Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:268

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
29-01-2018
Zaaknummer
18/830448-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830448-16

ter berechting gevoegde parketnummers 18/820232-17, 18/830209-17 en 18/830210-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2016 in de gemeente Stadskanaal

tezamen en in vereniging met een of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een (vakantie)woning gelegen

aan [straatnaam] (bungalowpark [naam]), alwaar verdachte(n) zich buiten weten

of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer Ipads mini,

een Macbook Air (serienr [nummer]) en/of een laptop (merk/type Lenovo T26), in elk enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2.

(parketnummer 18/820232-17)

hij op of omstreeks 21 februari 2017 te Stadskanaal met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (kinder)fiets (merk. Gaytany

Jambo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

(parketnummer 18/830209-17)

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Stadskanaal met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer

85 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte

zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat

weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse

sleutel, immers heeft verdachte het geld gepind met de pinpas en/of pincode

van [slachtoffer 3] voornoemd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Stadskanaal, althans in Nederland een

hoeveelheid geld (ongeveer 85 euro), in elk geval enig goed, heeft verworven,

voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving

of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 december 2016 , te Stadskanaal, althans in Nederland, een hoeveelheid geld (ongeveer 85 euro), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Stadskanaal, althans in Nederland, met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

portemonnee, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 december 2016 te Stadskanaal, een goed, te weten een

portemonnee heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij

ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,

althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

(parketnummer 18/830210-17)

hij op of omstreeks 22 februari 2017 te Stadskanaal met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen, uit een woning gelegen aan de

[straatnaam],

een werktas en/of een laptop (merk: Packard Bell) en/of een t.v. (merk Sony

Bravia) en/of een i.d.kaart (op naam van [slachtoffer 4]) en/of een sleutelbos en/of

een fiets (merk Batavus) en/of drie, althans één spijkerjas(sen), in elk geval

enige goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Stadskanaal, een goed en/of goederen,

te weten een werktas en/of een laptop (merk: Packard Bell) en/of een t.v.

(merk: Sony Bravia) en/of een i.d.kaart (op naam van [slachtoffer 4]) en/of een

sleutelbos en/of een fiets (merk: Batavus) en/of drie, althans één,

spijkerjas(sen), in elk geval enige goederen heeft verworden, voorhanden

gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 februari 2017, te Stadskanaal,

althans in Nederland, een voorwerp, te weten:

een werktas en/of een laptop (merk Packard Bell) en/of een t.v. (merk Sony

Bravia) en/of een i.d.kaart (op naam van [slachtoffer 4]) en/of een sleutelbos en/of

een fiets (merk Batavus) en/of drie, althans één spijkerjas(sen), althans

enige goederen, heeft verworven en/of voorhanden gehad,

terwijl hij wist dat de voormelde voorwerpen geheel of gedeeltelijk -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder 4 ten laste is gelegd. Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1, 2, 3 primair en 5 primair ten laste is gelegd heeft de officier van justitie geconcludeerd dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, met dien verstande dat ter zake van het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden bewezen dat er sprake is van medeplegen. Van dit deel van de tenlastelegging dient verdachte naar het oordeel van de officier van justitie te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten. Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van dit feit kan komen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de opsporingsambtenaren hebben verzuimd verdachte de cautie te geven alvorens zij hem gerichte vragen stelden met betrekking tot diens vermeende betrokkenheid bij een strafbaar feit, te weten de diefstal van de kinderfiets. Nu hiermee een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate is geschonden, mede in aanmerking genomen dat de mededeling aan de verdachte dat hij niet verplicht is tot antwoorden noodzakelijk is ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, dient de verklaring van verdachte te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft aangevoerd dat het uitsluiten van verdachtes verklaring er toe leidt dat het onder 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen, nu het resterende bewijs niet volstaat. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu verdachte niet het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had. Verdachte verkeerde immers in de veronderstelling dat het de pinpas van een bekende betrof. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 3 subsidiair en onder 3 meer subsidiair ten laste is gelegd, heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat er op het moment dat de verbalisanten verdachte vroegen naar zijn betrokkenheid bij de diefstal van het kinderfietsje, reeds sprake was van een concrete verdenking jegens verdachte van het plegen van een strafbaar feit. Derhalve hadden de verbalisanten verdachte op grond van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de cautie moeten geven, alvorens zij verdachte deze vraag stelden. Nu verbalisanten dit inderdaad hebben nagelaten is er sprake geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van art. 359a van het Wetboek van Strafvordering. Aan deze schending van strafvorderlijke voorschriften, dient naar het oordeel van de rechtbank het rechtsgevolg te worden verbonden dat de resultaten hiervan in zoverre niet mogen bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde.

Het geven van de cautie is immers een essentieel onderdeel van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Een verdachte wordt in het hart van zijn verdediging geraakt wanneer verzuimd wordt hem te wijzen op zijn recht zich van antwoorden te onthouden. De verklaring van verdachte dat hij het kinderfietsje heeft weggenomen dient derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank is van oordeel dat zich voor het overige onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank acht dan ook niet wettig bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem van dat feit vrijspreken.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2016, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016177289 d.d. 11 oktober 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1].

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen. Verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 3 primair bewezen verklaarde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2018, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 18 december 2016 om 10.31 uur en om 10.33 uur heb gepind bij de Rabobank te Stadskanaal.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 december 2016, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016356415 d.d. 2 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik doe aangifte van de diefstal van een aan mij toebehorend geldbedrag van in totaal 85 euro. Op 18 december 2016 is er met mijn gestolen bankpasje van de Rabobank, voorzien van het bankrekeningnummer [nummer] op naam van [slachtoffer 3], gepind bij de Rabobank te Stadskanaal. Ik zag online dat er om 10.31 uur een bedrag van 70 euro was gepind en dat er om 10.33 uur een bedrag van 15 euro gepind was.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 februari 2017, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Ik kwam [verdachte] tegen bij een bank en hij was aan het pinnen. Hij vertelde dat hij een pinpas had gevonden en dat hij daarmee geld wilde opnemen. Ook vertelde hij dat hij bij een andere bank al wel geld had opgenomen met voornoemde pinpas.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de diefstal van een geldbedrag van 85 euro door voornoemd bedrag met de pinpas en de daarbij behorende pincode van aangeefster op te nemen bij een pinautomaat. De rechtbank acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de door hem gebruikte pinpas in eigendom toebehoorde aan zijn kameraad [getuige] en dat hij in ruil voor tien euro voor hem pinde, echter niet geloofwaardig. Niet alleen stond op de pinpas duidelijk de naam van aangeefster, maar ook de door verdachte afgelegde verklaring dat [getuige] hem de opdracht had gegeven om de bij voornoemde pinpas horende bankrekening 'leeg te trekken' en het feit dat verdachte vervolgens twee keer vlak na elkaar geldbedragen pint bij dezelfde pinautomaat, sterken de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte wist dat hij pinde met een gestolen pinpas. De rechtbank acht het evenmin aannemelijk dat verdachte tien euro zou krijgen voor het verrichten van een dergelijke -eenvoudige- vriendendienst.

De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 5 primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 februari 2017, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017047238 d.d. 24 februari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 juni 2016 in de gemeente Stadskanaal,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een vakantiewoning gelegen

aan [straatnaam] (bungalowpark [naam]), alwaar verdachte zich buiten weten

of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen IPads mini,

een Macbook Air (serienr [nummer]) en een laptop (merk/type Lenovo T26), toebehorende aan [slachtoffer 1];

3. primair

hij op 18 december 2016 te Stadskanaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 85 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft verdachte het geld gepind met de pinpas en pincode van [slachtoffer 3] voornoemd;

5. primair

hij op 22 februari 2017 te Stadskanaal met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, uit een woning gelegen aan de [straatnaam],

een werktas en een laptop (merk: Packard Bell) en een t.v. (merk Sony

Bravia) en een ID-kaart (op naam van [slachtoffer 4]) en een sleutelbos en

een fiets (merk Batavus) en drie spijkerjassen, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5];

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt

3. primair diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

5. primair diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapportage d.d.

19 december 2017. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in voornoemde rapportage. Indien de rechtbank van oordeel is dat naast voornoemde straf eveneens een onvoorwaardelijk strafdeel op zijn plaats is, verzoekt de raadsman verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die in duur gelijk is aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest, dan wel een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan een drietal vermogensdelicten. Het handelen van verdachte getuigt naar het oordeel van de rechtbank van het ontbreken van ieder respect voor andermans eigendommen en zelfs voor het recht van anderen om verschoond te blijven van inbreuken op de huiselijke levenssfeer. Verdachte heeft zich louter laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich geen enkele rekenschap gegeven van de overlast en ergernis die dergelijke feiten bij de gedupeerden veroorzaken.

De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en overweegt daarbij dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld en al eens een transactie heeft gehad voor een soortgelijk delict.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte, nadat hij in 2013/2014 door omstandigheden zijn huisvesting en inkomen is kwijtgeraakt, is vervallen in drugsgebruik en de situatie waarin verdachte dientengevolge verkeerde hoogstwaarschijnlijk ten grondslag heeft gelegen aan het plegen van de bewezen verklaarde feiten. Nu er in de tussentijd weinig verandering is gekomen in de situatie van verdachte, is het risico op herhaling volgens de reclassering nog onverminderd aanwezig. De reclassering adviseert derhalve om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in voornoemd rapport.

De ter terechtzitting aanwezige deskundige heeft bovenstaande bevindingen van de reclassering bevestigd en heeft voorts aangegeven dat er inmiddels in overleg met verdachte concrete plannen zijn gemaakt met betrekking tot onder andere zijn huisvesting en dagbesteding. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte deze concrete plannen op een negatieve manier zal doorkruisen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van zes maanden, geheel voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd van drie jaren. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zullen de in het dictum nader te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, die tot doel hebben het gedrag van verdachte te beïnvloeden en herhaling te voorkomen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht). De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie nu zij minder bewezen acht, en, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel is dat met voornoemde straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten.

Benadeelde partij

[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde, dient de vordering naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen nu de benadeelde partij geen enkel bewijs heeft geleverd van de hoogte van de geleden schade. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en onder 4 ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 primair en 5 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, Damsterdiep 271 te Groningen en zich daarna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich voor zijn verslavingsproblematiek laat behandelen door de Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en zich daarbij houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde gebruik maakt van het huisvestingsaanbod van JOJA of een soortgelijke instelling of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich daarbij houdt aan de huisregels en het dagprogramma zoals die instelling dat in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/830448-16, feit 5:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. S. Zwarts en mr C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 januari 2018.

Mr Krijger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.