Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2861

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
18/730502-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte terzake een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte heeft op de openbare weg een 15-jarig meisje naar de grond toe gewerkt, haar bij haar paardenstaart vast gepakt en haar meerdere keren met haar gezicht tegen het trottoir geslagen. Vervolgens heeft verdachte het meisje een vuistslag in het gezicht gegeven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730502-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 november 2017, 8 februari 2018 en 10 juli 2018. Op 13 november 2017 is verdachte ter terechtzitting verschenen bijgestaan door mr. Buitenhuis. Bij vonnis van 27 november 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Nadat de zaak op 8 februari 2018 pro forma op zitting heeft gestaan, is deze op 10 juli 2018 inhoudelijk behandeld.

Verdachte is op 10 juli 2018 niet ter terechtzitting verschenen; wel is verschenen

mr. B. van der Veen, advocaat te Drachten, die heeft verklaard uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Franeker, gemeente Franekeradeel, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] opzettelijk

- op de grond heeft geduwd/getrokken en/of

- terwijl zij op de grond lag bij haar haren en/of gezicht heeft gepakt en

(meermalen) met haar gezicht en/of hoofd op het trottoir en/of de grond heeft

geslagen/geduwd en/of

- terwijl zij op de grond lag (meermalen) met de vuist in/tegen het gezicht

en/of hoofd heeft gestompt/geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Franeker, gemeente Franekeradeel,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

- op de grond heeft geduwd/getrokken en/of

- terwijl zij op de grond lag bij haar haar en/of gezicht heeft gepakt en

(meermalen) met haar gezicht en/of hoofd op het trottoir en/of de grond heeft

geslagen/geduwd en/of

- terwijl zij op de grond lag (meermalen) met de vuist in/tegen het gezicht

en/of hoofd heeft gestompt/geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de handelwijze van verdachte niet kan worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.

26 oktober 2016, opgenomen op pagina 16 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-20163048304 d.d. 4 november 2016, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer] .

Bewijsoverweging

Een strafbare poging is aanwezig als er een begin van uitvoering aangenomen kan worden. Of daarvan sprake is hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Indien uit de verklaringen van een verdachte niet blijkt wat zijn of haar bedoeling was, kan de uiterlijke verschijningsvorm doorslaggevend zijn voor het aannemen van een begin van uitvoering.

Uit de opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangeefster meermalen met haar hoofd tegen het trottoir en de grond heeft geslagen. De algemene ervaring is dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het menselijk lichaam betreft en een verwonding daaraan gemakkelijk tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. De kans dat aangeefster als gevolg van het - door de verdachte - slaan van haar hoofd tegen het trottoir en de grond zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, is om die reden dan ook aanmerkelijk te achten.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, te weten het slaan van het hoofd van aangeefster tegen het trottoir en de grond, naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer als een begin van uitvoering van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aangemerkt kan worden dat het, behoudens contra-indicaties, die in het onderhavige geval niet zijn gebleken, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg -zwaar lichamelijk letsel- heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 25 oktober 2016 te Franeker, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] opzettelijk

- op de grond heeft geduwd en

- terwijl zij op de grond lag bij haar haren heeft gepakt en meermalen met haar gezicht op het trottoir en de grond heeft geslagen en

- terwijl zij op de grond lag met de vuist in het gezicht heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen gronden aanwezig zijn voor het aannemen van volledige ontoerekeningsvatbaarheid of psychische overmacht. De officier van justitie acht op grond van het dossier, alsmede op grond van de indruk die verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt, verdachte wel verminderd toerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat uit het dossier blijkt dat er sprake was van een psychische verwardheid en dat verdachte mogelijk ontoerekeningsvatbaar is. Hoewel er geen rapportages betreffende de persoon van verdachte voorhanden zijn, spreekt de psychiater, bij de opname van verdachte in het kader van de Wet BOPZ, van een paranoïde schizofreen toestandsbeeld. Indien de rechtbank verdachte ontoerekeningsvatbaar acht, dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Subsidiair doet de raadsvrouw een beroep op psychische overmacht.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte is, nadat zij door de politie is gehoord ter zake van het onderhavige feit, op grond van de Wet BOPZ wegens haar psychische toestand enige tijd opgenomen geweest in de GGZ-instelling het Jelgershuis te Leeuwarden. Op een uitnodiging voor een trajectconsult door een psychiater van het NIFP is verdachte niet verschenen. Dit zelfde geldt voor een uitnodiging van de reclassering ten behoeve van het opmaken van een voorlichtingsrapport. Uit de inhoud van een schrijven van de reclassering d.d. 4 september 2017, blijkt dat de piketadvocaat mr. Y. van der Pol heeft aangegeven dat verdachte psychisch niet in staat was om op korte termijn met de reclassering te praten over het ten laste gelegde.

Bij vonnis van 27 november 2017 heeft de rechtbank de behandeling aangehouden voor het opmaken van psychologische- en een psychiatrische rapportage. Ook aan het opstellen van deze rapportages heeft verdachte niet meegewerkt. Verdachte heeft aangegeven dat er niets met haar aan de hand is.

Gelet op het voorgaande, op grond van het dossier en de indruk die de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen, heeft de rechtbank sterk de indruk dat er sprake is van psychiatrische problematiek bij verdachte. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte vanwege deze psychiatrische problematiek in verminderde mate in staat was de reikwijdte van haar handelen en de gevolgen daarvan te overzien. De rechtbank is van oordeel dat het bewezenverklaarde aan verdachte om die reden kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Door de verdediging is voorts een beroep gedaan op psychische overmacht. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Psychische overmacht veronderstelt de aanwezigheid van een psychische stoornis. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat een dergelijke stoornis niet is vastgesteld. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging, nu er te weinig grondslag is voor het aannemen van een psychische stoornis bij verdachte.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangegeven de eis van de officier van justitie niet passend te vinden. De raadsvrouw heeft de rechtbank in overweging gegeven om, in plaats van een gevangenisstraf, een taakstraf op te leggen. Hoewel de reclassering het vermoeden heeft uitgesproken dat verdachte een eventuele taakstraf niet zal gaan uitvoeren, omdat verdachte niet reageert op oproepen van de reclassering, heeft de moeder van verdachte aangegeven dat zij er op zal toezien dat verdachte haar taakstraf zal gaan verrichten. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Zelf is verdachte van mening dat het feit moet worden afgedaan met een geldboete.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft op de openbare weg een 15-jarig meisje naar de grond toe gewerkt, haar bij haar paardenstaart vast gepakt en haar meerdere keren met haar gezicht tegen het trottoir geslagen. Vervolgens heeft verdachte het meisje een vuistslag in het gezicht gegeven. Verdachte heeft door haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het minderjarige slachtoffer en heeft haar pijn en letsel toegebracht. Voor het slachtoffer is dit een beangstigende situatie geweest, zoals blijkt uit de toelichting bij haar verzoek om schadevergoeding. Bovendien kan een dergelijk feit tot angstgevoelens leiden en andere nadelige gevolgen hebben, zowel voor het slachtoffer als voor omstanders die met het feit geconfronteerd zijn.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte na dit feit onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit, gepleegd in 2012.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet voor een taakstraf in aanmerking komt omdat zij, gelet op haar opstelling tot op heden, net als de reclassering, er geen vertrouwen in heeft dat verdachte een taakstraf naar behoren zal gaan vervullen. Tot nog toe is verdachte immers geen enkele afspraak met de reclassering, psycholoog en psychiater nagekomen. Ook is verdachte niet ter terechtzitting van 10 juli 2018 verschenen waarop de mogelijkheid van een eventueel op te leggen taakstraf besproken had kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat, ook met het oog op de ernst van het feit, een - deels - onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank hanteert daarbij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is het uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste twee maanden wordt opgelegd. Tegen deze achtergrond en ter bescherming van het publieke domein acht de rechtbank een gevangenisstraf een passende modaliteit. Een andere strafmodaliteit doet geen recht aan de ernst van het feit. Voorts ziet de rechtbank aanleiding, gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en om verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw vergelijkbare feiten te plegen, verdachte een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf voor de duur van acht weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal deze straf overnemen. Voorts zal de rechtbank bepalen dat de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, hiervan zal worden afgetrokken.

Benadeelde partij

[slachtoffer] , vertegenwoordigd door haar wettelijke vertegenwoordiger [naam] , heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit tot niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij, wegens de reeds door haar bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 oktober 2016.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: éénduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. C.H. Beuker en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2018.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.