Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2731

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1760
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting café op grond van artikel 13b van de Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/1760

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te Kollumerzwaag, verzoekster

(gemachtigde: S. Meijer),

en

De burgemeester van de gemeente Kollumerland, verweerder

(gemachtigde: mr. I. van der Meer).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2018, verzonden op 13 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de horecagelegenheid Café Prins van verzoekster (hierna: het café) te sluiten voor een periode van zes maanden, ingaande op de achtste dag na de dag van de verzending van het besluit om 24.00 uur.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit op 20 juni 2018 bezwaar gemaakt. Zij heeft op die dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft op 21 juni 2018 een uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft op dat moment geen aanleiding gezien om over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Namens verzoekster [naam 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts zijn verschenen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is namens verweerder [naam 5] verschenen.

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter heeft op 21 juni 2018 een uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft op dat moment geen aanleiding gezien om over te gaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Na dit bij wijze van ordemaatregel afgewezen verzoek om op dat moment een voorlopige voorziening te treffen zal de voorzieningenrechter thans beoordelen of toch aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij brief van 29 juni 2017 heeft verweerder aan verzoekster laten weten dat verweerder op 15 maart 2017 een bestuurlijke rapportage van de politie eenheid Noord Nederland (hierna: de politie) heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat een aantal incidenten heeft plaatsgevonden in of gerelateerd aan het horecabedrijf van verzoekster. Verweerder heeft verzoekster gewaarschuwd dat er de komende tijd meer toezicht zal zijn en, indien er geen verbetering komt in de wijze waarop verzoekster het café exploiteert en er incidenten blijven plaatsvinden, dat verweerder zal overwegen om gebruik te maken van de bevoegdheid op grond van artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening om de horecagelegenheid voor een bepaalde periode te sluiten.

1.3

Verzoekster heeft schriftelijk op de waarschuwing gereageerd. Op 1 november 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden. Tijdens het gesprek is gesproken over het drugsgebruik in het café.

1.4

Op 18 januari 2018 is door verweerder aan verzoekster per e-mailbericht kenbaar gemaakt dat er verklaringen zijn dat drugs worden verkocht in het café. In het e-mailbericht is verder aangegeven dat verzoekster zelf maatregelen kan treffen zonder dat handhaving van gemeente of politie nodig is.

1.5

Uit een bestuurlijke rapportage van 29 maart 2018, ondertekend door de politie op 15 mei 2018, blijkt, voor zover hier van belang, dat de politie naar aanleiding van klachten over drugsgebruik en de handel in (hard)drugs in het geografische gebied van Noordoost Fryslân in februari 2018 een onderzoeksteam heeft samengesteld. Uit tactische verklaringen die door de politie werden afgenomen bleek dat een persoon zich zou bezig houden met het verstrekken van harddrugs over een langere periode en dat hij dit onder andere zou doen vanuit het café. Naar aanleiding van de binnengekomen informatie werd verder onderzoek gedaan naar die persoon en het café. In de bestuurlijke rapportage wordt geconcludeerd dat de incidenten en wanordelijkheden in en rondom het café na de waarschuwingsbrief van 29 juni 2017 zijn doorgegaan. In de bestuurlijke rapportage wordt gewezen op processen-verbaal van verhoor, getuige en processen-verbaal van bevindingen van de politie met betrekking tot het café. De informatie is afkomstig uit de politiesystemen, waaronder uit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en is (zoveel mogelijk) letterlijk overgenomen. De genoemde BVH-nummers verwijzen naar de bron van de informatie. De namen van betrokkenen, getuigen en of verdachten zijn geanonimiseerd maar bekend bij de politie. Tot slot wordt in de bestuurlijke rapportage opgemerkt dat alleen de beschikbare informatie na 1 augustus 2017 is gebruikt in het onderzoek.

1.6

Bij besluit van 6 juni 2018 heeft verweerder besloten het café van verzoekster te sluiten voor een periode van zes maanden. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd, kort weergegeven, dat verweerder na een bestuurlijke rapportage van de politie verzoekster op 29 juni 2017 schriftelijk heeft gewaarschuwd. Uit een tweede bestuurlijke rapportage blijkt dat in het café voor langere periode harddrugs (cocaïne) werden verstrekt aan bezoekers, dat er alcoholhoudende dranken worden verstrekt aan minderjarigen en dat er daarom sprake is van verstoring van de openbare orde en ernstige bedreiging van de gezondheid. Volgens het besluit is de sluiting gericht op het beëindigen en beëindigd houden van de handel en aanwezigheid van drugs in het café en het herstel van het nadelige effect daarvan op de openbare orde en gezondheid. Verweerder baseert het besluit op artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidsnotitie handhaving op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

1.7

Verzoekster is het niet eens met de sluiting van het café en heeft bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen. Dat verzoek ligt ter beoordeling van de voorzieningenrechter voor.

2.1

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.2

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.3

In het handhavingsarrangement van de burgemeesters van een aantal gemeenten, waaronder de burgemeester van Kollumerland, gepubliceerd in het gemeenteblad op 4 november 2015, is weergegeven dat in het geval gemeenten worden geconfronteerd met illegale verkooppunten van verdovende middelen dat artikel 13b van de Opiumwet als het instrument kan dienen om bestuurlijk op te treden tegen deze illegale verkooppunten. Daarbij is gebleken dat het wenselijk is om beleidsregels te formuleren ten aanzien van de toepassing van deze bevoegdheid.

2.4

Volgens de in het handhavingsarrangement genoemde handhavingsmatrix wordt een lokaal bij de eerste overtreding met harddrugs gesloten voor maximaal zes maanden. In de toelichting op de handhavingsmatrix is aangegeven dat een onderscheid wordt gemaakt tussen soft- en harddrugs en tussen woningen en lokalen. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet is dit onderscheid niet noodzakelijk maar op basis van het proportionaliteitsbeginsel is het wel wenselijk. Vooral als het gaat om woningen kan een sluiting verregaande gevolgen hebben. Vandaar dat pas bij de tweede overtreding tot sluiting wordt overgegaan. De duur van de sluiting is afhankelijk van het feit of het softdrugs of harddrugs betreft. Sluiting van een pand of lokaal vindt pas plaats nadat in het voorgaande stadium uitdrukkelijk voor de sluiting is gewaarschuwd. Voor lokalen geldt een zero tolerance beleid. De burgemeester behoudt zich het recht voor de genoemde sancties te verzwaren indien de mate van professionaliteit, gevaarzetting of geconstateerde overlast daar aanleiding voor geeft.

2.5

Verder is in de toelichting aangegeven dat de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang als bedoeld in 13b van de Opiumwet bij de burgemeester ligt. Deze bevoegdheid is discretionair. Dit brengt met zich mee dat de belangen die met de uitoefening van bestuursdwang worden gediend moeten worden afgewogen tegen de daartegenover staande belangen van de betrokkenen. Er moet, voordat wordt overgegaan tot bestuursdwang, sprake zijn van een drietal voorwaarden. Zo moet sprake zijn van een overtreding van een wettelijk voorschrift, het belang van het optreden moet zorgvuldig gemotiveerd en gedocumenteerd worden en de maatregelen moeten voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

3.1

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en het beleid tot sluiting van het café heeft kunnen overgaan.

3.2

Ten aanzien van het beleid stelt de voorzieningenrechter eerst vast dat in het bestreden besluit wordt gewezen op de Beleidsnotitie handhaving, maar dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat bedoeld is te wijzen op het handhavingsarrangement zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4. Verweerder heeft ter zitting voorts aangegeven deze omissie bij de beslissing op bezwaar te herstellen. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen reden om een voorziening te treffen. Ten aanzien van het beleid overweegt de voorzieningenrechter tot slot dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk beleid.

4.1

Verzoekster voert aan dat verweerder in strijd met het beleid niet eerst een waarschuwing heeft gegeven. Verder voert zij aan dat de door verweerder genoemde waarschuwing van 20 juli 2017 niet ziet op overtredingen van de Opiumwet, dat de waarschuwing onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat er geen bestuurlijke rapportage aan deze waarschuwing ten grondslag ligt. De in de bevindingen van de politie weergegeven verklaringen kunnen niet aan de waarschuwing ten grondslag worden gelegd, omdat deze onjuist en incorrect zijn weergegeven.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een waarschuwing volgens het beleid niet nodig is om handhavend op te kunnen treden.

4.3

De voorzieningenrechter beantwoordt de vraag of verweerder gelet op het beleid eerst een waarschuwing heeft moeten geven ontkennend en overweegt daartoe dat uit de in het beleid genoemde handhavingsmatrix volgt dat een lokaal bij de eerste overtreding met harddrugs gesloten wordt voor maximaal zes maanden. Uit de handhavingsmatrix volgt dus niet dat eerst een waarschuwing dient te worden gegeven. In de toelichting staat vervolgens dat een onderscheid wordt gemaakt tussen woningen en lokalen en dat voor lokalen een zero tolerance beleid geldt. Gelet op het beleid zoals neergelegd in de handhavingsmatrix en gelet op de toelichting heeft verweerder niet eerst een waarschuwing hoeven te geven. In de omstandigheid dat in het beleid ook is aangegeven dat sluiting van een pand of lokaal pas plaatsvindt nadat in het voorgaande stadium uitdrukkelijk voor de sluiting is gewaarschuwd, ziet de voorzieningenrechter, gelet op de handhavingsmatrix, gelet op het genoemde onderscheid tussen woningen en lokalen en gelet op de omstandigheid dat in de toelichting nadrukkelijk is aangegeven dat voor lokalen een zero tolerance beleid geldt, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op grond van het beleid eerst een waarschuwing heeft moeten gegeven. Het betoog van verzoekster dat verweerder eerst een waarschuwing heeft moeten geven slaagt niet.

4.4

De betogen van verzoekster die betrekking hebben op de waarschuwing treffen gelet op het voorgaande ook geen doel. Aan een beoordeling van die betogen komt de voorzieningenrechter niet toe. Ook het betoog van verzoekster dat de waarschuwing ziet op geweldsdelicten en niet op overtredingen van de Opiumwet laat de voorzieningenrechter buiten beschouwing. De omstandigheid dat verweerder in het bestreden besluit wijst op de waarschuwing van 29 jun 2017 maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet, anders dan door verzoekster is ter zitting betoogd, dat het bestreden besluit om die reden onrechtmatig is.

4.5

Het betoog van verzoekster dat de waarschuwing gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de raad van State van 2 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1449) een besluit is, treft eveneens geen doel. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op dat wat zij hiervoor heeft overwogen, namelijk dat een waarschuwing geen voorwaarde is voor verweerder om handhavend op te kunnen treden.

5.1

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was om handhavend op te treden. In dat verband ligt de vraag voor of in het café een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig was.

5.2

Niet is in geschil dat geen drugs in het café van verzoekster zijn aangetroffen. In geschil is de vraag of de verklaringen zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage van 29 maart 2018, voldoende grondslag bieden om handhavend op te kunnen treden. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat door bezoekers van het café is verklaard dat er veel harddrugs, waaronder cocaïne, worden gebruikt en dat er word gedeald. Ook zijn er verklaringen van bezoekers hoe dat in zijn werk ging. Gelet op de ruim dertig verklaringen van bezoekers van het café heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk kunnen achten dat middelen als bedoeld in lijst I of II in het café worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren. Anders dan door verzoekster is betoogd baseert verweerder zijn besluit niet enkel op verklaringen “van horen zeggen”, omdat er (ook) verklaringen van bezoekers zijn die hebben verklaard drugs te hebben gekocht, zelf te hebben gebruikt dan wel gebruik en de verkoop te hebben gezien. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat de verklaringen afkomstig zijn uit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Verweerder mag uitgaan van de juistheid van de door de politie verstrekte informatie. Dat de verklaringen zijn gedaan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek maakt dat niet anders.

5.3

De door verzoekster overgelegde verklaringen van bezoekers en medewerkers van [verzoekster] , die erop neerkomen dat [verzoekster] een leuk café is om uit te gaan en om te werken, maken naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verweerder niet mag uitgaan van de juistheid van de door de politie verstrekte informatie dat in het café harddrugs worden gebruikt en dat er wordt gedeald.

5.4

De voorzieningenrechter vindt steun voor haar oordeel in een uitspraak van de AbRS van 14 januari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BG9789). Anders dan door verzoekster is betoogd blijkt uit deze zaak niet dat in de horeca inrichting, anders dan in het café van verzoekster, drugs zijn aangetroffen.

5.5

De omstandigheid dat de verdachten in de strafzaak (nog) niet zijn veroordeeld, maakt het voorgaande niet anders. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 21 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2494), dat het strafrechtelijke traject dient te worden onderscheiden van het bestuursrechtelijke traject in die zin dat de burgemeester bij de vaststelling van zijn beleid bij de aanwending van de bevoegdheid die is vervat in artikel 13b van de Opiumwet een eigen belangenafweging dient te maken.

5.6

Het betoog van verzoekster dat de bestuurlijke rapportage niet is opgesteld conform het format zoals die door het ministerie van Veiligheid en Justitie is opgesteld, maakt het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin anders. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat voor de vraag of verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was om handhavend op te treden enkel van belang is de vraag of aannemelijk is dat middelen als bedoeld in lijst I of II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren. Het betoog van verzoekster dat uit de bestuurlijke rapportage moet blijken wie of wat het probleem heeft veroorzaakt, hoe vaak het probleem is veroorzaakt en dat moet worden vastgesteld hoeveel en welke drugs het betreft, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

5.7

De voorzieningenrechter concludeert dat de omstandigheid dat geen middelen in het café zijn aangetroffen, niet maakt dat verweerder niet mag afgaan op de verklaringen dat middelen als bedoeld in lijst I of II in het café worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig waren. Verweerder was daarom bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen.

6.1

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt over beleidsvrijheid, zodat het sluitingsbevel op terughoudende wijze dient te worden getoetst. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat om een andere, lichtere maatregel te treffen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het door verweerder gestelde belang van de volksgezondheid en het belang om de nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs te voorkomen zwaarder wegen dan het belang van verzoekster.

6.2

De voorzieningenrechter betrekt bij haar oordeel dat verweerder bij zijn belangenafweging heeft kunnen betrekken de omstandigheid dat uit de eerder genoemde bestuurlijke rapportage blijkt dat minderjarige kinderen het café bezoeken. Gelet op de nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat drugs en minderjarigen onder geen beding samen gaan. Het betoog van verzoekster dat verweerder enkel op grond van de Drank- en Horecawet kan optreden tegen het schenken van alcohol aan minderjarigen, treft dan ook geen doel. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om een lichtere maatregel op te leggen. In dit verband acht de voorzieningenrechter verder nog van belang dat verweerder in het besluit heeft aangegeven dat verzoekster na vier maanden kan vragen om de sluiting op te heffen mits verzoekster een plan van aanpak heeft.

6.3

Ook het betoog van verzoekster dat de “dealer” inmiddels strafrechtelijk is opgepakt maakt het voorgaande niet anders. Onder verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 7 oktober 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ9535) overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het café bekend staat als een plaats waar harddrugs te krijgen zijn en dat bestuursdwang dient te worden toegepast om de gewoonte van drugshandelaren en drugsgebruikers te doorbreken. Dat de verdachte inmiddels is opgepakt, doet op zichzelf aan die bekendheid niet af.

6.4

Het betoog van verzoekster dat, omdat er geen incidenten meer hebben plaatsgevonden, de sluiting disproportioneel is treft gelet op voornoemde belangen van verweerder geen doel. De omstandigheden dat verzoekster een aantal maatregelen heeft genomen, dat er een deurbeleid is en dat er camera’s zijn opgehangen, maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Ook de omstandigheid dat sprake is van omzetderving maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van verzoekster minder zwaar wegen. Anders dan door verzoekster is betoogd is geen sprake van een situatie dat het besluit dusdanig onevenredig is dat sprake is van een punitieve sanctie.

7.1

De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder in redelijkheid minder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van verzoekster dan aan het belang van de volksgezondheid en de belangen die zijn gediend met het wegnemen van de nadelige effecten die het gebruik en de handel in harddrugs in het café op de omgeving kan hebben. Er bestaat nog steeds geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst. Het verzoek wordt afgewezen.

7.2

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.