Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2719

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
18/114495-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering of diefstal? Valse sleutel? Toepassing artikel 9a Sr ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal.

Aandelenoverdracht. Vennootschappen. Holding. Verkoop werkmaatschappij. (voormalig) aandeelhouder.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/114495-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Jansen, advocaat te Roden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 mei 2016 te Assen, althans in Nederland, opzettelijk (een) geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 95.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer (bedrijf) 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als (voormalig) aandeelhouder van die BV en/of bestuurder van die BV, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 mei 2016 te Assen, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf de bankrekening van [slachtoffer (bedrijf) 2] (voorheen genaamd: [slachtoffer (bedrijf) 1]), te weten [rekeningnummer] heeft weggenomen (een) geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 95.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer (bedrijf) 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, door onbevoegd gebruik te maken van een hem nog ter beschikking staande bankpas en/of inlogcode(s).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet in de hoedanigheid van (voormalig) aandeelhouder de geldbedragen van in totaal € 95.000 rechtmatig onder zich had.

Het subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte en de deels bekennende verklaring van verdachte, zoals door hem afgelegd ter zitting.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen bewezenverklaring kan volgen van enig ten laste gelegd feit. Met betrekking tot het primair ten laste gelegde onderschrijft hij het standpunt van de officier van justitie. De raadsman is van mening dat het subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden, omdat verdachte niet het oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening van de bedragen. Voorts heeft te gelden dat de bedragen in het vermogen van [bedrijf 1] zijn terechtgekomen en nimmer in het vermogen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Uit het strafdossier en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren. [slachtoffer (bedrijf) 1] was een vennootschap die zich richtte op het ondersteunen en begeleiden van mensen met een beperking. Tot 31 december 2015 werden de aandelen in deze vennootschap gehouden door de besloten vennootschap [slachtoffer (bedrijf) 1] (hierna: [slachtoffer (bedrijf) 1]). De aandelen in [slachtoffer (bedrijf) 1] werden gehouden door [bedrijf 2] en [bedrijf 3] Deze beide vennootschappen vormden tevens het bestuur van [slachtoffer (bedrijf) 1]. Verdachte is bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 3]

De aandelen in [slachtoffer (bedrijf) 1] zijn op 31 december 2015 overgedragen aan de besloten vennootschap [slachtoffer (bedrijf) 2] heeft de werkzaamheden voorgezet onder de naam [slachtoffer (bedrijf) 2]. [slachtoffer (bedrijf) 1] is toen uitgeschreven als bestuurder en [slachtoffer (bedrijf) 2] is op voornoemde datum als bestuurder ingeschreven. Aangever, [slachtoffer 1], en [slachtoffer 2] zijn samen aandeelhouders van [slachtoffer (bedrijf) 2]

Op 25 mei 2016 heeft [slachtoffer 1], indirect bestuurder van [slachtoffer (bedrijf) 2]., aangifte gedaan van verduistering c.q. diefstal van een totaalbedrag van € 95.000. Dit bedrag is naar een rekening van [bedrijf 1] overgeboekt. Verdachte houdt alle aandelen in [bedrijf 1] en is directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap.

De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering dan wel diefstal.

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering. Verdachte was immers op het moment van de transactie geen (indirect) aandeelhouder dan wel bestuurder van [slachtoffer (bedrijf) 2]. meer. Niet kan worden gezegd dat verdachte uit dien hoofde de geldbedragen rechtmatig onder zich had. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vraag of verdachte de geldbedragen, van in totaal € 95.000, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte na de aandelenoverdracht op 31 december 2015 (ten onrechte) nog steeds kon beschikken over de rekening die toen ten name van [slachtoffer (bedrijf) 2]. was gesteld. Vervolgens heeft hij zich als heer en meester gedragen over een totaalbedrag van € 95.000, hetgeen hieruit blijkt dat verdachte -zoals hij ter zitting heeft erkend- voornoemd bedrag heeft overgeboekt naar [bedrijf 1] en daarna heeft doorgestort naar [naam]. Weliswaar zijn de bedragen in het vermogen van [bedrijf 1] terechtgekomen (en daarna in dat van [naam]), maar het is verdachte die feitelijk de wegnemingshandelingen, te weten de overboeking van de gelden, heeft verricht. Bovendien is verdachte (enig) aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] Het verweer van de verdediging dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft ontbroken wordt derhalve door de rechtbank verworpen.

Voorts is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte het geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, door onbevoegd gebruik te maken van een hem nog ter beschikking staande bankpas en/of inlogcode(s). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de steller van de tenlastelegging door gebruik te maken van het woordje “nog” kennelijk beoogd te stellen dat verdachte de overboekingen zou hebben verricht met een pas en inlogcode die hem (evenals de rekening zelf) ten onrechte nog ter beschikking stonden. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt echter dat verdachte het totaalbedrag met de bankpas en reader van [bedrijf 1] heeft overgeboekt, zodat verdachte van het gebruik van valse sleutels dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 26 juni 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

U vraagt mij of ik een totaalbedrag van € 95.000 vanaf de bankrekening van [slachtoffer (bedrijf) 2] heb overgemaakt naar een andere rekening. Ja, ik heb het geld van de rekening van [slachtoffer (bedrijf) 2]. overgemaakt naar [bedrijf 1] Vervolgens heb ik het geld doorgestort naar de rekening van [naam].

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 mei 2016, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2016150988 d.d. 7 juli 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben bestuurder bij [slachtoffer (bedrijf) 2]. Namens dit bedrijf doe ik aangifte van diefstal van geld.
Vandaag, woensdag 25 mei 2016, werd ik gebeld door onze boekhouder. Van de boekhouder hoorde ik dat van onze rekening1 een totaalbedrag van 95.000 was afgeschreven. Dit bedrag was in totaal naar een andere rekening overgemaakt. De ontvangende rekening staat op naam van [bedrijf 1] Dit is een bedrijf van [verdachte].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 25 mei te Assen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf de bankrekening van [slachtoffer (bedrijf) 2] (voorheen: [slachtoffer (bedrijf) 1]), te weten [rekeningnummer] heeft weggenomen geldbedragen van in totaal EUR 95.000 toebehorende aan [slachtoffer (bedrijf) 2].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair: diefstal

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - mocht verdachte veroordeeld worden voor enig feit - gepleit voor de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van in totaal € 95.000. Hij heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [slachtoffer (bedrijf) 2].
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de aandeelhouders van [slachtoffer (bedrijf) 2] BV zich niet hielden aan de (koop)overeenkomst met [slachtoffer (bedrijf) 1] en dat hij geen contact kon krijgen met hen. Dit veroorzaakte een gevoel van onmacht en radeloosheid bij verdachte. Door het geldbedrag uit de macht van [slachtoffer (bedrijf) 2]. te halen heeft verdachte willen bewerkstelligen dat de bestuurders van [slachtoffer (bedrijf) 2] alsnog het contact zouden herstellen en de overeenkomst zouden nakomen. Het handelen van verdachte was derhalve gericht op -in de woorden van verdachte- het maken van een ‘statement’.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat wat hier ook van zij, feit blijft dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Verdachte heeft ter zitting overigens zelf ook aangegeven dat hij inziet dat hij zó niet had moeten handelen. Daarnaast is ter zitting gebleken dat verdachte het weggenomen geldbedrag inmiddels geheel heeft terugbetaald aan [slachtoffer (bedrijf) 2]. en haar ook overigens heeft schadeloos gesteld. De rechtsorde is in zoverre dus hersteld. De rechtbank zal een en ander in het voordeel van verdachte meewegen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 september 2018. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest en derhalve gezien kan worden als first offender.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte meewegen dat het incident ruim twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en – na een tweetal aanhoudingen van de zitting door de politierechter - nu pas ter beoordeling aan de meervoudige strafkamer voorligt.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, met de verdediging en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat in dit geval het opleggen van een straf of maatregel geen toegevoegde waarde meer heeft. De rechtbank zal daarom bepalen dat aan verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9a en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat ter zake van het bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. R. Depping en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Kanhai, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juli 2018.

Mr. J.N.M. Blom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie de transactieoverzichten op pagina 83 t/m 85 van het strafdossier.