Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2722

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
18/730011-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft via marktplaats honden en hondenpuppy's aangeboden. Hij deed het daarbij voorkomen als was hij een professionele hondenverkoper, die puppy's verkocht die in goede gezondheid verkeerden. Daarbij schotelde hij de potentiële kopers voor dat de puppy's ingeënt en vrij van ziekten waren. De puppy's bleken echter allen een zwakke gezondheid te hebben. Om te doen voorkomen dat de puppy's gezond waren, hebben verdachte en zijn medeverdachte vaccinatieboekjes of inentingspaspoorten aan de kopers overhandigd, waaruit moest blijken dat de honden waren ingeënt en klinisch waren onderzocht door een dierenarts, terwijl dit niet het geval was. Verdachte had deze boekjes/paspoorten zelf voorzien van een vals stempel van een dierenarts en daarbij zelf een handtekening gezet.

De rechtbank, locatie Leeuwarden, veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Daarnaast is een bedrag van € 1.650,-- aan wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730011-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 26 januari 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

een of meerdere persoon/personen, te weten

- [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro, en/of

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, althans (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, althans van enig goed, immers heeft verdachte in bovengenoemde periode (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens)

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde

(ras)hond of hondenpuppy te koop werd aangeboden, en/of

- jegens die persoon/personen, die een gezonde hondenpuppy zocht(en), doen

voorkomen dat verdachte en/of zijn medeverdachte een dergelijke gezonde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en/of herkomst, voor verkoop beschikbaar had(den), en/of

- ( daarbij) een of meermalen gebruik gemaakt van een valse naam, te weten Weerds en/of Wezeman, en/of

- bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs en/of hondenpaspoort, althans een of meer stukken met onjuiste en/of misleidende gegevens omtrent herkomst en/of gezondheid van de hondenpuppy, getoond en/of overhandigd, en/of

- ( aldus) zich voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper en/of bonafide verkoper van gezonde en/of raszuivere hondenpuppy('s), waardoor die persoon/personen werd(en) bewogen tot de afgifte van dat geld;

2.

A.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging meteen of meer anderen, althans alleen,

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatieboekje of inentingspaspoort, althans vaccinatie- of inentingsdocument, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door (onder meer) dat geschrift valselijk

- te voorzien van onjuiste en/of onvolledige vaccinatie- of inentingsgegevens en/of rasgegevens met betrekking tot een aangegeven/bijbehorende hond/hondenpuppy en/of

- te voorzien van een valse stempel en/of een valse ondertekening en/of een onjuist adres met betrekking tot de dierenarts(praktijk) of dierenkliniek die dat geschrift zou hebben opgemaakt, te weten - onder meer - [dierenartspraktijk 1] te Harlingen

( [dierenartspraktijk 1] ) en/of dierenarts [medewerker 1] en/of [dierenartspraktijk 2] te Rotterdam, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken

of door anderen te doen gebruiken;

en/of

B.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermalen gebruik gemaakt van een valse of vervalste geschrift, te weten een vaccinatieboekje en/of inentingspaspoort, althans vaccinatie- en/of inentingsdocument, als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid/vervalsing hierin dat dat geschrift was voorzien van onjuiste of onvolledige inentingsgegevens en/of een vals/onjuist

(dierenartspraktijk)adres en/of een valse stempel en/of een valse ondertekening van een dierenarts of dierenkliniek, en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachte dat geschrift (telkens) heeft getoond en/of aangeboden en/of overhandigd en/of verstrekt aan een koper van een hond/hondenpuppy bij verdachte en/of zijn

medeverdachte, dan wel zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor

zodanig gebruik;

3.

hij in de periode van 1 september 2015 tot 1 juni 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., althans in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging met een meer anderen, althans alleen, opzettelijk bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten hondenpuppy's heeft verkocht en/of ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft afgeleverd terwijl

- die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, althans Onze Minister

- in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde. Er is sprake van een bescheiden rol van verdachte ten opzichte van de handelwijze van de medeverdachte, zodanig dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt. Voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking vereist. Daarvan is geen sprake geweest. De geringe rol die verdachte heeft gehad, was zelfs nog in opdracht en op aanwijzing en instructie van de medeverdachte. De rollen waren niet inwisselbaar.

De raadsvrouw is voorts ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde van mening dat, mocht de rechtbank medeplegen bewezen achten, geen sprake is van oplichting als bedoeld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht.

Dat de oplichtingsmiddelen en de gedragingen van verdachte ten tijde van de koop de kopers daadwerkelijk hebben bewogen tot de afgifte van geld staat niet vast. Niet uit te sluiten is dat de kopers ook zonder de bedrieglijke mededelingen van verdachten zouden hebben gekocht.

De raadsvrouw is tevens van mening dat ten aanzien van het onder 2. A. ten laste gelegde geen sprake is van valsheid in geschrift. Verdachte heeft nimmer zelf stempels of handtekeningen gezet en daarmee de vaccinatieboekjes heeft bewerkt dan wel vervalst.

De raadsvrouw is ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde van mening dat, indien geen vrijspraak mocht volgen vanwege het feit dat geen sprake is van medeplegen, het feit dat niet aan de voorwaarden van de LID is voldaan niet aan verdachte kan worden toegerekend, nu niet hij, maar medeverdachte [medeverdachte] verantwoordelijk was voor de inrichting. Voor zover een bewezenverklaring zal volgen, is de raadsvrouw van mening dat kan worden volstaan met oplegging van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het medeplegen:

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] een handel in puppy's opgezet. Verdachte is daartoe meerdere malen met zijn medeverdachte naar een hondenhandelaar in Brabant gegaan.

Volgens de eigen verklaring van verdachte is hij daar of vijf à zes keer mee naar toe geweest. De aldaar gekochte honden(puppy's) werden vervolgens door verdachte en zijn medeverdachte op marktplaats te koop aangeboden. Als zich een koper meldde, dan was verdachte, blijkens de verklaringen van de aangevers, ook veelal bij de verkoop aanwezig. Er werd gemiddeld één nestje per week verkocht, zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard. Op grond van de aangiften kan ook worden vastgesteld dat verdachte nauw betrokken was bij de handel in puppy's. Verdachte was veelal degene die de vaccinatieboekjes overhandigde. Gelet op het feit dat in deze boekjes de dierenartsstempels ontbraken, heeft verdachte, aldus zijn verklaring ter terechtzitting, zelf stempels besteld en getekend.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

Daarmee acht de rechtbank het onder 1, 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie wordt voorop gesteld dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot onder meer de afgifte van een goed. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft zich met zijn medeverdachte tegenover potentiële kopers voorgedaan als een professionele hondenhandelaar die gezonde puppy's verkocht. Daartoe werd gezegd dat deze puppy's waren ingeënt en vrij waren van dierziekten, ten bewijze waarvan zij een vaccinatieboekje of inentingsboekje aan de kopers overhandigden. Deze boekjes hadden verdachte en zijn medeverdachte zelf voorzien van valse stempels en een handtekening.

Verdachte maakte samen met zijn medeverdachte op marktplaats ook gebruik van andere namen. Dit om te voorkomen dat men hen als broodfokker zag. Verdachte en zijn medeverdachte wilden ook -zoals verdachte ter zitting heeft verklaard- betrouwbaar overkomen. Indien de kopers naar de moederhond vroegen, dan werd een smoes verteld dat deze tijdelijk elders verbleef. Daarnaast klopte veelal de door verdachte en zijn medeverdachte genoemde leeftijd van de aangeboden puppy's, zoals na de koop van de puppy's ook door een dierenarts werd geconstateerd, niet.

Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels en listige kunstgrepen bij de kopers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor deze zijn bewogen tot de afgifte van het door verdachte en diens medeverdachte gevraagde geldbedrag voor de puppy's. Uit de aangiften blijkt afdoende dat de kopers af zijn gegaan op de infomatie in de marktplaatsadvertentie en de mededelingen en verstrekte vaccinatie- of inentingsboekjes van verdachten omtrent de gezondheidstoestand van de puppy's.

De rechtbank deelt de suggestie van de raadsvrouw dat de kopers de puppy's waarschijnlijk sowieso hadden gekocht, niet.

De rechtbank acht aannemelijk dat de kopers niet tot aankoop zouden zijn overgegaan als zij wisten wat de achtergrond van de puppy was en dat zij daarnaast vervalste inentingsboekjes bij de aankoop zouden ontvangen.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde oplichting.

Ten aanzien van het onder 2.A. ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank zal het verweer van de raadsvrouw, dat verdachte zelf nimmer stempels heeft gezet of handtekeningen geplaatst in de boekjes buiten bespreking laten, nu verdachte ter zitting heeft erkend dat hij wel eens stempels - die hij overigens zelf heeft besteld - in een vaccinatieboekje heeft geplaatst en er een handtekening in krabbelde. Verdachte heeft dit ook in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring van 17 januari 2017 te 13.15 uur verklaard.

Het feit is derhalve bewijsbaar.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat, nu verdachte als medepleger wordt aangemerkt, ook dit feit bewijsbaar is. Niet aannemelijk is geworden dat medeverdachte [medeverdachte] alleen als eigenaar of verantwoordelijke van de inrichting moet worden aangemerkt. Verdachte en zijn medeverdachte waren, zoals blijkt uit de aangiften, beide betrokken bij de handel in puppy's. Daardoor zijn ook de specifieke regels voor het bedrijfsmatig houden van dieren op verdachte van toepassing.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 28 juni 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

In de periode van 1 september 2015 tot 14 februari 2016 ben ik betrokken geweest bij de verkoop van puppy's. Deze puppy's werden in eerste instantie vanuit onze woning in Leeuwarden verkocht. Toen de handel omvangrijker werd, zijn [medeverdachte] en ik naar Kollum verhuisd. Vanaf dat moment nam de handel steeds grotere vormen aan.

De jonge hondjes werden uit Brabant gehaald. Ik ben daar een keer of 5 à 6 mee naartoe geweest. De verkoop van de puppy's vond plaats via het internet. Daar kwamen veel kopers op af. We gebruikten dan wel eens een andere naam op marktplaats. Dit om te voorkomen dat mensen zouden denken dat men te maken had met een beroepsfokker.

Het gebruik van andere namen gaf een vertrouwelijker indruk. Als men dan kwam, zocht men een puppy uit en ik overhandigde een vaccinatieboekje of inentingsboekje aan de koper. De boekjes waren deels ingevuld, alleen het stempel en de handtekening van een dierenarts ontbraken. De boekjes waren afkomstig van de hondenhandelaar [naam] uit Brabant. Om het boekje te completeren ben ik op internet gaan zoeken naar voorbeeldstempels van dierenartsen. Via Google heb ik gezocht naar namen van dierenartsen en welk telefoonnummer men had en die ingevuld op deze voorbeeldstempels. Als wij dan een vaccinatieboekje/paspoort uitgaven drukte ik een stempel in het boekje en krabbelde er een soort van handtekening in. Door onze handelwijze was er sprake van oplichting en valsheid in geschrift.

Er was op een gegeven moment wel sprake van bedrijfsmatigheid. We hadden/verkochten ongeveer één nestje per week. We hielden geen administratie van de verkochte honden bij.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 april 2016, opgenomen op pagina 1043 - 1047 (map 2) van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRDC16011-MAHMUD d.d. 9 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: Hoe kwam u bij deze verkopers terecht?

A: Marktplaats.

V: Wat werd er over de hond gezegd in de advertentie?

A: ingeënt en met de benodigde papieren

V: Wat was het bedrag waarvoor de hond te koop werd aangeboden?

A: Euro 450,-.

V: Wat was het adres?

A: [straatnaam] te Leeuwarden.

V: Waren er andere dieren aanwezig?

A: Er waren 2 nesten. 1e nest 3 teckeltje, waarvan wij er een kochten. Ouders niet aanwezig.

V: Wat is er verder besproken/gezegd door verkoper(s) over de pup?

A: De teckel puppy's waren van zijn eigen hond die woont bij zijn ouders. leeftijd 9 weken,

zelfstandig etend. Compleet met chip en boekje. De verkoper had verteld dat hij door [dierenartspraktijk 2] via een mobiele praktijk in Leeuwarden was gechipped.

V: Wanneer hebt u de pup gehaald?

A: 6-11-2015.

V: Waar hebt u de pup opgehaald?

A: [straatnaam] te Leeuwarden.

V: Wat hebt u meegekregen bij aanschaf pup?

A: Inentingsboekje.

V: Hoeveel heeft voor de pup betaald en aan wie?

A: Contant euro 450,- aan de verkoper.

2.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2016, opgenomen op pagina 1023 - 1029 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: Hoe bent u aan deze hond gekomen?

A: Ik ben op Marktplaats gaan kijken.

V: Hoe kwam u bij de verkoper terecht waar u uw pup gekocht heeft?

A: Ik heb de verkoper gemaild en gevraagd of er nog hondjes beschikbaar waren. De advertentie toonde een nest met 8 pups. Ik heb ook gevraagd of ik foto's kon krijgen van de pups apart. Ik kreeg als antwoord dat er nog twee pups waren. Op mijn vraag hoe oud de pups waren, werd geantwoord dat ze negen weken oud waren en dat ze het nest mochten verlaten. Ik heb gevraagd of de moederhond aanwezig was.

Op die vraag heb ik geen antwoord gehad. In de advertentie stond dat de hondjes ingeënt waren en dat het inentingsboekje aanwezig was.

V: Op welke datum had u voor het eerst contact met de verkoper?

A: Dat was op 5 december 2015.

V: Kwam dit contact betrouwbaar over?

A: Ik kreeg heel veel vertrouwen in de verkoper. Er werd antwoord gegeven op mijn vragen en ik vond het allemaal heel betrouwbaar overkomen.

V: Waardoor had u vertrouwen in de verkoper?

A: Alle omstandigheden waren dusdanig dat ik dacht dat het wel goed moest

zitten. Het waren Nederlandse mensen, geen broodfokkers, de hondjes waren ingeënt, keurige woning.

V: Wanneer hebt u de pup gehaald?

A: 8 december 2015

V: Waar heeft u de pup gehaald?

A: Ik heb de hond opgehaald op het adres [straatnaam] te Kollum.

V: Hebben de verkopers zich voorgesteld?

A: Nadat ik aangebeld had, werd er opengedaan door een man die zich voorstelde als [medeverdachte] .

Nadat wij naar binnen waren gegaan, zag ik nog een man die de partner van [medeverdachte] bleek te

zijn. Hij stelde zich wel voor.

V: Wat is er verder besproken/gezegd door de verkopers over de pup?

A: Ze hadden de hond zelf gefokt en er was inmiddels nog maar één hondje.

V: Was het moederdier aanwezig?

A: De moederhond was er niet. Deze werd uitgelaten door een vriendin.

V: Wat heeft u meegekregen toen u de pup meenam?

A: Ik kreeg het inentingsboekje mee met daarin een stempel van de dierenarts.

V: Van welke dierenarts was de stempel in het boekje.

A: De stempel is van dierenarts [dierenartspraktijk 2] uit Rotterdam. Ik vond de stempel er vertrouwd uitzien. Er stond een naam, adres en telefoonnummer van de dierenarts.

V: Had de pup alle vaccinaties gehad?

A: In het inentingsboekje stond de 3 weken vaccinatie.

V: Hoeveel heeft u voor de pup betaald en aan wie?

A: Ik heb € 300,-- voor de pup betaald. Ik heb dit aan [medeverdachte] gegeven.

V: Is het inentingsboekje gebruikt om u te overtuigen om de pup te kopen?

A: Jazeker, ik vond het boekje belangrijk. Ik heb na het overlijden van de pup de dierenarts in Rotterdam gebeld om te kijken hoe de hond was tijdens de eerste inenting. Toen hoorde ik

dat het stempel van de dierenarts vervalst was.

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2016, opgenomen op pagina 1011 - 1016 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte van oplichting gepleegd op 15 december 2015 te Kollum. Ik was op zoek naar een rashond van het type "mini Yorshire terrier" en vond een aanbieder van dit ras op Marktplaats. Er werd in Kollum een nestje aangeboden. Dat ging om een reutje en twee teefjes, allen 8 week oud. Omdat ik geïnteresseerd was, nam ik via de mail contact op met de adverteerder.

De volgende dag, 15 december 2015 ben ik naar Kollum gereden om de hondjes te bekijken.

In de woning werden wij te woord gestaan door de vriend van de fokker. Wij hebben de hondjes bekeken en onderhandeld over de prijs. Wij wilden één van de teefjes en we hebben een prijs van 300 euro afgesproken.

Omstreeks 19:30 uur dezelfde dag waren wij bij de fokker.

De verantwoordelijke man aanwezig. Ik weet alleen de achternaam van deze man, namenlijk Wezenbeek. Althans, dat stond op de advertentie van Marktplaats.

Omdat de moederhond er niet bij was, vroegen wij hoe het daarmee zat. De fokker vertelde ons dat de moederhond ongewild zwanger was geworden en dat de pups naar hem waren gegaan. Volgens de fokker zouden het wel mini Yorkshire terriers moeten zijn.

De fokker gaf ons een inentingsboekje mee met daarin afgestempelde vaccinaties.

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2016, opgenomen op pagina 1039 - 1042 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op 15 januari 2016 heb ik op marktplaats een hondje gevonden, een Boomertje. Dit hondje hebben wij op 24 januari 2016 opgehaald aan [straatnaam] te Kollum bij [medeverdachte] en [verdachte] . Via de mail en telefoon hebben mijn vrouw en ik met beide mannen contact gehad over het kopen van de pup. Er is mij verteld dat het nestje hondjes geboren zou zijn op 22 november 2015. Tevens zouden alle pups ingeënt zijn. De hondjes zouden ontwormd en ontvlooid zijn.

Ik heb in het inentingsboekje gekeken naar de stempel en deze bleek van een dierenarts uit Rotterdam te zijn. Ik heb telefonisch contact gehad met deze dierenarts en hij gaf aan dat hij onze pup niet had ingeënt en dat de stempel niet klopt. Ik hoorde dat de dierenarts zei dat wij de zoveelste waren die een boekje hadden met zijn stempel. Het contact wat wij met [verdachte] en [medeverdachte] hadden ging via de mail op markplaats.

2.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2015, opgenomen op pagina 1018 - 1020 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medewerker 1] :

Ik ben dierenarts en eigenaar van [dierenartspraktijk 2] , gevestigd in de [straatnaam] te Rotterdam. Op 19 november 2015 werd ik gebeld door dierenarts [medewerker 2] . Hij is werkzaam bij de [dierenartspraktijk 3] , gevestigd in Goutum. Ik hoorde dat [medewerker 2] tegen mij zei dat hij een puppy had aangeboden gekregen met klachten van diarree en braken. [medewerker 2] zag dat het hier ging om een hondenvirusziekte genaamd Parvo. Deze puppy is aan deze ziekte overleden. [medewerker 2] heeft toen telefonisch met mij contact opgenomen, omdat mijn kliniekstempel in het vaccinatieboekje van de bovengenoemde puppy stond geschreven. Ik hoorde dat [medewerker 2] aan mij vroeg of ik meer informatie aan hem wist te vertellen, van de afkomst van de overleden puppy. Ik zag in mijn computersysteem dat ik de hier bovengenoemde puppy nooit had gevaccineerd. Ik heb vervolgens aan [medewerker 2] gevraagd of hij de foto’s van het vaccinatieboekje de puppy naar mij toe wilde zenden.

Ik zag het volgende wat mij opviel aan dit vaccinatieboekje:

- Ik zag dat dit type vaccinatieboekje nooit door ons gebruikt wordt of was aangeschaft.

- Ik zag dat het handschrift in het boekje niet van een van mijn medewerkers was.

- Ik zag dat dit boekje onvolledig was ingevuld.

- Ik zag dat het adres op de stempel foutief was.

Ik zag dat er op deze stempel stond: “ [straatnaam] .

Dit is foutief en moet zijn: “ [straatnaam] .”

Na het zien van de bovenstaande informatie, realiseerde ik mij dat vaccinatieboekje niet door mij of door mijn medewerkers was ingevuld.

Ik heb gehoord van een eigenaar van een andere puppy die bij ons in de kliniek is geweest, dat de puppies waren aangeschaft bij [medeverdachte] , wonende op de [straatnaam] , [woonplaats] .

2.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 april 2016, opgenomen op pagina 1036 - 1038 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medewerker 3] :

V: Wat is uw functie binnen [dierenartspraktijk 1] ?

A: Ik ben dierenarts. Ik ben gerechtigd om namens de [dierenartspraktijk 1] aangifte te doen. De [dierenartspraktijk 1] is gevestigd aan het [straatnaam] te [plaats] .

V: Op welke manier ontdekte u dat er misbruik van de naam van uw praktijk gemaakt werd?

A: Op 15 september 2015 kwam een persoon bij mij in de praktijk met een hondje. Deze persoon had een vaccinatieboekje bij zich met daarin een stempel als zou het hondje in onze praktijk zijn ingeënt. Ik zag meteen dat er een andere entstof in het boekje stond vermeld dan wij normaal gebruiken. Ik heb toen naar het stempel gekeken die in het boekje stond en toen zag ik dat het stempel niet het stempel was wat wij normaal gebruiken.

Op het stempel stond: [dierenartspraktijk 1] , [straatnaam] [plaats] [telefoonnummer] . Deze gegevens kloppen niet met de stempel die wij gebruiken. Wij gebruiken [dierenartspraktijk 1] . Wij gebruiken geen adresgegevens, slechts de naam van de dierenarts en een algemeen telefoonnummer.

Ook heeft er op 21 maart 2016 een mevrouw uit Dronten gebeld die vertelde dat zij een hondje in Drachten had gekocht. Zij belde ons omdat er een stempel van onze praktijk in het vaccinatieboekje stond. Zij heeft ons kopieën van het vaccinatieboekje van haar hondje opgestuurd. Dit boekje is weer voorzien van dezelfde valse stempels die ik hierboven heb omschreven.

V: In welk document werd misbruik gemaakt van de naam van uw praktijk?

A: Het viel mij op dat ik een vaccinatieboekje onder ogen kreeg wat niet van ons afkomstig was, maar waar wel onze naam in stond. Weliswaar was de stempel vervalst.

V: Wat werd er vermeld en wat had er vermeld moeten worden?

A: Ik heb hierboven al vermeld dat de naam van de praktijk niet juist is en ook het telefoon-nummer klopt niet. Wij vermelden de naam van de dierenarts en de drie vestigingsplaatsen van onze praktijken. Wij vermelden geen adressen zoals bij de valse stempels wel vermeld staat.

V: Werd er alleen misbruik gemaakt van de naam van uw praktijk of werden de documenten ook op andere manieren vervalst?

A: Ook de handtekeningen in de boekjes zijn niet van iemand uit onze praktijk. De boekjes worden bij ons in de praktijk niet uitgegeven. Ook de entingen zoals die vermeld stonden in het boekje van de melder van 15 september 2015 worden niet door gebruikt. Wij gebruiken een ander merk.

2.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 14 december 2016, opgenomen op pagina 1126 - 1138 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

V: Hoe kwamen jullie op het idee om pups te gaan verkopen.

A: Tegen de zomer van 2015 hebben [verdachte] en ik gesproken over het verkopen van pups. Ik ben toen op internet, vooral Marktplaats gaan rondkijken en kwam uiteindelijk terecht bij advertenties van iemand uit Hapert, dit bleek later [naam] te zijn.

Ik heb [naam] gebeld en gevraagd of ik 2 of 3 pups kon komen kopen. Ik ben toen samen met [verdachte] naar Hapert naar [naam] gereden. We hebben de 3 pups gekocht en meegenomen. Ik heb mijn adres daar achtergelaten en [naam] zou het overschrijven. Ik denk dat ik ongeveer 300 euro per pup betaald heb.

V: Wist [naam] dat je de pups door ging verkopen?

A : Ja volgens mij wel.

V: Hoeveel winst zit er dan op een pup?

A: Ongeveer 50 euro.

V: En hoe ging het verder?

A: We hadden een puppy-ren in huis en een dag later een advertentie gezet. We hadden een

algemeen verhaal in de advertentie en wat specifiek informatie per pup.

Deze eerste keer was er snel reactie. De doorlooptijd dat een pup bij mij (eerder ons) zat verschilde. Soms een paar dagen soms een paar weken. De pups waren in 1 week verkocht. We verzorgden de honden en dus ook de pups samen.

Korte tijd later, ik denk een paar weken, zijn er nieuwe pups gehaald. We zijn weer samen naar Hapert naar [naam] gegaan hiervoor. We kochten weer Boomertjes. Die zetten we weer op Marktplaats en verkochten we vanuit huis, in Leeuwarden aan de [straatnaam] . Zo ging het een tijdje door, af en toe haalden wij 2 keer in de maand 2 of 3 Boomerpups.

Op een gegeven moment werd de locatie in Leeuwarden te klein en zijn we opzoek gegaan naar wat anders. Een groter huis met wat grond erom heen. We kwamen toen in Kollum terecht.

V: Wanneer ben je de garage in gaan richten om daar honden te houden?

A: In Kollum liep het langzaam uit de hand door de volwassen honden. Vooral omdat de reuen niet bij elkaar konden. Dit gaf spanningen onderling en soms vechtpartijtjes. Daarom zijn we toen in de garage hokken gaan maken als nachtverblijf. Ik denk dat we soms wat meer tegelijk haalden 5 of zo.

V: Je woonde toen nog samen met [verdachte] ?

A: Tot februari maart heeft de relatie geduurd denk ik.

V: Was/ben je op de hoogte van de I&R regeling en jouw verplichtingen daaromtrent?

A: Ik wist niet dat ik dit bij moest houden anders dan bijvoorbeeld overzetten op huisdier-registratie.nl. Dit heb ik dan dus ook niet bijgehouden. Een voorbeeld hiervan is het bewijs van vakbekwaamheid honden en kattenbesluit. In de last onder dwangsom stond dat ik iemand in dienst diende te nemen in het bezit van bewijs van vakbekwaamheid. Ik heb wel gezocht ook via een uitzendbureau en ook via Facebook maar de kosten om iemand in dienst te nemen waren te hoog.

V: Als jij pups koopt die ingeënt en gechipped zijn en voorzien van een inentingsboekje, waarom heb je dan stempels van een dierenarts nodig?

A: [verdachte] heeft deze besteld.

V: Waar kwamen deze pups vandaan dan, waar had je ze gekocht?

A: Bij [naam] uit Hapert.

V: Maar daar zaten toch al boekjes bij?

A: Het bleek later dat [verdachte] boekjes mee had gekregen waar geen stempel instond. Ik was daar ook bij, heb ook wel de boekjes aangepakt. Als ik de pup verkocht dan liet ik het aan de kopers zien en keek of het ingevuld was. [verdachte] deed vooral de boekjes boel en de verzorging deden we samen. [verdachte] was ook het meeste thuis. De boekjes lagen gewoon in huis.

2.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 december 2016, opgenomen op pagina 1161 - 1164 (map 2) van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

Tot april/mei 2016 handelde ik samen met [verdachte] . Daar bedoel ik [verdachte] mee.

V: Hadden jullie een taakverdeling?

A: We hadden niet een specifieke taakverdeling. [verdachte] was meer van het papierwerk en ik deed meer in relatie tot de honden. Dat varieerde overigens ook wel eens. Wanneer ik het op het werk druk had, deed [verdachte] meer, maar ook andersom.

0: Ik toon verdachte het vaccinatieboekje met het nummer A.07.01 .01.03.

V: Wie heeft het boekje ingevuld.

A: Wij, [verdachte] en ik, hebben dit boekje zelf ingevuld. Ik weet niet wie dit boekje ingevuld heeft. Zowel [verdachte] als ik hebben meerdere boekjes ingevuld.

V: Hoe kwam je aan die boekjes?

A: In eerste instantie werden de boekjes ingevuld en gestempeld door [dierenartspraktijk 4] . Deze dap had echter een slechte naam en toen is in overleg met de verkoper van de honden, [naam] , besloten dat de dierenarts alleen zou chippen en vaccineren en dat verdere gegevens weggelaten zouden worden.

V: Welke gegevens werden dan weggelaten?

A: De stempel van de dierenarts en de handtekening van de dierenarts.

V: Je moest dan zelf een stempel zetten. Hoe ging dat?

A: [verdachte] heeft toen stempels besteld.

V: Hoe ging dat in zijn werk?

A: Volgens mij had [verdachte] eerder wel eens een stempel besteld bij onlinestempels. nI of een soortgelijk bedrijf en dat heeft hij toen weer gedaan.

V: Heeft [verdachte] alle stempels gezet?

A: Ja.

V: Heb jij handtekeningen in boekjes gezet?

A: Volgens mij niet. In elke geval niet door de stempels.

V: Wel bij de klinische onderzoeken?

A: Daar heb ik wel eens een handtekening gezet.

V: Wie kwam er op het idee van [dierenartspraktijk 2] ?

A: Dat was volgens mij het idee van [verdachte] want hij was daar volgens mij ooit eens geweest met zijn hond genaamd Yentl.

V: Wie kwam op het idee van de [dierenartspraktijk 1] ?

A: Ik heb geen idee. Eén van ons beide.

V: Heb je enig idee hoeveel boekjes jullie vervalst hebben?

A: Ik heb geen idee hoeveel boekjes. Ik heb ze niet geteld.

V: Kun je een schatting maken?

A: Misschien tien, misschien twintig, Ik weet het niet.

V: Dat klopt wat je zegt, maar jullie hebben de naam van dierenartsen genoemd die niets van de hele zaak afweten, en het betreffende hondje uit het boekje nooit hebben gezien. Wat vind je daarvan?

A: Dat klopt.

V: Heb jij ooit blanco vaccinatieboekjes ingevuld?

A: Nee

V: Heeft [verdachte] dat wel gedaan?

A: Helemaal leeg hebben we nooit gehad. We hadden alleen boekjes met een barcode. De

gegevens van de hond waren ingevuld voor we naar huis gingen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het dossier van Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming met nummer LID/14-7-2016 09:00CdJTDJS d.d. 28 juli 2017, inhoudende als relaas van verbalisanten:

In het Besluit houders van dieren worden verplichtingen gesteld voor o.a. het bedrijfsmatig verhandelen van gezelschapsdieren. De hieronder genoemde situaties kunnen indicaties zijn dat er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten:

in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten verkocht, afgeleverd, opgevangen of gefokt gezelschapsdieren worden gefokt anders dan voor uitbreiding van het aantal gezelschapsdieren binnen het eigen huishouden of de directe familie- en vriendenkring;

gezelschapsdieren worden verkocht aan anderen dan familie en vrienden;

gezelschapsdieren worden opgevangen tegen een vergoeding en er worden hiervoor advertenties geplaatst;

ruimtes zijn speciaal ingericht voor de onder dit besluit vallende activiteiten;

registratie van de Kamer van koophandel of het hebben van een BTW-nummer;

adverteren, al dan niet op websites, met gezelschapsdieren;

er wordt gehandeld vanuit een winstoogmerk.

Genoemde [medeverdachte] bedreef samen met [verdachte] een inrichting van waaruit zij honden verkochten cq ten verkoop voorradig hielden. Beiden woonden vanaf 15-01-2015 aan de [straatnaam] te Leeuwarden en vervolgens vanaf 01- 12-2015 op het adres [straatnaam] te Kollum. Het betreft hier op alle genoemde locaties een inrichting/bedrijf als bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit houders van dieren.

Er is sprake van bedrijfsmatig handelen door verdachte zoals bedoeld in artikel 3.6 van het Besluit houders van dieren. Voorts heeft verdachte aan de volgende vereisten niet voldaan:

- De beheerder heeft geen erkend bewijs van vakbekwaamheid kunnen tonen;

Het Besluit Identificatie en Registratie beschrijft nadere regelgeving met betrekking tot de identificatie en registratie (I&R) van honden.

Verdachte heeft in de periode van 01-01-2015 t/m 15-02-2016 nagelaten aan dit besluit I&R besluit te voldoen door van tientallen honden (pups) geen registratie in de I&R databank te hebben gedaan. Bij de uitvoering van I&R Hond zijn private databanken betrokken voor de registratie van de honden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 26 januari 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten

- [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro, en

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld,

immers heeft verdachte in bovengenoemde periode telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde (ras)hond of hondenpuppy te koop werd aangeboden, en

- jegens die personen, die een gezonde hondenpuppy zochten, doen voorkomen dat verdachte en zijn medeverdachte een dergelijke gezonde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en herkomst, voor verkoop beschikbaar hadden, en

- bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs

of hondenpaspoort, getoond en overhandigd, en

- aldus zich voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper of bonafide verkoper van gezonde en raszuivere hondenpuppy's, waardoor die personen werden bewogen tot de afgifte van dat geld;

2.

A.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 15 september 2015 tot en met 14 februari 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatieboekje of inentingspaspoort, valselijk heeft opgemaakt door onder meer dat geschrift valselijk - te voorzien van onjuiste en onvolledige vaccinatie- of inentingsgegevens en rasgegevens met betrekking tot een aangegeven/bijbehorende hond/hondenpuppy en

- te voorzien van een vals stempel en een valse ondertekening en een onjuist adres met betrekking tot de dierenartspraktijk of dierenkliniek die dat geschrift zou hebben opgemaakt, te weten - onder meer - [dierenartspraktijk 1] te Harlingen ( [dierenartspraktijk 1] ) en dierenarts [medewerker 1] of [dierenartspraktijk 2] te Rotterdam, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en

B.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 15 september 2015 tot en met 14 februari 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen gebruik gemaakt van een valse of vervalste geschrift, te weten een vaccinatieboekje en inentingspaspoort, als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid/vervalsing hierin dat dat geschrift was voorzien van onjuiste of onvolledige inentingsgegevens en een vals/onjuist dierenartspraktijkadres en een valse stempel en een valse ondertekening van een dierenarts of dierenkliniek, en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte of zijn medeverdachte dat geschrift telkens heeft getoond en aangeboden en overhandigd en verstrekt aan een koper van een hond/hondenpuppy bij verdachte en/of zijn medeverdachte, dan wel zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

3.

hij in de periode van 1 september 2015 tot 14 februari 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten hondenpuppy's heeft verkocht en ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft afgeleverd terwijl

- die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, althans Onze Minister

- in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

2.A. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

en

2.B. Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

3. Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht geen vrijspraak volgen zoals bepleit, verzocht om te volstaan met een voorwaardelijke werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte voorlichtingsrapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft via marktplaats honden en hondenpuppy's aangeboden. Hij deed het daarbij voorkomen als was hij een professionele hondenverkoper, die puppy's verkocht die in goede gezondheid verkeerden. Daarbij schotelde hij de potentiële kopers voor dat de puppy's ingeënt en vrij van ziekten waren. De puppy's bleken echter allen een zwakke gezondheid te hebben, zodat de kopers vrijwel direct na de koop hoge dierenartskosten moesten maken. Meerdere hondjes zijn kort na de aankoop overleden Andere honden zijn nu nog steeds in behandeling bij een dierenarts. Verdachte kocht de puppy's veelal in bij een malafide handelaar uit Brabant. Deze handelaar importeerde de dieren onder andere uit Hongarije.

Om te doen voorkomen dat de puppy's gezond waren, hebben verdachte en zijn medeverdachte vaccinatieboekjes of inentingspaspoorten aan de kopers overhandigd, waaruit moest blijken dat de honden waren ingeënt en klinisch waren onderzocht door een dierenarts, terwijl dit niet het geval was.

Verdachte had deze boekjes/paspoorten zelf voorzien van een vals stempel van een dierenarts en daarbij zelf een handtekening gezet.

Door de handelwijze van verdachte liepen de pups een verhoogd risico op ziekten zoals Parvo. Daarbij is ook gebleken dat een deel van de puppy's inderdaad besmet waren met Parvo. Deze ziekte is bijzonder besmettelijk en heeft vaak fatale gevolgen voor de hond. Het is dan ook niet zonder reden dat de wetgever daaromtrent regels heeft gesteld.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geformuleerde eis, mede gezien de beperkte periode waarin verdachte betrokken was bij de feiten, te fors. De rechtbank houdt rekening met het geringere aandeel van verdachte in de feiten en de kortere periode waarin hij bij die feiten betrokken is geweest, het feit dat hij uit zichzelf gestopt is met de handel in puppy's en het feit dat hij niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de inhoud van het reclasseringsrapport, waaruit blijkt dat verdachte sinds zijn aanhouding een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en het gevaar voor herhaling als laag wordt ingeschat.

Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank een werkstraf van na te noemen aantal uren passend en geboden.

De rechtbank acht het, anders dan de officier van justitie, niet nodig om daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1.016,82 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.052,90 ter vergoeding van materiële schade en

€ 5.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1.682,40 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 613,67 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen voor wat betreft de materiële schade. De officier van justitie heeft gevorderd tot afwijzing van de gevorderde immateriële schade met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] , nu de vordering voor wat dat betreft dat deel onvoldoende onderbouwd is.

De officier van justitie vordert voorts de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, gelet op de door haar bepleite vrijspraak.

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, dan dient de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ook niet ontvankelijk te worden verklaard, nu uit de aangifte kan worden afgeleid dat de benadeelde partij de puppy sowieso wilde kopen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient ter zake de gevorderde immateriële schade afgewezen te worden, nu deze onvoldoende onderbouwd is.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de overige vorderingen geen opmerkingen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 1.016,82 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 902,90, bestaande uit "Kosten dierenarts en crematie" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de materiële schadepost "Aanschaf spullen pup", ad € 150,--, nu de vordering voor wat betreft dat deel onvoldoende onderbouwd is.

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van boosheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank zal dit deel van de vordering derhalve afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 1.487,91, bestaande uit "Kosten dierenarts en voer" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schadepost "Hema Schadeverzekeringen" afwijzen. De schade betreft betaalde premie voor een verzekering die geen dekking bood nu deze was afgesloten nadat de gezondheidsklachten van de hond zich hadden geopenbaard. De rechtbank is van oordeel dat, deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] .

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 613,67 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte samen met zijn medeverdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte of zijn medeverdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 47, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2.2, 2.7 en 8.11 van de Wet dieren en de artikelen 1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2.A., 2.B. en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.016,82 (zegge: duizendzestien euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 1.016,82 (zegge: duizendzestien euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 902,90 (zegge: negenhonderdtwee euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij af voor wat betreft de immateriële schade. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 902,90 (zegge: negenhonderdtwee euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.487,91 (zegge: veertienhonderdzevenentachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 1.487,91 (zegge: veertienhonderdzevenentachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 613,67 (zegge: zeshonderddertien euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 613,67 (zegge: zeshonderddertien euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr F.J. Agema, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

Mr. Fransen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.