Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2780

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
830501-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het plegen van ontuchtige handelingen bij een 21-jarige medewerkster. Ondersteunend bewijs voor de aangifte gevonden in de getuigenverklaringen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830501-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[Verdachte] ,

geboren op [Geboortedatum] te [Geboorteplaats 1] ,

wonende te [Woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.W. van der Zee, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 augustus 2015 te Winneweer, in de gemeente Ten Boer, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [Slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:

- het betasten van de ontblote vagina van die [Slachtoffer] en/of

- het betasten van en/of knijpen in de borsten van die [Slachtoffer] en/of

- het (tong)zoenen met die [Slachtoffer]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het:

- bij de arm(en) pakken van die [Slachtoffer] en/of

- doorgaan met het (tong)zoenen van die [Slachtoffer] , terwijl zij (telkens) haar hoofd wegdraaide en/of

- versperren van de doorgang voor die [Slachtoffer] toen zij probeerde weg te komen en/of

- slaan van een arm om die [Slachtoffer] en/of het (vervolgens) naar zich toe trekken van die [Slachtoffer] en/of

- ( telkens) doorgaan met het plegen van voornoemde handeling(en), terwijl die [Slachtoffer] zei dat hij, verdachte, moest stoppen en/of probeerde om zich uit de greep van verdachte te bevrijden en/of weg te komen en/of (aldus) aangaf dat zij voornoemde handeling (en) niet wilde en/of

- gebruikmaken van zijn, verdachtes, psychisch en/of fysiek overwicht op die [Slachtoffer] , gezien zijn, verdachtes, postuur en/of het leeftijdsverschil met die [Slachtoffer] en/of zijn, verdachtes, positie als leidinggevende en/of vertrouwenspersoon van die [Slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat geen van de getuigen specifieke details benoemt over dat wat zich op 15 augustus 2015 rond 13.00 uur in de keuken van het eetcafé heeft afgespeeld. Niemand noemt man en paard, zodat de aangifte, die maanden na het incident is gedaan, niet door een andere bron wordt bevestigd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 2 juli 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 15 augustus 2015 waren aangeefster en ik aan het begin van de middag in de keuken van mijn eetcafé te Winneweer. Aangeefster had vlooienbeetjes ter hoogte van haar zij of heup en liet mij die zien. Daartoe maakte zij haar broek los en liet die een beetje zakken.

Ik word inderdaad ook wel ‘ [Bijnaam] ’ genoemd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2016 inclusief bijlage, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2015328011 d.d. 17 november 2016, inhoudende als verklaring van [Slachtoffer] :

Op zaterdag 15 augustus 2015 vroeg [Bijnaam] of ik mee wilde helpen en dat wilde ik wel. Hij heet officieel [Verdachte]. Ik had last van vlooienbeten. Op enig moment kreeg ik ze ook onder aan mijn buik rechts. Rond 13 uur vroeg [Bijnaam] of ik nog steeds veel jeuk had. Ik had ze net boven mijn tattoo en liet zien waar ik de beten had zitten. Ik deed mijn broeksband een beetje naar beneden en mijn shirtje een heel klein beetje omhoog. Toen ging hij tegen over mij staan en toen zei hij: "Geef mij eens een lekkere kus", ik zei: "Nee." Hij zei: "Ach, doe niet zo gek geef eens even een lekkere kus". Hij pakte mij bij mijn bovenarmen en toen begon hij mij te zoenen, heel vies met zijn tong. Ik draaide de hele tijd mijn hoofd weg omdat ik het niet wilde. Ik zei ook steeds dat ik het niet wilde. Hij ging met zijn hand in mijn broek. Omdat ik steeds ook tegen hem praatte, stond mijn mond een beetje open kon hij met zijn tong naar binnen gaan in mijn mond. Als zijn tong in mijn mond zat lebberde hij met zijn tong. Ik zei dat hij moest stoppen maar daar trok hij zich niets van aan. Hij pakte mij met zijn linkerhand vast. Met zijn rechterhand ging hij mijn broek naar binnen. De hand zat onder mijn onderbroek. Hij zat met zijn vingertoppen bij mijn clitoris. Ik probeerde weg te komen en probeerde zijn hand los te krijgen. Toen ik los kwam wilde ik via het kookeiland naar de deur van het café gaan. Maar toen ik om het kookeiland liep stond [Bijnaam] ook al aan de andere kant en versperde mij de weg naar de deur. We stonden toen weer recht tegen over elkaar. Toen pakte hij mij bij de schouders en zei hij: "Doe niet zo gek, geef me gewoon eens een kus." Ik zei toen: "Nee, dat wil ik niet". Hij sloeg toen zijn rechterarm om mij heen, hij is groter dan mij. Hij trok mij naar zich toe. Ik zat klem tussen zijn rechterarm en zijn buik. Hij probeerde mij te zoenen, maar ik draaide de hele tijd mijn hoofd om. Zijn tong raakte hierbij mijn lippen en mijn hoofd. Tegelijkertijd wreef hij met zijn vrije linkerhand over mijn borsten en kneep er in. Het was heel wild allemaal. Toen stopte hij met wrijven/ kneden in mijn borsten en ging hij met zijn linkerhand weer mijn

broek in en kwam hij net boven mijn clitoris. Ik werd wilder en opeens gleed zijn rechterarm van mijn schouder en toen kwam ik los. Ik ben toen naar buiten gerend.

bijlage:

WhatsApp-berichten tussen aangeefster (A) en [Bekende 1] (B) d.d. 15 augustus 2015.

A (13.00 uur): "Nog even een kop koffie?"

B (13.00 uur): "Kom er straks zo aan x"

A (13.02 uur): "Okay””
A (13.35 uur): “ [Bekende 1] hoaat ben je hier ongeveer!!!??? Ik moet echt met je praten !!"

A (13.35 uur): " [Bekende 1] kom pleassee!"

A (13.36 uur): "Er is net iets heel raats gebeurd. (…)"

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 juli 2016, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [Bekende 1] :

[Bijnaam] is wel 180 kilo denk ik. Op 15 augustus 2015 belde [Slachtoffer] mij om zo snel mogelijk naar het eetcafé te komen. Toen ik aankwam, kon ik zien dat [Slachtoffer] gehuild had. Toen ze me vertelde wat er was gebeurd, moest ze weer huilen. Ze heeft gezegd dat [Bijnaam] aan haar had gezeten op een manier, zoals dat niet hoort. Zoals het altijd was tussen ons, [Slachtoffer] , [Verdachte] , [Bekende 2] en ikzelf dan is het altijd wel een keer aanraken, ouwehoeren, tik op de billen. Zo gaan we normaal met elkaar om. Maar nu moest ze huilen. Dan is er dus meer gebeurd dan dat.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 juli 2016, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [Getuige] :

Ik ben de vader van [Slachtoffer] . Mijn vrouw kreeg van [Bekende 2] (rb: de vrouw van verdachte) te horen wat [Verdachte] had gedaan. Toen was het al 3 of 4 weken geleden. De volgende dag wilde ik het met [Verdachte] bespreken. Ik heb tegen hem gezegd: "Wat heb jij toen en toen gedaan?" [Verdachte] zei toen: "Ik heb wat gedaan, het was gezellig en ik had teveel bier gehad." Hij zei dat het allemaal wel wat mee viel. Hij zei dat hij wat biertjes had gedronken. Maar gaf daarna ook toe dat hij te ver was gegaan.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat zowel aangeefster als verdachte verklaart over een incident dat heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2015 in de keuken van het eetcafé van verdachte, waar aangeefster kind aan huis was en ook met regelmaat werkzaam was. Over de aard van het incident hebben aangeefster en verdachte een andere lezing. Verdachte betwist de feiten zoals in de aangifte vermeld en stelt dat aangeefster kwaad was over een opmerking die hij maakte naar aanleiding van de door haar ontblote tattoo op haar bovenbeen. Verder is er volgens verdachte niets gebeurd.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Niet alleen komt deze overeen met de eerder door aangeefster gegeven lezing in een informatief gesprek met de politie, dat zes weken voorafgaand aan de aangifte plaatsvond, ook is de verklaring consistent, concreet en gedetailleerd. Dit geldt zowel voor de gestelde opeenvolgende handelingen als voor hetgeen is gezegd. Dat de aangeefster uiteindelijk besloten heeft pas maanden na het incident over te gaan tot het doen van aangifte doet aan het voorgaande niet af. Aangeefster heeft ook uitgelegd dat daarbij een rol heeft gespeeld dat zij bang was voor de consequenties die het doen van aangifte zou kunnen hebben voor de onderlinge relaties in de vriendenkring. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster mitsdien bruikbaar voor het bewijs. De suggestie van verdachte dat sprake is van een valse aangifte, die gedreven zou zijn door het verkrijgen van een schadevergoeding van verdachte, wordt door de rechtbank als onvoldoende aannemelijk terzijde geschoven.

Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebbende jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd ondersteuning vinden in een of meer andere bewijsmiddelen. In dat licht bezien is het navolgende van belang.

Aangeefster heeft verklaard dat zij direct nadat het tenlastegelegde heeft plaats gehad, via WhatsApp contact heeft gehad met getuige [Bekende 1] . Dit stemt overeen met de verklaring die [Bekende 1] heeft gegeven en blijkt uit de bij de aangifte gevoegde WhatsApp-berichten. [Bekende 1] heeft voorts verklaard dat hij kon zien dat aangeefster had gehuild en dat zij opnieuw huilde toen zij vertelde wat er was gebeurd. [Bekende 1] is van beide betrokkenen een goede bekende en wordt (mede) om die reden een betrouwbare getuige geacht. De gemoedstoestand van aangeefster alsook de urgentie die doorklinkt in de toonzetting van haar WhatsApp-berichten aan [Bekende 1] passen bij een gebeurtenis zoals door aangeefster is beschreven. Uit de verklaring van getuige [Getuige] , de vader van aangeefster, over wie verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het een betrouwbare man is, blijkt dat verdachte tegenover hem heeft verklaard dat hij, verdachte, wat heeft gedaan en te ver is gegaan bij aangeefster. Dat verdachte hiermee alleen heeft willen aangeven dat hij geen opmerking over die tattoo had moeten maken en de keuken had moeten uitgaan, zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk, zeker gelet op de (onder andere) door [Bekende 1] omschreven vrije omgang die gebruikelijk was in het eetcafé.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de in de aangifte omschreven handelingen voldoende steun vinden in de verklaringen van [Bekende 1] en [Slachtoffer] en dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 15 augustus 2015 te Winneweer, in de gemeente Ten Boer, door een feitelijkheid [Slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:

- het betasten van de ontblote vagina van die [Slachtoffer] en

- het betasten van en knijpen in de borsten van die [Slachtoffer] en

- het tongzoenen met die [Slachtoffer]

en bestaande die andere feitelijkheden uit het:

- bij de armen pakken van die [Slachtoffer] en

- doorgaan met het tongzoenen van die [Slachtoffer] , terwijl zij telkens haar hoofd wegdraaide en

- het versperren van de doorgang voor die [Slachtoffer] toen zij probeerde weg te komen en

- het slaan van een arm om die [Slachtoffer] en het vervolgens naar zich toe trekken van die [Slachtoffer] en

- telkens doorgaan met het plegen van voornoemde handelingen, terwijl die [Slachtoffer] zei dat hij, verdachte, moest stoppen en probeerde om zich uit de greep van verdachte te bevrijden en weg te komen en aldus aangaf dat zij voornoemde handelingen niet wilde en

- gebruikmaken van zijn, verdachtes, fysiek overwicht op die [Slachtoffer] , gezien zijn, verdachtes, postuur.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring komt, gepleit voor een taakstraf, waarop in mindering wordt gebracht de tijd die verdachte in verzekering is gesteld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding, door een destijds 21-jarige medewerkster van zijn eetcafé tegen haar wil te tongzoenen en haar borsten en vagina te betasten, ook nadat zij meerdere keren uitdrukkelijk in woord en gebaar blijk gaf van haar afkeer hiervan en vele malen heeft geroepen dat hij moest stoppen. Door op deze manier te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Aangeefster is sinds haar veertiende kind aan huis in het eetcafé, waar zij sindsdien hand- en spandiensten verrichtte. Zij had een warme vriendschappelijke band met verdachte en vertrouwde hem. Zij zag hem als haar opa. Dit vertrouwen is door het grensoverschrijdende gedrag van verdachte dusdanig beschadigd dat aangeefster haar werkzaamheden in het eetcafé heeft gestaakt en geen omgang meer met verdachte wil. Dat verdachte de aanranding hardnekkig blijft ontkennen, en zodoende geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, rekent de rechtbank hem ook aan.

Het bewezenverklaarde levert een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op als bedoeld in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de omstandigheden dat het bij zoenen en betasten is gebleven, verdachte first offender is en geruime tijd is verstreken sinds aangifte is gedaan, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf evenwel niet passend. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf.

Benadeelde partij

[Slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [Slachtoffer] moet worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen. De vordering is te ingewikkeld om in een strafzaak te behandelen. De vordering is bovendien niet deugdelijk onderbouwd, nu een medische verklaring, althans een causaal verband tussen het medicijngebruik van [Slachtoffer] dat de huisarts heeft voorgeschreven en de vermeende gedragingen van verdachte, ontbreekt. Het feitencomplex in de aangehaalde jurisprudentie wijkt substantieel af van het feitencomplex in de onderhavige zaak, zodat deze niet als graadmeter kan dienen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 600,-. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 22b, 22c, 22d, 36f, 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 30 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 600,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] te betalen een bedrag van € 600,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 600,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. J. Edgar, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2018.