Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2739

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
18/930234-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt schuldig verklaard aan overtreding art. 6 WWV: rechter past art. 9a Sr toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930234-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 4 januari 2017, te Ruinen, althans in de gemeente De

Wolden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig,

te weten een personenauto, merk: Opel, kenteken [kenteken] , daarmede rijdende

over de weg N375 zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, met de door haar bestuurde personenauto slingerend te rijden en/of

(vervolgens) van de voor haar, verdachte bestemde rijstrook af te wijken en/of

op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan met een personenauto,

merk Hyundai, bestuurd door [slachtoffer 1] , waardoor aan genoemde [slachtoffer 1] en/of aan [slachtoffer 2] , bestuurder van

eveneens bij het ongeval betrokken personenauto, merk BMW, zwaar lichamelijk

letsel, te weten aan [slachtoffer 1] een verbrijzeld been en/of aan [slachtoffer 2] een

gebroken duim, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan;

Subsidiair

zij op of omstreeks 4 januari 2017, te Ruinen, gemeente De Wolden, als

bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Opel), daarmee rijdende op de

weg, N375, met de door haar bestuurde personenauto slingerend heeft gereden

en/of en/of (vervolgens) van de voor haar, verdachte bestemde rijstrook af is

geweken en/of op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer is gaan

rijden, tengevolge waarvan een aanrijding/botsing is ontstaan met een haar, verdachte,

tegemoetkomende personenauto, merk: Hyundai, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert veroordeling voor het primair ten laste gelegde. Volgens de officier van justitie is sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig rijden omdat verdachte gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Er is voorts sprake van zwaar lichamelijk letsel bij twee slachtoffers.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het primair ten laste gelegde wettig overtuigend bewezen is. Volgens de raadsman is sprake van de lichtste vorm van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Uit de bewijsmiddelen kan voldoende worden afgeleid dat verdachte deels op de verkeerde weghelft terecht is gekomen en zij – niet frontaal – in botsing is gekomen met een tegenligger. Voor het slingerend rijden door verdachte is geen verkeersreden. Er is geen sprake van een van buitenaf komende prikkeling. Uit de rapportage kan niet worden afgeleid dat het medicijngebruik van verdachte invloed heeft gehad op de rijvaardigheid.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 juni 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 1 februari 2017, met nummer 140118001112;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 19 april 2017 met nummer PL0100-2017004859-9;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 9 januari 2017, opgenomen op pagina 20 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017004859 d.d. 20 maart 2017.

Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag. De rechtbank acht van belang dat uit het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse samengevat blijkt dat verdachte op de N375 reed en met haar auto op de linker weghelft terecht is gekomen waardoor zij met het linker voorwiel botste tegen de haar tegemoetkomende auto. De getuigen [getuige] en [slachtoffer 2] verklaren beide dat zij achter de Opel Corsa van verdachte reden en zagen dat zij slingerend reed. Getuige [getuige] verklaart daarbij dat een tegenligger met vier wielen de berm in moest om verdachte te ontwijken. Getuige [slachtoffer 2] zag dat de Opel Corsa van verdachte heel snel naar links ging en daarbij voor een vijfde deel op de andere weghelft kwam waarna de Opel Corsa in botsing kwam met de tegenligger. Getuige [slachtoffer 2] heeft daarnaast verklaard, kort gezegd, dat hij - gedurende de tijdsspanne dat hij achter verdachte reed - meerdere keren slingerbewegingen heeft waargenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit rijgedrag – het meermaals slingeren op de weg en op de linker weghelft rijden – van verdachte moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Zij op 4 januari 2017 te Ruinen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk: Opel, kenteken [kenteken] , daarmede rijdende over de weg N375 zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig, met de door haar bestuurde personenauto slingerend te rijden en vervolgens van de voor haar, verdachte bestemde rijstrook af te wijken en op de rijstrook bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, tengevolge waarvan een aanrijding is ontstaan met een personenauto, merk Hyundai, bestuurd door [slachtoffer 1] , waardoor aan genoemde [slachtoffer 1] en aan [slachtoffer 2] , bestuurder van eveneens bij het ongeval betrokken personenauto, merk BMW, zwaar lichamelijk letsel, te weten aan [slachtoffer 1] een verbrijzeld been en aan [slachtoffer 2] een gebroken duim, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uur.

Standpunt van de verdediging

De raadsman pleit primair voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair een geheel voorwaardelijke taakstraf met proeftijd. De raadsman betoogt dat de oplegging van een straf gelet op de omstandigheden en de persoon van de verdachte geen toegevoegde waarde heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over haar opgemaakte reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 4 januari 2017 heeft verdachte op de N375 richting Meppel een verkeersongeluk veroorzaakt waarbij zij, na enige tijd slingerend te hebben gereden, op de linker weghelft terecht is gekomen en vervolgens tegen haar tegenligger is gebotst. Door het ongeluk heeft slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een hersenschudding en een verbrijzeld been, waarvan hij geruime tijd heeft moeten herstellen. Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft zijn duim gebroken en ribben gekneusd.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte direct na de aanrijding heeft gevraagd naar de gezondheidstoestand van de slachtoffers en ook daarna contact heeft gezocht en gehad met de slachtoffers. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] komt naar voren dat verdachte zich tegen hem correct heeft opgesteld en hij geen wrok koestert tegen verdachte.

Uit het reclasseringsrapport van 14 december 2017 blijkt dat verdachte al ruim 5 jaar lijdt aan een chronische depressie. Volgens de reclassering kan verdachte zich het ongeluk bijna niet meer herinneren maar neemt zij verantwoordelijkheid voor hetgeen er gebeurd is en heeft zij actie ondernomen in de richting van de slachtoffers. Verdachte heeft last van schuldgevoelens en vindt het niet meer verantwoord dat zij haar rijbewijs weer haalt. Ook ter terechtzitting is gebleken dat verdachte nog altijd emotioneel zeer diep is getroffen door hetgeen zij heeft aangericht bij de slachtoffers.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte haar rijbewijs heeft ingeleverd en dat zij niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Gezien bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van straf of maatregel niet geboden, omdat zij van oordeel is dat hiermee in casu geen strafdoel is gediend. Noch vanuit het oogpunt van vergelding, noch vanuit het oogpunt van preventie heeft een straf in deze zaak toegevoegde waarde. De rechtbank zal daarom verdachte met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Uitspraak

De rechtbank verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 juli 2018.