Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2764

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
18/730187-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het bezit van kinderporno, een poging tot vervaardigen van kinderporno en het heimelijk filmen in douche- en kleedruimtes. Gelet op persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn zwakbegaafdheid, is verdachte tot taakstraf veroordeeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 240b
Wetboek van Strafrecht 139f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730187-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[Verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [Geboorteplaats] ,

wonende te [Woonplaats] aan [Woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het jaar 2010 en/of het jaar 2011 en/of het jaar 2012 en/of het jaar 2013 en/of het jaar 2014 en/of het jaar 2015 en/of het jaar 2016 (tot en met 6 december 2016) te [plaatsnaam] , in elk geval in de gemeente [gemeentenaam] , en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens een of meer afbeelding(en), te weten (digitale) fotobestanden en/of (digitale) filmbestanden op een 4-tal gegevensdragers (te weten de/een

harde schijf/schijven van een computer en/of een externe harddisc en/of een SD-kaart en/of (de geheugenkaart van) een GSM-telefoontoestel) heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of heeft verspreid en/of heeft aangeboden en/of openlijk heeft tentoongesteld en/of heeft vervaardigd en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) een of meer seksuele gedraging(en) zichtbaar was/waren, waarbij (telkens) een of meer personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het met de/een vinger/hand en/of voorwerp en/of mond/tong vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

- het met de/een vinger/hand en/of voorwerp en/of mond/tong vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

- het met een vinger/hand en/of een voorwerp vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf en/of

- het met de vinger/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de

geslachtsdelen, de billen en/of de borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18

jaren nog niet had bereikt en/of

- het met de vinger/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen, de billen en/of de borsten van een (andere) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- het met een vinger/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen. de billen en/of de borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt bij zichzelf en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp, te weten en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling en/of

- het masturberen boven/bij het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt;

2.

hij op of omstreeks 3 december 2016 te [plaatsnaam 2] , in elk geval in de gemeente [gemeentenaam] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een doucheruimte (in een woning gelegen aan of bij de [Woonadres 2] ) meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meerdere afbeeldingen,

te weten (een) filmbestand(en) en/of filmafbeelding(en) en/of een gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten filmbestanden en/of filmafbeeldingen, van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had

bereikt, is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken te vervaardigen, met dat opzet,

voordat twee minderjarige personen, te weten [Slachtoffer 1] , geboren op [Geboortedatum 2] , en/of [Slachtoffer 2] , geboren op [Geboortedatum 3] , zich in die woning naar die doucheruimte begaven,

(heimelijk) een (digitaal) filmopname-apparaat, te weten een zogenoemde camerapen, in die doucheruimte heeft geplaats en vervolgens dat (digitale) filmopname-apparaat in werking heeft gesteld, kennelijk met het doel die personen, die leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, geheel of gedeeltelijk naakt te filmen en waarbij, door de plaats waar verdachte het filmopname-apparaat in die doucheruimte heeft geplaatst, het kennelijk verdachtes bedoeling was nadrukkelijk het/de (ontblote) geslachtsde(e)l(en) en/of de/een borst(en) en/of billen van die minderjarige personen in beeld te brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 december 2016 te [plaatsnaam 2] , in elk geval in de gemeente [gemeentenaam] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

gebruik makende van een technisch hulpmiddel (een zogenoemde camerapen), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer (minderjarige) perso(o)n(en), te weten [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] , aanwezig in (een douchruimte van) een woning (te weten een woning gelegen aan of bij de de [Woonadres 2] ) een of meer afbeelding(en) te vervaardigen, met dat opzet en wederrechtelijk, voordat die (minderjarige) personen, te weten [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] zich in die woning naar die doucheruimte begaven, (heimelijk) een (digitaal) filmopname-apparaat, te weten een zogenoemde camerapen, in die doucheruimte (onder een spons en/of onder in een kastje en/of onder de wasbak, in elk geval onopvallend) heeft geplaats en vervolgens dat (digitale) filmopname-apparaat in werking heeft gesteld, kennelijk met het doel die (minderjarige) personen geheel of gedeeltelijk naakt te filmen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende de maanden augustus 2016 tot december 2016, in elk geval in het jaar 2016 (tot en met 3 december 2016) te [plaatsnaam 2] , in elk geval in de gemeente [gemeentenaam] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel (een film-/fotocamera en/of een of meerdere andere technische voorziening(en) van een telefoontoestel), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer (minderjarige) perso(o)n(en), te weten [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] , aanwezig in een woning, gelegen aan of bij de [Woonadres 2] in een douche-/toiletruimte in die woning, een of meer afbeelding(en) ((een) fotobestand(en) en/of filmbestand(en)) heeft vervaardigd;

4.

hij in of omstreeks de periode omvattende de maanden november 2016 en/of december 2016, in elk geval in het jaar 2016, te [plaatsnaam] , in elk geval in de gemeente [gemeentenaam] , in elk geval in Nederland, gebruik makende van een technisch hulpmiddel (foto- en/of filmapparatuur), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt,

opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer perso(o)n(en), te weten (onder meer) [Slachtoffer 3] , aanwezig op een (andere) niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de (dames)kleedkamer van de voetbalvereniging [plaatsnaam] , een of meer afbeelding(en) (te weten een of meer fotobestand(en) en/of filmbestand(en)) heeft vervaardigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, voor zover het betreft het vervaardigen en het openlijk tentoonstellen van kinderporno. De periode waarin het overige ten laste gelegde zou hebben plaats gehad is niet vastgesteld en enkel gebaseerd op de verklaring van verdachte, terwijl die periode met een eenvoudige handeling ('één klik op de knop') achterhaald had kunnen worden. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd.

Feit 2

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de poging van verdachte om twee minderjarige meisjes die aan het douchen waren te filmen geen poging tot het vervaardigen van kinderporno betreft. Er zijn slechts statische, kortstondige beelden gemaakt. De meisjes namen geen expliciet seksuele poses aan, de nadruk van de beelden ligt niet op de geslachtsdelen, de meisjes verbleven slechts kortstondig in de doucheruimte en verdachte heeft geen invloed gehad op het gedrag van de meisjes. De filmopnamen bieden geen grond voor het opwekken van enige seksuele prikkeling. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing hiervan een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 maart 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:2161) aangehaald.

Feit 3

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat [Slachtoffer 1] en/ of [Slachtoffer 2] op een andere datum dan op 3 december 2016 zijn gefilmd. Voor het overige is geen bewijs voorhanden en dient vrijspraak te volgen.

Feit 4

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat eenmaal is gefilmd door verdachte, zodat de pleegdatum niet in beide ten laste gelegde maanden valt, maar slechts in één van de twee ten laste gelegde maanden kan vallen. Voor het overige heeft zij zich gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde feit 1 (met uitzondering van de periode) met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 februari 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016343399 d.d. 2 juni 2017, inhoudende de beschrijving van de digitale film- en fotobestanden die zijn aangetroffen op een viertal gegevensdragers die onder verdachte in beslag zijn genomen.

Ten aanzien van de periode van feit 1 past de rechtbank, naast de hierboven opgegeven bewijsmiddelen, het volgende bewijsmiddel toe die de voor de bewezenverklaarde periode redengevende feiten en omstandigheden bevat zoals hieronder zakelijk weergegeven:

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 maart 2017, opgenomen op pagina 144 e.v. van voornoemd proces-verbaal van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van verdachte:
10 jaar geleden of zo. [Ontvanger] kwam toen wel eens met die filmpjes en zo. En toen ben ik daar in mee gegaan. Die filmpjes die op mijn computer staan, jullie noemen het kinderporno. Ik heb 1 computer, die heb ik ongeveer 7 a 8 jaar.

Feiten 2 en 3

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2018, inhoudende:

Ik heb de camerapen op 3 december 2016 in de doucheruimte van [Vader slachtoffer 1] neergelegd. Het was mijn bedoeling om [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] te filmen en om de beelden aan [Ontvanger] te geven. Hij had eerder beelden van hen gezien op mijn telefoon en wilde betere beelden van hen hebben;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2016, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016343399 d.d. 2 juni 2017, inhoudende als verklaring van [Moeder slachtoffer 2] :

Ik ben de moeder van [Slachtoffer 2] . Zij is geboren op [Geboortedatum 2] . [Slachtoffer 2] logeerde van 3 op 4 december 2016 bij [Slachtoffer 1] en haar vader [Vader slachtoffer 1] . [Slachtoffer 2] vertelde dat een vriend van de vader op visite kwam, [Verdachte] . [Verdachte] was naar de wc gegaan en [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] gingen direct daarna onder de douche. Ze kwamen toen al heel snel terug met die pen. Toen hebben ze hem uit elkaar gehaald. Uit de pen viel een sd-kaartje. Die hebben [Vader slachtoffer 1] , mijn partner [Partner moeder] en ik bekeken en we zagen dat er drie films en twee foto's op stonden. Ik heb aan [Vader slachtoffer 1] gevraagd wie die man was die in beeld kwam. [Vader slachtoffer 1] zei dat dit [Verdachte] was. Het waren drie filmpjes. Ik heb de indruk dat die filmpjes direct achter elkaar zijn opgenomen. Je ziet dat het beeld donker wordt, kennelijk gaat het licht in de badkamer uit. Je hoort duidelijk de stem van [Slachtoffer 2] . [Vader slachtoffer 1] zei dat het zijn badkamer was. Je hoort op een gegeven moment [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] met elkaar praten;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 december 2016, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende als verklaring van [Vader slachtoffer 1] :

Ik ben de vader van [Slachtoffer 1] . Zij is geboren op [Geboortedatum 3] . Ik woon aan de [Woonadres 2] te [plaatsnaam 2] . Op 3 december 2016 logeerde [Slachtoffer 2] bij [Slachtoffer 1] . [Verdachte] en ik zaten gezellig bij elkaar. [Verdachte] waste zijn hoofd in de douche. Ik zei tegen [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] dat zij ook naar de douche moesten om zich schoon te maken. [Verdachte] was inmiddels weer in de huiskamer en de dames waren in de douche. Toen ze klaar waren met douchen, vonden ze onder een spons een camera. [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] gaven me een soort pen;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 februari 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de beschrijving van de digitale film- en fotobestanden die zijn aangetroffen op een viertal gegevensdragers die onder verdachte in beslag zijn genomen.

Feit 4

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde feit 4 met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 maart 2017, opgenomen op pagina 89 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [Slachtoffer 4] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 maart 2017, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [Slachtoffer 3] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Feit 1

Tien jaar geleden kwam verdachte naar eigen zeggen door toedoen van ene [Ontvanger] in aanraking met kinderporno, waarna [Ontvanger] bestanden van kinderpornografische aard op de harde schijf van verdachte heeft geplaatst. Ook heeft verdachte uit eigen beweging afbeeldingen van kinderpornografische aard gedownload. Op de computer van verdachte, die hij zeven of acht jaar geleden nieuw heeft gekocht en waar uitsluitend hijzelf gebruik van maakte, is kinderpornografisch materiaal aangetroffen. Weliswaar valt niet te achterhalen welk bestand hij op welk moment heeft verworven, maar vast staat wel dat verdachte in de ten laste gelegde periode kinderpornografisch materiaal in bezit had. De rechtbank zal het verweer van de raadsvrouw op dit punt passeren. Verdachte zal worden vrijgesproken voor zover het betreft het openlijk tentoonstellen en verspreiden.

Feit 2

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op verzoek van voornoemde [Ontvanger] een filmpje heeft gemaakt van de minderjarige [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , waarbij hij de camera heeft gericht op het douchegedeelte en daarmee op hun naaktheid. Anders dan in de door de raadsvrouw aangehaalde rechtspraak, is niet gebleken dat het zicht op wat door de camera werd vastgelegd aanzienlijk werd beperkt door omgevingsfactoren. Verdachte wist voordat hij zijn camerapen plaatste dat de meisjes minderjarig waren. Gelet op de belangstelling van verdachte en [Ontvanger] voor kinderporno, staat het voor de rechtbank vast dat het filmpje was bedoeld ter opwekking van hun seksuele prikkeling. Het filmpje heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank een onmiskenbaar seksuele strekking, zodat het verweer van de raadsvrouw wordt gepasseerd.

Feit 3

De rechtbank volgt de raadsvrouw in haar stelling dat enkel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het heimelijk filmen van [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] op 3 december 2016. Verdachte zal worden vrijgesproken voor de periode anders dan 3 december 2016.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de jaren 2010 en/of 2011 en/of 2012 en/of 2013 en/of 2014 en/of 2015 en/of 2016 (tot en met 6 december 2016) te [plaatsnaam] meermalen fotobestanden en filmbestanden op een 4-tal gegevensdragers (te weten een harde schijf van een computer en een externe harddisc en een SD-kaart en (de geheugenkaart van) een GSM-telefoontoestel) heeft verworven en in bezit heeft gehad en/of heeft verspreid en/of heeft aangeboden en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeeldingen een of meer seksuele gedragingen zichtbaar waren, waarbij telkens een of meer personen die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met de vinger/hand en/of voorwerp en/of mond/tong vaginaal penetreren van het lichaam

- van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

- van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of

- door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt bij zichzelf

(bestandsnaam: [bestandsnaam 1] .jpg)

en

het met de vinger/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen, de billen en/of de borsten:

- van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- van een andere persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt bij zichzelf

(bestandsnaam: [bestandsnaam 2] .avi)

en

het geheel of gedeeltelijk naakt poseren door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding op een wijze die niet bij haar leeftijd past en/of waarbij deze persoon zich vervolgens in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar kleding ontdoet en/of waarna door het camerastandpunt, de onnatuurlijke pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's/film(s) nadrukkelijk het ontblote geslachtsdeel, de borsten en/of billen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding aldus telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(bestandsnaam: [bestandsnaam 3] .jpg)

en

het masturberen boven/bij het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestandsnaam: [bestandsnaam 4] .avi);

2.

hij op 3 december 2016 te [plaatsnaam 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een doucheruimte in een woning gelegen aan [Woonadres 2]

een of meerdere afbeeldingen, te weten een filmbestand en/of filmafbeeldingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt is betrokken of schijnbaar is betrokken te vervaardigen, met dat opzet, voordat twee minderjarige personen, te weten [Slachtoffer 1] , geboren op [Geboortedatum 2] , en [Slachtoffer 2] , geboren op [Geboortedatum 3] , zich in die woning naar die doucheruimte begaven, heimelijk een digitaal filmopname-apparaat, te weten een zogenoemde camerapen, in die doucheruimte heeft geplaatst en vervolgens dat digitale filmopname-apparaat in werking heeft gesteld, kennelijk met het doel die personen, die leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, geheel of gedeeltelijk naakt te filmen en waarbij, door de plaats waar verdachte het filmopname-apparaat in die doucheruimte heeft geplaatst, het kennelijk verdachtes bedoeling was nadrukkelijk de ontblote geslachtsdelen en de borsten en billen van die minderjarige personen in beeld te brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 3 december 2016 te [plaatsnaam 2] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel (een film-/fotocamera), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van meer minderjarige personen, te weten [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] , aanwezig in een woning, gelegen aan de [Woonadres 2] , in een douche-/toiletruimte in die woning, afbeeldingen (filmbestand(en)) heeft vervaardigd;

4.

hij in de maand november 2016 of december 2016, in elk geval in het jaar 2016, te [plaatsnaam] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel (foto- en/of filmapparatuur), waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van meer personen, te weten onder meer [Slachtoffer 3] , aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in de dameskleedkamer van de voetbalvereniging [plaatsnaam] , afbeeldingen (te weten een of meer fotobestanden en/of filmbestanden) heeft vervaardigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij

iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt heeft, is betrokken

of schijnbaar is betrokken, verspreiden/ aanbieden/ in bezit hebben/ met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen;

2. poging tot het vervaardigen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij
iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken
of schijnbaar is betrokken;

3. en 4. gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op

duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon,

aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats,

een afbeelding vervaardigen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geadviseerd alsook een contactverbod.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf met oplegging van reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. Verdachte kent een laag ontwikkelingsniveau en zijn persoonlijkheid wijkt om die reden sterk af van dat van een gemiddeld persoon. Verdachte is makkelijk te beïnvloeden door zijn omgeving. Niet onaannemelijk is dat [Ontvanger] van die eigenschap misbruik heeft gemaakt. Verdachte is een zogenoemde first offender en hij heeft direct nadat hij is aangehouden psychische bijstand gezocht en gekregen. Zijn behandelaar schat het recidiverisico laag in. Sinds verdachte in staat van beschuldiging is gesteld, hebben mensen in zijn omgeving het op hem gemunt: verdachte wordt getreiterd en zijn eigendommen worden beschadigd. Ook is hij zijn baan kwijtgeraakt. Ten slotte voert de raadsvrouw aan dat verdachte, gelet op zijn persoonlijkheid, niet moet worden overvraagd, zodat het opleggen en uitvoeren van een taakstraf of gevangenisstraf niet gewenst is.

De feiten 2 en 3 betreffen dezelfde gedraging. Slechts de strafoplegging van één van deze bepalingen mag worden toegepast, nu het een eendaadse samenloop betreft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op vier gegevensdragers van verdachte zijn in totaal ruim 4.000 afbeeldingen (foto's en filmpjes) van kinderporno aangetroffen. Verdachte heeft hierover verklaard dat [Ontvanger] een aantal van die bestanden op de externe harde schijf van verdachte heeft geplaatst en dat verdachte zelf via het internet bestanden heeft gedownload en met [Ontvanger] heeft gedeeld. Het bezit van kinderporno is zonder meer kwalijk, met name omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. In veel gevallen lopen de kinderen die hieraan worden blootgesteld grote psychische schade op, hetgeen ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Door deze bestanden te verwerven en te verspreiden, ook al is dit slechts aan één persoon zoals door verdachte is aangevoerd, en door zijn poging om kinderporno te vervaardigen, heeft verdachte bijgedragen aan het aanbod van kinderporno en het in standhouden van het circuit daaromheen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Verdachte heeft verklaard dat hij heimelijke filmopnames van naakte (minderjarige) meisjes wilde maken als een tegenprestatie voor genoemde [Ontvanger] , van wie verdachte zelf ook kinderporno had ontvangen. Verdachte is met dat doel en voorzien van een camerapen naar een vriend, de vader van één van de twee minderjarige meisjes, gegaan. Door deze meisjes in de woning van één van hen heimelijk te filmen in een afgeschermde en voor hun vertrouwde ruimte, heeft verdachte een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit; datzelfde geldt voor het filmen van de jongedames van het voetbalteam in hun kleedkamer. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan. Omdat sprake is van ééndaadse samenloop van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten past de rechtbank wat dit betreft de strafbepaling toe waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. In dit geval betreft dat de poging tot het vervaardigen van kinderporno.

Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, zou gelet op de ernst van de feiten in beginsel passend zijn. De rechtbank houdt echter ook rekening met de volgende omstandigheden.

Verdachte is niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte een verstandelijk beperkte jongeman is, die beïnvloedbaar is, moeilijk aansluiting vindt bij anderen en zich in een sociaal isolement bevindt. Gelet op de kwetsbare persoonlijkheid van verdachte geeft de reclassering aan niet te kunnen uitsluiten dat verdachte in de toekomst weer met justitie in aanraking komt. De reclassering acht het daarom van belang dat het inmiddels in vrijwillig kader ingezette behandeltraject wordt voortgezet en adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder oplegging van een meldplicht, ambulante behandelverplichting en een verplichting mee te werken aan controle van gegevensdragers.

Gelet op de persoon van verdachte, zoals blijkt uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter terechtzitting, is de rechtbank van oordeel dat bij het opleggen van een straf de nadruk dient te liggen op voorkoming van recidive waarbij van belang is dat verdachte de behandeling bij de AFPN voortzet en wordt begeleid door de reclassering. De rechtbank ziet hierin aanleiding aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd door verdachte reeds in verzekering doorgebracht, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Voor het opleggen van het gevorderde contactverbod met aangeefsters ziet de rechtbank geen aanleiding, nu inmiddels anderhalf jaar is verstreken zonder dat zich op initiatief van verdachte incidenten hebben voorgedaan.

Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet worden volstaan met een (bijna) geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zodat de rechtbank daarnaast aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van maximale duur zal opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een camerapen met SD-kaart, een computerkast, een mobiele telefoon en een externe harde schijf, aan het verkeer worden onttrokken.

De rechtbank acht deze goederen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met behulp van deze goederen de feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [Slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 32,48 ter zake van materiële schade en € 650,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [Slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 42,67 ter vergoeding van materiële schade en € 650,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [Slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 37,86 ter vergoeding van materiële schade en € 650,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 4] voor toewijzing gereed liggen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoekstra dient in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij zich niet heeft herkend op de ten laste gelegde afbeeldingen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering van [Slachtoffer 3] onvoldoende is onderbouwd, zodat deze zal moeten worden afgewezen.

[Slachtoffer 4] en [Slachtoffer 5] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, nu zij geen partij in het geding zijn. In het geval [Slachtoffer 4] wel geacht wordt partij te zijn, dient haar vordering te worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

In het geval de vorderingen worden toegewezen, zullen zij voor wat betreft de immateriële schade naar billijkheid moeten worden gematigd tot € 500,- per benadeelde partij.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 4] schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De materiële schade van € 32,48 respectievelijk € 42,67 zal worden toegewezen. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de immateriële schade wordt geschat op € 500,- per benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die benadeelde partijen [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 4] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan benadeelde partij [Slachtoffer 5] door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade toegebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 139f, 240b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk op 23 juli 2018 meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden.

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van AFPN Groningen of Forensische Polikliniek GGZ Friesland of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/ behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan het controleren van zijn gegevensdragers als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte verder tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen computer (merkloos), mobiele telefoon (Sony), externe harde schijf (Western Digital) en camerapen met SD-kaart.

Ten aanzien van 18/730187-17, feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 532,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [Slachtoffer 3] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 532,48, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 32,48 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730187-17, feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 542,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [Slachtoffer 4] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 542,67, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 42,67 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730187-17, feit 4:

Verklaart de benadeelde partij [Slachtoffer 5] niet ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Edgar, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. P.H.M. Tapper-Wessels, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juli 2018.