Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2721

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
18/730566-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft via marktplaats honden en hondenpuppy's aangeboden. Hij deed het daarbij voorkomen als was hij een professionele hondenverkoper, die puppy's verkocht die in goede gezondheid verkeerden. Daarbij schotelde hij de potentiële kopers voor dat de puppy's ingeënt en vrij van ziekten waren. De puppy's bleken echter allen een zwakke gezondheid te hebben. Om te doen voorkomen dat de puppy's gezond waren, hebben verdachte en zijn medeverdachte vaccinatieboekjes of inentingspaspoorten aan de kopers overhandigd, waaruit moest blijken dat de honden waren ingeënt en klinisch waren onderzocht door een dierenarts, terwijl dit niet het geval was. Verdachte had deze boekjes/paspoorten zelf voorzien van een vals stempel van een dierenarts en daarbij zelf een handtekening gezet.

Verdachte heeft in 2016 meermalen controle gehad van de autoriteiten, waaronder de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Deze dienst heeft verdachte meermalen op tekortkomingen gewezen met betrekking tot de huisvesting van de dieren.

Met name in de door verdachte in Holwerd gehuurde loods was sprake van een abominabele toestand. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich weinig tot niets heeft aangetrokken van de aanwijzingen van de instanties. Ondanks de waarschuwingen is hij, zelfs nadat hem een last onder dwangsom was opgelegd, onverminderd doorgegaan met zijn handel. Het geldelijk gewin en luxere leven voerde bij verdachte de boventoon. Verdachte is bovendien niet uit eigen beweging gestopt met de handel. Pas met zijn aanhouding kwam er een einde aan de misstanden.

De rechtbank, locatie Leeuwarden, veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uur subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Daarnaast is een bedrag van € 5.400,-- aan wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730566-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Scholtmeijer, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

A.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 26 januari 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere persoon/personen, te weten

- [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro, en/of

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, althans (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, althans van enig goed, immers heeft verdachte in bovengenoemde periode (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens)

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde (ras)hond of hondenpuppy te koop werd aangeboden, en/of -

jegens die persoon/personen, die een gezonde hondenpuppy zocht(en), doen voorkomen dat verdachte en/of zijn medeverdachte een dergelijke gezonde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en/of herkomst, voor verkoop beschikbaar had(den), en/of

- ( daarbij) een of meermalen gebruik gemaakt van een valse naam, te weten Weerds en/of Wezeman, en/of - bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs

en/of hondenpaspoort, althans een of meer stukken met onjuiste en/of misleidende gegevens omtrent herkomst en/of gezondheid van de hondenpuppy, getoond en/of overhandigd, en/of

- ( aldus) zich voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper en/of bonafide verkoper van gezonde en/of raszuivere hondenpuppy('s), waardoor die persoon/personen werd(en) bewogen tot de afgifte van dat geld;

en/of

B.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 december 2016 te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, en/of te Holwerd, althans in de gemeente Dongeradeel, en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere persoon/personen, te weten

- [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en/of

- [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van 700 euro, en/of

- [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en/of

- [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 9] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en/of

- [slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en/of

- [slachtoffer 11] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro,

- [slachtoffer 12] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een koopovereenkomst ter hoogte van 100 euro met betrekking tot de aanschaf van een hondenpuppy, althans (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld,

althans van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld,

immers heeft verdachte in bovengenoemde periode (telkens) met vorenomschreven

oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk

en/of in strijd met de waarheid, een of meermalen (telkens)

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde en/of gesocialiseerde hondenpuppy te koop werd aangeboden, en/of

- jegens die persoon/personen, die een gezonde en/of gesocialiseerde hondenpuppy zocht(en), heeft doen voorkomen dat verdachte een dergelijke gezonde en/of gesocialiseerde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en/of herkomst, voor verkoop beschikbaar had, en/of

- bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs en/of hondenpaspoort, althans een of meer stukken met onjuiste en/of misleidende gegevens omtrent herkomst en/of leeftijd en/of gezondheid van de hondenpuppy, heeft getoond en/of overhandigd, en/of

- ( aldus) zich heeft voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper en/of bonafide verkoper van gezonde en/of gesocialiseerde hondenpuppy('s), waardoor die persoon/personen werd(en) bewogen tot de afgifte van dat geld;

2.

A.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging meteen of meer anderen, althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatieboekje of inentingspaspoort, althans vaccinatie- of inentingsdocument, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door (onder meer) dat geschrift valselijk - te voorzien van onjuiste en/of onvolledige vaccinatie- of inentingsgegevens en/of rasgegevens met betrekking tot een aangegeven/bijbehorende

hond/hondenpuppy en/of - te voorzien van een valse stempel en/of een valse ondertekening en/of een onjuist adres met betrekking tot de dierenarts(praktijk) of dierenkliniek

die dat geschrift zou hebben opgemaakt, te weten - onder meer - [dierenartsenpraktijk 2] te Harlingen ( [dierenartsenpraktijk 2] ) en/of dierenarts [medewerker 1] en/of [dierenartsenpraktijk 1] te Rotterdam, met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en/of

B.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermalen gebruik gemaakt van een valse of vervalste geschrift, te weten een vaccinatieboekje en/of inentingspaspoort, althans vaccinatie- en/of inentingsdocument, als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid/vervalsing hierin dat dat geschrift was voorzien van onjuiste of onvolledige inentingsgegevens en/of een vals/onjuist

(dierenartspraktijk)adres en/of een valse stempel en/of een valse ondertekening van een dierenarts of dierenkliniek, en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachte dat geschrift (telkens) heeft getoond en/of aangeboden en/of overhandigd en/of verstrekt aan een koper van een hond/hondenpuppy bij verdachte en/of zijn

medeverdachte, dan wel zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor

zodanig gebruik;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot 12 december 2016 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, en/of te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, en/of te Holwerd, althans in de gemeente Dongeradeel, althans in het arrondissement Noord-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten hondenpuppy's heeft verkocht en/of ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft afgeleverd terwijl

- die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, althans Onze Minister, en/of

- in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en/of

- er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven;

4.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 11 mei 2016 tot en met 12 december 2016 te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., en/of te Holwerd, althans in de gemeente Dongeradeel, althans in het arrondissement Noord-Nederland als houder van een of meer dieren, te weten honden(puppy's), aan dat/die dier(en) de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft verdachte - op of omstreeks 11 mei 2016 te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., vijf, althans een of meerdere, honden gehuisvest in hokken/verblijven met gesloten zijden en/of zonder (seperate) rust/ligplaats, en/of (aldus deze honden) onvoldoende huisvesting en/of verzorging geboden, en/of

- op of omstreeks 17 mei 2016 te Kollum, althans in de gemeente Kollumerland c.a., twee, althans een of meerdere, honden gehuisvest in hokken/verblijven met gesloten zijden en/of zonder (seperate) rust/ligplaats, en/of (aldus deze honden) onvoldoende huisvesting en/of verzorging geboden, en/of

- op of omstreeks 1 juli 2016 te Holwerd, althans in de gemeente Dongeradeel, 21, althans een of meerdere, honden gehuisvest in vuile en/of onhygiënische hokken/verblijven en/of zonder (seperate) rust/ligplaats en/of niet voorzien van schoon en/of vers drinkwater, en/of (aldus deze honden) onvoldoende huisvesting en/of verzorging geboden, en/of

- op of omstreeks 12 december 2016 te Holwerd, althans in de gemeente Dongeradeel, 25, althans een of meerdere, honden gehuisvest in vuile en/of onhygiënische hokken/verblijven en/of zonder (separate) rust/ligplaats, welke hokken/verblijven zich bevonden in een koude en/of vochtige omgeving, en/of niet voorzien van schoon en/of vers drinkwater, en/of (aldus deze honden) onvoldoende huisvesting en/of verzorging geboden;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1.A., 1.B., 2.A., 2.B., 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten.

Bewijsmiddelen

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1.A., 1.B., 2.A. en 2.B. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018;

2.1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.19 april 2016, opgenomen op pagina 50 - 54 (map 1) van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRDC16011-MAHMUD d.d. 8 mei 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

2.2.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2016, opgenomen op pagina 29 - 35 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ;

2.3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 maart 2016, opgenomen op pagina 17 - 21 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

2.4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 maart 2016, opgenomen op pagina 46 - 49 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] ;

2.5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 december 2016, opgenomen op pagina 139 - 142 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] ;

2.6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 december 2016, opgenomen op pagina 95 - 97 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 6] ;

2.7.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 september 2016, opgenomen op pagina 131 -133 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 7] ;

2.8.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2016, opgenomen op pagina 84 - 87 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 8] ;

2.9.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2016, opgenomen op pagina 104 - 106 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 9] ;

2.10.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2016, opgenomen op pagina 115 - 116A (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 10] ;

2.11.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 december 2016, opgenomen op pagina 60 - 63 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 11] ;

2.12.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 december 2016, opgenomen op pagina 149 - 153 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 12] ;

2.13.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2015, opgenomen op pagina 24 - 26 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 1] , namens [dierenartsenpraktijk 1] ;

2.14.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 april 2016, opgenomen op pagina 43 - 45 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 2] , namens [dierenartsenpraktijk 2] ;

2.15.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 januari 2017 opgenomen op pagina 249 - 253 (map 1) van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 13] .

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 en 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juni 2018;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming met nummer LID/14-7-2016 09.00:CdJTDJS d.d. 28 juli 2017, inhoudende het relaas van verbalisanten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1.A., 1.B., 2.A., 2.B., 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

A.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2015 tot en met 26 januari 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, meerdere personen, te weten

- [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro, en

- [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld,

immers heeft verdachte in bovengenoemde periode telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde (ras)hond of hondenpuppy te koop werd aangeboden, en

- jegens die personen, die een gezonde hondenpuppy zochten, doen voorkomen dat verdachte en zijn medeverdachte een dergelijke gezonde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en herkomst, voor verkoop beschikbaar hadden, en

- bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs

of hondenpaspoort, getoond en overhandigd, en

- aldus zich voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper of bonafide verkoper van gezonde en raszuivere hondenpuppy's, waardoor die personen werden bewogen tot de afgifte van dat geld;

en

B.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juli 2016 tot en met 12 december 2016 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, en te Holwerd, in de gemeente Dongeradeel, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, te weten

- [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en

- [slachtoffer 6] heeft bewogen tot de afgifte van 700 euro, en

- [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en

- [slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 9] heeft bewogen tot de afgifte van 400 euro, en

- [slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, en

- [slachtoffer 11] heeft bewogen tot de afgifte van 450 euro,

- [slachtoffer 12] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, te weten een koopovereen-komst ter hoogte van 100 euro met betrekking tot de aanschaf van een hondenpuppy,

immers heeft verdachte in bovengenoemde periode telkens met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, meermalen telkens

- op de website www.markplaats.nl een advertentie geplaatst waarin een gezonde en gesocialiseerde hondenpuppy te koop werd aangeboden, en

- jegens die personen, die een gezonde en gesocialiseerde hondenpuppy zochten, heeft doen voorkomen dat verdachte een dergelijke gezonde en gesocialiseerde hondenpuppy, voorzien van bijbehorende bewijzen van gezondheid en/of herkomst, voor verkoop beschikbaar had, en

- bij gelegenheid van de verkoop van de hondenpuppy een vals inentingsbewijs of hondenpaspoort, heeft getoond en overhandigd, en

- aldus zich heeft voorgedaan als een professionele hondenpuppyverkoper of bonafide verkoper van gezonde en gesocialiseerde hondenpuppy's, waardoor die personen werden bewogen tot de afgifte van dat geld;

2.

A.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een vaccinatieboekje of inentingspaspoort, valselijk heeft opgemaakt door onder meer dat geschrift valselijk

- te voorzien van onjuiste en onvolledige vaccinatie- of inentingsgegevens en rasgegevens met betrekking tot een aangegeven/bijbehorende hond/hondenpuppy en

- te voorzien van een vals stempel en een valse ondertekening en een onjuist adres met betrekking tot de dierenartspraktijk of dierenkliniek die dat geschrift zou hebben opgemaakt, te weten - onder meer - [dierenartsenpraktijk 2] te Harlingen ( [dierenartsenpraktijk 2] ) en dierenarts [medewerker 1] of [dierenartsenpraktijk 1] te Rotterdam, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en

B.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 15 september 2015 tot en met 21 maart 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander, meermalen gebruik gemaakt van een vals of vervalste geschrift, te weten een vaccinatieboekje en inentingspaspoort, als ware het echt en onvervalst, bestaande die valsheid/vervalsing hierin dat dat geschrift was voorzien van onjuiste of onvolledige inentingsgegevens en een vals/onjuist dierenartspraktijkadres en een valse stempel en een valse ondertekening van een dierenarts of dierenkliniek, en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte of zijn medeverdachte dat geschrift telkens heeft getoond en aangeboden en overhandigd en verstrekt aan een koper van een hond/hondenpuppy bij verdachte en/of zijn medeverdachte, dan wel zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;

3.

hij in de periode van 1 september 2015 tot 12 december 2016 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, en te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., en te Drachten, in de gemeente Smallingerland, en te Holwerd, in de gemeente Dongeradeel, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk bedrijfsmatig gezelschapsdieren, te weten honden-puppy's heeft verkocht en ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft afgeleverd terwijl

- die activiteiten werden verricht in een inrichting die niet overeenkomstig artikel 3.8 Besluit houders van dieren was aangemeld bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en

- in de inrichting geen beheerder werkzaam was die in het bezit was van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting werden verricht, en

- er geen deugdelijke administratie werd bijgehouden van de dieren die in de inrichting verbleven;

4.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 11 mei 2016 tot en met 12 december 2016 te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., en te Holwerd, in de gemeente Dongeradeel, als houder van dieren, te weten hondenpuppy's, aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden, immers heeft verdachte

- op 11 mei 2016 te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., vijf honden gehuisvest in hokken/verblijven met gesloten zijden en zonder separate rust-/ligplaats, en aldus deze honden onvoldoende huisvesting en verzorging geboden, en

- op 17 mei 2016 te Kollum, in de gemeente Kollumerland c.a., twee honden gehuisvest in hokken/verblijven met gesloten zijden en zonder separate rust-/ligplaats, en aldus deze honden onvoldoende huisvesting en verzorging geboden, en

- op 1 juli 2016 te Holwerd, in de gemeente Dongeradeel, 21 honden gehuisvest in vuile en onhygiënische hokken/verblijven en zonder separate rust-/ligplaats en niet voorzien van schoon en vers drinkwater, en aldus deze honden onvoldoende huisvesting en verzorging geboden, en

- op 12 december 2016 te Holwerd, in de gemeente Dongeradeel, 25 honden gehuisvest in vuile en onhygiënische hokken/verblijven en zonder separate rust-/ligplaats, welke hokken/verblijven zich bevonden in een koude en vochtige omgeving, en niet voorzien van schoon en vers drinkwater, en aldus deze honden onvoldoende huisvesting en verzorging geboden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.A. Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

1.B. Oplichting, meermalen gepleegd.

2.A. Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

en

2.B. Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van het vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

3. Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren, opzettelijk meermalen gepleegd.

4. Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen begaan.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1.A., 1.B., 2.A., 2.B., 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte reclasseringsrapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft via marktplaats honden en hondenpuppy's aangeboden. Hij deed het daarbij voorkomen als was hij een professionele hondenverkoper, die puppy's verkocht die in goede gezondheid verkeerden. Daarbij schotelde hij de potentiële kopers voor dat de puppy's ingeënt en vrij van ziekten waren. De puppy's bleken echter allen een zwakke gezondheid te hebben, zodat de kopers vrijwel direct na de koop hoge dierenartskosten moesten maken. Meerdere hondjes zijn kort na de aankoop overleden Andere honden zijn nu nog steeds in behandeling bij een dierenarts. Verdachte kocht de puppy's veelal in bij een malafide handelaar uit Brabant. Deze handelaar importeerde de dieren onder andere uit Hongarije. Om te doen voorkomen dat de puppy's gezond waren, hebben verdachte en zijn medeverdachte vaccinatieboekjes of inentingspaspoorten aan de kopers overhandigd, waaruit moest blijken dat de honden waren ingeënt en klinisch waren onderzocht door een dierenarts, terwijl dit niet het geval was.

Verdachte had deze boekjes/paspoorten zelf voorzien van een vals stempel van een dierenarts en daarbij zelf een handtekening gezet.

Door de handelwijze van verdachte liepen de pups een verhoogd risico op ziekten zoals Parvo. Daarbij is ook gebleken dat een deel van de puppy's inderdaad besmet waren met Parvo. Deze ziekte is bijzonder besmettelijk en heeft vaak fatale gevolgen voor de hond. Het is dan ook niet zonder reden dat de wetgever daaromtrent regels heeft gesteld.

Verdachte heeft in 2016 meermalen controle gehad van de autoriteiten, waaronder de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming. Deze dienst heeft verdachte in 2016 meermalen op tekortkomingen gewezen met betrekking tot de huisvesting van de dieren.

Uit de controles bleek dat de huisvesting van de honden onvoldoende was, dat er geen of onvoldoende vers en schoon drinkwater aanwezig was en dat de dieren geen separate ligplaats hadden.

Met name in de door verdachte in Holwerd gehuurde loods was sprake van een abominabele toestand. Doordat de handel steeds grotere vormen aannam en verdachte steeds meer dieren kreeg, raakte hij de controle over zijn handel kwijt.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich weinig tot niets heeft aangetrokken van de aanwijzingen van de instanties. Ondanks de waarschuwingen is hij, zelfs nadat hem een last onder dwangsom was opgelegd, onverminderd doorgegaan met zijn handel. Het geldelijk gewin en luxere leven voerde bij verdachte de boventoon. Verdachte is bovendien niet uit eigen beweging gestopt met de handel. Pas met zijn aanhouding kwam er een einde aan de misstanden.

Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland volgt onder meer dat verdachte inmiddels een ambulante behandeling heeft gevolgd bij de GGZ Polikliniek. Deze behandeling is in september 2017 afgerond. Daarnaast heeft hij geruime tijd onder toezicht gestaan van de reclassering. Blijkens de risicotaxatie van de GGZ is sprake van een laag risico op recidive. De reclassering ziet dan ook geen aanleiding om aan verdachte een reclasseringstoezicht op te leggen met daarbij een meldplicht. De reclassering adviseert om aan verdachte een voorwaardelijke straf in combinatie met een werkstraf op te leggen.

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, alsmede met de omstandigheid dat hij intussen aan zijn problematiek heeft gewerkt en komt daarom tot een andere strafmodaliteit dan de officier van justitie, De rechtbank betrekt daarbij ook dat verdachte in zijn dagelijks leven hinder heeft ondervonden van het feit dat de zaak uitgebreid in de media is geweest.

De rechtbank zal, alles afwegende, verdachte veroordelen tot de maximale werkstraf.

Daarbij acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte een stevige stok achter de deur krijgt in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren, dit om recidive te voorkomen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1.016,82 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.052,90 ter vergoeding van materiële schade en

€ 5.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1.682,40 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 613,67 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
5. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 400,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
6. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 1.750,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

7. [slachtoffer 7] , tot een bedrag van € 315,60 ter vergoeding van materiële schade en € 500,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
8. [slachtoffer 9] , tot een bedrag van € 909,21 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
9. [slachtoffer 10] , tot een bedrag van € 358,69 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

10. [slachtoffer 12] , tot een bedrag van € 1.573,09 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen voor wat betreft de materiële schade. De officier van justitie heeft gevorderd tot afwijzing van de gevorderde immateriële schade met betrekking tot de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 7] , nu die vorderingen voor wat dat betreft dat deel onvoldoende onderbouwd zijn.

De officier van justitie vordert voorts de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] .

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.A. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schade-vergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] .

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij ter zake de schadepost "Aanschaf spullen pup" ad € 150,-- niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De raadsman is voorts van mening dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade ad € 5.000,-- moet worden afgewezen, nu dit niet nader onderbouwd is.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 902,90, bestaande uit "Kosten dierenarts en crematie" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.A. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de materiële schadepost "Aanschaf spullen pup", nu de vordering voor wat betreft dat deel onvoldoende onderbouwd is. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1.A. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van boosheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank zal dit deel van de vordering derhalve afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] .

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij ter zake de schadepost "Hema schadeverzekering" ad € 194,49 moet worden afgewezen, wegens ontbreken van het causaal verband met het bewezenverklaarde feit.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 1.487,91, bestaande uit "Kosten dierenarts en voer" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.A. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schadepost "Hema Schadeverzekeringen" afwijzen. De schade betreft betaalde premie voor een verzekering die geen dekking bood nu deze was afgesloten nadat de gezondheidsklachten van de hond zich hadden geopenbaard. De rechtbank is van oordeel dat, deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 4] .

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 613,67 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.A. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 januari 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd

en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte samen met zijn medeverdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte of zijn medeverdachte wordt vergoed.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] .

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 400,-- heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6] .

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij ter zake de schadepost "Dierenartskosten + crematie" niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 750,--, bestaande uit "Aanschaf pup" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde.

Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

Daarnaast heeft de benadeelde partij terzake "Dierenartskosten + crematie" € 1.000,-- gevorderd. Dit deel van de vordering is niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden.

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van partij [slachtoffer 7] .

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij ter zake de schadepost "Dierenartskosten", niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is.

De raadsman is voorts van mening dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade ad € 500,-- moet worden afgewezen, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 215,60, bestaande uit "Dierenartskosten (pinbetalingen)" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering voor wat betreft de materiële schadepost "Reiskosten" ad € 100,--, nu de vordering voor wat betreft dat deel onvoldoende onderbouwd is. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade ad € 500,-- gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn. Gevoelens van boosheid vallen niet onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank zal dit deel van de vordering derhalve afwijzen.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 9] .

De raadsman is van mening dat de vordering voor wat betreft de schadepost "Aanslag hondenbelasting" moet worden afgewezen", nu het causaal verband ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade tot een bedrag van € 842,70 bestaande uit "Aanschaf pup en Dierenartskosten" heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de schadepost "Aanslag hondenbelasting gemeente Hoorn" ad € 66,51 afwijzen, nu deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 10] .

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 358,69 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

Standpunt van de verdediging ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 12] .

De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade ad € 1.573,09 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1.B. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2.2, 2.7 en 8.11 van de Wet dieren en de artikelen

1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1.A., 1.B., 2.A., 2.B., 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.016,82 (zegge: duizendzestien euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 1.016,82 (zegge: duizendzestien euro en tweeëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 902,90 (zegge: negenhonderdtwee euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af voor wat betreft de immateriële schade. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 902,90 (zegge: negenhonderdtwee euro en negentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 18 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.487,91 (zegge: veertienhonderdzevenentachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 1.487,91 (zegge: veertienhonderdzevenentachtig euro en eenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 613,67 (zegge: zeshonderddertien euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 613,67 (zegge: zeshonderddertien euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 400,-- (zegge: vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 400,-- (zegge: vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 8 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 750,-- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 6] , te betalen een bedrag van € 750,-- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 215,60 (zegge: tweehonderdvijftien euro en zestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk is voor wat betreft de gevorderde reiskosten, zodat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade af. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] , te betalen een bedrag van € 215,60 (zegge: tweehonderdvijftien euro en zestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 842,70 (zegge: achthonderdtweeënveertig euro en zeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] voor wat het overige deel van de vordering af. Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 9] , te betalen een bedrag van € 842,70 (zegge: achthonderdtweeënveertig euro en zeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 10] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 358,69 (zegge: driehonderdachtenvijftig euro en negenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 10] , te betalen een bedrag van € 358,69 (zegge: driehonderdachtenvijftig euro en negenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.573,09 (zegge: vijftienhonderddrieënzeventig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 12] , te betalen een bedrag van € 1.573,09 (zegge: vijftienhonderddrieënzeventig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Agema, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2018.

Mr. Fransen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.