Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:2624

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
09-07-2018
Zaaknummer
18/930159-15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:401
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte vrijgesproken van dood dochter door val van de balustrade van een flat te Hoogeveen. De rechtbank acht onvoldoende wettig bewijs aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2018, afl. 5, p. 230
PS-Updates.nl 2018-0569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930159-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I.V., huis van bewaring Nieuwersluis te Nieuwersluis.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
10 januari 2018, 29 maart 2018, 09 april 2018, 13 juni 2018, 14 juni 2018, 15 juni 2018,
18 juni 2018 en 25 juni 2018.

Verdachte is op de terechtzittingen van 13 tot en met 18 juni 2018 in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. O.F. Brouwer en mr. D. Homans-de Boer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 8 juni 2015 te Hoogeveen, in elk geval in de gemeente

Hoogeveen, [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met

dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- ernstig geweld op het lichaam van die [slachtoffer 1] uitgeoefend en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] gewurgd, althans de keel/hals van die [slachtoffer 1] dichtgeknepen en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] vanaf de tiende verdieping, althans vanaf een (grote) hoogte, van een flatgebouw (gelegen aan of bij [straatnaam]), naar beneden gegooid, althans doen of laten vallen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden

of medeplichtigheid aan voornoemd feit, door op enigerlei wijze opzettelijk behulpzaam te zijn geweest en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) en/of

(een) inlichting(en) te verschaffen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling van verdachte gevorderd voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag op haar dochter [slachtoffer 1] en wel tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van de tijd in preventieve hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie acht de impliciet primair ten laste gelegde moord niet bewezen, nu het levensdelict niet is gepleegd met voorbedachten rade. Daarnaast acht de officier van justitie de ten laste gelegde medeplichtigheid niet bewezen, aangezien het verdachte en zij alleen is geweest die de doodslag heeft gepleegd.

De officier van justitie heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

Op basis van het forensisch bewijs in combinatie met het feit dat de scenario’s “ongeluk” en “zelfdoding” niet aannemelijk zijn, is er voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het scenario “levensdelict” waarbij [slachtoffer 1], na te zijn verwurgd, over de reling is gegooid. Met betrekking tot het aannemelijk zijn van het scenario “levensdelict” wordt ook verwezen naar de overwegingen van de Hoge Raad in het arrest over de Venrayse moordzaak1. Het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd is, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, wettig en overtuigend nu verdachte alleen met [slachtoffer 1] in de woning was en er geen enkele aanwijzing voor de betrokkenheid van een derde is. Kort voor de val van [slachtoffer 1] heeft getuige [getuige 1] gehoord dat verdachte met [slachtoffer 1] in gesprek was. Daarna heeft getuige [getuige 1] een harde bons gehoord en korte tijd later heeft hij geluiden gehoord alsof er iets tegen of over de reling werd gegooid. Uit onderzoek van deskundige Rijken volgt dat [slachtoffer 1] is verwurgd voordat ze viel. Deze mogelijkheid wordt niet weerlegd door de deskundigen Soerdjbalie-Maikoe en Kubat. Er wordt geen geschreeuw gehoord. Verdachte wordt kort na de val op de galerij gezien. Zij vertoont daarbij bijzonder gedrag. Gebleken is dat verdachte op dat moment onder invloed was van een aanmerkelijke hoeveelheid alcohol. Verdachte had voorafgaand aan de val van [slachtoffer 1] last van oplopende spanningen. Er waren zorgen over de manier hoe verdachte met de opvoeding van [slachtoffer 1] omging; er dreigde zelfs een ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1].

De omstandigheden rondom de val van [slachtoffer 1] zijn zodanig dat een en ander prima facie als een levensdelict, gepleegd door verdachte, moet worden aangemerkt. Dit bewijs kan op zichzelf al als sterk genoeg worden beschouwd. Het zwijgen door de verdachte dan wel haar zeer summiere niet-verifieerbare verklaringen op essentiële onderdelen maakt dat de rechtbank daaraan overeenkomstig de geldende jurisprudentie consequenties mag verbinden. Het geeft nog meer steun aan het overtuigende karakter van het al aanwezige bewijs in deze prima facie zaak. Of, nog sterker omschreven en in de lijn van de jurisprudentie: daarmee ontstaat de definitieve overtuiging dat verdachte het strafbaar feit heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] is overleden door een levensdelict. Ook de scenario's “zelfmoord” en “ongeluk”, bijvoorbeeld door slaapwandelen, zijn niet uitgesloten op basis van de forensische rapportages, de deskundigenverhoren en de overige informatie in het dossier. De wijze van aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] kan immers ook passen bij een suïcide of een ongeluk. Tevens zijn de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] onvoldoende redengevend om enige betrokkenheid van verdachte bij de val op te baseren. Betrokkenheid daarbij wordt ook door verdachte ontkend. Met name de belastende verklaringen van de bovenbuurman [getuige 1] zijn niet zonder meer verifieerbaar waar het gaat om de datum en het tijdstip van de daadwerkelijke waarnemingen van het horen van de stemmen van verdachte en [slachtoffer 1], de bons en de geluiden van de reling. De verklaringen van deze getuige zijn té onbetrouwbaar en de inhoud ervan kan daarom op geen enkele manier worden gebruikt voor het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Aantreffen lichaam [slachtoffer 1]

Op 8 juni 2015 te 01.23 uur kregen verbalisanten de melding dat er een meisje onder aan de flat [straatnaam] te Hoogeveen lag. Om 01.36 uur constateerde een ambulanceverpleegkundige dat het slachtoffer was overleden.2 Het slachtoffer bleek te zijn [slachtoffer 1], wonende [straatnaam]. De moeder van het slachtoffer bleek te zijn [verdachte], wonende [straatnaam].3

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard4 die avond alleen thuis te zijn geweest met [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] ging gewoonlijk om 20.00 uur naar bed. Verdachte heeft haar tussen 21.30 en 22.00 uur nog naar de wc gebracht. Verdachte is tussen 00.00 en 00.30 uur zelf naar bed gegaan. Zij werd wakker van tocht en liep naar de slaapkamer van [slachtoffer 1]. Daar zag verdachte dat het slaapkamerraam openstond en [slachtoffer 1] niet meer in haar bed lag. Verdachte is vervolgens de flat uit naar de balustrade gelopen. Verdachte weet nog dat zij over de balustrade keek en dat zij haar dochter beneden op de stoep zag liggen.

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de val van [slachtoffer 1].

Toedracht overlijden [slachtoffer 1]

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld de toedracht te achterhalen van het overlijden van [slachtoffer 1]. Daarbij zijn verschillende scenario's mogelijk.

Is er sprake van een levensdelict, van zelfdoding of van een ongeluk (slaapwandelen)?

In het dossier bevinden zich diverse (forensische) rapportages. De conclusies van de rapportages zullen hierna -voor zover van belang- worden besproken.

- forensisch arts dr. H.G.T. Nijs heeft in zijn rapportage verklaard dat naar zijn oordeel mogelijk moet worden geacht dat [slachtoffer 1] in staat was om zelfstandig (en zonder eventueel hulpmiddel) over de desbetreffende balustrade te klimmen.5

De rechtbank concludeert hieruit dat zowel een levensdelict, als een ongeluk of zelfdoding in beginsel mogelijk zijn.

- er zijn rapporten6 uitgebracht door de arts en forensisch patholoog dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). In haar sectierapport van 6 juli 2015 heeft zij geconcludeerd dat er sprake is van letsels die bij leven zijn ontstaan in het kader van een hoogenergetisch trauma, zoals een val van een hoogte. Deze letsels hebben de dood veroorzaakt. Gezien de bloeduitstortingen uitwendig en inwendig in de hals en de puntvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van het rechteroog, kan doorgemaakt mechanisch geweld op de hals, als bijvoorbeeld verwurging, niet worden uitgesloten, al heeft dit niet tot de dood geleid. Alle letsels aan en in de hals kunnen echter ook goed worden verklaard door een val van een hoogte. Tevens heeft zij een aanvullend bericht7 uitgebracht. Dr. Soerdjbalie-Maikoe is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft verklaard bij haar uitgebrachte bevindingen te blijven. Alle geconstateerde letsels, ook de puntbloedingen in de ogen en de letsels bij de hals, kunnen door een val uit grote hoogte zijn ontstaan. De onderhuidse bloeduitstortingen bij de hals zijn bij leven opgelopen -tot uiterlijk enkele dagen voor de val- en hoeven niet te duiden op verwurging, maar kunnen zijn veroorzaakt door het dynamisch traject van de val.

- forensisch arts D.J. Rijken, werkzaam als wetsdokter bij de dienst Gerechtelijke Geneeskunde van het UZ Leuven, heeft twee rapporten8 en een aanvullend schrijven9 uitgebracht. Rijken heeft als deskundige -forensisch arts- zijn rapportages ter terechtzitting toegelicht. Hij heeft verklaard dat de puntbloedingen in de oogbindweefsels niet door de val, maar vóór de val zijn veroorzaakt. Deze puntbloedingen duiden op (poging tot) verwurging in samenhang gezien met de overige geconstateerde letsels, waaronder de vóór de val ontstane onderhuidse bloeduitstortingen in de hals.

- door prof. dr. B. Kubat, arts en forensisch patholoog, werkzaam bij het NFI en werkzaam als hoogleraar forensische pathologie in het MUMC, is op verzoek van de rechtbank een rapport10 uitgebracht. Prof. dr. Kubat heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer 1] leefde op het moment van neerkomen op de grond. In haar rapport komt ook zij tot de conclusie dat de puntbloedingen in de ogen en de inwendige bloeduitstortingen in de hals-nek regio door een val uit grote hoogte kunnen zijn ontstaan. De twee onderhuidse bloeduitstortingen aan de voorzijde van de hals/op overgang van hals naar borst kunnen naar haar oordeel echter niet worden verklaard door een impact tijdens of na de val. Deze letsels zijn sterk suggestief voor directe geweldsinwerking op deze plaats, waarbij gedacht kan worden aan samendrukkend geweld op de hals of gelokaliseerd botsend geweld op de plek van de bloeduitstorting. Ter terechtzitting heeft prof. dr. Kubat deze passage aldus toegelicht dat daarmee wordt bedoeld dat de twee, overigens kleine, bloeduitstortingen kunnen zijn veroorzaakt door verwurging, maar ook op een andere manier, waarbij te denken valt aan (aan)stoten. Deze letsels hoeven derhalve niet noodzakelijkerwijs bij uitsluiting van andere oorzaken zijn ontstaan door verwurging. Het is evenwel onaannemelijk dat deze letsels door de val zijn ontstaan. Omtrent de ouderdom van deze letsels valt niet te zeggen of ze van recent voor de val zijn, in elk geval zijn ze niet ouder dan enige dagen. Van de puntbloedingen in de ogen kan niet worden gezegd dat deze uitsluitend door verwurging kunnen zijn veroorzaakt. Deze kunnen ook andere oorzaken hebben.

- door prof. dr. E. Ottens, werkzaam als hoogleraar bewegingswetenschappen bij het UMCG, is ook gerapporteerd11 en hij heeft ter terechtzitting zijn bevindingen nader toegelicht. Bij de val moet er een impuls zijn geweest. Het kan gaan om een kleine duw of door afzetten met arm of been. Dit is niet gebeurd in staande toestand. Er kan geen uitsluitsel worden gegeven of een andere persoon de veroorzaker van de val moet zijn geweest. Er bestaat de mogelijkheid dat een uitstekend lichaamsdeel of uitstekende lichaamsdelen een lager gelegen balustrade heeft/hebben geraakt. Het kan dan gaan om hoofd, hals, armen of benen. Van een zogenoemde “passieve val” is geen sprake gelet op de afstand tussen de gevel van de flat en het massamiddelpunt van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1].

De rechtbank is op basis van de voornoemde verklaringen van de deskundigen dr. Soerdjbalie-Maikoe, prof. dr. Kubat en prof. dr. Otten -in onderling verband en samenhang bezien- van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat er een verwurging, dan wel een poging daartoe, heeft plaatsgevonden. Er zijn andere verklaringen mogelijk voor de geconstateerde halsletsels en puntbloedingen in de oogbindweefsels. De rechtbank verenigt zich in zoverre niet met de stellige conclusies op dit punt van deskundige Rijken.

De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Kubat, ook na uitvoerige discussie ter zitting, beargumenteerd bij haar standpunt is gebleven en zij gelet op haar curriculum als zeer deskundig en ervaren forensisch patholoog moet worden aangemerkt.

Aantreffen DNA-materiaal van verdachte

De rechtbank overweegt, met betrekking tot het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte12 ter plaatse van de linkeroksel op het t-shirt van [slachtoffer 1], dat dit kan zijn ontstaan toen zij [slachtoffer 1] die avond naar de wc heeft gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank geconstateerd dat er op het t-shirt geen DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen rond de hals.

Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] 13

Getuige [getuige 2] werd wakker in zijn slaapkamer. Het was een uur of één. Hij hoorde een geluid als een val van een zak met iets erin die in aanraking kwam met de grond. Hij is naar buiten gegaan naar de galerij en zag dat er een kind voor de flat lag. Hij heeft omhoog gekeken en zag dat er een vrouw naar beneden keek. Hij denkt dat zij op de 10e verdieping stond.

Getuige [getuige 3] was rond half twee ‘s nachts in zijn flat. Hij hoorde een harde plof aan de galerijkant. Hij dacht dat het een vuilniszak was. Hij is naar buiten gegaan en zag iemand liggen. Na 2 à 3 minuten hoorde hij een deur die openging van de noodtrap op de 9e of 10e verdieping. Hij zag een vrouw lopen op de galerij richting de lift.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] volgt, dat zij na het horen van een geluid, gelijkend op de val van een (vuilnis)zak, [slachtoffer 1] op de grond voor de flat hebben zien liggen. Kort daarna zagen ze een vrouw -de verdachte- op de galerij op de 9e of 10e verdieping.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voormelde getuigenverklaringen onvoldoende vast staat dat er sprake moet zijn geweest van een levensdelict gepleegd door verdachte.

Getuige O.P. [getuige 1]

Getuige [getuige 1], de bovenbuurman van verdachte en [slachtoffer 1], heeft op 22 mei 2017 verklaringen afgelegd bij de politie14 en op 21 december 2017 en 24 mei 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris. Hij heeft verklaard dat hij in de nacht van 8 juni 2015 tussen 00.00 uur en 01.00 uur is gaan mediteren in zijn slaapkamer, zoals hij gewoon is te doen vóór het slapengaan. Na een poosje hoorde hij zijn onderbuurvrouw enige tijd praten met haar dochter. Het was een rustig gesprek. Hij kon niet woordelijk verstaan wat er werd gezegd. De stemmen kwamen vanuit de zich recht onder hem bevindende slaapkamer van -naar hij aanneemt- de dochter. Toen hij al even geen stemmen meer hoorde, hoorde hij ineens een hele harde bons. Vijf tot tien minuten na deze bons hoorde hij dat er iets over de reling werd gegooid. Hij dacht dat het een vuilniszak was.

Getuige [getuige 1] heeft bij zijn in 2017 en 2018 afgelegde verklaring over hetgeen hij in de nacht van 8 juni 2015 heeft gehoord, aangegeven dat hij diezelfde verklaring ook heeft afgelegd in juni 2015, ten overstaan van twee politieambtenaren die in het kader van een buurtonderzoek bij hem thuis zijn geweest.

Door ir. A.R. Eisses, verbonden aan TNO te Den Haag, is als deskundige auditief onderzoek verricht in het appartement van getuige [getuige 1] (gelegen op de 11e woonlaag van flat [straatnaam]) en het appartement waar verdachte en [slachtoffer 1] woonden ten tijde van de val (gelegen op de 10e woonlaag van de flat). Conclusie van het onderzoek is dat een gesprek zoals dat door getuige [getuige 1] volgens zijn verklaring is gehoord in de slaapkamer van zijn appartement, afkomstig kan zijn geweest uit de onder zijn slaapkamer gelegen slaapkamer van het appartement van verdachte.15

De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen behoedzaam moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen als het gaat om de precieze data waarop gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden, waarbij op het moment dat deze gebeurtenissen plaatsvinden nog niet duidelijk was dat deze later van belang zouden kunnen zijn. Dit geldt temeer als het gaat om verklaringen van getuigen over gebeurtenissen die lang(er) geleden zouden hebben plaatsgevonden.

Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechtheid van de door getuige [getuige 1] op 22 mei 2017 ten overstaan van de politie en nadien bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen -welke verklaringen de rechtbank aanmerkt als onderling consistent-, is de rechtbank van oordeel deze onvoldoende zekerheid bieden om vast te kunnen stellen dat de gebeurtenissen waarover getuige [getuige 1] heeft verklaard (het gesprek tussen moeder en dochter, de bons, en de tikken tegen de reling), zich daadwerkelijk op die wijze hebben voorgedaan, en (vervolgens) dat die gebeurtenissen zich ook daadwerkelijk hebben voorgedaan in de nacht van 8 juni 2015.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat niet is kunnen worden vastgesteld dat getuige [getuige 1] zijn verklaring reeds in een eerder stadium, te weten tijdens het door de politie verrichte buurtonderzoek in juni 2015, op die wijze heeft afgelegd. Ook na uitgebreid politieonderzoek in 2017 is niet kunnen worden achterhaald of getuige [getuige 1] in juni 2015 tijdens buurtonderzoek is gehoord. In elk geval is geen proces-verbaal voorhanden van een in juni 2015 gehouden gesprek met getuige [getuige 1] en is

ook overigens in de politiesystemen geen enkele aanwijzing gevonden voor zo’n gesprek.16 De rechtbank tekent in dit verband voorts aan dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], in 2015 betrokken bij het (recherche)onderzoek als respectievelijk leidinggevende en tactisch coördinator, in 2017 hebben verklaard dat tijdens het buurtonderzoek in 2015 in elk geval de onder-, boven- en naaste buren zijn bezocht door politieambtenaren en dat zij er beslist van op de hoogte zouden zijn gebracht als er een getuige zou zijn geweest die melding had gemaakt van enig rumoer of lawaai in de bewuste nacht.17

Vervolgens is van belang dat de inhoud van de verklaring van getuige [getuige 1] over de gebeurtenissen in de nacht van 8 juni 2015 ook niet rechtstreeks wordt ondersteund door de aantekeningen die de maatschappelijk werkers [naam 1] en [naam 2] van hun gesprekken met [getuige 1] op respectievelijk 11 juni 2015 en 3 juli 2015 hebben gemaakt.18

Zo heeft [naam 1] in zijn gespreksverslag (van 11 juni 2015) vermeld: “Incident [straatnaam] besproken. Dit is de onderbuurvrouw. [getuige 1] had sporadisch contact met deze vrouw. Heeft bezoek gehad van de recherche over de zaak.” [naam 2] heeft in haar gespreksverslag (van

3 juli 2015) vermeld: “Sinds het meisje van de flat is gevallen, voelt hij de emoties van buurtgenoten.” Eerst uit het derde gespreksverslag dat zich bij de stukken bevindt (verslag van 11 april 2016), bijna een jaar na de val van [slachtoffer 1], volgt dat [getuige 1], ten overstaan van maatschappelijk werkster [naam 2], meer concreet heeft verklaard. Zo is in dat gespreksverslag vermeld: “Hij heeft moeder en dochter horen praten, er was geen ruzie. Wel ineens een klap en even later hoorde hij de railing. (Hij heeft dit besproken met de rechercheurs.) Omstanders noemden dat moeder volledig buiten zinnen was, maar hij heeft haar niet horen schreeuwen. (…)” Nu dit evenwel de weergave betreft van een eerst op 11 april 2016 gehouden gesprek, derhalve tien maanden na de gebeurtenis, komt naar het oordeel van de rechtbank aan (de weergave van) dit gesprek geen overwegende betekenis toe. Niet kan immers worden uitgesloten dat de herinnering van getuige [getuige 1] en daarmee hetgeen hij heeft verteld in dat gesprek, is ingekleurd door het tijdsverloop.

Onder deze omstandigheden, gelet op de te beperkt te staven steun voor de verklaring van getuige [getuige 1], is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat hetgeen getuige [getuige 1], volgens die verklaring, in de nacht van 8 juni 2015 heeft gehoord, daadwerkelijk door hem in die nacht is gehoord.

De rechtbank acht de verklaring van getuige [getuige 1] dan ook niet bruikbaar voor het bewijs.

Waardering van het bewijs

De rechtbank acht -op basis van voormelde deskundigenverklaringen- onvoldoende wettig bewijs voor verwurging van [slachtoffer 1] en/of het haar -al dan niet aansluitend- over de reling gooien of doen of laten vallen. Tevens geeft het op het t-shirt van [slachtoffer 1] aangetroffen DNA van verdachte geen uitsluitsel over betrokkenheid van verdachte bij de val van [slachtoffer 1]. Daarnaast kan de belastende getuigenverklaring van [getuige 1], naar het oordeel van de rechtbank zoals hiervoor weergegeven, niet voor het bewijs worden gebezigd. Overig forensisch bewijs ontbreekt.

Door de officier van justitie is betoogd dat het (deels) zwijgen van verdachte kan en moet worden meegewogen bij het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, nu het gaat om een zogenoemde “prima facie” zaak.

De rechter kan het (al dan niet volledige) zwijgen van een verdachte bij zijn bewijsoverwegingen betrekken. Dit kan aan de orde zijn, zoals ook de officier van justitie heeft gesteld, indien er sprake is van een omstandigheid die op zich of samen met andere bewijsmiddelen redengevend moet worden geacht voor het bewijs en verdachte hiervoor toch geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring geeft.

In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om langs deze weg het (gedeeltelijke) stilzwijgen van verdachte te laten bijdragen tot het bewijs.

De rechtbank acht gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende wettig bewijs aanwezig. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.

Benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij

De heer [slachtoffer 2], de vader van [slachtoffer 1], heeft zich, door tussenkomst van zijn gemachtigd raadsman mr. S.M. Diekstra, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van

€ 100.000,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, ter vergoeding van immateriële schade (shockschade).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat naar het oordeel van het Openbaar Ministerie een vergoeding van de schade aan de orde is. Daarbij zal het criterium redelijkheid en billijkheid moeten zijn. De officier van justitie is van mening dat de civiele vordering, bij wijze van voorschot, tot een bedrag van € 30.000,00 plus de wettelijke rente kan worden toegewezen, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en dat de vordering voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu er geen veroordeling kan volgen. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat, ook indien de rechtbank wel tot een veroordeling komt, de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden 9 juli 2018.

Beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. R. Depping en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2018.

1 Hoge Raad d.d. 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359

2 pagina 16 van map 2 van het dossier van de politie Noord Nederland, met nummer 2015162218, onderzoek Markab, NN3R015035, d.d. 20 november 2017 (hierna het PV)

3 pagina 30 van map 2 van het PV

4 afgelegd ter terechtzitting van 13 juni 2018

5 een deskundigenrapport afkomstig van het NFI, d.d. 31 augustus 2015, pagina 78 van map 2 van het PV

6 deskundigenrapporten afkomstig van het NFI, d.d. 6 juli 2015, pagina 46 van map 2 en d.d. 15 augustus 2017, pagina 231 van map 6 van het PV

7 een aanvullend bericht afkomstig van het NFI, d.d. 12 april 2018

8 deskundigenrapport Rijken Forensic Services, d.d. 28 september 2017, pagina 359, map 6 van het PV en d.d. 27 maart 2018

9 aanvullend schrijven Rijken Forensic Services, d.d. 24 mei 2018

10 inhoudende een commentaar op de uitgebrachte rapporten. Dit commentaar is afkomstig van het NFI, d.d. 18 mei 2018

11 een ongedateerd rapport, pagina 288 van map 6 van het PV en een e-mailbericht d.d. 24 juli 2017, pagina 304 van map 6

12 deskundigenrapporten afkomstig van het NFI, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, d.d. 3 juli 2017, pagina 112 van map 6 van het PV en d.d. 29 augustus 2017, pagina 122 van map 6

13 verhoren door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op 26 april 2018

14 pagina 88 van map 7 van het PV

15 verslag auditief onderzoek d.d. 6 juni 2018

16 proces-verbaal van bevindingen, 14 november 2017, pagina 361 van map 5 van het PV

17 proces-verbaal van bevindingen, 15 augustus 2017, pagina 262 van map 5 van het PV; zie ook verhoren van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken op 10 april 2018

18 proces-verbaal verhoor getuige [naam 2] op 22 januari 2018; proces-verbaal verhoor getuige [naam 1] op 29 januari 2018; gespreksverslagen van 11 juni 2015, 3 juli 2015 en 11 april 2016; proces-verbaal van bevindingen, 4 april 2018, over de gespreksverslagen