblijfplaats hebben op het recreatieterrein van De Groene Ster. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting heeft ecoloog Zweemer verklaard dat er geen verblijfplaatsen van de overige vleermuissoorten op het recreatieterrein van De Groene Ster zijn aangetroffen. Deze verklaring is ter zitting bevestigd door ecoloog Van der Heijden. Gelet op beide verklaringen ter zitting en het gegeven dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de deskundigheid van voornoemde ecologen, moet het ervoor worden gehouden dat zich geen verblijfplaatsen van de overige vleermuissoorten op het recreatieterrein De Groene Ster bevinden. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de door verzoekers overgelegde rapportage van Smit Groenadvies niet kan worden afgeleid dat daadwerkelijk verblijfplaatsen van de overige vleermuissoorten op het recreatieterrein De Groene Ster zijn aangetroffen. Dat het door verzoekers genoemde protocol niet zou zijn gevolgd, maakt naar voorlopig oordeel niet dat wel verblijfplaatsen moeten worden aangenomen. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 2 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 2 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder vvgb van derde-belanghebbende sub 2. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of een andere maatregel.

Ten aanzien van de Noorse woelmuis en de Waterspitsmuis

5.12.

Tussen partijen is voorts in geschil of de Noorse woelmuis en de Waterspitsmuis zijn aangetroffen op het recreatieterrein van De Groene Ster en aldaar verblijfplaats hebben. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting heeft ecoloog Zweemer verklaard dat het recreatieterrein van De Groene Ster, gelet op onder meer de daarin voorkomende versnippering, ongeschikt is als habitat voor de Noorse woelmuis en dat die om die reden ook niet is aangetroffen. In aanvulling daarop heeft ecoloog Van der Heijden ter zitting naar voren gebracht dat de Noorse woelmuis een heel specifieke muissoort is, die gevoelig is voor een specifieke habitat. Verder heeft ecoloog Van der Heijden ter zitting aangegeven dat de Noorse woelmuis ook in het Natura 2000-gebied De Groote Wielen, dat specifiek als habitat voor deze muissoort is aangewezen en ingericht, niet is aangetroffen. Dit maakt te meer dat het zeer onaannemelijk is dat deze diersoort (wel) in het gebied van De Groene Ster voorkomt.

Daarnaast hebben beide ecologen ter zitting naar voren gebracht dat de Waterspitsmuis niet op het recreatieterrein De Groene Ster is aangetroffen, hetgeen door de gemachtigde van verzoekers ter zitting niet is weersproken. De door verzoekster genoemde omstandigheid dat dit mogelijk te maken heeft met het feit dat de oevers ten onrechte zijn gemaaid, doet aan vorenstaande bevinding niet af. Gelet op de verklaringen ter zitting en het gegeven dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de deskundigheid van voornoemde ecologen, moet het ervoor worden gehouden dat de Noorse woelmuis en de Waterspitsmuis niet zijn aangetroffen op het recreatieterrein De Groene Ster. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de door verzoekster overgelegde rapportage van Smit Groenadvies niet kan worden afgeleid dat de Noorse woelmuis en de Waterspitsmuis daadwerkelijk zijn aangetroffen op het recreatieterrein De Groene Ster. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder sub 2 terecht tot de conclusie is gekomen dat hier geen sprake is van een overtreding van artikel 3.5 van de Wnb, zodat verweerder sub 2 bevoegd was om in dit opzicht over te gaan tot het verlenen van de omgevingsvergunning zonder vvgb van derde-belanghebbende sub 2. Hier ligt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond voor het toewijzen van de gevraagde voorlopige voorziening of een andere maatregel. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

Geluidsontheffing

6.1.

Tussen partijen is geschil of verweerder sub 2 na een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een geluidsontheffing ten behoeve van het evenement heeft verleend. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.2.

Aan het bestreden besluit II heeft verweerder sub 2 ten grondslag gelegd dat in de geluidsontheffing voor het ten gehore brengen van muziek gedurende het evenement geluidsgrenswaarden zijn opgelegd die gelden op een zestal referentiepunten voor de in de ontheffing weergegeven data en periodes. Verweerder sub 2 heeft de aanvraag getoetst aan de Beleidsregel geluid en daarbij is gebleken dat uit het akoestisch onderzoek van DGMR volgt dat aan die normen kan worden voldaan. Verder wijst verweerder erop dat in voormelde Beleidsregel is aangesloten bij de Wm, de Nota “Evenementen met een luidruchtig karakter”, opgesteld door de Inspectie Milieuhygiëne Limburg (hierna: de Nota Evenementen) en eerdere gerechtelijke uitspraken.

6.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder, gelet op artikel 4:6 van de APV, in beginsel bevoegd is van het in dat artikel neergelegde verbod ontheffing te verlenen. Deze bevoegdheid kent een ruime beleidsvrijheid, waarbinnen verweerder de belangen die bij het verlenen van een ontheffing zijn betrokken tegen elkaar afweegt. Deze vrijheid om, binnen de grenzen van de wettelijke bepaling, naar eigen inzicht uitvoering te geven aan die bevoegdheid is echter niet onbeperkt, maar vindt zijn grens in een voor omwonenden qua geluid te bieden beschermingsniveau dat valt te kwalificeren als niet kennelijk onredelijk.

6.4.1.

De voorzieningenrechter vast dat verweerder de geluidsontheffing heeft verleend op basis van de Beleidsregel. Het uitgangspunt van de Beleidsregel is dat geen onduldbare overlast ontstaat in de woningen van omwonenden. Met de Beleidsregel beoogt verweerder (vrijwel) dezelfde bescherming te bieden als de landelijk als richtlijn aanvaarde Nota Evenementen. De Beleidsregel houdt in dat de organisator van het festival het volume van de verschillende podia/tenten zodanig dient aan te passen dat de geluidsdruk op de referentiepunten de vastgestelde geluidsgrenswaarden niet overschrijdt.

6.4.2.

De Nota Evenementen geeft een handreiking aan gemeenten voor het ontwikkelen van beleid ten aanzien van evenementen, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen dan wel beperken van ernstige en onduldbare geluidsoverlast. De Nota Evenementen richt zich daarbij op het waarborgen van de spraakverstaanbaarheid in de woning overdag en in de avond en het vermijden van slaapverstoring in de nacht.

Uitgangspunt van de Nota Evenementen is een normstelling die is gericht op bescherming van de binnenruimte van de in de omgeving gelegen geluidsgevoelige objecten tegen geluidshinder. Ook schetst de Nota Evenementen de gevolgen indien het geluid in de woning toeneemt. Indien het geluidsniveau binnen in de woning stijgt boven 40 dB(A) zal dat tot gevolg hebben dat de bewoners van die woning daardoor “luider” moeten gaan spreken om verstaanbaar te zijn. Een “stoor”geluid van 50 dB(A) in de woning is volgens de Nota Evenementen een dusdanige ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer, dat hier de grens zou moeten liggen van wat in redelijkheid van een omwonende gevraagd kan worden te accepteren. In de Nota Evenementen is een waarde van 50 dB(A) in de woning daarom aangemerkt als de grens waarboven een geluid als “onduldbaar” moet worden gekwalificeerd. De kwalificatie van de hinder bij de verschillende overschrijdingen van het referentieniveau binnen in de woning en van de overschrijding van de absolute waarde van 50 dB(A), is opgenomen in de ‘Hinderkwalificatietabel’ op bladzijde 7 van de Nota Evenementen. Omdat de achtergrondniveaus in woningen nogal kunnen variëren, wordt in het algemeen uitgegaan van een vaste waarde van 35 dB(A) etmaalwaarde, zoals in tabel 1 op bladzijde 8 van de Nota Evenementen is aangegeven. Rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 à 25 dB(A) leidt deze benadering volgens de Nota Evenementen tot maximaal toelaatbare gevelbelastingen, berekend volgens één-minuut LAeq, zoals die in tabel 2 op bladzijde 9 van de Nota Evenementen zijn aangegeven. Een overschrijding van de absolute waarde van 50 dB(A) in de woning, wordt in deze tabel geclassificeerd als onduldbare overlast.

Indien de geluidsisolatie van gevels lager is dan volgens de waarden in de bovengenoemde tabel, kunnen de geluidsgrenswaarden voor de maximale gevelbelasting volgens de Nota Evenementen worden verlaagd met 5 tot 10 dB. Andersom geldt dat indien de geluidsisolatie hoger is, de waarden kunnen worden verhoogd. Dit maakt dat inzicht in de akoestische eigenschappen van de gevels van woningen, zoals de mate van isolatie, kierdichting e.d., relevant is voor de door verweerder op te leggen geluidsnormen.

Voor het bereiken van de mentale belastbaarheidsgrens voor personen zijn volgens de Nota Evenementen naast de mate van de geluidshinder per evenement, ook factoren zoals het aantal muziekevenementen per jaar en het aantal dagen per muziekevenement van belang.

6.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met de verwijzing naar de Beleidsregel geluid en de Nota Evenementen in dit geval geen kennelijk onredelijke invulling van zijn beleidsvrijheid gegeven. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van 13 juli 2016 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2016:1976.

7.1.

Verzoekers betogen dat het DGMR-rapport met betrekking tot evenementen in De Groene Ster ondeugdelijk is. In dit verband wijzen verzoekers erop dat DGMR op pagina 10 van dit rapport stelt dat ‘House’ het spectrum is dat de festivals in de Groene Ster produceren. Omdat de verschillen tussen dB(A) en dB(C) voor alle drie de evenementen tussen het dance en het house spectrum zouden liggen. Vervolgens wordt dat spectrum gebruikt om berekeningen uit te voeren en de geluidgrenswaarden op te baseren. Uit de toelichting in de bijlage van het rapport blijkt volgens verzoekers echter de fout in deze aanname. Uit metingen van de gemeente (Munisense) en inschattingen van DGMR zelf blijkt dat ‘Front of House (hierna: FoH) het spectrum van de drie evenementen wisselt tussen house en ultra Bass. In de visie van verzoekers probeert DGMR dit te verdoezelen door het gemiddelde geluidsniveau van drie podia per festival te bepalen en vervolgens een drog-redenering op te hangen over extrapolatie van FoH naar de bron. Volgens de richtlijnen van de Nederlandse Stichting Geluid (hierna: de NSG) moet naar de mening van verzoekers voor het bepalen van een spectrum van een evenement ten minste tien metingen op het FoH worden verricht. En volgens de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) en de NSG moet voor het bepalen van de mate van overlast voor omwonenden gerekend worden met het worst case scenario. Dat betekent in de visie van verzoekers dat in dit geval gebruik moet worden gemaakt van het spectrum ultra bass. Datzelfde volgt volgens verzoekers ook uit de conclusie in een eerdere uitspraak van deze rechtbank dat de geluidgrenswaarden op de gevel gezien moeten worden als “never exceed”. Verder betogen verzoekers dat verweerder sub 2 sinds 2017 een andere strategie hanteert: er wordt FoH een maximum niveau aan dB(C) vergund. Dat niveau is berekend uit de maximale waarde voor dB(A) waarbij dan 10 dB wordt opgeteld. Dat betekent dat voor ieder evenement, voor de main stage en vaak ook voor het tweede podium, maximaal vergund wordt met 103 dB(A) en 113 dB(C) FoH. En dat betekent in de visie van verzoekers dat ‘de dB(C) niet meer meereist’ op de rug van de dB(A). Er kunnen volgens verzoekers dus veel grotere verschillen tussen de dB(A) en dB(C) ontstaan dan onder de vroeger vergunde verschilwaarden. De bastonen overheersen naar de mening van verzoekers veel meer dan bij de vorige stijl van dB(C) vergunnen en mogen bovendien ’s nachts even luid blijven klinken waardoor er veel meer hinder voor omwonenden ontstaat.

7.2.

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar voormelde rapportage van DGMR en een uitspraak van 23 december 2015 van de AbRvS, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2015:3940, op het standpunt dat de gehanteerde geluidsnorm van 70 db(C) op de gevel van de woning van verzoekster sub 1.a. niet zal leiden tot onduldbare hinder en om die reden niet als onredelijk kan worden beschouwd.

7.3.1.

De voorzieningenrechter beperkt zich tot de vraag of onduldbare hinder ontstaat door het evenement. Vervolgens wordt voorop gesteld dat verzoekster sub 1.b., zoals ter zitting door de gemachtigde is erkend, statutair thans niet opkomt als het gaat om het stellen van geluidsnormen op de gevel van de omliggende geluidsgevoelige woningen. Of verzoekster sub 1.b. in dat verband als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure derhalve in het midden blijven.

7.3.2.

Gelet op rechtsoverweging 7.1. blijven twee verzoekers over voor wat betreft de door verweerder sub 2 gehanteerde geluidsnorm van 70 dB(C) op de gevel van woningen. In dit verband stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker sub 1.c. op een dusdanige afstand van het evenemententerrein van "Welcome to the Village" in Camminghaburen woont dat kan worden getwijfeld aan zijn belanghebbendheid in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kan in ieder geval worden geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de door verweerder gehanteerde geluidsnorm in voormelde zin voor wat betreft verzoeker sub 1.c. geen onduldbare hinder oplevert. Door verzoeker sub 1.c. is dit ook niet gemotiveerd gesteld.

In het geval van verzoekster sub 1.a. stelt de voorzieningenrechter voorop dat er een aanbod van derde-belanghebbende sub 1ligt om (vervangende) huisvesting in een hotel of appartement te regelen tijdens het evenement "Welcome to the Village". Deze kosten komen volledig voor rekening van derde belanghebbende sub 1. Ter zitting is aangegeven dat verzoekster sub 1.a. daarvan om haar moverende redenen geen gebruik wil maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van verzoekster sub 1.a. absolute beletselen daartoe niet aannemelijk gemaakt. Vorenstaande neemt niet weg dat het verzoekster sub 1.a. (uiteraard) vrij staat om geen gebruik te willen maken van voormeld aanbod, maar in het kader van de te verrichten belangenafweging maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel dat het belang van derde-belanghebbende sub 1. zwaarder weegt. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de in rechtsoverweging 7.2. genoemde jurisprudentie van de AbRvS naar voorlopig oordeel kan worden afgeleid dat de door verweerder gehanteerde geluidsnorm van 70 dB(C) op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw in zijn algemeenheid als aanvaardbaar wordt beschouwd door de AbRvS in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Gelet hierop heeft verzoekster sub 1.a. naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter met het maken van kritische kanttekeningen bij het rapport van DGMR niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder sub 2 gehanteerde geluidsnorm van 70 dB(C) op de gevel van haar woning zal leiden tot slaapverstoring en/of ontwaakreacties. Een rapport ter onderbouwing daarvan is ook niet ingebracht, terwijl verzoekster sub 1.a. geen metingen door verweerder in haar woning wil toestaan.Van onduldbare hinder in de zin van de Nota Evenementen is in dit geval niet gebleken, zodat er in zoverre geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening of een voorlopige maatregel te treffen. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

Evenementenvergunning

8.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder sub 1 in dit geval in redelijkheid een evenementenvergunning voor het evenement in De Groene Ster heeft kunnen verlenen. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

8.2.

Aan het bestreden besluit I heeft verweerder sub 1 ten grondslag gelegd dat de aanvraag om een evenementenvergunning in dit geval voldoet aan de in artikel 2:25c van de APV gestelde eisen en dat de organisator ook voldoet aan de gestelde vereisten uit artikel 2:25d van de APV. Derhalve is er volgens verweerder sub 1 geen sprake van een dwingende weigeringsgrond. In de visie van verweerder is er daarnaast geen sprake van onevenredigheid in de belangenafweging. Door plaatsing op de Evenementenkalender wordt met het evenement "Welcome to the Village" rekening gehouden. Volgens verweerder sub 1 bieden het draaiboek en de vergunningsvoorwaarden voldoende waarborgen voor een goed verloop van het evenement. Het festival past binnen de (aangepaste) omgevingsvergunning voor strijdig gebruik en de aard van het festival is niet zodanig dat die zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie in relatie tot de bescherming van de openbare orde en veiligheid.

8.3.

Verzoekers betogen dat door het verlenen van de evenementenvergunning een onevenredig beslag op het recreatiegebied De Groene Ster wordt gelegd. In dit verband wijzen verzoekers, onder verwijzing naar een rapportage met betrekking tot een cultuurhistorisch onderzoek, erop dat er zowel een onevenredig beslag op de ruimte wordt gelegd (artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV) als dat de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie (artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV).

8.4.

Verweerder sub 1 stelt zich, onder verwijzing naar een uitspraak van 1 juli 2015 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), kenbaar uit ECLI:NL: RVS:2015:2028, op het standpunt dat artikel 2:25g is geplaatst in hoofdstuk 2 van de APV, met het opschrift “Openbare Orde” en dat gezien de plaats van deze bepaling in de APV een evenementenvergunning slechts in verband met de openbare orde en veiligheid kan worden geweigerd. Louter ruimtelijke belangen kunnen niet aan de verlening van de evenementenvergunning in de weg staan. Naar de mening van verweerder sub 1 is de weigeringsgrond, als bedoeld in artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV, niet van toepassing. Overigens wijst verweerder sub 1 erop dat er ten behoeve van het afwijkend gebruik van de gronden van het recreatiegebied De Groene Ster een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan drie meerdaagse festivals per kalenderjaar kunnen worden georganiseerd. Ten aanzien van de geschiktheid van de ondergrond/bodem dan wel de geschiktheid van het terrein voor festivals geldt volgens verweerder dat dit afwegingen zijn die in het kader van de omgevingsvergunning aan bod zijn geweest.

8.5.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in artikel 2:25g, in samenhang gelezen met artikel 1:8 van de APV, neergelegde vergunningenstelsel strekt ter bescherming van specifiek genoemde belangen (vgl. AbRvS, 13 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT3708). Bij zijn besluitvorming om wel of geen evenementenvergunning te verlenen, dient verweerder sub 1 rekening te houden met de betrokken algemene belangen, de belangen van aanvrager en van de omwonenden in het licht van artikel 1:8 van de APV, in samenhang gelezen met artikel 2:25g, tweede lid, van de APV. De rechter dient zich bij de beoordeling van de belangenafweging terughoudend op te stellen en dient te toetsen of het bestreden besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel dat sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder sub 1 niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. In het kader van artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c, dient de rechtbank te beoordelen of verweerder sub 1 zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het evenement niet in strijd is met het karakter of de bestemming van de locatie. Artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden gelezen in het kader van de belangen die de APV beoogt te beschermen, te weten (handhaving van) de openbare orde. Gelet hierop wordt onder het begrip bestemming in artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV niet de bestemming in de zin van het bestemmingsplan verstaan (vgl. AbRvS, 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2028). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder sub 1 zich, gelet op het beoordelingskader en de aan hem toekomende beoordelingsruimte, op het standpunt kunnen stellen dat het evenement niet in strijd is met het karakter of de bestemming van de locatie. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het karakter of de bestemming van de locatie niet zal leiden tot problemen in het kader van de openbare orde en/of de openbare veiligheid. De verwijzing van verzoekers naar de uitkomsten van het in opdracht van hen verrichte cultuurhistorisch onderzoek leiden naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een andere conclusie. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit voormeld onderzoek niet kan worden afgeleid dat het organiseren van het evenement in de Groene Ster tot zodanige problemen in het kader van de openbare orde en/of de openbare veiligheid leidt dat verweerder sub 1 in het kader van de door hem te verrichten belangenafweging tot weigering van de evenementen-vergunning had dienen over te gaan. In zoverre kan aan voormeld onderzoek niet de waarde worden toegekend, die verzoekers eraan gehecht wensen te zien. In zoverre slaagt deze grond van verzoekers niet.

Conclusie

9. Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter, na afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening of een voorlopige maatregel te treffen. De verzoeken daartoe worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

10. Uitsluitend ter toelichting van partijen wijst de voorzieningenrechter erop dat de gemachtigde van verweerder sub 1 en verweerder sub 2 ter zitting heeft toegezegd dat er binnen de wettelijke termijn op de bezwaarschriften van verzoekers zal worden beslist.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

De griffier is

buiten staat te tekenen De voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: